donderdag 30 januari 2020

Kwajongens van de kunstscene


— Mark Stubbe (met Fez) en Christophe Olievier.
Beiden geïnspireerd door Doctor Who. —
Op de nieuwjaarsreceptie van kunstplatform Artslag leer ik Mark Stubbe en Christophe Olievier (*) kennen, twee schilders. Terwijl we kennismaken kijk ik om me heen en constateer dat er nogal wat verschil tussen de Artslag-leden bestaat: zondagsschilders en professionelen slaan elkaar zusterlijk op de rug; strenge dichters babbelen gezellig met producenten van karamellenverzen; in het achteroverslaan van een Keyte doen hobbyisten en doorgewinterde vakmensen voor elkaar niet onder … Terwijl ik nog aan ’t nadenken ben over de plek van Stubbe en Olievier in dat spectrum, vertellen de autodidacten me over hun voor september geplande, gezamenlijke expositie. Achter die tentoonstelling blijkt een merkwaardige gedachte te schuilen, die ze met aanstekelijk enthousiasme voor mij ontbloten.
Beiden zijn fan van de Britse sciencefictionserie Doctor Who, een cultureel fenomeen in het Verenigd Koninkrijk, maar evengoed ten huize Stubbe en Olievier, in zoverre zelfs dat het beiden inspireert tot een aantal schilderijen. Zelf ken ik de serie niet en Stubbe stuurt me een filmpje dat hem dermate toucheert dat hij er een, naar eigen zeggen, ‘Van Gogh-gekte’ aan overhoudt. Sindsdien ‘pasticheert’ hij tableaus van de meester waaraan hij een Doctor Who-touch toevoegt, zijn website leid je hier naar enkele voorbeelden. Ook Ollievier is er op zijn eigen manier al druk mee in de weer, voorbeelden vind je daar.
Huiswaarts keren doe ik met de tram en terwijl het landschap voorbijschuift bedenk ik voor Stubbe en Olievier een aparte categorie in het spectrum waarmee ik dit stukje vernuftig geopend heb.  De twee zijn waarlijk kwajongens van de kunstscene. Het kost me ook geen enkele moeite om daarna een passende foto van ’t net te halen dat mijn kwalificatie op overtuigende wijze bekrachtigt.
Flor Vandekerckhove


(*) Werk van Olievier heb ik op diens tentoonstelling in Creaflor Wenduine gezien (nog tot 2 februari). Ik had er iets over willen schrijven, maar dit stukje over de plannen van Olievier en Stubbe heeft er de plaats van ingenomen.


Lezers van De Laatste vuurtorenwachter krijgen het e-boekje gratis toegestuurd. Nu ook met een inleidend essay van Stefaan Pennynck. Mail erom: liefkemores@telenet.be  

woensdag 29 januari 2020

Jules Deelder: laat je fantasie de vrije loop


— J.A. Deelder (1944-2019) —
Op 19 december overleed Jules Deelder, dichter die je beter niet in huis kon hebben. Zo is er een youtubefilmpje waarin een oud-collega van de radio vertelt dat Jules Deelder daar indertijd een jazzprogramma verzorgde. Soms liet Jules zich niet zien of hij kwam wel, maar een kwartier te laat. Of hij verdween na een kwartier, om vervolgens niet meer terug te komen. Seks, drugs, rock ’n roll.
Ook meen ik te weten dat hij ooit Jimi Hendrix ontmoet heeft. Ik zoek het uit en verneem alzo dat Hendrix hem toen een briefje in handen stak: Let your mind and fancy roll on.  Dat heeft Deelder wel zeer ter harte genomen: zijn gedachten en fantasie de vrije loop laten.
Jules Deelder was veel dingen tegelijk, feit is dat hij de gave van het woord bezat. Ik blader in Vrijwel alle gedichten (°) en zoek iets uit waarmee ik hem kan memoreren. Mijn oog valt op een prozagedicht. Het laat me ietwat aan de poëzie van Charles Reznikoff denken, maar dan in een droogkomische variant. Een bende winkeldieven wordt op heterdaad betrapt. De vijf vrouwen torsen tassen vol gestolen waar. De winkeldetective houdt hen staande, waarna de situatie ontspoort: rake klappen, een politieagent krijgt glas in het oog, er komt een overvalwagen aan te pas. Het verhaal eindigt kurkdroog als volgt:
Op het politiebureau blijkt, dat het zestal deel
uitmaakt van een beruchte bende, die de Beemster
als basis heeft en die zich voornamelijk actief
toont gedurende de nachtelijke uren.

