maandag 30 mei 2016

Speelplezier

— Na afloop vallen Martin Heylen en Serge Feys elkaar in de armen. (Foto Jo Clauwaert). —

In het Oostendse cultureel centrum De Grote Post ging op 26, 27 en 28 mei Tussen Haven & Storm door, een avondvullende show, met tekst en muziek, een imposante ode aan de zee en de vissers.
Ik mocht eraan deelnemen. Het werd voor mij een beklijvende ervaring. Nog voor de voorstellingen afgelopen waren, uitte ik tegenover de organisatoren Serge Feys en Martin Heylen mijn dankbaarheid. Vlak voor ik voor de derde keer naar de zaal trok, schreef ik hun dit berichtje:
‘Straks trek ik een propere broek aan, want vanavond gaan we weer optreden. Het wordt de laatste voorstelling. We naderen de haven, ik hoor de klokken al, het volk jubelt. Die zin is niet van mij, hij komt uit O Captain! My Captain! van Walt Whitman: The port is near, the bells I hear, the people all exulting.’
‘We hebben dat gedicht allemaal leren kennen doordat we destijds de film Dead Poets Society gezien hebben. Ik denk niet dat iemand de filmzaal toen ongeïnspireerd verlaten heeft. Ik heb er meermaals aan zitten denken terwijl ik in de coulissen van De Grote Post mijn beurt aan ’t afwachten was, want nu al staat vast: ik ga dit gebouw niet ongeïnspireerd verlaten.’
‘Martin en Serge, Ik ben geen kostschoolstudent en jullie gelijken gelukkig niet op Robin Williams (alhoewel Martin er enige trekken van heeft), maar toch. Jullie hebben deze oudere man iets geleerd, al weet ik nog niet goed wat. Ik probeer het woord te ontwijken, maar het lelijk klinkende initiëren dringt zich op. Het voelt aan alsof jullie me ergens in geïnitieerd hebben. Die Grote Post, Martin en Serge, dat is de Dead Poets Society van deze morzel grond aan het Noordzeestrand.’ 
Ja, bevangen door gevoelens van verhevenheid schreef ik waarlijk deze poëtische woorden. Serge Feys antwoordde meteen, hij deed het kort & bondig: ‘Schoon!’ Martin Heylen liet me gisteren zijn antwoord kennen: ‘Ik vind dat een mooi compliment, waarvoor dank. Overigens heb ik ervan genoten om je de afgelopen dagen te zien evolueren van een gestrenge mens die zichzelf als kortaf en knorrig typeert, naar een stille genieter in de coulissen die telkens weer enthousiast een zeemeermin (ik herhaal: een zeemeermin) het podium opduwt, af en toe met een receptiebel van achter de schermen de zaal aan het lachen brengt en zelfs de hele groep aansteekt om, na het laatste applaus, a capella nog eens 'Op de Vismarkt' te zingen. Mocht je er ooit uit geraken wat je geleerd hebt, verwoord het en laat maar weten, ik ben benieuwd. Ik denk dat speelplezier en elkaar beter maken in de buurt komt.’

Flor Vandekerckhove

— Flor Vandekerckhove leest zijn verhaal 'Camiel De Visscher en Celine Mermaid'. De zeemeermin denkt er het hare van. (Foto Jo Clauwaert) —

donderdag 26 mei 2016

Goed nieuws

Men zegt dat de krant zelden goed nieuws brengt. Dat is ook wel waar, maar op 25 mei is het toch anders. Met genoegen lees ik op die dag een hoopgevend titeltje: Meer atheïsten dan christenen in Engeland.
Da’s goed nieuws, denk ik, op de eerste gezicht toch. In 2014 identificeert 48,5 procent van de bevolking van Engeland en Wales zich als atheïst. Voorwaar een forse stijging, want in 2011 is dat maar 25%. De gelovigheid gaat met forse schreden achteruit. Per nieuwe volger verliest de katholieke kerk tien gelovigen, de anglicaanse zelfs twaalf.
48,5 procent! Het lijkt me ook wel verdacht veel te zijn. Is dat onderzoek uitgevoerd door de goddeloze Richard Dawkins en zijn bende? Toch niet. De data werden onderzocht door Stephen Bullivant van de Catholic University van Twickenham. Onderzoeker Stephen is overigens van mening dat de kerken die gegevens ernstig moeten nemen omdat ze blootleggen welke groepen meer ‘geestelijke aandacht’ nodig hebben. (Hoe langer hoe minder blijkbaar.)
Toch is dat stukje alleen maar op het eerste gezicht goed nieuws. De titel dekt immers een andere waarheid af. Impliciet kun je hem anders lezen: 51,5 percent van de Britten beschouwt zich als gelovig. Bovendien kan de titel zelf in vraag gesteld worden. Niet elke ongelovige noemt zich atheïst. De meesten zeggen wellicht van zichzelf dat ze agnost zijn. Dat zijn mensen die een slag om de arm houden (en waarvan ik zelf zeg dat ze te laf zijn om kleur te bekennen).
Ten slotte nog dit. Er scheelt iets met de atheïsten, althans met de meeste die ik ken. Hoe komt het toch, zo vraag ik me af, dat mensen die het allerhoogste gezag uitdrukkelijk ontkennen, al het daaronder liggende gezag van staat & kapitaal zo gemakkelijk blijven aanvaarden?
God bestaat niet, het is dan ook geen prestatie om de Grote Baas weg te denken. Maar de economische en de politieke macht die onder Zijn paraplu schuilt bestaat wel degelijk. De Grote Baas tarten is gemakkelijk. Wie de kleine baasjes in vraag stelt heeft meer moed nodig. Heeft zo’n atheïst ter zake meer moed dan de gelovige? Niet per se, neen.
Flor Vandekerckhove

