vrijdag 16 september 2016

In het leger word je man

— Op wacht voor de kazerne.
Vader is de mens in 't midden, 
met dat groot uitgevallen soepbord op zijn hoofd.
De foto dateert van kort na WO II. —
TANDEN POETSEN? Voor mij is dat geen automatisme, nog steeds niet. Dat komt doordat vader (°op 22 juni 1922 in Roksem - † 2 januari 1989 in Oostende) zijn tanden nooit gepoetst heeft. Tegenover moeder, die het haar kleuter wil aanleren, breng ik dat met succes in stelling: papa doet het evenmin. Vader lacht mijn onwil weg, moeder wordt radeloos. Daardoor heb ik het verinnerlijkt als iets wat mannen niet doen, tanden poetsen, dat het iets voor vrouwen is. Daardoor moet ik het mezelf nu nog altijd opleggen. Daardoor komt het dat ik mezelf dagelijks in de spiegel streng toespreek — Gij zult uw tanden kuisen! — waarna ik zuchtend de tandpasta ter hand neem. Het blijft een opgave en binnenkort word ik achtenzestig.
Zo heb ik er nog enkele. Een ervan herinnert me aan mijn legerdienst. Meer bepaald aan een feestdis in de kazerne. De reden is me ontgaan, maar op die dag tekent heel de kazerne present, van hoog tot laag. De kolonel is er. Hoge en lage officieren, onderofficieren, korporaals, en ook wij, dienstplichtige soldaten schuiven mee aan. Dat geschiedt langsheen lange, wit gedekte tafels. Daarop staan egale, witte borden. We monsteren die borden als waren niet wij, maar zij de geüniformeerde soldaten. Ze staan in het gelid. Elk bord is gewapend met een glimmend wijnglas, waaruit het servet ons als het vrolijke vaandel van een totalitair feest toelacht.
Tot mijn ontzetting zie ik dat er op elk bord een tomaat staat, gevuld met garnalen; tomaat garnaal. Ik word overvallen door paniek. Ik eet geen tomaten, nooit. Ik ga al sinds kindsbeen door het leven als de mens die nooit tomaten eet. In die tijd besef ik geenszins welke belachelijke ambitie dat is.
Ik sta voor de stoel waarop ik straks moet zitten. Links en rechts van me staan medesoldaten. Ze slaan geen acht op mijn radeloosheid. Nadat de kolonel gaan zitten is en de hoge officieren en de lage officieren en de onderofficieren en de korporaals, gaan ook wij zitten. Om me heen kijkt iedereen vol verwachting naar zijn tomaat. Zelf sta ik daar anders tegenover. Is dat het enige wat we hier te eten krijgen? Komen er nog frieten? Is er brood? Volgt er nog een schotel? Al wat ik weet is dat ik met walging naar de groente kijk die voor me staat.
Ook dat komt door vader, die nooit tomaten gegeten heeft. Tegenover moeder, die het haar kleuter wil aanleren, breng ik ook dat met succes in stelling: papa doet het evenmin. Vader lacht mijn onwil weg en moeder wordt radeloos. Daardoor heb ik het verinnerlijkt als iets wat de mannen in ons gezin niet doen, tomaten eten, dat het meer iets is voor mensen die niet Vandekerckhove heten. Ik ben daar trots op, ik vertel het aan de tapkast. Het niet eten van tomaten maakt deel uit van mijn identiteit.
Legerdienst en identiteit gaan niet goed samen. Nooit heb ik dat zo scherp ervaren als op dat kazernefeest. Voor me staat een tomaat waaraan niet te ontsnappen valt. Het is niet dat de dood met de kogel me te wachten staat, maar ik kan het me als dienstplichtige soldaat niet permitteren om die tomaat onaangeraakt te laten staan. Ik buig het hoofd, ontdoe me van mijn identiteit, ook omdat je in zo’n kazerne altijd wel een beetje honger lijdt en vooral omdat er op dat bord geen blaadje sla ligt, geen frietje, geen boterham, niets. Er is alleen maar die tomaat.
Daar, in het leger, op de dag van dat kazernefeest, gezeten aan de feestdis heb ik voor het eerst in mijn leven een tomaat genuttigd. Ik ga niet zeggen dat ik ervan heb moeten overgeven, maar een eetfestijn was 't evenmin.

woensdag 14 september 2016

Yvon Kermarrec en het tijdschrift Vivaldi

Yvon Kermarrec (° 2 aug. 1940 - † 3 jan. 2001.) — Yvon Kermarrec maakte mooie karikaturen en cartoons. Deze heette  'Perestrojka, nu ook in de Noordzee'. De prent stond op de cover,  nr 1, 3de jaargang, van het tijdschrift Vivaldi. 