‘Dit was maar bijverdienste’, zeggen ze later.

En helemaal onderdaan de bladzijde staat dan de evidentie zelve: ‘Allen waren reeds eerder met de rechter in aanraking geweest.’ Het verhaal heeft de vorm van een gedicht, maar de inhoud kan woordelijk uit de krant komen. U kunt het hier volledig nalezen.
Flor Vandekerckhove



J.A. Deelder. Vrijwel alle gedichten. 2004. De Bezige Bij, A’dam. 824 pp.


Lezers van De Laatste vuurtorenwachter krijgen het e-boekje gratis toegestuurd. Nu ook met een inleidend essay van Stefaan Pennynck. Mail erom: liefkemores@telenet.be    

maandag 27 januari 2020

Mijn gemankeerde toekomst in la Flandre profonde

— Dashboard van de Ford Fairlane 500 Skyliner uit 1958. —   

Haar vader was dokter, een plattelandsdokter met aanzien en geld, en hij zag mij als potentiële schoonzoon wel zitten. Hij liet me met zijn Amerikaanse oldtimer rijden, een mooie, rode Ford Fairlane 500 Skyliner uit 1958. Aan zijn kennissen stelde hij me met zichtbare trots voor als de verloofde van zijn dochter, een anarchist voegde hij daaraan toe. Omdat ik dat een beetje belachelijk vond, legde ik de mensen daarna uit dat ik de vriend van zijn dochter was en marxist, correcties waarvan hij na enige tijd wel nota begon te nemen, waarna zijn introductie veranderde in minnaar en maoïst. Dat eerste mocht waar zijn, een maoïst was ik toch niet. ’s Zondags, na de mis, probeerde ik hem eens uit te leggen dat ik een antipapist was en in het dorpscafé zei hij tot zijn makkers: ‘Mijn schoonzoon is op goede weg, hij wordt sandinist.’ Ik bleef geduldig, want zoals gezegd, de man was rijk. Hij van zijn kant bleef hoorbaar worstelen met mijn identiteit en noemde me achtereenvolgens nog anticommunist, radencommunist, saloncommunist en marxist-leninist. Al die tijd bleef hij zichtbaar trots op me, zelfs in het stadium waarin hij me als ‘meesterslaaf mijner dochter’ voorstelde en serendipist. Hij wist evenmin als ik wat dat was, een serendipist, zei hij, toen ik hem ernaar vroeg, maar aangezien ook de voorgaande benamingen hem vreemd waren, speelde dat voor hem geen rol. Dat ging zo door tot op de dag dat ik, ’s avonds na de vespers, bij het vuur gezeten, onder het nuttigen van een glaasje absint, geduldig begon uit te leggen dat ik een trotskist was. Daar trok hij grote ogen van, hij vroeg: ‘Trotskist? Bedoel je pablist? lambertist? posadist? morenist? healist? Verenigd Secretariaat? Ben je van de richting van Arlette of van Krivine? Minderheid of meerderheid? Vierde Internationale of Vijfde? Vonk, LSP, SAP of RAL?’ Voor de vuist weg noemde hij daar alle nuances waaronder dat trotskisme in het verleden heden & toekomst te lijden had heeft & zal hebben, iets wat alleen kenners bij machte zijn te doen. Waardoor ik besefte dat de dokter veel meer wist dan hij ooit had laten blijken. Van ‘t schrikken moest ik pissen en terwijl ik dat ging doen overdacht ik de situatie. Ik besloot al gauw dat ik in een val van la Flandre profonde gelopen was. Via de achterdeur muisde ik ervanonder. Op ‘t erf startte ik de Fairlane en reed weg. Terwijl ik via landelijke wegen door de stukken reed, en daar een financieel onbezorgde toekomst achterliet, hoorde ik op de autoradio het nieuwsbericht van mijn overlijden: ‘De serendipist die zich De Laatste Vuurtorenwachter laat noemen is vannacht op de vlucht neergeschoten.’

