vrijdag 9 maart 2012

Lourdes

Ik zie een tros nonnen staan, jonge vrouwen in de fleur van hun vruchtbaarheid; habijt, witte kousen waarvan ik hoop dat het stay ups zijn en een kapje dat hen afschermt tegen haarfetisjisten die daar ongetwijfeld ook vertoeven, want de stad loopt echt vol ziekelijke mensen. Een van die nonnen rookt een king size sigaret (!), een beeld dat ik nooit meer kwijt geraak. Van een andere non krijg ik een knipoog.  Voorwaar, dit is een plek waar mirakels geschieden.
Horeca alom. Souvenirwinkel na souvenirwinkel na souvenirwinkel. Een van die zaken blijkt een selfservice te zijn waar je met een mandje gaat shoppen. Plastic Mariabeelden die je als drinkbus gebruikt. Postkaarten waarop een lachende èn wenende Christus afgebeeld staat, naargelang de invalshoek. Witte kaarsen, rode kaarsen, kleine kaarsen, grote kaarsen, laat maar draaien kaarsmachien. Recipiënten in alle formaten, van parfumflaconnetjes tot bidons die gezonde mensen gebruiken om er benzine in te transporteren als ze in de Pyreneeën in panne staan.
In de verte kleeft een uit de kluiten gewassen kerkgebouw tegen een rots. Van onder de grond komt geprevel. Na enig zoeken ontdek ik de toegang tot een ondergrondse kerk. Ik trek de deur open en kom terecht bij tweehonderd Indiërs die daar met tulband en al een mis bijwonen. 
Ik krijg er dorst van. Terwijl ik op een terras zit, zie ik de jonge non passeren die eerder naar me geknipoogd heeft. Ze vergezelt een man van middelbare leeftijd. Samen stappen ze een hotel binnen. Dertig minuten laten staan ze weer op straat en gaan ze elk hun weg, ni vu ni connu.
De non trekt naar de weide en dat doen ook veel andere mensen, vooral vrouwen. (Nooit eerder heb ik een stad met zoveel vrouwen gezien.) En ze dragen allemaal een brandende kaars met een papieren bavetje rond. Er is iets op til. Ik betaal schandalig veel geld voor de petit café noir en laat me met de massa meedrijven, het mysterie tegemoet.
Ik bevind me op vreemd terrein tussen wel duizend ziekelijke gelovigen; kuchen, hoesten, rochelen en Ave Maria. Overal rond mij ruisen zwarte soutanes. Men hanteert grote paternosters. Her en der lichten massale vrouwenboezems op … Dit is sfeer die kan tellen. En het ergste moet nog komen. Verloren lopend tussen de gelovigen kom ik onverwachts tussen wel honderd ziekenbedden terecht die door jonge meiden kordaat naar het wonder gereden worden. Al die jonge vrouwen zijn in habijt, allemaal witte kousen, allemaal een kapje op, waardoor ik begrijp dat de knipogende non er geen is; het betreft een plaatselijke schone die in de stad blijkbaar meer dan één hulpverlenende taak uitvoert. Lourdes onttoverd!  
Een processie ontvouwt zich. Gezang alom. Bij het refrein gaan de kaarsen omhoog.  En kijk, ik ben nog maar enkele uren in Lourdes en daar gebeurt alwéér een mirakel. Op kop van de processie loopt een groep Limburgse mijnwerkers! Jawel, landgenoten in complete uitrusting, met helm, stoflong, carbonlicht en al, klaar om de mijn van Winterslag in te trekken… die al meer dan een kwarteeuw dicht is.  Mijnwerkers zonder mijn: mirakel, mirakel! Maar bekeerd word ik er niet door. Zo'n knipogende non daarentegen, had mij wel over de streep kunnen trekken.
Flor Vandekerckhove

2 opmerkingen:

Rarrie zei

De "non-nonnen" van Lourdes ! Een onontgonnen toeristische troef, alhoewel .. voor de "rappe" geen geheim meer.

Suzanne zei

Schitterend geschreven.