JE MOET JE leven documenteren; agenda’s bijhouden, krantenknipsels, foto’s, dagboeken, brieven, prullaria, kattebelletjes, cinematickets… Je moet dat allemaal in dozen gooien en je moet die dozen daarna op de kleerkast zetten. Daarvan probeer ik mijn kinderen te overtuigen. Ooit komt de tijd, zeg ik hun vaderlijk, waarop je je afvraagt wat het allemaal te betekenen had. Wel, het antwoord, zeg ik daarna, zit in die dozen.
Het is in zo’n doos dat ik de verfrommelde kaft van het tijdschrift Vivaldi vind en een krantenknipsel over dat blad. Daardoor weet ik dat het eerste nummer in 1988 verschenen is: 
‘Bezieler is Flor Vandekerckhove, redacteur van Het Visserijblad. Het sober uitgegeven nummer van Vivaldi telt 22 bladzijden. Het wordt bijna volledig ingenomen door twee verhalen van Vandekerckhove (…) In het tweede verhaal, De gouden duif, rekent hij af met zijn verleden als trotskistisch militant. Tot slot zijn er nog twee gedichten van de dichter Frank Decerf en twee tekeningen van de Oostendse kroegbaas Yvon Kermarrec.
Vivaldi verwijst minder naar de componist dan naar het café dat het tijdschrift sponsorde. Het verhaal van dat trotskistisch verleden — wellicht mijn eerste verhaal — kunt u nog lezen, het werd in het literaire tijdschrift De Brakke Hond opgenomen en die hond heeft het, hier↗︎, in de digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren vereeuwigd. Vivaldi had een katern dat Kamers voor reizigers heette en waarin gasten aan bod kwamen. De krant herinnert me eraan dat de gasten van het eerste nummer Frank Decerf en Yvon Kermarrec waren. Over die eerste durf ik me niet te uiten, dat heb ik hier↗︎ al uitgelegd. Over wijlen Yvon Kermarrec wil ik al langer iets schrijven.
In die tijd was ik het noorden kwijt, de breuk met het trotskisme had er stevig ingehakt. Ik had twee minnaressen, woonde in twee steden en leefde in twee werelden. In de ene was ik een familievader, in de andere smeet ik me in 't nachtleven. Samen met u vraag ik me af hoe ik het gedaan kreeg. In dat nachtleven leerde ik Yvon Kermarrec kennen. Geboren in Oostende in een atypisch gezin: moeder, beeldhouwer Antoinette Labisse, was de zus van de surrealistische schilder Félix Labisse (1905-1982). Hun vrienden heetten Ensor, Permeke, Spilliaert… Vader, Henri-Jean, was boekhandelaar. Yvon groeide dan ook op in een gecultiveerd milieu, waar de kunsten een grote plaats innamen. De dubbelcultuur, Franstalig en Vlaams, zal heel zijn leven de zijne zijn. 
Op de Oostendse Oosthelling — de rampe — baatte hij een nachtclub uit die toepasselijk The Club heette. Ik ontmoette er bourgeois die overdag de dienst uitmaakten en zich ’s nachts eens goed lieten gaan. De wereld van de bobo’s ging voor me open. Mag ik hen zo noemen, bobo’s, bourgeois bohèmes? Op ‘t net vind ik een omschrijving. 
‘In de leefwereld van de bobo zijn de tegenstellingen versmolten. Bobo's zijn bijvoorbeeld snoeiharde carrièremakers die zich niettemin maatschappijkritisch opstellen. Ze stemmen links en denken rechts, of andersom. Ze zien inconsequent gedrag niet als een probleem maar als een levensstijl.’ 
Ja, dat was 't soort volk dat ik daar leerde kennen. Ik moest er, eerlijk gezegd, niet veel van hebben. Maar met Yvon Kermarrec — misschien wel de opperbobo — werd ik toch bevriend. We deelden dingen. Ik leende mijn naam aan de bedrijfsstructuur van zijn nachtclub en hij fikste de sponsoring van Vivaldi. Ik leidde een tentoonstelling in van zijn tekeningen en hij stimuleerde me in mijn ontluikende schrijverschap. Hij liet me de nacht kennen en ik schreef er verhalen over.
Ik zag Yvon graag, maar onze vriendschap kon niet blijven duren. Mateloos als ik ben, was ik me in de vernieling aan ’t rijden. Wilde ik overleven dan moest ik drastische keuzes maken. Ik bande de alcohol uit mijn leven en… café Vivaldi stopte prompt met de sponsoring. Ik koos voor de dag en liet de nacht aan Yvon en de zijnen.
Ik heb ze nadien nooit gemist, de zijnen, maar aan Yvon Kermarrec denk ik nog altijd met liefde terug. Vandaar ook dat ik al lang iets over hem wil schrijven, een kleine herinnering aan die twee, drie jaar waarin we waarlijk maten waren.