Flor Vandekerckhove



— De dichtbundel is gratis voor de lezers van De Laatste Vuurtorenwachter. Het e-boekje wordt u op eenvoudige aanvraag toegestuurd: mail naar liefkemores@telenet.be

zaterdag 25 januari 2020

Huiselijke scènes (4)

(Foto Sid Grossman. 1939.)   
  
Charles Reznikoff (1894-1976) is dichter én jurist. Veel van zijn poëzie is gebaseerd op rechtbankverslagen. Op een meedogenloze manier detailleert hij in zijn gedichten waargebeurde feiten, gedocumenteerd in de rechtbank. Het zijn feiten die zich in de werkende klasse voordoen, bij vrouwen en kinderen, bij raciale en etnische minderheden, bij immigranten en kunstenaars, van wie velen in ellendige armoede leven. Ik heb hier en daar al gedichten uit Huiselijke scènes van Charles Reznikoff vertaald.
De foto die ik hier als illustratie kies is van Sid Grossman (1913-1955) die jonger is dan Reznikoff, later begint te werken, maar wel soortgelijke milieus portretteert.
Flor Vandekerckhove


Uit Charles Reznikoff. Testimony Volume 1 The United States (1885-1915) Recitative (David R. Godine/Black Sparrow Press, 2015)

donderdag 23 januari 2020

Schrijven na de goelag (°)

Heel het oeuvre van de linkse communist Varlam Sjalamov draait rond zijn kampervaringen in de goelag. Waarbij de schrijver een veelzeggende parallel blootlegt tussen de misdadigers van gewoon recht die daar de lakens uitdelen en het stalinisme: 
“In 1938 toen er tussen de leiding en de criminelen een haast officieel ’concordaat’ bestond, toen de criminelen tot ’vrienden van het volk’ werden verklaard, vond de hoogste leiding in de criminelen een wapen in de strijd tegen de ’trotskisten’, tegen de ’vijanden van het volk’ . Er werden zelfs (…) politieke cursussen voor de criminelen georganiseerd, waar instructeurs van de culturele sectie vertelden van hun sympathie voor de ‘criminelen’ en van de verwachting van de machthebbers, en hun hulp inriepen bij de kwestie van de vernietiging van de ‘trotskisten’. 'Deze mensen zijn hierheen gestuurd om vernietigd te worden, het is uw taak hierbij te helpen’, dat zijn de exacte woorden van Sjarov, een inspecteur van de culturele afdeling van de mijn ’Partizaan’, uitgesproken tijdens zo’n cursus in de winter aan het begin van 1938. De criminelen stemden volmondig toe. En of! Dat redde hun leven, en maakte van hen ’nuttige’ leden van de maatschappij. In de persoon van de ’trotskisten’ ontmoetten ze de door hen zo gehate intelligentsia.” (Varlam Sjalamov in Berichten uit Kolyma, p. 676)
— Varlam Sjalamov (1907-1982) —
Zo’n kampervaringen, zegt Sjalamov, vragen om een literatuur die aan nieuwe eisen voldoet. (°°) De bellettrie heeft afgedaan, zegt hij, de memoires van de betrokkenen nemen er de plaats van in. De literaire antwoorden kunnen niet langer komen van een schrijver die de dingen als ‘toerist’ beleeft. Alleen wie participeert heeft recht van spreken: ‘De schrijver is geen waarnemer, hij maakt geen deel uit van het publiek, hij neemt echter deel aan het grote levensdrama, maar niet als schrijver, niet in de rol van schrijver.’  
Het gaat wel degelijk om literatuur en niet om rapporten, stelt Sjalamov. Vergelijk het, zegt hij, met een voetbalmatch. Het is niet spannend om naar een voetbalmatch te kijken als je de uitslag al weet. Het is alleen de moeite waard als je het moment zelf kunt beleven, en dat is wat een literair verhaal doet.
Dat nieuwe proza hecht, dixit Sjalamov, veel belang aan bondigheid. Hij is dan ook niet erg te spreken over het soort literatuur waarmee Solzjenitsyn de kampervaringen beschrijft. Dat is hem te wijdlopig en te moralistisch. Het verschil is niet zomaar een kwestie van stijl. Solzjenitsyn kan volgens Sjalamov de verschrikkingen van de kampen niet correct beschrijven omdat hij de Siberische mijnen van Kolyma niet heeft meegemaakt.
Varlam Sjalamov neemt afstand van de canon:
‘Na Hiroshima, na Auschwitz, na het ieder-voor-zich van de Serpentine in Kolyma, na de revoluties en oorlogen weigert het nieuwe proza iedere didactiek. De kunst heeft het recht niet tot vermanen. Niemand is meer bij machte en niemand heeft het recht om lessen uit te delen, wat voor lessen aan wie dan ook. De kunst maakt de mens niet beter, zij veredelt niet. De kunst is een middel om te leven, niet om het leven te leren kennen…’
En ook hier:
 Na de retoriek van de moralist Tolstoj en het razende gepreek van Dostojevski waren er oorlogen, revoluties, Hiroshima en concentratiekampen, aangiften, fusillades. De lariks verzette de maatstaven van de tijd, maakte het menselijk geheugen beschaamd, bracht het onvergetelijke in herinnering.’
In het verhaal De zaak van de juristen staat een anekdote die me aan een andere laat denken. Enkele gevangenen worden aangeklaagd omdat ze bij ‘iets’ betrokken zouden zijn. Ze weten niet waarvan ze beschuldigd worden, maar ze weten dat het er niet goed uit ziet. Voor een keer is het geluk aan hun zijde. De ondervrager wordt zelf gearresteerd, waardoor alle geplande verhoren geschrapt worden. Het is iets wat tijdens Stalins terreur wel meer gebeurd is. Het overkwam bijvoorbeeld ook de componist Dmitri Sjostakovitsj, daarover publiceerde ik eerder Op het nippertje.
Flor Vandekerckhove