dinsdag 24 mei 2016

De kaap ronden

— Masaccio, Adam en Eva
verdreven uit het paradijs. —
Ik schrijf dit stukje omdat mijn maat Jo Clauwaert binnenkort zestig wordt. Hij rondt de kaap. Kijk, zo gaat het eraan toe eens je de kaap gerond heb. Laat het me vertellen, ik ben een ervaringsdeskundige, ik heb die kaap al lang gerond, ik neig al naar de zeventig.
*
Als ik het nu niet doe, wanneer dan wel? Ik moet er nu aan beginnen. Ik moet de verhalen fijn stellen die ik over enkele dagen in ’t publiek zal voordragen.
Maar doe ik dat ook? Neen, ik doe het niet. Ik doe iets anders. Ik schrijf een stukje waarop niemand zit te wachten, iets wat ik gemakkelijk kan uitstellen tot daar meer tijd voor is. Dat komt doordat ik de kaap gerond heb. Elke dag ontwaak ik met de glimlach, terwijl ik ietwat plechtig deze woorden uitspreek: deze dag hoort mij volledig toe, heden moet ik niets! (Tenzij die verhalen fijn stellen.)
*
Ik ben twintig en loop langs de steenweg naar het instituut waar ik de lessen volg. In het gebouw word ik bij de directeur geroepen. ‘Man man man,’ zegt die, ‘zeg me eens wat er scheelt.’ Ik weet niet waar hij heen wil.
‘Ik heb je zien lopen langs de steenweg’, zegt hij, ‘en je zag er zestig uit.’
Dat heeft de directeur goed gezien. Zo voel ik me ook, zestig. Ik begrijp niet wat daar mis mee is. Want zestig voel ik me al heel mijn leven, ook al toen ik vijftien was.
‘Kop op!’ zegt de directeur en met gebogen hoofd verlaat ik zijn bureau.
Ja, ik voelde me toen zestig en ik voelde me ook nog zestig toen ik dertig werd, veertig en vijftig. En toen ik eindelijk echt zestig werd viel alles in zijn plooi. Eens die kaap gerond moest ik almaar minder, en uiteindelijk — zo rond mijn vijfenzestigste — had ik het helemaal onder de knie, en moest ik niets meer. (Tenzij die verhalen fijn stellen.)
Wat heb ik die directeur toen geantwoord? Dat weet ik uiteraard niet meer. Maar laat het, omwille van het verhaal, dit zijn: ‘Halverwege de weg naar het ware leven gingen we gehuld in een zwarte melancholie, die doorklonk in zoveel spottende en trieste woorden, in het café van de verloren jeugd.’ Een citaat van Guy Debord. De directeur wist niet wie dat was. En ik wist dat in die tijd evenmin.
*
Nu ben ik de kaap al lang voorbij, maar ik voel me nog altijd zestig en vervolg mijn weg sindsdien met opgeheven hoofd. Niets moet nog. Of ’t zou het fijn stellen van die verhalen moeten zijn. Maar eerst haal ik de was nog binnen, en daarna ga ik, denk ik, wandelen.
Flor Vandekerckhove

maandag 23 mei 2016

Leren schrijven met Remco Campert

‘Ze was een werkster en had het vaak te kwaad. Boenen, dweilen en schrobben, van soggusvroeg tot savuslaat.’ Zinnen van Remco Campert. Smartlap is anderhalve bladzijde kort. Het staat in Vrienden, vriendinnen en de rest van de wereld. Deze Smartlap van Remco Campert is één in vorm & inhoud en juist daardoor een mooi verhaal. ‘van soggusvroeg tot savuslaat' is woordvervorming, dus vorm, die in dit geval één is met de inhoud, vormelijke smartlaptaal, zeer op zijn plaats in een verhaal met zo’n titel. Net zoals andere smartlapjuweeltjes die Campert inzet: ‘Een joggie’ en ‘snags allenig over straat’. Het mooie is dat zo'n opvallende woordvervormingen je niet altijd meteen opvallen, onopvallend opvallen… Mooie contradictie die bewerkstelligd wordt door het ritme, een smartlapritme: ‘De vader vroeg verscheiden, o bitter lijden.’ Je blijft nergens aan haperen, de vorm snijdt door de inhoud, als een mes door de boter. In het verhaal wordt een werkster door ‘meneer’ bepoteld, maar gelukkig slaagt ze erin ‘ongeschonden’ te blijven: ‘Maar al was ze maar een werkster, ze had haar eer. Die bleef ongeschonden, meneer de koekepeer.’

P.S. Op 4 juli 2022 overleed Remco Campert. Dit stukje is nu ook een in memoriam voor een schrijver die tot het kransje behoort dat me de stiel geleerd heeft.















Op 1 januari 2022 publiceert uitgeverij De Lachende Visch een nieuw e-boek van Flor Vandekerckhove. Honderd titelloze eenparagraafverhalen wordt ingeleid door Flors oud-leraar Nederlands Alfons Vandenbussche.