dinsdag 13 september 2016

Houthakkers


DE HOUTHAKKERS WAREN op een enorm bos gestoten. Ze kapten en kapten en toen ze de helft van dat bos weggekapt hadden ontstond er wrevel. De mannen stuurden Miel naar de voorman om hun grieven kenbaar te maken.
'Allemaal goed & wel', zei Miel tegen de voorman, 'we hebben nog nooit zo’n grote stapel bijeen gekapt. Die krijgen ze in de stad nooit opgestookt.' De voorman, antwoordde: 'Dat zegt ge omdat ge niet weet hoe streng de winter zal zijn.' Hij had een punt. 'Maar', antwoordde Miel die niet op zijn mondje gevallen was, 'gij weet dat evenmin. Het weder is een grote onbekende. We gaan geen boom meer kappen vooraleer we een degelijke weersvoorspelling hebben.' De mannen begonnen te kaarten en de voorman krabde in zijn baard.
Een gids vertelde hem over een indiaan die het weer kon voorspellen. Die oude wijze woonde bovenop de top van de hoogste berg. De voorman zadelde zijn paard en reed naar de indiaan, een tocht van vele dagen, door berg en dal. Daar vroeg hij, na enige plichtplegingen, of het een strenge winter zou worden. De oude, wijze indiaan legde zijn hand boven zijn ogen om het zonlicht af te schermen, keek over de vele bergen heen, staarde in de verte, mompelde iets en zegde vervolgens: 'Ugh, het zal voorwaar een harde winter worden.' De voorman gaf zijn paard de sporen en ijlde terug naar de houthakkers. 'Aan de slag', riep hij, 'het zal een harde winter worden.' De mannen namen de bijl weer ter hand en kapten nog een kwart van dat bos weg. Waarop de wrevel zich herhaalde, Miel weer naar de voorman ging en de voorman weer zijn paard zadelde en weer die indiaan ging opzoeken.
Weer legde de wijze een hand boven zijn ogen, weer keek hij in de verte, weer mompelde hij iets, maar nu zegde hij: 'Ugh, het zal een extreem harde winter worden, extreem hard.' De voorman ijlde weer naar de houthakkers. 'Het zal een extreem harde winter worden', zegde hij, 'extreem hard.' De mannen namen de bijl weer ter hand en kapten nog een stuk van het bos weg. Toen daar nog maar enkele tientallen bomen restten herhaalde de wrevel zich, want de laatste loodjes enzovoort… Waarop de voorman weer zijn paard zadelde. Weer legde de wijze indiaan een hand boven zijn ogen, weer keek hij in de verte. Nu mompelde hij: Ugh, het wordt ongetwijfeld de hardste winter die het land ooit gekend heeft.' 
De voorman zei nu: Maar chef, kunt ge mij ook uitleggen hoe ge weet dat het de hardste winter ooit zal zijn?
'Wel zeker', antwoordde de oude wijze man, 'ik zal het u tonen. Ze legden beiden een hand boven de ogen om de zon af te schermen. 'Kijk, zo weet ik dat', zei de indiaan en hij wees in de verte: 'Ziet ge ginder ver die houthakkers…'

maandag 12 september 2016

Wat voorafging


‘[M]aar dat alles is troost, dat is literatuur, poëzie, filosofie, verbeelding, 
dat is de wereld van de woorden. Dat is de wereld die je nodig hebt 
om overeind te blijven in de echte wereld, 
maar die echte wereld is onoverwinnelijk.’ (A.L. Snijders)

