zondag 6 juli 2014

Dit is Vlaanderen


Een mens vraagt het zich af. Wat moeten we met al die kunstenaars aanvangen? En elk jaar komen er ook nog eens honderden bij: schilders, cineasten, architecten, musici, beeldhouwers, fotografen… Dat zijn niet bepaald knelpuntberoepen. Heeft dit land al die artistieke ijver wel nodig? Hoe gaan die mensen trouwens in hun levensonderhoud voorzien? Geraakt de markt niet oververzadigd? Waar moeten we al die schilderijen ophangen?
En dan stoot je onverwachts op een beeld dat al die middenstandsvragen in één beweging wegveegt. Tabula rasa! Je staat oog in oog met een meesterwerk. En wat je beseft is dit: aan dat meesterwerk zijn er honderden voorafgegaan, zowel meesters als werken, waarbij je dacht al die vragen te mogen stellen. Onterecht, want je weet op dat moment, als bij toverslag, dat al ‘t voorgaande onmisbaar geweest is om tot dit ene werk te komen.
Het is Jo Clauwaert die me de foto opstuurde, een beeld in de grindbakken (*) van Dok Noord in Gent. We zien de bende van Bart De Wever in zwart & wit het V-teken maken. De arrogantie van de centrale figuur is even groot als zijn overwinning. Dit is het beeld van de zegevierende Vlaamse burgerij. En op de voorgrond, eveneens centraal, daar waar die burgerij graag de Vlaamse leeuw ziet flapperen, staat een ander leeuwtje. Daar heeft de kunstenaar het alom bekende embleem van Delhaize afgedrukt, maar daaronder staat niet de naam van die warenhuisketen, maar Malhaize, een samentrekking van Delhaize en malaise, een duidelijke verwijzing naar de 2.500 jobs die in die winkels door de concurrentiestrijd verloren gaan. Dat is het landsdeel dat het in het discours van de middenklasse weggemoffeld wordt. Dat is het Vlaanderen van de arbeidersklasse. Het totaalbeeld, de bende bovenaan en het embleem eronder, laat ons dit land zien zoals het is, het Vlaanderen van de tegenstellingen. Voorwaar, voorwaar, kunstenaars die erin slagen op die manier hun land & tijd vast te leggen mogen waarlijk groot genoemd worden.
Ik ben ernaar op zoek gegaan. Die kunstenaars heten Yvic Fiers (**) en Encq (***). Zij maken deel uit van het collective narcissique waarin elk zijn eigen talent heeft. Over dit specifieke werk zegt Yvic: ‘Encq en ik hebben enkele dagen over en weer gemaild rond het idee om iets te doen op Tuupe (het festival in de grindbakken). Dan zijn we begonnen met  fotoshoppen, printen en het sjabloon uitsnijden. Het is gemaakt door met een spuitbus witte verf te spuiten over een sjabloon van drie meter op twee, tegen een zwarte achtergrond.’ En over de inhoud zegt hij dit: ‘Inhoudelijk spreekt het werk voor zich, denk ik. N-VA is uiteraard niet rechtstreeks verantwoordelijk voor wat bij Delhaize gebeurt, maar die partij promoot wel het ondernemerschap als dat van Delhaize, inclusief miljoenenbonussen, saneringen, herstructureringen en het bijhorende jobverlies. Onrechtstreeks draagt de N-VA dus bij tot de malaise die hierdoor gecreëerd wordt.’ Wellicht kun je dat ook wel van andere partijen zeggen, maar Encq en Yvic pakken terecht de grote winnaars aan. Aan zo’n kunstenaars heeft deze natie wel degelijk veel behoefte, knelpuntberoep of niet.


Deze post dateert van 2014. Het beeld wordt weer actueel in 2023, ik plaats het nu weer onder de aandacht. Dat maakt uiteraard wel dat de hierna volgende verwijzingen verouderd zijn.