De e-boeken van Flor Vandekerckhove zijn gratis voor wie erom vraagt. Vooraf bestellen kan. Het boek wordt u dan per e-mail toegestuurd zodra het in het rek van De Weggeefwinkel komt te liggen. Vraag erom via liefkemores@telenet.be↗︎

zondag 22 mei 2016

ABBA

‘Staat er iets over ABBA in?’ Natuurlijk, het is een encyclopedie. ‘Staan er ook foto's bij?’ Het tegendeel zou me verwonderen. ‘Weet je wat ik vannacht gedroomd heb?’ zegt hij. ‘Ik heb gedroomd dat ik het met Agnetha deed.’ Ik vraag: ‘Is dat de blonde of de brunette?’ Mijn onwetendheid laat hem aan het nut van de encyclopedie twijfelen. Ik moet snel handelen, haal de letter A uit de koffer en open het boekdeel op het lemma ABBA. Daar staan ze gevieren: Agnetha, Björn, Benny en Frida. Ik zie dat Agnetha de blonde is. Het artikel is lang en er zijn mooie plaatjes, dat zit goed. De man zegt: ’mijn vrouw lag links en Agnetha rechts, en ik vingerde aan twee kanten.’ Een weerzinwekkend beeld, hopelijk blijft het niet aan me kleven. Dan komt ’s mans echtgenote thuis. Ze gaan er nog eens over nadenken, zeggen ze. Zo gaat het altijd als de vrouw erbij komt zitten. 

Flor Vandekerckhove

zaterdag 21 mei 2016

Kind tussen de trotskisten

‘Terwijl we opgroeiden werd onze telefoon afgeluisterd.’ Die woorden staan op 19 mei bovenaan de filmbladzijde van de krant The Guardian. Het is een citaat van Kate Beckinsale.
Ik ken die actrice niet. Ik bekijk haar foto. ’t Zal met seks te maken hebben zeker… Vooringenomen als ik ben, vraag ik me af waarom iemand zo’n meisje anders wil afluisteren. Maar dan valt mijn oog op het onderschrift. ‘Op straat verkochten we onze trotskistische krant, Newsline.’
Ha, die Newsline ken ik. Dat was het krantje van de beruchte Gerry Healy, een mens waarover ik hier eerder al een stukje schreef.
Kate is de dochter van de jong gestorven acteur Richard Beckinsale. Wanneer ze tien is hertrouwt haar moeder met Roy Battersby, een televisieregisseur ‘en Kate komt in een huis terecht dat helemaal gevuld wordt met Betterby’s vier zonen en met acteurs, en vooral met politieke activisten van de Workers Revolutionary party, het kleine trotskistische groepje waarin haar stiefvader zo diep betrokken was dat hij op de zwarte lijst van de BBC terechtkwam.’ En verder: ‘Het huis wemelde van de vurige trotskisten, in een tijd waarin het haast onmogelijk scheen om té links te zijn.’ Ook die fameuze Healy was kind aan huis. WRP-members Vanessa en Corin Redgrave waren vrienden van de familie, net als de crème de la crème van de BBC, zoals regisseurs Kenith Trodd en Tony Garnett. Verder wemelde het thuis ook nog van de mijnwerkers, Palestijnse activisten en vakbondsafgevaardigden. Zegt Kate Beckinsale: ‘Als kinderen deden we dingen als het trotskistisch krantje Newsline op straat verkopen.’
Kijkt u daarvan op? Dat komt doordat u die tijd niet meegemaakt hebt. Ook ik was een vurig activist van zo’n klein trotskistisch groepje. Ook mijn dochtertje liep toentertijd, samen met het buurmeisje, al eens met ons weekblad Rood te venten; ze speelden dat na, zoals anderen winkeltje spelen. En als ik mijn ex mag geloven dan werd ook onze telefoon toen afgetapt. Dat waren tijden!
Die tijden zijn voorbij. Rood bestaat niet meer en Newsline evenmin. Ik zie op het internet dat Kate Beckinsale inmiddels bekendheid verworven heeft als heldin Selene in vijf, zes films die Underworld heten. Op youtube bekijk ik er enkele scènes van. Het lijkt me filmwerk te zijn dat maar een enkel doel heeft: geld opbrengen. Neen, in dat geval mag ik terecht zeggen: vroeger was het beter.
Flor Vandekerckhove


vrijdag 20 mei 2016

Rolhockey




Over het bouwwerk op de achtergrond heb ik het hier↗︎ eerder al gehad. Het werd in pakketbootstijl↗︎ gebouwd en de foto, die van het bouwjaar 1939 dateert, toont ons dat nieuwe gebouw in al zijn jeugdige pracht & praal. De nadruk van het beeld ligt evenwel op de rolschaatspiste. Onderstaande foto’s leren me dat die piste niet het exclusieve terrein van toeristen was, de toenmalige jeugd van Bredene liet de site niet links liggen. Roland Van Loo wijst me erop dat daar ook rolhockey gespeeld werd. Zelf herinner ik me dat er in de stallen van mijn grootouders een hockeystick stond, een relict van dat hockeyverleden, ook in mijn familie moet iemand die sport beoefend hebben. Op de foto bovenaan zien we trouwens hoe het einde van de piste langs beide zijden met een net afgeschermd wordt. Die netten moeten beletten dat de hockeybal buiten het terrein terechtkomt.
En nu de vragen. Beoefenden Bredenaars die sport destijds in teamverband? Had die club desgevallend een naam? Bestond er een competitie? Werden daar rolhockeytoernooien georganiseerd? Beschikt iemand over een foto van zo’n Bredense hockeyspeler?
Flor Vandekerckhove