Zelf kan ik er nu niets meer mee aanvangen, zeg ik hem, ik ga daar geen boekje van draaien, het is te laat, het is voorbij, het is over. Maar we kunnen er misschien iets anders mee doen, zeg ik.
Je kunt die tekeningen uitvergroten, zeg ik, maak er pakweg twee meter van, maak er supergrote tekeningen van en hou er een klein hoekje op vrij waarin ik het verhaal van die tekening in kleine lettertjes neerschrijf, in potlood, in houtskool, met een pen, met een stift, om het even, met een borstel, jij zegt het, ik doe het. Dan weet niemand meer wat er eerst was, het verhaal of de tekening, dan hebben we een soort Gesamtkunstwerk. En voor mij sluit dat project een periode af, een periode die veel te lang geduurd heeft, de dertig jaar waarin ik met dat onderwerp bezig geweest ben. Voor mij is dat dan een plechtig moment, het Afscheid Van De Visserij.
Dat zou trouwens een mooie naam zijn voor de tentoonstelling, zeg ik nog, Afscheid Van De Visserij. Zeker als die tentoonstelling in Oostende doorgaat, want daar is de visserij aan zijn laatste dagen bezig. Dan wordt dat niet alleen MIJN Afscheid Van De Visserij, maar HET Afscheid Van De Visserij, de tentoonstelling waarop de hele stad daar afscheid van neemt.
Als we het doen, zeg ik hem, dan wil ik die verhalen van de tekeningen komen aflezen, tijdens de tentoonstelling, op de vernissage bijvoorbeeld, in ’t publiek, of tijdens een happening — zou dat geen goed idee zijn, een happening? Een happening waarop we al onze oude maten nog een keer samenbrengen, Bruno, Peter, Marnix, heel de bende… Of we doen nog iets anders, ik wil daar ook een reeks optredens van maken, een reeks waarbij ik die verhalen ga aflezen, elke avond als ‘t moet, een hele week, mijn Week Van Het Afscheid Van De Visserij. Om het even waar. In De Grote Post bijvoorbeeld, we moeten daar eens met Serge over spreken. Vijf dagen na elkaar, elke avond de verhalen aflezen van de tekeningen. Als ik er daarna maar vanaf ben. En ik moet daar geen geld voor hebben, neen, ik doe het gratis, want je hebt die tekeningen speciaal voor mijn verhalen gemaakt, zeg ik hem, dan is dat een wederdienst mijnentwege. Is dat niet schoon?!
En als je dan zo’n doek verkoopt, zeg ik hem ook nog, dan wil ik dat verhaal daarna wel nóg eens gaan voorlezen, weer gratis & voor niets — hopla! — thuis bij de kopers van het werk in kwestie, want ik ben in een goeie bui en als ik in een goeie bui ben beloof ik dingen die ik me achteraf beklaag, maar weet je wat: gezeid is gezeid, zoals ze dat in West-Fluteren zeggen. En we kunnen daar zelfs een CD aan toevoegen, dat kost twee keer niets, waarop te horen is hoe ik het verhaal van die tekening lees. Degenen die zo'n tekening gekocht hebben kunnen de CD dan ook later nog eens afspelen, in de intimiteit hunner woning, terwijl ze na de dagtaak in de zetel zitten en, bij het nuttigen van een glas wijn, het verworven kunstwerk aanschouwen dat hun muur siert. CD, tekening, verhaal: drie voor de prijs van één! Als dat geen verkoopbevorderend argument is dan weet ik het ook niet meer, zeg ik, en die tekeningen zijn er nu toch, je moet ze alleen maar vergroten.
Dat is, zo dien ik hier evenwel aan toe te voegen, wat voorafging aan het verhaal dat ik hier eerder al geschreven heb.
Flor Vandekerckhove




zondag 11 september 2016

Op visite


‘Ach, het gevoelsleven is zo ontzettend burgerlijk.’ (Clarice Lispector)