(*) Over het project Grindbakken: http://www.sogent.be/projecten/afgewerkte-projecten/oude-dokken-grindbakken

(**) momenteel loopt er, nog tot eind juli, een tentoonstelling van Fiers’ werk in Restobar Charlie, Oudburg 15, 9000 Gent. Werk is ook te zien op zijn website: http://www.yvicfiers.com. Wie Yvic Fiers zelf wil aanschouwen kan dat in een aflevering van Café Corsari: https://www.youtube.com/watch?v=nqXz1QdOe-Y

(***) Voor Encq: zie www.encq.be

zaterdag 5 juli 2014

Lees De Rode Kut

In Oostende wordt de VFP opgericht. Van links naar rechts: Nelly Voets (staand), Yvette De fraeye, x, Lea Pynaert, Annie Vanhee, Landi Vanrenterghem, x, Veerle Vanmaercke (staand), x, Raf De Boever, x.


DE JAREN ZEVENTIG van de vorige eeuw. Zo gaat het eraan toe, zij het daarom niet in dezelfde volgorde. Iedereen leest De schaamte voorbij van Anja Meulenbelt. Vanuit Oostende krijg ik een telefoontje waarin een makker me meedeelt dat onze vriendin Annie Vanhee aldaar medestichter geworden is van de VFP, Verenigde Feministische Partij. In Gent is mijn echtgenote dan weer toegetreden tot Dolle Mina ('Vrouwen vooruit! Voor een klassenloze maatschappij!') In de stad spot ik mijn kameraad Karin die, tijdens haar schaarse vrije tijd, een bord meezeult waarop ze haar dubbele dagtaak aanklaagt, de combinatie van werk en huishouden.
In mijn eigen huishouden heeft mijn echtgenote het recht afgedwongen om evenveel uithuizig te zijn als ik. Dat is niet weinig. Elke onpare avond trekt ze erop uit, mij achterlatend met een takenlijst die indrukwekkende proporties aanneemt. Ik krom de rug om al die taken tot een goed einde te brengen, maar het is nooit genoeg, de takenlijst wordt langer.
In Gent klaagt Karin Criel
de dubbele dagtaak aan.
Weer krijg ik een telefoontje uit Oostende. Daar is nu een nog radicalere groep opgericht die LOV heet, Linkse Oostendse Vrouwen, aangevuurd door Linde Van de Velde († 2022) die enkele jaren eerder wegens gauchisme uit de VuJo gesmeten werd, de jongerengroep van de nationalistische Volksunie. Linde en de haren gaan er, zo wordt me meegedeeld, hard tegenaan. Daar bestaat een leuke anekdote over.
Linde leeft gescheiden van een echtgenoot, die ze in die dagen, helemaal in overeenstemming met de tijdgeest, als male chauvinist pig omschrijft. De woning wordt heringedeeld. Linde woont op de eerste verdieping. De man leeft elders, maar behoudt op de benedenverdieping zijn kantoor. De kelderverdieping wordt het lokaal van de Linkse Oostendse Vrouwen. 
In die kelder wordt ook het blad van LOV geproduceerd: De Rode Kut. Ja, die naam zou vandaag niet meer kunnen, maar in die tijd kan álles. Op het kelderraam van LOV wordt een reclametekst gekleefd: LEES DE RODE KUT en daaronder: HIER TE KOOP. Voor de gemiddelde linkse vrouw is de boodschap duidelijk, maar het cliënteel van meneer is niet helemaal mee. Dat bestaat voornamelijk uit mannen die nu vermoeden dat er in de kelder porno verhandeld wordt. De man probeert het zijn ex uit te leggen, hij windt zich op, maakt zich kwaad, schreeuwt het uit, maar het mag niet baten. Zegt Linde: ‘Als gij boven de macho moogt uithangen, dan mag ik beneden De Rode Kut uithangen.’

