zondag 25 november 2018

Van het ene rusthuis naar het andere


Op de foto, in wijzerzin, startend bovenaan links, alles onder voorbehoud: 
Alice Vandekerckhove, Hélène Devriendt, Josée Boncket, het kindje is 
Jenny Vandekerckhove, het vijfde personage is Elsa Devriendt.
 Ik zoek nog een jaartal.
Van mijn almaar toenemende lichamelijk verval heb ik u eerder al op de hoogte gebracht. Daar hebt u, schuddebuikend van het lachen, vernomen hoe mijn joggingschoenen nu in ‘t kot kobbenetten staan te vergaren.
In plaats daarvan ga ik wandelen, zoals het oude mensen betaamt. Ik heb verschillende parcours: naar de bib in Oostende via de overzet (6,5 kilometer); terugkeren via ’t bosje: 7,2 km.; naar ’t hotel van mijn vriendin in De Haan: 5,3; tot Zwarte Kiezel (8,560), molen Hubert (10,910), tramstation Blankenberge: 17 km.
Bij voorkeur wandel ik met een doel, bijvoorbeeld: rust- en verzorgingstehuis Jacky Maes. Daarvoor maak ik een lange omweg. Op ‘t einde van die tocht bezoek ik mensen die nog ouder zijn dan ik; mijn wekelijkse goede daad. Op die omweg passeer ik telkens Westerhauwe, een ander rusthuis, want mijn gemeente heeft er verschillende. (Bredene: zijn duinen, zijn naaktstrand, zijn rusthuizen.) Daar resideert tante Alice. 
In dat Westerhauwe heb ik tante Alice nooit bezocht, eerst omdat zij tal van kinderen heeft die dat al doen, later omdat men zegt dat ze me toch niet meer zal herkennen, en in beide gevallen omdat ik niet zo’n familiemens ben. Maar nu ik daar regelmatig passeer begint er iets te knagen, in toenemende mate nog wel. ’t Gelijkt op op een hongertje, in combine met een beetje stress, gelardeerd met een vleugje lichte kater. Nooit eerder meegemaakt, toch niet tijdens ‘t wandelen. Opeens valt mijn frank: Godver, zeg ik, ’t zal mijn geweten zijn! 
Overmand door wroeging heb ik nu ook tante Alice in mijn wandeldoelen opgenomen. Ik moet nog uitrekenen hoeveel kilometer dat over en weer bedraagt.
En kijk, een halve dag later kan ik u dit al meedelen. Het is met schroom dat ik haar kamer betreed, want ik zie mijn familie eigenlijk alleenlijk nog op begrafenissen (als men niet vergeet me uit te nodigen, want ook dat gebeurt). En in tegenstelling tot wat je uit al het voorgaande zou vermoeden, hebben we daar een goed gesprek gehad, tante Alice en ik. Over vroeger uiteraard. Over pension ’t West; over Jenny C. in dat andere rusthuis; over nonkel Miel en tant’ Uche; over Fernand B. die ik van zijn zoon niet meer mag bezoeken; over Georgette Vandekerckhove waarvan Alice nog weet dat die als kind in Oudenburg woonde; over moeder Zoë en hoe streng die was, iets wat we ons beiden goed herinneren. Over hoe Alice als kind op ’t strand een ezel begeleidt die met toeristenkindjes rondrijdt en hoe dat naadloos overgaat op de strandcabines die zij daar vele tientallen jaren later verhuurt. Tante Alice mag dan veel vergeten zijn, maar dat laatste wist ze nog goed. Wel was het al uit mijn eigen geheugen ontsnapt.

Flor Vandekerckhove
Een reactie posten