Nadat ik het voorstel geformuleerd heb neemt zijn echtgenote het gesprek kordaat in handen. Dat het allemaal geld kost en dat ze niet voldoende muren in huis hebben om er nóg een stapel nieuwe tekeningen tegen te plaatsen en dat iedereen de werken van haar echtgenoot wel mooi vindt, maar dat niemand ze koopt en dat ze daar bij hen, in huis, tegen de muren, blijven staan. Stapels. Ze vertelt ook dat ze er twee jaar lang alleen voor gestaan heeft, terwijl hij niets binnenbracht, nul inkomen, nul, en dat een tekening maken toch nog iets anders is dan een verhaaltje schrijven, en dat hij niet elke dag een tekening kan maken zoals ik elke dag een verhaaltje schrijf — die zit! —, dat hij daarmee worstelt en dat hij ’s nachts slapeloos & zuchtend door de echtelijke woning dwaalt, zeggende ik kan het niet, het gaat niet, ik vind het niet, het lukt me niet, en dat hij dan ’s anderendaags een halve dag in bed blijft liggen en de andere helft niet te pruimen is en dat we niet alleen aan het artistieke moeten denken, maar ook aan de zakelijke kant van de zaak, en dat zij het weer zal zijn die voor het vervoer van die tekeningen zal opdraaien en dat ze, aangezien daar weer niets van verkocht zal worden, ook voor het terug naar huis brengen ervan zal opdraaien, dat ze trouwens weer voor alles alles alles zal opdraaien en dat ik dan ten minste het papier voor die tekeningen zal moeten kopen, want dat ik moet beseffen hoeveel geld dat kost.
Ik hoor verdriet, teleurstelling, berouw, woede en het trillen der stembanden. Haar woorden gutsen over me als golven van pijn die minder met tekeningen te maken hebben dan met echtelijke situaties, en godverdomme, wat heeft hij nu weer uitgevreten om zijn echtgenote zo chagrijnig te maken.
Hij biedt wel enig weerwerk, maar niet veel. Hij zegt dat hij de voorbije jaren wél tekeningen verkocht heeft, dat het tekenmateriaal niet zo gek veel geld kost, dat hij nog papier liggen heeft, dat hij die tekeningen al gemaakt heeft en dat hij ze alleen nog maar moet uitvergroten, hij zegt dit en hij zegt dat. Ik beaam wat hij zegt, zoals ik ook beaamd heb wat zij eerst gezegd heeft, maar ik heb al lang begrepen dat er van mijn voorstel niets in huis zal komen en ik besluit wijselijk om van onderwerp te veranderen.
Ik begin hun over mijn leven te vertellen, ernst en prietpraat door elkaar — het leven zoals het is —, over mijn onhandelbaarheid, ik vertel hun over al de mensen waartegen ik niet meer spreek, en dat zijn er niet weinig, en het zijn ook nog eens degenen die zijn tekeningen moeten kopen, wat uiteraard een probleem is. Ik vertel hun over de tijd waarin ik beslist heb om de huwelijksval aan mij voorbij te laten gaan. En ik vertel over mijn klein pensioentje. Alles door elkaar. Ik vertel over mijn gebrek aan gastvrijheid en ik vertel hun dat ik een egoïst ben waarmee ikzelf nooit zou willen samenwerken, omdat ik altijd mijn eigen weg ga en daarbij over iedereen heenstap, en ik vertel hun over de weerzin die ik voel wanneer ik bij getrouwde koppels op visite ga. Ik vertel hun dat ik me afvraag hoe mensen zo’n knellend bestaan kunnen volhouden, terwijl het voor mij overduidelijk is hoe benauwd die huwelijken zijn en ik vertel hun dat mijn kleinkinderen niet tegen mij willen spreken omdat ze zich afvragen wie die vreemde man is die hun telkens weer vraagt hoe ze juist heten en hoe oud ze inmiddels al zijn. Wat ik ook vertel is dat ik eraan denk mijn telefoon in de gracht te smijten. 
Wat ik hun met dat alles duidelijk maak is dat ik niet zo'n sympathieke mens ben, dat ze voor de zakelijke kant van de zaak bij mij echt wel aan het verkeerde adres zijn en dat ik het voorstel dat ik zojuist geformuleerd heb alweer vergeten ben. Waardoor het toch nog een gezellige middag wordt met koffie, koetjes, pannenkoeken en kalfjes.
Flor Vandekerckhove

zaterdag 10 september 2016

Waarover het gaat

— ‘Een schrijver voelt diep in zijn hart dat schrijven het beste is wat hem is overkomen en hem kan overkomen, omdat schrijven voor hem de best mogelijke manier is om te leven, zonder na te denken aan de sociale, politieke of financiële gevolgen die wat hij schrijft voor hem zou kunnen hebben.’ (Mario Vargas Llosa) —