vrijdag 4 juli 2014

Pleidooi voor het half lezen


WANNEER LEZEN MENSEN al die boeken? Wanneer ik naar de vuistdikke werken van Karl Ove Knausgård kijk, die naar verluidt vlot over de toonbank gaan, lijkt het me een terechte vraag. Maar kijk, eindelijk heb ik een antwoord, het is zelfs gezaghebbend, het komt van een professor.
Pierre Bayard (°1954), die Franse literatuur doceert aan de universiteit van Paris VIII, windt er geen doekjes om: ‘[A]ls literatuurdocent aan de universiteit ontkom ik niet aan de verplichting toelichting te geven op boeken die ik de meeste gevallen niet eens opengeslagen heb.’ Pardon? Moet ik er van uitgaan dat zo’n prof een college over pakweg Marcel Proust geeft zonder A la recherche du temps perdu te lezen? Inderdaad. ‘Ook al heb ik zelf weinig gelezen, van sommige boeken — ik denk daarbij ook aan Proust — weet ik genoeg om in gesprekken met mijn collega’s na te kunnen gaan of ze als ze het erover hebben de waarheid spreken of niet, en om vast te stellen dat dit maar zelden het geval is.’ En de recensenten, de professionele lezers die ons boeken aan- en afraden, hebben zij de boeken gelezen die ze bespreken? Wellicht niet, neen. Ze hebben dat vluchtig doorgenomen, doorbladerd, er hier en daar een stuk uit gelezen en er vervolgens een vooringenomen standpunt over geventileerd…
Is dat erg? Bayard vindt van niet. De wereld van het boek is niet te verdelen in twee uitersten: er zijn niet alleen gelezen en, aan het andere uiterste daarvan, ongelezen boeken. Er is een glijdende schaal. Je kunt een boek helemaal gelezen hebben en er uiteindelijk niets van onthouden, je kunt een boek alleen maar doorbladerd hebben en er toch blijvend van onder de indruk zijn.
Dat klopt wel. Zelf ben ik erg in de ban van Moby Dick van Herman Melville. Ismaël, de verteller uit dat boek, is een romanpersonage waarmee ik me graag identificeer en toch heb ik dat boek alleen maar doorbladerd. Het ligt hier klaar voor close reading, maar of dat er ooit van komt is hoogst onzeker. [Dat is intussen wel gebeurd hoor, maar zo'n close reading is wel uitzonderlijk voor mijn doen. Ik heb 't ook geprobeerd met Woeste hoogten en Misdaad en straf, maar die twee hield ik al gauw voor bekeken.]
Veel boeken kennen we alleen maar van horen zeggen, zegt Bayard. Ook dat klopt, zelf heb ik in deze blog de poëzie van Peter Holvoet-Hanssen geduid door naar de Odyssea van Homeros te verwijzen, meer bepaald naar de passage waarbij Odysseus met zijn schip voorbij de Sirenen vaart. (*) Heb ik dat boek gelezen? Godver neen, ik heb in dat door mij ongelezen boek het XIIde hoofdstuk opengeslagen om daarin te vinden wat ik zocht. Odyssea is bijgevolg een boek dat ik ken omdat ik er al veel over heb horen spreken en waarin ik zelf een hoofdstukje lees. Het heeft me niet belet om Homeros met Holvoet-Hanssen te verbinden. Heb ik uit mijn nek geluld?  Had ik er beter het zwijgen toegedaan? Neen, zegt Bayard, over boeken spreken maakt deel uit van onze cultuur. ‘Het meeste van wat er over boeken gezegd wordt gaat ondanks de schijn niet over het boek zelf, maar over een veel ruimer geheel, namelijk het geheel van alle richtinggevende boeken waarop op een gegeven moment een bepaalde cultuur berust.’ 
Het boek van Bayard heeft een grote verdienste. We moeten ons niet meer schamen omdat we de jongste hype in letterenland niet volgen. En ja, we mogen over dat ongelezen boek een eigen mening uiten. Vanaf nu kunnen we dat zelfs doen in de wetenschap dat onze gesprekspartner dat boek evenmin gelezen heeft, al beweert die dan het tegendeel. 