—  De jongens zijn van l. nr. r.: Jef Brys, onbekend, Kamiel Loontiens en Georges Devriendt. De meisjes zijn van l. nr r., staand: Hélène Devriendt, Simone Vyncke, Alice Vandekerckhove. Zittend: Elza Devriendt en José Boncquet die tijdens een bombardement om het leven zou komen. De foto’s dateren van 1941. 
— Alice en Marcel Vandekerckhove, broer en zuster. —

[Deze post dateert oorspronkelijk van 2016. In 2021 redigeer ik hem opnieuw, ten behoeve van de FB-groep Bredene voor en van iedereen, in de hoop alzo in extremis een antwoord te krijgen in de vragen: Beoefenden Bredenaars de hockeysport destijds in teamverband? Had die club desgevallend een naam? Bestond er een competitie? Werden daar rolhockeytoernooien georganiseerd? Beschikt iemand over een foto van zo’n Bredense hockeyspeler?]

donderdag 19 mei 2016

Klop

—Links:  Fredric Brown (1906-1972) —



De Amerikaan Fredric Brown schrijft in 1948 een extreem kort griezelverhaal dat Knock heet. In de Nederlandse vertaling van P.J. Verhoeff gaat dat als volgt: ‘De laatste man op aarde zat alleen in zijn kamer. Plotseling werd er op de deur geklopt.’ Slechte vertaling, niet erg griezelig, want in dit geval is ’t natuurlijk ‘de laatste vrouw’ die aanklopt. Griezelig wordt het als je ’t goed vertaalt: ‘De laatste mens op aarde zat alleen in een kamer. Plotseling werd er op de deur geklopt.’  

Na Fredric Brown zijn de grapjassen ermee aan de slag gegaan. Laat me toe om mijn steentje bij te dragen: ‘De laatste mens op aarde zat alleen in een kamer. Plotseling werd er op de deur geklopt. Met een bang hart maakte hij open. Voor hem stonden er twee met een aktetas, Jehova’s getuigen. Aaaaaaahhh!’

Flor Vandekerckhove

woensdag 18 mei 2016

Je moest een fiets hebben (1)

— Beelden van een veldwedstrijd tussen tieners uit Bredene. Er bestaat een verslag van die in De Zeewacht gepubliceerd werd. Daardoor weten we wat zich die dag voorgedaan heeft, zoals bijvoorbeeld: 'Hoe Poppe (8) en Van Massenhove (10) zich ook inspanden, zij konden de pijlsnelle Schamp (9) niet meer bedreigen.'




Tien jongens op een rij. Acht ervan staan klaar om het tegen elkaar op te nemen. Twee ervan worden geruggensteund door een makker. Aan de rechterkant, ietwat afgescheiden, staat een meisje. Zij geeft het startsein. De foto werd in Bredene gemaakt, in het duinengebied, wellicht van de wijk hippodroom. We weten wie op de foto staat: (1) Jan Van Geluwe, (2) Serge Schaut, (3) Marc Loy, (4) Danny Kerkaert, (5) Roger Rys (†), (6) Lucien Geryl, (7) Norbert Olders, (8) Erik Poppe, (9) Ivan Schamp, (10) Roland Vanmassenhove (†27.04.2019) en (11) Annie Vanhee.
Hoe ging dat toen eigenlijk? Werd zo’n fietswedstrijd inderhaast georganiseerd? Je zou dat haast denken, geen van die jongens heeft enige sportkledij aangetrokken. Improvisatie? Dat zou een al te overhaaste conclusie zijn. Sportkledij was een luxe waarover geen van hen beschikte, hoogstens een koerspetje. Het betreft wel degelijk een georganiseerd gebeuren. Er bestaat zelfs een krantenverslag uit De zeewacht van. Helaas geen datum. Mogen we 1966-67 veronderstellen? Achter de initialen van reporter P.E. schuilt wellicht Erik Poppe. Het knipsel ‘Jeugdveldrit te Bredene’ start als volgt: ‘Twintig zenuwachtige renners hadden zich aan de startlijn opgesteld voor de eerste grote veldrit van het patronaat.’ Als dat waar is dan bevindt de helft van de deelnemers zich buiten beeld. Het stukje, leert ons dat het parcours niet zonder gevaren was: ‘Na een korte demarrage, nam Poppe als eerste de bocht, doch reed daarbij in de haagjes.’; ‘Door een spijtige wegvergissing verloor Schaut alle hoop op een ereplaats.’; ‘In de achtergrond nam Versluys Willy te veel risico’s zodat hij driemaal ten val kwam.’
Flor Vandekerckhove 


Dit stukje werd al in 2016 in De Laatste Vuurtorenwachter gepost. In 2021 redigeer ik het opnieuw ten behoeve van enkele FB-groepen die over Bredene en (oud-)Bredenaars berichten.