DE TERUGWEG NAAR huis, donker, eentonig. Vertel eens een verhaal, zegt ze. Jazz op de radio. Zij houdt niet van alle jazz, zegt ze, wel van sommige jazz. Dit is jazz waar ze van houdt. Hij houdt van de stem van mensen die zo’n jazzprogramma’s presenteren, zegt hij, die hebben zo’n lijzige stem. Elf uur, nieuwsuitzending. Ze luisteren naar berichten over alcoholcontroles, Islamitische Staat, ontslagen bij Caterpillar en de mislukte competitiestart van Club Brugge. Intussen hebben ze de monotone weg helemaal afgelegd. Ze parkeert de auto. Thuis. Hond blij. Ze kijken samen naar een laatavondprogramma waarin een zanger het over zijn favoriete platen heeft. Hij zegt dat die zanger een zenuwpees is, zij zegt dat wel meer mensen dat vinden en daarna gaan ze naar bed.
Flor Vandekerckhove
















Op 1 januari 2022 publiceert uitgeverij De Lachende Visch een nieuw e-boek van Flor Vandekerckhove. Honderd titelloze eenparagraafverhalen wordt ingeleid door Flors oud-leraar Nederlands Alfons Vandenbussche.



De e-boeken van Flor Vandekerckhove zijn gratis voor wie erom vraagt. Vooraf bestellen kan. Het boek wordt u dan per e-mail toegestuurd zodra het in het rek van De Weggeefwinkel komt te liggen. Vraag erom via liefkemores@telenet.be↗︎


donderdag 8 september 2016

Intussen in het rustoord

— In het rusthuis wil niemand naast meneer Delanghe zitten. —

‘Mij hebben ze geliquideerd’, zei meneer Delanghe, ‘geliquideerd in stalinistische stijl!’ Het meisje luisterde niet. ‘Die klootzakken hebben me zoveel morele pijn bezorgd dat ik al mijn talenten zal gebruiken om…’ Ze duwde de rolstoel in de lift die hen naar de benedenverdieping moest brengen. In die lift greep hij haar pols. ‘Ik beklaag jullie’, zei hij, ‘want jullie zijn allemaal processierupsen die achter een leiding aanhuppelen.’ Ze glimlachte vermoeid. ‘Bestudeer ze maar eens, de processierupsen’, voegde hij er dwingend aan toe, ‘je kunt daar veel van leren, a contrario.’
Toen ze beneden waren schoof de liftdeur open. ‘Je moet nu wel mijn pols loslaten, meneer Delanghe,’ zei ze. Waarna ze zijn rolstoel in de rij parkeerde. Mevrouw Dedoove, die hen al van verre had zien afkomen, had kwiek gereageerd, ze had meteen haar hoorapparaat uitgeschakeld. (Flor Vandekerckhove⇲)

woensdag 7 september 2016

De bende van Philomène



WAT WE ZIEN is een kleuterklas uit het schooljaar 1947-48, meer bepaald de derde kleuterklas van het schooltje in Bredene-Duinen. Rond zuster Philomène zitten zesentwintig kinderen. Van sommige kleuters weten we iets meer dan alleen maar de naam. Zo weten we bijvoorbeeld dat Fernand Devos (2) later gemeentesecretaris van Bredene wordt. Wat we ook weten is dat beenhouwer Segaert, de vader van de kleine Guido (6) niet erg kerkelijk was, we weten dat doordat zuster Philomène de kleine Guido meegaf dat zijn vader ’s zondags naar de mis moest gaan. Those were the days! Lucrèse Verlinde (15) heb ik zelf gekend, ze woonde bij haar grootmoeder (Stephanie — Steffe Broele —Vandenbroele) in de Prinses Marie-Josélaan, en ik denk dat ze eens mijn babysit geweest is, iets waaraan ik alweer begin te twijfelen terwijl ik het schrijf. Rudy Hoorens (9) was kind van hoteluitbaters in de Kapelstraat, Norbert Vermeersch (4) was, denk ik, later actief in een vereniging van mensen die tijdens WO II in Duitsland verplicht tewerkgesteld werden, mijn vader was daar lid van. Ik verneem ook dat de non eigenlijk zuster Marie-Philomène heette alhoewel ze door iedereen gewoon soeur Philomène genoemd werd. Misschien had ze dat niet graag, want, weet Marc Blomme te vertellen, 'Later heeft ze haar kloosternaam veranderd in Marie-Vianney.' 
Dit zijn de namen: (1) Robert De Rooy, (2) Fernand Vanmassenhove, (3) Fernand Devos, (4) Norbert Vermeersch, (5) Luc Blomme, (6) Guido Segaert, (7) Willy Verlee, (8) Felicien Borny, (9) Rudy Hoorens, (10) Freddy David, (11) Mireille Vanblaere,  (12) Rita Hoorens, (13) Rita Poppe, (14) Lea Versluys, (15) Lucrèse Verlinde, (16) Margriet Aspeslagh, (17) Jeannine Maes, (18) Annie Logghe, (19) Alfons Derycke, (20) Norbert Portier, (21) Lucien Tas, (22) André Gryson, (23) Fernand Vanhille, (24) Marc Blomme, (25) Fernand Tas, (26) Jean-Pierre Delvigne. 