Pierre Bayard, Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen. 189 ps. Uitgeverij De Geus, 2008.

donderdag 3 juli 2014

Opa Frans en La Pasionaria

Dolores Ibárruri (1895-1989)
Een diploma ondertekend door de Spaanse Dolores Ibárruri, aka La Pasionaria! niet veel Vlamingen hebben zo’n diploma op zak, maar de Gentenaar Frans Torrekens (†1963) wel. We mogen hem daardoor een Bienhechor de la España Republicana noemen, een weldoener van de Spaanse republiek. Het document dateert van 1939. Frans Torrekens is in die tijd een communistisch activist en daardoor betrokken bij de campagnes om de Spaanse republiek te steunen tegen de opstandige generaal Franco.
Je weet hoe ’t met zo’n documenten gaat. Ze komen uiteindelijk in de schuif terecht. Dat blijft duren tot een telg uit dat nageslacht er zijn tanden in zet. Dat is wat een kleinzoon van deze Frans ook doet. Die kleinzoon heet Eric Torrekens en is jurist.
Nu wil het toeval dat ik een Rik Torrekens gekend heb, een advocaat die, zo ging het door mijn hoofd, misschien officieel wel Eric heet. En ja, die Rik heeft een praktijk in Gent, de stad waar ook grootvader Frans gewoond heeft. Rik, Eric, gaat het om dezelfde Torrekens? Neen, want ik lees dat Eric in 1960 geboren is, en de Rik die ik ken is ouder.
Tegen de tijd dat ik daar klaar in zie, heb ik ook het artikel (*) gelezen waarin Eric Torrekens ons over zijn zoektocht vertelt. Die voert hem naar verschillende archieven, historici en nabestaanden die hem nauwelijks vooruit kunnen helpen.
Het komt wel meer voor: tegen de tijd dat een mens zich voor het familieverleden begint te interesseren rest er niemand meer om de weg te wijzen.
Daar zouden toch lessen uit getrokken moeten worden. Zo’n les leert ons de Britse filmproducent Tony Garnett (**): ‘Nu kan zelfs een kind aan een tweedehands camera geraken en ermee filmen. Je kunt de film uitbrengen op een laptop en het op een server smijten waar miljoenen mensen hem kunnen zien… Mocht ik nu twintig zijn dan zou ik uitsluitend met het internet werken. (…) En verhalen vertellen helpt om het debat over die waarheid te voeren. Daarom zouden arbeiders hun verhaal moeten vertellen. Ik zou een oproep aan de jongeren willen doen om hun eigen politieke films te maken; neem interviews af, vooral met oudere kameraden, en durf ze te tonen op het scherm. Films maken is voor iedereen.’
Flor Vandekerckhove

(*) Eric Torrekens, Bienhechor de la España Republicana. Zoektocht naar mijn communistische grootvader in Brood & Rozen, Tijdschrift voor de geschiedenis van sociale bewegingen. 2014/2. Meer info op www.broodenrozen@amsab.be.
(**) Over Tony Garnett schreef ik eerder al een stukje in deze blog: http://florsnieuweblog.blogspot.be/2013/12/tony-garnett-waardig-ouder-worden.html

woensdag 2 juli 2014

Franz Kafka is dood

Het citaat van Kafka dat me inspireerde.
Ik bevond me op verboden terrein, geraakte daardoor in paniek en probeerde meteen weer weg te komen. Helemaal aan de andere kant van de kamer zag ik een deur. Dat was mijn kans. Terwijl ik me tussen computers en dossiers een weg naar die uitgang baande, probeerde ik de blik van de aanwezigen te ontwijken. Ik hoorde het zoemen van ventilators en het geroezemoes van stemmen, iedereen sprak gedempt, niemand lachte. Vanuit mijn ooghoeken volgde ik zo goed als mogelijk de bewegingen van het personeel dat zenuwachtig heen en weer liep en dat ik te allen koste moest ontwijken.
Toch botste ik tegen iemand aan. Ik probeerde de botsing te negeren en verder te stappen, maar de man nam me bij de arm, keek me recht in het gezicht en zei fluisterend: ‘Franz Kafka is dood.’ Nu keek ook ik hem aan. Rood doorlopen ogen. Baardstoppels. Om het gewicht van zijn mededeling te accentueren trok hij de wenkbrauwen omhoog en de mondhoeken naar beneden. Terwijl ik een passend antwoord probeerde te bedenken, stapte hij alweer verder.
Ik haalde de andere kant van de kamer. Links naast de deur zat een man achter een lege tafel, een deurwachter. Ik knikte vaag en greep de klink vast. De man schoot recht en probeerde zich tussen mij en de deur te plaatsten. Ik moest kordaat reageren. Ik legde mijn hand op zijn schouder en zei fluisterend: ‘Franz Kafka is dood.’ Hij schrok hevig. Net als die andere mens dat gedaan had trok ik de wenkbrauwen op. Vervolgens wees ik naar de deur in de hoop dat hij zou begrijpen dat dit overlijden mij noodzaakte om iets te gaan doen. Hij nam zijn sleutelbos, opende de deur, liet me passeren en wenste me veel succes toe.
Achter me viel de deur dicht. Ik hoorde hoe de deurwachter het slot omdraaide. Ik stond in een kamer vol drukdoende bedienden. Ik bevond me op verboden terrein en geraakte in paniek. Aan de andere kant van de kamer zag ik een deur. Dat was mijn kans…