dinsdag 17 mei 2016

De parabel van de ijscoman




De voorganger zeide: ‘Iedereen bevindt zich rond de berg. Wij, katholieken, bevinden ons alhier, de joden aan gene zijde. Boeddhisten staan links, protestanten rechts en de moslims ginder achter.’ Zijn armen gingen alle richtingen uit. 'De wegen zijn verschillend, maar het einddoel is gelijk. Uiteindelijk zullen wij — boeddhisten, protestanten, joden, katholieken en moslims — elkaar ontmoeten, daar op de top, in de nabijheid van God.’ Mij viel het op dat de voorman de atheïsten onvermeld gelaten had, ongetwijfeld een vergetelheid. Ik baande me een weg en beklom op mijn beurt het spreekgestoelte. Aldaar aangekomen schraapte ik mijn keel en sprak als volgt: ‘Ook wij, atheïsten’, zei ik, ‘beklimmen via onze eigen weg de berg, net als gij, alsmede boeddhisten, joden, protestanten en moslims.’ Zoals de voorman dat eerder gedaan had, wachtte ik nu een wijl, waarna ik deze gevleugelde woorden uitsprak: ‘Het enige verschil is dat wij weten dat er boven op die berg niets te zien valt.’ Over het vervolg verschillen de meningen, sommigen beweren dat er een ijzige stilte over de menigte nederdaalde, anderen zeggen dat er geweeklaag opsteeg, geween en tandengeknars. Zelf zou ik het niet weten, mijn aandacht werd opgeëist door ijscoman Florencia die met zijn triporteur de vallei inreed. Aan mij verscheen een visioen gevat in een hoorntje. Het was een openbaring zonder slagroom, want ik moet een beetje op mijn suiker letten.
Flor Vandekerckhove

De e-boeken van Flor Vandekerckhove zijn gratis. Vraag erom via liefkemores@telenet.be.

maandag 16 mei 2016

Om ter kortst

— Van l. nr r.: A.L. Snijders, Isaak Babel, Ernest Hemingway, Fenix Fénéon, Franz Kafka, Bertolt Brecht. —

A.L. Snijders heeft de term geijkt, maar hij is er niet de eerste beoefenaar van. Omdat ik ook mezelf in het zeer korte verhaal wil bekwamen ontdek ik gaandeweg degenen die ons in dat genre voorgegaan zijn.
Zo heb ik Isaak Babel leren kennen, een van de weinigen waarvan ik de verhalen herlees, herlees en herlees. In mijn subjectieve beoordeling is Babel de beste schrijver ooit. in een stuk dat niet voor niets Leren schrijven met Isaak Babel heet, heb ik hier al over mijn bewondering voor die mens verteld. Hij schrijft verhalen die soms maar twee bladzijden lang zijn, iets waar ze in het land van dikke Tolstojboeken ongetwijfeld raar van opgekeken hebben.
Misschien heeft Ernest Hemingway het kortste verhaal ooit geschreven. Het dateert van in de jaren twintig: ‘Te koop: kinderschoentjes. Nooit gedragen.’  Slechts vijf woorden (in ’t Engels zes), maar er zijn sindsdien wel duizenden woorden aan gewijd. Waar heeft Hemingway het geschreven? Was er een weddingschap mee gemoeid? Heeft hij het uit de krant gepikt? Is het dan plagiaat? Heeft hij het überhaupt wel geschreven? Meer daarover vind je hier.
Feit is dat al de voorwaarden aanwezig zijn om het een klassiek verhaal te noemen: protagonist, conflict, uitkomst. Het personage in dit verhaal is de persoon die de advertentie schrijft. Het conflict is dat van een ouder die een misval te verwerken krijgt of het overlijden van een kind dat te jong was om die babyschoentjes te dragen. En de uitkomst bestaat erin dat de schoentjes verkocht worden zodat de ouder met zijn/haar leven kan verdergaan.
Het verhaal heeft zelfs school gemaakt. Er is een obscuur genre dat Six-Word Memoirs heet en daar bestaat een bloemlezing van. Daarin staan pareltjes als: ‘I asked. They answered. I wrote.’ en ‘Seventy years, few tears, hairy ears.’ De titel van die bundel is niet te evenaren: Not Quite What I Was Planning. Het leven kan niet beter samengevat worden.
Een ware ontdekking is voor mij ook Félix Fénéon geweest, een Franse anarchist die in 1906 de korte berichten van een krant verzorgt. Hij maakt er parels van: ‘Mevrouw Fournier, M. Voisin, M. Septeuil hebben zich opgehangen: zenuwziekte, kanker, werkloosheid.’ en ‘Brand, boulevard Voltaire. Een korporaal werd gewond. Twee luitenanten kregen op hun hoofd, de ene een balk, de andere een pompier.’ Wie er meer wil lezen, klikt hier.
In 1910 begon Franz Kafka een verhaal te schrijven dat Het verlangen indiaan te worden heet. Ik vind er op 't internet een Nederlandse vertaling van: Als je toch eens een Indiaan was, meteen op je hoede, en op het hollende paard, scheef in de lucht, altijd weer trilde over de trillende grond, tot je de sporen vergat, want er waren geen sporen, tot je de teugels wegsmeet, want er waren geen teugels en nauwelijks het land voor je als glad gemaaide heide zag, al zonder paardennek en zonder paardenhoofd.’ Het verhaal gaat over de kracht van de verbeelding. Het telt, zoals u ziet, een enkele zin. In 1912 was hij ermee klaar.
En nu, in dit pinksterweekend, ontdek ik de zeer korte verhalen van Bertolt Brecht. De protagonist is telkens ene meneer Keuner, soms afgekort tot K. Onder de titel De besten hebben het moeilijk staat dit verhaal: ‘Waaraan werkt u?’ vroeg men meneer K. Meneer K. antwoordde: ‘Ik heb het erg druk, ik bereid mijn volgende vergissing voor.’
En laat me nu verder lezen, want ook ik heb nog tal van vergissingen voor te bereiden.
Flor Vandekerckhove