[In DL Vuurtorenwachter dateert deze post al van 2016. In 2024 redigeer ik hem opnieuw, ten behoeve van de FB-groep Bredene RETRO.]

dinsdag 6 september 2016

Schoon genoeg


In 1988 stapte ik voor ’t eerst het tehuis Godtschalck binnen, het rusthuis van de zeelieden dat in de duinen ligt, op de grens van Bredene en Oostende. Dat was niet om er mijn kamer te reserveren, want ik was toen nog geen veertig, het bezoek maakte deel uit van een kennismaking met de visserij, ik ging Het Visserijblad redigeren, het tijdschrift van de vissersgemeenschap.
In dat rusthuis viel me meteen een oud-visser op die met die sector niets meer te maken wilde hebben. Het was niet dat hij met mij niet wilde spreken, dat wilde hij wel, alleen mocht dat gesprek niet over de visserij gaan.
Ik begreep dat niet.
De visserij is identiteitbepalend en hij is dat niet alleen voor wie vaart. In de visserij maak je deel uit van een aparte gemeenschap, je oefent er beroepen uit die elders niet bestaan: visser, nettenbreier, scheepshersteller, vislosser… Je leeft er op een ritme dat landmensen onbekend is. De ervaringen van de visser, maar ook deze van diens echtgenote en van de hele familie, onderscheiden zich van wat gezinnen van ‘t land meemaken. Je leeft in een dagdagelijks contact met de zee en je maakt deel uit van een jachteconomie. Dat zijn intense ervaringen die een mens maken tot wie hij is. Hoe is het mogelijk, dacht ik, toen ik met die balorige oud-visser kennismaakte, dat je daar achteraf zo’n radicale breuk mee maakt?
Was die oude visser een uitzondering? Op het eerste gezicht wel ja. Veel mannen die hun beste jaren aan de visserij gegeven hebben, blijven elkaar ontmoeten. Je vindt ze in de resterende visserscafés of je vindt ze keuvelend op de leugenbank aan de sassen. Ze volgen het verloop van vissers van ’t ene schip naar ’t andere, ze becommentariëren de vangsten, ze vertellen.
En toch… Later heb ik het nog meegemaakt dat iemand me zei dat hij na zijn pensionering nooit meer voet in de vismijn zou zetten. Die mens heeft woord gehouden, we hebben hem daar nooit meer gezien. Iemand anders verliet de visserij en zegde tegelijk zijn abonnement op. Dat liep nog zeven maanden, maar neen, hij had schoon genoeg van heel die visserij.
Oud-vissers ontspannen zich in het Godtschalck Instituut.
(Foto collectie De Plate, datering 1960-’70.)
Inmiddels begrijp ik dat wel. Het leven in de visserij is van een verbrandende intensiteit. Nergens heeft het weer zo’n invloed op de mens, nergens ben je zo afhankelijk van de natuur. Nergens is het werk zo slopend, nergens is de thuiskomst zo intens, nergens is de rust zo kort. Nergens klinkt het lawaai zo hard en de stilte eveneens.
In de visserij is alles geladen met betekenis. Toen ik naast de Oostendse vuurtoren ging wonen, leerde ik meteen te luisteren naar de wind. Vanaf dag één had ik de auto's in de gaten die nachts dicht tegen de pier gestationeerd stonden en waarin ik sigarettenrokende thuisblijvers zag zitten, mensen die slapeloos op het schip wachtten.
De visserij eet een mens volledig op. Dat geldt in de eerste plaats voor de vissers, maar niet alleen voor hen. Echtgenotes, kinderen, familie, leveranciers, reders, sluiswachters, onderzoekers en ook de redacteur van Het Visserijblad, Iedereen wordt meegetrokken in die verschroeiende hevigheid. Is het verwonderlijk dat sommigen er opgebrand uit tevoorschijn komen?
Ik herken het nu bij mezelf. Vorige zondag was ik weer op pad om mijn vissersverhalen voor te lezen. Daar waren nogal wat oude bekenden uit de visserij op afgekomen. Het was een hartelijk weerzien. Of ik nog wel eens de kaaien ging opzoeken, wilden ze van me weten. Neen, zei ik, ik heb er schoon genoeg van.
Flor Vandekerckhove