Flor Vandekerckhove



dinsdag 1 juli 2014

Jean Vigo, anarchist en filmmaker

Jean Vigo (1905-1934).
Jean Vigo groeit op in een anarchistisch milieu. Bij hem thuis komen veel notoire libertairen over de vloer. Zijn peter en meter zijn activisten die zich heel hun leven voor de goede zaak inzetten. Tussen 1905 en 1910 zijn ook zijn ouders actief als anarchist.
Het belet vader niet om zich in 1914 kordaat aan de kant van de Franse natie op te stellen. Zijn nationale ijver overtuigt de overheid evenwel niet en hij wordt opgesloten. In 1917 wordt hij in zijn cel dood aangetroffen: opgehangen. Alhoewel de zaak nooit echt uitgeklaard geraakt, geloven velen dat hij er ‘gezelfmoord’ wordt.
Zijn zoon, Jean, komt in een kostschool terecht, waar hij overigens voor de rest van zijn korte leven een grote weerzin aan overhoudt, een ervaring die hem later inspireert om de film Zéro de conduite te draaien, een film die ik door de wonderen van het internet onderaan dit stukje heb kunnen plaatsen. In 1922 gaat hij in Parijs studeren. In die stad concentreert hij zich op de rehabilitatie van zijn vader en gaat hij zich voor film interesseren. Alhoewel hij geen militante politieke praktijk ontwikkelt, blijft hij contact houden met de anarchisten uit zijn jeugd. Zijn meter, de anarchiste Jeanne Humbert, ontmoet hem trouwens nog kort voor zijn dood. In 1932 woont hij in Nice, waar hij om gezondheidsredenen is gaan wonen, een van haar lezingen bij. Het daaropvolgende jaar ontmoeten ze elkaar op het kerkhof waar een vriend van vader Vigo begraven wordt. Jean sterft zelf in 1934, uitgeput door tuberculose. 
Zijn films (en de niet-gerealiseerde scenario’s) laten er geen misverstand over bestaan: Jean Vigo is en blijft zijn hele leven een anarchist. Voor wat de niet-gerealiseerde scenario’s betreft is er bijvoorbeeld het project met Eugène Dieudonné, anarchist en bekend ‘bagnard’, ter dood veroordeeld voor zijn vermeende deelname aan de beruchte Bande à Bonnot. Vigo wil diens levensverhaal verfilmen, maar hij sterft voor het er van komt.  Niet gerealiseerd is ook het scenario dat hij samen met de anarchist Henry Poulaille schrijft.
De films van Vigo zijn (behalve La natation) naar vorm en inhoud anarchistisch. Maar kun je er vandaag ook nog van genieten? Heeft Jean Vigo ons nog iets te vertellen? Het kan nagegaan worden, want Youtube laat ons vandaag toe zijn films vanuit de luie zetel te bekijken. (*) Zijn absolute meesterwerk is Atalante, maar bekend gebleven is ook Zéro de conduite. Daarin verfilmt Vigo het autobiografische verhaal van een bende opstandige scholieren die een nul voor gedrag mee naar huis krijgen. De film is destijds in Frankrijk twaalf jaar lang verboden. In Film and the anarchist imagination vergelijkt Richard Porton deze oude prent met de Britse film If (1968, Lindsey Anderson), die wij, soixante-huitards, ons nog goed herinneren. De vergelijking die in het boek gemaakt wordt, leert ons dat de film van Vigo torenhoog uitsteekt boven de manier waarop Anderson veertig jaar later een vergelijkbaar thema aanpakt: Zéro de conduite van Jean Vigo is een filmisch én een anarchistisch meesterwerk! Kijk maar. En kijk onderaan ook eens naar de opmerking die ik later aan dit stuk toegevoegd heb, daarin staat een interessante opmerking van een lezer.
Flor Vandekerckhove