zondag 15 mei 2016

Moeilijk te overtreffen

Elke week gaan we wandelen. We hebben al de kust gedaan, de Polders, het Brugse Ommeland, de Ieperboog. Thans bevinden we ons in het grensoverschrijdende Heuvelland, waarvan we inmiddels de verste Frans-Vlaamse uithoeken aan het afstappen zijn, ja, we doen het grondig.
Wandelen is een bezigheid die maar moeilijk te overtreffen valt. Dat zegt ook William Wordsworth: ‘Ik houd van wegen: weinig slechts van wat ik heb gezien/ Schonk mij meer blijdschap — zij leidden mijn/ Verbeelding al sinds mijn prille kindertijd…’
Voor de wandelaar heeft elk seizoen zijn charme, maar de lente is ’t charmantst van al. Niets oogt zo hoopvol als het kiemen en er is maar weinig dat kan tippen aan de geur van gemaaid gras. En dan zijn er de geluiden: De lente komt van ver, ik hoor hem komen’, dichtte Gezelle en ook die zin valt nauwelijks te overtreffen of het zou door de vogels zelf moeten zijn.
De nesten zijn gemaakt. Dat heb ik verleden week gezien aan een houtduif die wel nog een takje in zijn bek hield, maar er geen raad meer mee wist. De kievit heb ik enkele weken geleden al kunnen horen, maar hoe hij nu het nest beschermt… Van nestbescherming heeft de koekoek dan weer geen last, maar ook hem heb ik verleden week voor het eerst gehoord. Die koekoek maakt het zich gemakkelijk, hoor ik u zeggen, maar ook de merels zijn tegen ‘s middags al lang klaar met het werk. Ze fluiten, hoor ik al wandelend, vrolijk de rest van de dag vol, net zoals de leeuwerik die almaar hoger ’t zwerk in schiet om daar van jetje te geven.
Zo heeft elke vogel zijn geluid, maar ik ken er geen die de kroet evenaart. Die soort leer ik in 1980 kennen, dank zij een ornitholoog die zich daarin gespecialiseerd heeft. Als u de moeite neemt om onderstaand filmpje te bekijken, zult u het met mij eens zijn: dit is waarlijk onovertrefbaar.
Flor Vandekerckhove


donderdag 12 mei 2016

Krijt op tijd (2)



De groepsfoto bovenaan dit stuk heb ik in de fotoblog van Glenn Vermoortel gevonden, de foto onderaan dit stukje komt uit het familiearchief. We weten niet in welk jaar de foto’s gemaakt werden, we weten dat de biljartclub in café De Meiboom gevestigd was.
En nu de namen. (1) Diane, echtgenote van de jonge Caesar, uitbater van Café des Dunes, (2) Adrienne Delanghe, echtgenote van Oscar Bultynck, (3) Camiel Vandekerckhove (3). (5) Camiel Gunst, (7) Romain Decouter, (11) Gerard Callewaert, (13) Maurice Jonckheere, (16) echtgenote Maurice Jonckheere, (18) Roger Bruyneel (18) en (20) Oscar Bultinck, (22) Henri Denolf, uitbater van buurtwinkel Delhaize, (23) Pol Coopman, vader van Willy, 
Flor Vandekerckhove


[Deze post dateert in De Laatste Vuurtorenwachter van 2016. In 2021 redigeer ik hem opnieuw ten behoeve van de FB-groep Bredene voor en van iedereen, in de hoop zodoende de laatste ontbrekende namen te traceren.]

woensdag 11 mei 2016

Iemand Anders


Zij was Iemand Anders. Ze was niet jachtig, niet schichtig, niet gesloten, niet beschaamd. Ze gedroeg zich als de vogelen des hemels. Zij zaaide niet en maaide niet en bracht niets bijeen in schuren. Ze was zoals de leliën des velds en niet bezorgd om kleding. Ze ontkleedde zich voor het raam en bekommerde zich niet om de blikken van een oude man die vanop afstand naar de dingen keek. Iemand Anders werd, dat begrijpt u wel, een kleine obsessie. Hij keek alleen nog maar naar haar. Zich schuldig voelen deed hij niet, evenmin was hij bezorgd voor de gevolgen, want elke dag had al genoeg aan zijn eigen kwaad. Dat laatste ondervond hij aan den lijve toen de bel overging en Iemand zich voorstelde als de echtgenoot van Iemand Anders.
Flor Vandekerckhove

Deal

maandag 9 mei 2016

De gunst van de opschorting

— Om de rechterlijke macht te bedanken voor de verkregen gunst, doneer ik hierbij een gehandtekende fotografische afbeelding van mevrouw Cafmeyer M. — 