(°) Veel van wat hierboven staat komt uit twee documenten. Ten eerste een masterproef: ‘Šalamov en Kolyma: een historische en een literaire benadering. De scriptie voor de masterproef Charlotte D’haeyere’. Je kunt die hier downloaden. Ook heb ik veel hulp gehad aan een essay van Jacq Vogelaar in het tijdschrift Raster #88, 1999: Bij de verhalen van Varlam Sjalamov en dat staat daar. Zelf heb ik eerder al twee stukjes deze auteur gepost: Varlam Sjalamov: straffer dan Solzjenitsyn en Met Virginia Woolf naar de goelag.
Op 24 januari mag ik aan deze noot een stukje breien. Vlak nadat ik bovenstaand stuk post, biedt the Paris Review Weekly een bijzonder interessant essay over Sjalamov aan, o.m. handelend over diens contacten met Nadezhda Mandelstam. Alissa Valles: A slap in the Face of StalinismJanuary 21, 2020.

(°°) Misschien is dit wel de geschikte plaats om op te merken dat er ook een andere kampgevangene is, een uit nazikampen, die met dat probleem worstelt en er zijn eigen oplossing aan geeft: Jorge Semprún die op ’t einde van WO II in Buchenwald terechtkomt. Semprún zegt dat getuigenissen dan wel van vitaal belang mogen zijn voor historici, maar dat zo’n getuigenissen niet altijd exact betrouwbaar zijn en dat historici helaas nooit zo effectief zijn als romanschrijvers om de essentie van ervaring over te brengen. ‘Horror is zo repetitief,’ zegt hij, ‘en zonder literaire uitwerking kan men eenvoudigweg niet worden gehoord of begrepen.’ Daarom beweert hij: ‘De enige manier om horror voelbaar te maken is door een fictief oeuvre te construeren.’ (In the Paris Review, The Art of Fiction No. 192 / Issue 180, Spring 2007.)  
De beslissing van Semprún om fictie met geheugen te versmelten leidde tot een verhit debat in Frankrijk, waarbij critici hem ervan beschuldigden alle ooggetuigenverslagen ter discussie te stellen. De felste criticus van Semprún was Claude Lanzmann, regisseur van de epische documentaire Shoah, die beweert dat zijn eigen benadering - via directe getuigenissen - de enige legitieme methode is, en dat kunst en verbeelding geen rol kunnen spelen. Anderen vonden dat het onmogelijk was om onderscheid te maken tussen wat Semprún ervoer en wat hij uitvond: is Maurice Halbwachs, een bekende Franse socioloog, echt gestorven zoals het boek vertelt, in de armen van Semprún? Is Semprúns literaire techniek zelfverheerlijkend?