(*) À propos de Nice op youtube: https://www.youtube.com/watch?v=7JCJ7bc37go



maandag 30 juni 2014

De tijdverdroller

De Cloaca van Wim Delvoye.
Zij behoorde eertijds tot een groep van linkse feministen. Hij was in die tijd een anarchist. Dat was vroeger. En dit is nu. Zij twijfelt. Heeft de vakbond nog wel zin? Moet ze daar wel lid van blijven? (Het heeft iets met de belastingen te maken.) Hij twijfelt eveneens. Of hij al dan niet zijn buurman zal verklikken. (Het heeft iets met een rekening te maken.) Ik aanhoor hun twijfels en vraag me af wat er met die twee gebeurd is.
Het komt door de tijdgeest, denk ik, en het komt door de leeftijd. Ze zijn met de (leef)tijd(geest) meegegaan. Men zegt dat het zo hoort, maar daar durf ik aan te twijfelen. Die twijfel komt, zo zegt men, doordat ik in de tijd ben blijven steken.
Misschien is dat wel zo. Misschien komt het door de aldus ontstane afstand dat ik de tijdverdroller wèl aan het werk zie en zij niet. Dat apparaat is inderdaad onzichtbaar voor wie mee schuift met zijn tijd, maar de tijdverdroller valt gemakkelijk te visualiseren door aan de kakmachine van de Belgische kunstenaar Wim Delvoye te denken. De tijdverdroller slorpt de tijd vooraan op, haalt hem door de mangel — in mijn tijd klassenstrijd genoemd — en scheidt de aldus vermangelde tijd achteraan weer af, maar nu als een compacte drol. Die drol heeft naargelang de tijd verschillende benamingen, maar in deze era heet hij onbetwistbaar middenklasse.
De productiviteit van de tijdverdroller is fabuleus. Daardoor zijn de maatschappelijke klassen vandaag bijlange niet meer wat ze in mijn tijd waren. De middenklasse omvat vandaag, op z’n Amerikaans, haast iedereen. Het is een reuzendrol geworden. En hij groeit en groeit en groeit. De Internationale Arbeidsorganisatie voorspelt dat er tegen 2018 wereldwijd vier keer meer mensen tot de middenklasse zullen behoren dan dat aan het begin van deze eeuw het geval was. Criterium? Een inkomen van dertien dollar per dag. 9,52 euro! Per dag! En hopla, weer scheidt de tijdverdroller een lading middenklassers af. De toekomst gloort de mensheid dampend tegemoet. De sociale mobiliteit ligt binnen ieders handbereik. De drempel is nooit zo laag geweest. En de drol die erop ligt was nooit zo hoog.
Flor Vandekerckhove