Je weet dat de overheid mijn huis doorzocht heeft, ik heb dat hier al verteld. Enkele weken later deelde griffier Stephanie me mee dat de raadkamer op vrijdag de dertiende over mijn doorverwijzing naar de correctionele rechtbank zou beslissenOndanks de datum was ik er gerust in. Dat veranderde toen ik die brief aan iemand toonde die op de rechtbank werkt. ‘Heb je al een advocaat?’ vroeg hij. Hij trok zijn wenkbrauwen op en uitte de niet mis te verstane woorden: ‘Je zou er goed aan doen er een te nemen.’ Omdat zijn wenkbrauwen ook daarna schrikbarend hoog bleven staan, wist ik dat hij gelijk had. Met die advocaat toog ik naar Brugge. Stephanie zei eerst iets kort & bondig, waarna de procureur het woord nam & zeide: ‘Gezien blablabla, geen blablabla maar verboden en blabla ofwel blablabla en verdovende alsmede blabla en de wet blablabla stimulerende blablablablabla planten artikel zoveel en zoveel, daarenboven substanties blablaba en veel vijven en zessen, beveel ik de doorverwijzing naar de correctionele rechtbank aan.’
Had de politie me niet eerder gezegd dat het niet zo’n vaart zou lopen?  Was ik in een boek van Franz Kafka terechtgekomen? Dat was ongeveer ook wat mijn advocaat vervolgens zei. En in een adem ging hij verder, zeggende welke belangrijke rol meneer Vandekerckhove in het culturele leven speelt, dat hij de hoeder — dat zijn zijn woorden hé, de hoeder! — is van de visserscultuur, een veelgelezen blog heeft en op 26, 27 en 28 mei optreedt in De Grote Post, samen met grootheden als Maaike Cafmeyer, Johan Verminnen, Patrick Riguelle, Martin Heylen, toetsenman Serge Feys en Maaike Cafmeyer… Ja, die naam vermeldde hij twee keer. De onderzoeksrechter vroeg aan de procureur wat hij ervan dacht. ‘Mmmm…’, antwoordde deze, ‘als dat waar is van Maaike Cafmeyer, dan is die doorverwijzing geenszins nodig.’ Meer had die rechter niet nodig. Hij verleende me de gunst van de opschorting en wenste me een goede nachtrust toe — dat deed hij echt, ik zweer het. Waarna het de beurt was aan de volgende. Terwijl ik naar buiten toog en die volgende naar binnen, keek ik in de bruine ogen van een zwarte medemens die om soortgelijke redenen opgeroepen was. Hij zag er niet uit als een hoeder van enige cultuur en evenmin als iemand die met Maaike Cafmeyer op de affiche stond. En ik wist dat hij de pineut zou zijn, want de wet is wel voor iedereen gelijk, maar voor sommigen is hij toch iets meer gelijk dan voor anderen.
Flor Vandekerckhove

zondag 8 mei 2016

Op de vismarkt

Mocht je dezelfde weg afgelegd hebben als ik, dan zou je begrijpen dat mijn oog blijft vasthaken aan een zin die zegt: An eminent composer and pianist walks into a fish market and starts to play a Chilean protest anthem.’ De zin staat in de NY Times van 6 mei en koppelt godbetert een socialistisch strijdlied aan een vismarkt. Mijn krinkelende winkelende levenspad, waarde lezer, is vreemd genoeg langs beide gepasseerd.
De pianist heet Frederic Rzewski (°1938) en zijn zoon werkt op de vismarkt van Pittsburgh. Hij stelt zijn vader voor om daar eens te komen spelen. Dat doet de oude Rzewski graag, want zijn muziek mag avant-gardistisch zijn, hij wil er ook mensen mee bereiken die niet in de concertzaal komen.
Daar zit natuurlijk een verhaal achter en dat laat me aan de Amerikaanse dichter John Wheelwright (1897 – 1940) denken, een trotskist die modernistische — en dus moeilijke — gedichten schreef. Trotskist en modernist, het levert enige spanning op die ook Frederic Rzewski moet kennen. Hoe koppel je avant-garde aan toegankelijkheid, zonder populistisch te worden? Wellicht heet die spanning Met Vallen & Opstaan.
Frederic Rzewski is een linkse kerel die ooit gedacht heeft dat hij met zijn muziek de wereld zou veranderen. U kunt dat belachelijk vinden, maar dat komt alleen maar doordat u niet in de jaren zestig geleefd hebt. ‘We gingen een heel nieuwe taal creëren’ , zegt hij, ‘waardoor mensen uit verschillende delen van de wereld konden samenkomen en via de muziek met elkaar communiceren.’ Er waren er in die tijd wel meer die zoiets dachten, en ze verschilden van elkaar als Godfried Willem Raes van Jefferson Airplane.
Hoe denkt Frederic Rzewski daar nu, in 2016, eigenlijk over? Kun je met muziek de politiek beïnvloeden? ‘Wellicht niet,’ zegt hij, ‘maar je moet toch schrijven alsof het wel kan.’’ Voilà, zo heb ik ze graag, de lieden die in 1938 geboren zijn. Frederic Rzewski is een revolutionaire optimist en een voorbeeld voor degenen die na hem komen, dus ook voor mij.
Op de vismarkt speelt Rzewski een van zijn bekendste werken, 36 variaties op het socialistische El pueblo unido jamás será vencido, een lied dat alle linkse mensen van mijn leeftijd kunnen zingen, of toch minstens fluiten.
Je kunt Frederic Rzewski zelf op die vismarkt bezig zien, het evenement staat hier op Youtube. Want de oude Rzewski gebruikt niet alleen de vismarkt om zijn ding te doen, hij heeft ook het internet omarmd. Daar stimuleert hij piratenversies van zijn muziek en de bladmuziek krijg je er zo bij. Ha, denk ik dan, zo zijn we en zo blijven we!
Het loont de moeite om naar die muziek op zoek te gaan. Je stoot dan op Coming together, waarin een indrukwekkende tekst verwerkt zit van een Amerikaanse gevangene die, kort nadat hij die tekst geschreven heeft, in een opstand aan zijn einde zou komen. Nog een gevangenislied is De Profundis, op een tekst van Oscar Wilde, waarin de pianist Wildes woorden uitspreekt en… zichzelf slaat.
De titels van Frederic Rzewski liegen er niet om. Een stuk heet Stop the war! Hij maakt overduidelijk politieke muziek, maar een pamflet mag je dat niet noemen. Dat kan je hier zelf constateren.
‘t Is godver spijtig dat de mens intussen al zo oud is, maar kijk, hij heeft inmiddels wel een nieuwe generatie beïnvloed. Daarvan vind ik een mooi voorbeeld. In The Source reflecteert Ted Hearne over de Amerikaanse oorlog in Irak en hij doet het hier door een concrete oorlogsmisdaad aan te klagen. Chapeau!
Flor Vandekerckhove