maandag 5 september 2016

Steak saignant

Eerst moet ik bekennen dat dit niet echt gebeurd is. Ah, zegt u, bekennen bekennen, het gebeurt wel meer dat De Laatste Vuurtorenwachter fictieve stukjes produceert. Maar deze keer is het anders. Wat volgt is evenmin iets wat ik bedacht heb. Het is een mop die een maat me ooit verteld heeft.
Op zo’n mop staat geen copyright. Die maat kan uiteraard geen auteursrecht laten gelden. Hij heeft de mop van iemand gehoord die het op zijn beurt van iemand anders gehoord heeft en die heeft het ook weer van iemand… Er is niets wat me belet om me die mop toe te eigenen en er een geschreven verhaal van te maken.
Maar simpel is het niet. Zo'n mop gedijt in een orale traditie. Een mop vertel je aan de tapkast of aan de dis. De mop is het terrein van het gesproken woord.
Er bestaan natuurlijk wel geschreven versies. Wie De Druivelaar in huis heeft kan op de ommezijde van de afgescheurde kalenderblaadjes dagelijks zo’n mop lezen. Tegelijk zal die lezer toegeven dat daar zelden om te lachen valt. Er bestaan ook moppenboekjes, genre De honderd beste moppen: geeuw geeuw. Ze leren vooral dat er een verschil bestaat tussen een mondelinge vertelling en een geschreven verhaal.
Een goed vertelde mop kan een slecht geschreven verhaal opleveren en omgekeerd geldt wellicht ook: van een slechte mop kan een goed verhaal gedraaid worden. Het is iets waaraan ik ben beginnen denken sinds ik, hier, enkele verhalen van Herman Pieter de Boer gelezen heb die, zo denk ik, op vertelde moppen gebaseerd zijn.
Maar kan ik het? Kan ik van een goeie mop een goed verhaal maken?
In de sixties trok mijn maat regelmatig met de ferry naar Engeland om er grammofoonplaten in te kopen. De muziekkeuze was daar groter dan in onze winkels en de platen lagen er al in de rekken voor iemand er alhier iets over gehoord had. Door de concurrentiestrijd tussen de ferrymaatschappijen was de overtocht goedkoop en een trip naar Engeland lag binnen ieders bereik.
Je moest ginder natuurlijk wel aan eten geraken. Dat moest soms rap gebeuren, want de ferry wachtte niet.
In een Brits restaurant wilde die maat van me nog vlug biefstuk friet eten. Die steak wilde hij kort gebakken bestellen, halfrauw, saignant. Dat die bakwijze in Engeland underdone heet, wist mijn maat niet, en bijgevolg zat hij aan die tafel niet alleen met honger, maar ook met een taalprobleem.
De kelner hield zijn blocnote klaar en mijn maat stamelde iets van steak en heu saignant. Dat laatste begreep die kelner niet zo goed. Mijn maat zocht naar een vertaling voor het Franse saignant en kwam uit op het Engelse bloody. Blij dat hij dat woord gevonden had, vroeg hij meteen: ‘Can I have a bloody steak please?’
De kelner keek dwars door hem heen toen hij de wedervraag stelde: ‘And do you want some fucking patatoes too?’

Flor Vandekerckhove