dinsdag 24 juni 2014

Wilde Wijven

Elke levensfase laat een beklijvend beeld achter, een geur, een smaak. Alles komt daarvoor in aanmerking: bank in het park, reclameslogan, geur van Dettol… Aan dat ene hangt een vat vol herinneringen vast. Marcel Proust heeft dat met zijn madeleinekoekje gestalte gegeven in een literair meesterwerk (evenwel te bodemloos om het ook uitgelezen te krijgen.)
Voor een grote schare Vlamingen die in 1983 tieners zijn, leveren de Violent Femmes ongetwijfeld zo’n beklijvend beeld op. Dat is het eerste wat ik denk wanneer ik op 19 juni in Brussel een optreden van deze gewelddadige vrouwen (allemaal mannen overigens) meemaak. Ik ben in de AB weeral eens de nestor. Ik sta tussen veertigers die de ouwe songs (de groep heeft geen andere) enthousiast meezingen.
Violent Femmes? De naam is niet meer dan een grap, bedacht door een teenager, meer valt er niet over te zeggen. Veel kans ook dat u deze groep niet kent. Dat kan zijn doordat u, zoals ik, wat deze materie betreft onwetend bent, ’t kan ook zijn doordat deze Amerikanen niet helemaal mainstream zijn, ja, als zelfs Patje de coiffeuse die groep niet kent, is er wellicht sprake van een succès d’estime, een cultstatus. 
Die status is welverdiend, vind ik. Ik heb me daar in de AB geen moment verveeld. En ik begrijp ook waarom die Violent Femmes zo’n diepe indruk nagelaten hebben in 't hoofd van wie in 1983 een teenager is. Ken je hun Country Death Song? De tekst is gebaseerd op een krantenbericht uit 1862. Een vader is ten einde raad: geen geld, geen voedsel… Een man kan daar niet mee om: nothing for a man to do but sit around and think. Mannen moeten iets doen, iets. Dus verdrinkt hij zijn geliefde dochter in een waterput. De daad biedt uiteraard geen uitkomst, de miserie wordt er alleen maar groter door: ‘Don't speak to me of lovers, with a broken heart. / You want to know what can really tear you apart? / I'm going out to the barn, will I never stop in pain? / I'm going out to the barn, to hang myself in shame.’  No Future! Dat heeft frontman Gordon Gano goed verwoord door een gebeurtenis uit de XIXde eeuw te bezingen. We bevinden ons op de Amerikaanse boerenbuiten en we krijgen uitzicht op de American dream, een nachtmerrie! Gordon Gano geeft het punkgevoel van 1983 daarmee een waarde die dat momentum ruim overschrijdt. Als er iets is wat de afwezigheid van ook maar enige toekomst illustreert, is het wel die moord uit 1862. En weet je wat? Violent Femme Gordon Gano schrijft het lied wanneer hij nog maar in het tweede jaar van zijn middelbare school zit. Wanneer je zoiets doet, mag je best een icoon worden, vind ik. Dan mag je zo'n song dertig jaar later nog eens overdoen in Brussel. Bij het buitengaan kijk ik nog eens goed naar de gezichten van de veertigplussers die de zaal verlaten. Ze zijn even verlost geweest van de miserie die hun opgroeiende kinderen met zich meebrengen. Ook dat hebben ze luid & wild meegezongen: 'Just take your lovely daughter and push her in the well'. Even zijn ze terug in de tijd waarin zij zelf de miserie van hun ouders zijn. Het madeleinekoekje, Violent Femmes genaamd, heeft gesmaakt.
Flor Vandekerckhove



zondag 22 juni 2014

Het streven

KAN HEDENDAAGSE KUNST de wereld verbeteren? Zo luidt de ondertitel van een boek dat in de boventitel Het streven heet. We weten wel dat je zo’n vraag niet met ja of neen beantwoordt. We weten ook dat het definitieve boek daarover nooit geschreven zal zijn. Hans den Hartog Jager heeft dan ook 224 bladzijden nodig om de vraag… open te laten.
Dat is niet erg, in die 224 bladzijden maken we kennis met veel kunstenaars die zich in hun werk over die problematiek buigen. Sommige ken ik, andere namen ken ik ook, maar die was ik vergeten, van enkele kunstenaars die Hans den Hartog Jager vermeldt heb ik een tentoonstelling gezien, andere moet ik nog helemaal ontdekken. 
Al lezend verzamel ik namen. Het levert een indrukwekkende inventaris op. Het lijkt op een lijst voor onderzoekingen die hun weg naar deze blog kunnen vinden: Lewis Hine (foto’s van kindarbeiders), Walker Evans (Let Us Now Praise Famous Men), Olafur Eliasson (Little Sun), Marjetica Potrc, Peter Fend, Renzo Martens (Episode III: Enjoy poverty), Hans Haecke (Shapolsky et al. Manhattan Real Estate Holdings, a Real-Time Social System, as of May 1, 1971), Joseph Beuys (de kunstenaar was betrokken bij de oprichting van drie politieke partijen), The Guerrilla Girls, Constant (New Babylon), Andres Serrano (Sign of times), Anselm Kiefer (Occupations-serie), Steve McQueen (Static / Gravesand), Francis Alÿs (When Faith Moves Mountains), Martha Rosler, Andrea Fraser, Jonas Staal, Peter Fend, Richard Florida (New Model), Werner Herzog (Fitzcarraldo), David Hammons (Spade with chains / African American Flag), Adrian Piper, Judy Chicago, Hannah Wilke, Martha Rosler (Semiotics of the Kitchen)…
Wat zouden die kunstenaars zelf antwoorden op de vraag van Hans den Hartog Jager? Kan hedendaagse kunst de wereld verbeteren? Ik denk dat ik hun reacties wel in één zin kan samenvatten: ‘Neen,' zo zullen ze zeggen, 'we kunnen het alleen maar proberen.’