zaterdag 7 mei 2016

Stevig windje


Ik kijk naar een standbeeld dat Le Pélerin de l’Autan heet. Het staat in het Franse stadje Castres. We zien een pelgrim op weg naar Sanitiago de Compostella. Voorovergebogen vecht hij tegen een plaatselijke wind die Autan heet. Stevig windje is die vent d'Autan, dat zie je zo. De zoekmachine vertaalt vent d'Autan in landwind, elders lees ik dat het de verlengde van een zeebries is. Die vertrekt aan de kust van de Languedoc-Roussillon en waait over berg en dal tot hier. Hij passeert de Pyreneeën en een pijplijn van meerdere valleien. Een wind wordt daar droog van, windkundigen hebben het over een foehn-effectZeebries wordt landwind.
Ook lees ik dat er twee Autans bestaan: de Autan blanc en de Autan noir. En ik verneem dat het niet de enige wind is die pelgrims daar naar hun hoed laat grijpen. Er is ook de Tramorane die de andere richting uit blaast. Wel wel, zoveel wind in zo’n klein stadje.
Op de sokkel van dat beeld staat dat massaal veel pelgrims via Castres naar Santiago de Compostella reisden omdat ze in dat stadje een relikwie van ene Sint-Vincentius wilden aanschouwen. Daarvoor moesten ze eerst over de Monts de Lacaune trekken. Als ze daarna van die bergen naar de stad afdaalden kregen ze het geweld van de Autan over zich heen en moesten ze hun hoed stevig vasthouden.
Ik bezoek de streek intussen al meer dan twintig jaar. Ik vraag me af of ik daar al eens met die wind geconfronteerd werd. Ik vind een foto uit 2012, waarop Ik met mijn wandelvriend, de zwarte hond, bovenop een bergkam loop. Aan mijn wapperende haren is te zien dat er een stevig windje staat. Is het de Tramorane is of de vent d’Autan. En in als ’t die laatste is, is het dan de blanc of de noir?
Flor Vandekerckhove


vrijdag 6 mei 2016

De wandeling als koekoek

— Gent, maart 1969. De betoging trekt zich op gang. Ik neem eraan deel en sta ergens achteraan op die foto. De vraag of het iets opgebracht heeft wordt me sindsdien na elke manifestatie weer opnieuw gesteld. Wel zeker, zeg ik dan, het was een flinke wandeling. — 

Binnenkort is er een vakbondsbetoging en ik zal erbij zijn, maar niet om wat u denkt. Ja, ’t is waar dat ik een linkse jongen ben, maar ’t is daarom niet dat ik achter het banier opstap. Ja, ‘t is waar dat ik de gortige regeringsmaatregelen meer dan beu ben, maar ’t is daarom niet dat ik de straat op trek. Ik doe mee omdat zo’n betoging tegelijk een wandeling is.
Dat is niet hetzelfde, werpt u tegen, een betoging is niet hetzelfde als een wandeling. Een betoging streeft een doel na, zegt u, en het is een machtsontplooiing. Een wandeling daarentegen staat op zichzelf en is de machteloosheid zelve.
U hebt gelijk en toch ook niet. Er zijn wandelingen die zo puur zijn als een machteloze boreling, da’s waar, maar er zijn er ook die zich vermommen. Niet iedereen die te voet naar Santiago de Compostella trekt doet het voor de christelijke loutering. Menigeen doet dat om de wandeling. En ‘t is niet omdat ik aan de vakbondsmanifestatie deelneem dat ik verwacht dat de regering valt. Ik doe het voor de wandeling.
Een wandeling kan als een koekoek zijn die haar ei in andermans nest legt. Ze duikt onder in een stoet of een processie. Ze verschanst zich in een mars, een kruisweg of een trektocht. Ze verkleedt zich in een bedevaart of een betoging. Maar als je thuis je schoenen uittrekt, zeg je toch telkens weer: héhé, dat was een flinke wandeling.
Waarom verschuilt de wandeling zich dan? Waarom vermomt ze zich zoveel? Waarom toont ze zich in al die verschillende gedaanten? Dat komt doordat wandelen de daad is die het dichtst bij nietsdoen aanleunt. Daarom doe ik het trouwens ook zo graag, ’t is bijna nietsdoen. Maar op nietsdoen wordt een mens aangekeken. Daarom zegt de kerk dat het geloof niets is zonder de werken. Nietsdoen is het oorkussen van de duivel. Daarom roept de vakbond op tot actie: we willen werk!
Op ’t einde van de wandeling is het mandje van de wandelaar leeg. De wandelaar heeft niets geproduceerd. Ja, gedachten wel natuurlijk, maar die zijn gewichtloos en niet verhandelbaar — zeker de mijne. Maar wie deelneemt aan zo’n vermomde wandeling kan niet van ledigheid beschuldigd worden. Hij heeft zijn plicht gedaan, zijn steentje bijgedragen, zijn taak volbracht. Zodat niemand hem verwijten kan dat hij ’s anderendaags eens gewoon in de natuur uit wandelen gaat, doelloos, alleen maar om te wandelen.
Maar eerst naar Brussel !
Flor Vandekerckhove