vrijdag 19 september 2014

Omnibus

Ze waren dat niet gewoon die twee, om zo intens te werken, zo hard in zo’n korte tijd. Daarvoor duurde de winter te lang, de herfst en de lente; al die uren, al die dagen, al die maanden waarin er niets te verdienen viel omdat er geen volk was en dus niets te doen; daarvoor duurde het zomerseizoen te kort, de tijd dat het in onze straat stroomde van ’t volk, hooguit twee maanden, eigenlijk maar een.
Mijn moeder kwam de winkel dan niet uit, daarvoor had ze de tijd niet. Ik zat in de woonkamer, van die winkel gescheiden door een deur waarachter ik haar kon horen boeren, telkens die weerkomende, langgerekte donder die uit haar verzuurde maag omhoog kroop als een dreigend onweer dat rommelend aanzwol om uiteindelijk in de klankkast van haar mond een ronde dondervorm te krijgen; een verzetsdaad waarmee ze haar ergernis kon uiten zonder die te moeten uitspreken. Ik schaamde me er in haar plaats voor en probeerde er niet naar te luisteren, tevergeefs. Mijn vader liep voortdurend op en af, van ’t atelier via de woonkamer waar ik in de zetel zat, naar de winkel, steeds weer met verse waar om wat daar verkocht was weer aan te vullen, en terug, hoekig, met grote passen, flapperend met zijn werkschort, snuivend, wat evenmin te negeren viel. Zo ging het eraan toe bij ons, in juli en augustus, zeker op zondagen; hooguit acht, waarin het geld voor een heel jaar verdiend moest worden; eigenlijk maar vier.
Ik wist wat me te doen stond, want van die dagen hing alles af. Ik moest me stilhouden, het hun niet moeilijker maken dan het was, vooral niet in de weg lopen, want die weg was op den duur zo glad, van ’t afval dat aan vaders schoenen bleef plakken, bloed, vel en vet, kippenlevers, slachtafval uit ’t atelier, dat je erop had kunnen uitglijden, zelfs die weg viel niet te negeren. Ik zat in de zetel, vlak bij de tussendeur, waarachter mijn moeder stond te boeren, naast de glibberige weg die mijn vader snuivend afliep, waardoor ik ook telkens in de tocht van dat deurgat kwam te zitten en daardoor uit mijn verhaal gerukt werd omdat die tocht niet te negeren viel, evenmin als die twee, zij met haar gedonder en hij met zijn gesnuif, en dan was er nog die gladde weg vol slachtafval waarnaar ik steeds moest kijken.
Ik had mijn benen opgetrokken opdat hij ruim de plaats zou hebben om zijn schort en zijn benen te laten flapperen, en ik las, om mezelf stil te houden, in een ouwe omnibus met harde kaft, een verzameling van het weekblad Robbedoes, alle nummers van die jaargang gebundeld, wat enige concentratie vroeg omdat ik zo’n verhaal moest zien te volgen door op ’t einde van de aflevering, die soms maar een bladzijde lang was, naar het volgende nummer in die omnibus te bladeren, en daar weer de draad op te pakken. Ik moest dat doen zonder dat ik me onderweg liet afleiden door alles wat ik op mijn zoektocht in die bundel tegenkwam, tekeningen, verhalen, raadsels en hun oplossingen, dingen die ook moeilijk te negeren vielen, waardoor ik soms de draad verloor en moest terugbladeren om die weer te vinden, en toen hoorde ik mijn moeder weer boeren en vroeg ik me af wat de klanten daarvan dachten en daarna trok mijn vader snuivend de tussendeur open, zodat ik weer in de tocht van dat deurgat zat, en toen ik, gestoord in mijn lectuur, naar hem opkeek zag ik iets in zijn ogen wat ik daar nooit eerder gezien had, toch niet in die mate. Hij bleef wijdbeens voor me staan, snoof twee keer na elkaar, trok de omnibus bruusk uit mijn handen en scheurde heel dat dikke boek middendoor.
Flor Vandekerckhove



Een reactie posten