Met een inleiding van Stefaan Pennynck.
De lezers van De Laatste Vuurtorenwachter krijgen de bundel gratis aangeboden. Vraag ernaar bij liefkemores@telenet.be en het boekje wordt meteen verstuurd. 

dinsdag 21 januari 2020

Opdat lezers zouden begrijpen uit welke tijd ik stam


— Prof. Dr. L. Flam (rechts) voert een filosofisch gesprek 
met een van zijn volgelingen. (Eigen cartoon) —
In 1968 voltooi ik mijn laatste jaar in het college van Oostende en ik weet van toeten noch blazen. Zeker, de tv biedt een blik op de wereld, maar het kader waarin ik de dingen kan plaatsen is me te eng. Daar word ik me van bewust door Berquin, leraar Nederlands, die zich van zijn collega’s onderscheidt doordat hij tijdens de les uitgebreid de krant zit te lezen. Op die dag bericht die krant over gebeurtenissen die de geschiedenis ingaan als Mei 68. Als dat lesuur voorbij is laat Berquin zich vervangen door Plong, leraar wiskunde, en ik hoor die twee monkelen over een Parijse studenteneis om de examens niet langer te laten beoordelen door een prof, maar door een comité van studenten & arbeiders. Daar moeten de heren om lachen, maar ik denk: godver, wat the fuck is er in de wereld aan ‘t gebeuren? (Alhoewel ik wellicht niet lichtzinnig de naam van God uitspreek en evenmin what the fuck zeg omdat die uitdrukking nog niet tot ons gekomen is.)
Om de dingen in een ietwat breder kader te plaatsen begin ik op de tv naar de uitzendingen voor derden te kijken. Mijn ouders zijn dan naar bed en ik zit rustig in vaders zetel, (stiekem) een pilsje ter hand, naar bijvoorbeeld de uitzending van het Humanistisch Verbond te kijken. Daarin krijg ik meteen sympathie voor Jaap Kruithof die kettingrokend de hele boel afbrandt. Kruithof is daar een vaste waarde, maar soms heb ik pech en dan wordt het scherm ingenomen door een groep volgelingen van ene Flam. Van die gesprekken begrijp ik niets.
Ik maak een sprong voorwaarts in de tijd en je ziet me op een rommelmarkt voor vijf frank een oud boek verwerven dat Denken en existeren heet, geschreven door, jawel, Prof. Dr. L. Flam. (°) Dat maakt nu al vele jaren deel uit van mijn indrukwekkende collectie ongelezen boeken. En vandaag trek ik ermee naar het boekenruilkastje om het daar achter te laten, weliswaar niet voordat ik er een vluchtige blik in werp. Mijn oog valt op een van Flams stellingen die zegt:
‘De relatie van de vrouw tot de man is die van het geluk. Indien een vrouw er niet in slaagt een man gelukkig te maken, heeft ze als vrouw gefaald. Doorgaans heeft zelfs een vrouw die een man jarenlang ontmoedigde, tegenwerkte en ongelukkig maakte, een satanisch karakter, in elk geval is ze geviriliseerd. Veel vrouwen hebben grotendeels mannelijke neigingen, zonder daarom op te houden vrouw te zijn.’
En op het scherm zitten die mannen daar dan een beetje over te filosoferen, tot het weer eens tijd wordt om naar bed te gaan. Dat boek werd uitgegeven in 1964, zie ik. Het citaat geeft u een idee uit welke tijd ik kom.
Flor Vandekerckhove


(°) Prof. Dr. L. Flam. Denken en existeren. 1964. Wereldbibliotheek NV A’dam/A’pen. 437 pp.



zondag 19 januari 2020

Ik Ben De Walrus Koe Koe Ke Sjoeb

— In afwachting dat Dimer Geedts er zijn pianomuziek aan toevoegt heb ik er al een voois op geplaatst: klik hier !  (Achtergrondfoto Yvan Mahieu) —   


Aan Tania

De Laatste Roodharige Punkster volgt een seminarie in Diksmuide en heeft
Daar ten behoeve van haar Laatste Vuurtorenwachter een hotelsuite
Gehuurd van waaruit ik nu mijn Laatste Vuurtorenlamp op een Franse tuin
Laat schijnen die symmetrisch en geschoren neerwaarts eindigt in de IJzer.