Hans den Hartog Jager, Het streven. Uitgeverij Athenaeum Polak & Van Gennep. 224 pagina’s. € 19,95



woensdag 18 juni 2014

Velodroom

— De Laatste Vuurtorenwachter en zijn oud-leraar Alfons Vandenbussche.(met cap). (Foto Jo Clauwaert.) —

WANNEER was ik voor ’t laatst in de velodroom? 't Was tijdens een wielerwedstrijd; Benoni Beheyt nam eraan deel, iedereen jouwde hem uit. Dat moet kort na het fameuze wereldkampioenschap geweest zijn waarin Beheyt verrassend kopman Rik Van Looy klopte. 1963! Heel wielerminnend Vlaanderen nam het Beheyt kwalijk. 1963, misschien ’64. Ik was een jonge teenager, ik liep school. Vandenbussche was mijn leraar Nederlands. Ik denk niet dat hij daar toen aanwezig was. En als hij er was, zal hij niet gejouwd hebben, Alfons is niet dat soort mens.
Nadat je van zo’n school af bent, kom je de leraren nog nauwelijks tegen, ze worden opgeslorpt in een verleden dat je maar al te graag achterlaat. Daar zijn, wat mij betreft, twee uitzonderingen op, Vandenbussche is er een van. Ik ontmoet hem later in een instituut waar hij Russisch studeert; ik kom hem tegen in linkse kringen; ik zie hem in de zaal zitten wanneer ik ergens moet spreken; ik kom hem tegen in de boekhandel… En telkens blijkt dat hij is aan ’t leren is, altijd aan ’t leren. Nu nog.
Alfons Vandenbussche leert filmen en maakt, almaar bijlerend, mooie documentaires. Ik heb zo’n film bekeken. Die gaat over de Oostendse velodroom waar ik vijftig jaar geleden Beheyt uitjouwde. Door die film heb ik weer bijgeleerd, bijvoorbeeld dat we het daar nog altijd velodroom mogen noemen, maar dat ‘t geen velodroom meer is. Nadat de renners er zijn weggebleven — omdat ze op den duur van put naar put hobbelden — bleef het lang een vuile boel. Daarna wordt ‘t een velo-droom en die droom mondt in 2010 uit in een bowl — ik zie tot mijn verwondering dat het woord in ’t Nederlands bestaat: bowl.
De jeugd eigent zich de plek toe. De film toont scouts in harmonie met BMX-champions. Hangjongeren bewonderen het werk van graffitikunstenaars. Pakistani spelen cricket, rolschaatsers en bowlriders leven hun duivels uit… Da’s mooi, maar het mooiste is toch wel het beeld waarin Alfons Vandenbussche — op dat moment de vijfenzeventig gepasseerd — van die jongeren interviews afneemt. Hij heeft een cap op — ja, ook dat woord bestaat in ’t Nederlands: cap.
Bowlriders, skaters, caps… Subculturen waar ik niets van afweet. Dat heeft, zo meende ik, met mijn leeftijd te maken. Maar nu ik daar mijn oud-leraar aan ’t werk gezien heb, ben ik dat excuus wel kwijt. Dus begin ik beter op te letten wanneer zo’n snotneus met cap en een skateboard — jawel, het staat in ’t groene boekje: skateboard — onder de arm mijn pad kruist. Daar gaat misschien wel een nieuwe Ed Templeton⇲, denk ik nu. 

[In DLVuurtorenwachter dateert deze post van 2014. In 2022 redigeer ik hem opnieuw, ten behoeve van de nieuwe FB-groep Oostende Nostalgie.]