Acht uur lang beschijnt mijn Vuurtorenlamp in Diksmuide die Franse tuin
En acht uur lang gebeurt er niets en acht uur lang maak ik de bedenking dat
Een Engelse tuin dan toch te prefereren valt omdat ’s mensenhand daarin
Valselijk verdoezeld wordt met romantiek en asymmetrie en onevenwicht.

Truken uit de trukendoos die  in zo’n Engelse tuin dingen doen gebeuren
Wat niet gezegd kan worden van zo’n Franse in Diksmuide
Waarop ik al acht uur lang mijn Laatste Vuurtorenlamp laat schijnen
In de hoop dat ik iets ontwaar dat het verlichten/verdichten waard is.

Net voor ik teleurgesteld door wat niet komt de boeken dichtgooi en
Mijn Laatste Vuurtorenlamp wil uitknippen om hem op te bergen in
De vuurtorenkist die ik van zee naar Diksmuide heb meegesleurd
Zie ik hoe de IJzer plotsklaps een merkwaardige golfslag produceert.

Meteen richt ik er mijn lamp op en mijn Laatste Vuurtorenlicht schijnt nu
Ten volle op de plek waar de IJzer de Franse tuin onverwachts overspoelt
En ik zie tot mijn verbazing dat een dier zich uit het water worstelt waarin
Ik in mijn verwarring een Franse-tuinenzeehond meen te herkennen.

Maar dan zie ik dat het dier twee slagtanden heeft van een meter lang
En snorharen die mij aan deze van meneer Pheip doen denken en
Ik lieg niet als ik zeg dat ik nooit eerder in mijn leven zo’n groot waterdier
Gezien heb dat met vervaarlijk grote flippers recht op me afstevent.

Geoefend als ik ben trek ik bliksemsnel De Laatste Vuurtorenlamp uit
Het snoer waardoor de Franse tuin in Diksmuide en ook de IJzer
In een duister komen te staan van het type waarvan men terecht
Zegt dat het het soort duister is waarin echt van alles kan gebeuren.

En dit is wat mij daar in die suite van dat hotel in Diksmuide overkomt
Aan het raam dat uitkijkt op een Franse tuin die symmetrisch neerwaarts
Eindigt in de IJzer waaruit ik zojuist een dier heb zien komen waarin
Ik eerst ten onrechte een Franse-tuinenzeehond meende te herkennen.

We staan oog in oog met elkaar dat beest van wel drie meter lang met
Slagtanden van een meter en ik met alleen maar mijn gedoofde lamp en
‘t Mag pikkedonker zijn toch weten we dat we oog in oog staan en alleen
Gescheiden worden door dubbel glas weliswaar maar toch alleen maar glas.

Dan hoor ik hoe het beest met zijn slagtanden van een meter lang
Zachtjes klop klop tik klop op het vensterraam tikt in een ritme dat me
Niet onbekend is maar dat ik gezien de spanning die de situatie oproept
Niet thuis kan brengen hoezeer mijn hersenen dat ook proberen.

En dat beest van drie meter lang met slagtanden van welhaast
Een meter en een snor zoals meneer Pheip en flippers waarmee hij
Snel beweegt blijkt een extreem lieflijke stem te hebben waarmee hij
Zachtjes neuriënd tot me zegt Ik Ben De Walrus Koe Koe Ke Sjoeb.


Flor Vandekerckhove




— U kunt er waarlijk ook naar luisteren: klik hier !  —   

vrijdag 17 januari 2020

Mond op mond


Een vrouw met een opvallend rode mantel zijgt plotsklaps ineen. Miss Piggy stapt over haar heen, maar ik niet. Ik begin meteen te beademen, mond op mond, exact zoals ik het Humphrey Bogart met Ingrid Bergman in Casablanca zien doen heb. Miss Piggy sist kwaad: ‘We gaan onze trein missen’, maar ik doe gewoon voort. ‘Gij godverdomse geilaard’, roept Miss Piggy nu luid, ‘denkt ge dat ik jullie niet doorheb?’ Intussen staan wel tien, twintig mensen om ons heen, die met minachting naar Miss Piggy kijken en mij aanmoedigen om ermee door te gaan. Uiteindelijk begint de vrouw in ’t rood weer te bewegen. Iedereen haalt opgelucht adem en elkeen stapt verder, zo ook Miss Piggy en ik. We halen nog net de trein. Heel de treinreis door blijft Miss Piggy mokken en heel de tijd denk ik aan de vrouw met de rode mantel die me getongzoend heeft ten teken dat de beademing mocht ophouden. Zo komen we, miss Piggy en ik, elk verzonken in onze eigen gedachten, eindelijk ter bestemming aan. Op het perron vervoegen we de stroom passagiers richting uitgang. In de massa merk ik meteen de vrouw met de rode mantel weer op. Ze kijkt zoekend om zich heen. We naderen en wanneer ik vlak achter haar loop zijgt ze plotsklaps ineen. Miss Piggy stapt over haar heen, maar ik niet.

Flor Vandekerckhove



Mail erom, met de titel: liefkemores@telenet.be



dinsdag 14 januari 2020

Naar de matinee achter de wolken

— Zelf ga ik kijken naar de matinee voor 65-plussers, ben ik ’s avonds op tijd weer thuis, dat hebben mensen van mijn leeftijd graag. —

Het heeft z’n charmes: je groeit op in een dorp, daarna woon je zo’n beetje overal en op hoge leeftijd keer je weer naar dat dorp. Dan zie je hoeveel er veranderd is en je ziet ook wat hetzelfde blijft. Je loopt oude bekenden tegen ’t lijf, makkers waarmee je de schoolbanken gedeeld hebt en die je daarna uit het oog verloren bent, en je ziet waarmee ze zich onledig houden.
— Bert Tas en Erik Poppe in 1959.
Bert (onderaan) zingt 61 jaar later nog altijd.
Erik (bovenaan) acteert vandaag nog steeds. —
Bert Tas en ik hebben met elkaar gemeen dat we als knaap een engelenstem hebben. Ik herinner me dat we, tien-, elfjarig als we zijn, samen in de nachtmis van kerstdag, pal naast het orgel ­— ereplaats! — in duo Adeste fideles zingen. Voor mij is dat meteen het eindpunt van mijn zangcarrière, niet zo voor Bert! Terug in Bredene zie ik dat hij tot vandaag in koren zingt. En in kerken, want ’t is bij Tas zoals bij Guido Gezelle: ‘(…) dat kruiske, ’t is geschreven / diep mij in den kop gebleven (…)’
Met de schoolmakkers van weleer zet ik mijn eerste stappen op de planken. Voorstellingen zijn er n.a.v. het naamfeest van de pastoor. Of als steun aan een vereniging die De vrienden van Lourdes heet en die tot mijn verwondering nog altijd bestaat. Van ’t verschot heb ik die Vrienden in een nieuw gedicht verwerkt: Klaagzang aan boord van de never-ending-tourbus. Wie dat leest zal zien dat ik, atheïst en al, nog altijd sporen van dat katholicisme draag.
Dat doet Erik Poppe nog iets meer dan ik. Samen hebben we onze eerste stappen op de planken gezet, en wel als De Zingende Vrienden van Lourdes. De naam is onzeker, maar het optreden niet, daar is fotografisch bewijs van en dat staat hier. Erik, die — dat is al bij de start duidelijk — meer acteurstalent heeft dan ik, staat nog altijd op de planken. Neen, niet bij Boontje, want dat is een ‘Progressieve Toneelkring’, maar bij De Klisse die aan ‘de toneelzaal van de paster’ ontspruit. Veranderd is wel dat de voorstellingen nu in het Staf Versluyscentrum doorgaan. Poppe heeft daar nu een rol in Achter de wolken. (°) Zelf ga ik kijken naar de zondagmiddagvoorstelling voor 65-plussers, dan ben ik ’s avonds op tijd weer thuis, dat hebben mensen van mijn leeftijd graag. Lang leve de traditie van de matinee!
Flor Vandekerckhove


(°) Achter de wolken. Toneel De Klisse. Staf Versluyscentrum Bredene. Auteur Michael De Cock; regie Karl Leroy; acteurs An Maes en Erik Poppe. Vrijdag 7 en zaterdag 8 februari, 20 u. 9 €. — Zondagmiddag 9 februari, 14.30 u: 65+: 7 €.