dinsdag 31 maart 2020

Dichters onder elkaar (Un poète peut en cacher un autre)


De dag nadat ik daar met Ostend Social Club Avondgenoegen van jetje heb mogen geven, word ik lid van Artslag, een kunstbende die onder haar leden nogal wat dichters telt. Hun schrijf ik een collegiaal briefje. Daarin uit ik mijn onzekerheid over de dunne grens tussen poëtisch proza en poëzie. ’t Is iets wat me als ferm belegen neofiet onledig houdt, ik heb er al drie korte essays aan gewijd, waarvan het recentste, nog maar sinds gisteren, hier staat, de letters zijn nog warm. Tien Artslagdichters doen moeite om te antwoorden. Dat is veel, want in de regel blijven mijn brieven onbeantwoord. (Over het waarom tast ik in het duister, maar ik vermoed dat het komt doordat ik geen jong wijfje ben.)
Jef Vromant: ‘Voor mij,’ zegt hij, ‘doet de vorm weinig ter zake. De poëtische aai, botsing, woord- en letterkeuze … doen dat meer.’ Geestig is zijn opmerking dat poëzie de enige literaire kunstvorm is ‘waarbij auteurs hoofdzakelijk voor collega's dichters schrijven.’ Ik zou zeggen: en dan nog! Want mijn recent verschenen dichtbundel wordt nauwelijks door collega-dichters besteld, het kleinood is nochtans gratis.
Ik kijk naar de website van Etienne Goderis en kom onder de indruk van zijn glassculpturen. Glashelder is trouwens zijn antwoord: ‘Een gedicht is meer dan proza. Het is een compacte tekst die qua vorm en inhoud afwijkt van literatuur in het algemeen. Het bevat ideeën in meerdere lagen, het vouwt zich open als een kelk, bij iedere herlezing een beetje meer. Het laat voldoende fantasie en interpretatie over voor de lezer. De vorm (ritme, vers, het visuele geheel) versterkt de inhoud.’
Vromant en Goderis leer ik nu pas kennen, Katia Van Cauwenberghe daarentegen ken ik al lang. Ze is, net als die mannen, erg veelzijdig: schrijfster, natuurgids, leerkracht, reiziger en muzikante. Je moet zelf maar eens naar haar website kijken. Veel tijd om te dichten kan haar niet resten, maar ze komt wel voor in een mijner gedichten, waar ze de rock ’n roll laagwaterheks genoemd wordt. Over de dunne grens tussen poëzie en poëtisch proza zegt ze resoluut: ‘Alles is charmanter en boeiender zonder grens!’ Voorwaar een sterk internationalistisch antwoord.
Hervé Casier ken ik ook al lang. Ik ontmoet hem voor het eerst in 1991, op de boekenbeurs in Antwerpen, meer bepaald op de stand van een uitgever die zowel van hem als van mij een boek zou uitbrengen. Meer daarover én over het oeuvre van Casier staat in Warvinge, een poëtisch universum. Hervé zegt in zijn antwoord dat poëzie zich van proza onderscheidt door de ‘verdichting’. Een gedicht is iets wat ‘dichtgemaakt’ is: ‘Zo weinig mogelijk woorden en zoveel mogelijk open ruimte in betekenis.’ Vandaar ook dat Casier geen lange gedichten schrijft. Als hij al zo’n langer gedicht apprecieert dan heeft dat altijd ‘enkele verzen of beelden tekst die het romanproza overstijgen.’
Jenny Dejager schrijft me in een kattebelletje dat een uitgebreid antwoord niet mis zou zijn. Dat ze daar nu geen tijd voor heeft, valt licht te begrijpen, want ze publiceert juist Alles begint bij het aanraken, haar negende (!) dichtbundel. Meer erover staat op haar website. Lily May Parker, aan wier tekeningen ik hier een post wijd, beantwoordt mijn vraag op een manier die ze alleen van een Jezuïet geleerd kan hebben: ‘Waar jij jouw bedenkingen over hebt heb ik dus ook altijd!’  Roel Ghysel belooft me te antwoorden zodra hij van de griep af is, maar hij ontwaart wel verwantschap tussen James Tate en mij; dat zegt hij met gezag, want Roel is in een vorig leven mijn uitgever geweest. (Ik zoek een foto van Ghysel op ’t net en al wat ik vind is bovenstaande haarlijn, waarin ik mijn oud-uitgever helemaal niet herken.) Ook Nancy Zwaenepoel antwoordt niet echt, maar ze zegt wel geboeid te zijn door mijn gedicht De Laatste dicht nu waarlijk sneller dan zijn schaduw. Prompt vraag ik haar of ze mijn FB-vriend wil worden. Afronden doe ik met het even korte als krachtdadige antwoord van Staf de Wilde: ‘Stuur eens wat gedichten naar mijn mailadres.’ Wel zeker!
Flor Vandekerckhove

maandag 30 maart 2020

Is ’t een verhaal? Is ’t een gedicht? (3)

— De stichtende leden van de Honest Art Movement en de HAM-prijs. Van links naar rechts: Jo Boon, Willy Verhegge, Freek Neirynck, Marc Andries, Herman Schepens, Roger Serras, Camille d´Havé, Louis Paul Boon en Willem Roggeman. Sommigen zijn verhalenvertellers, anderen zijn dichters. Zijn er ook die de twee zijn, dichter en verhalenproducent? En nog een vraag: waar zijn de vrouwen eigenlijk? Hoe dan ook, de prijs werd dit jaar toegekend aan Peter Holvoet-Hanssen. Ik maakte een gedicht van de plechtigheid. Oordeel streng en doe dat vooral zelf: https://florsnieuweblog.blogspot.com/2020/03/peter-holvoet-hanssen-kreeg-een-ferme.html —

Als dichter debuteer ik wanneer ik de 70 al gepasseerd ben. Pas op hoge leeftijd graaf ik, na jaren van spitten in de taal, een stijl naar boven die eigen poëtische vruchten oplevert. Ik overschouw mijn akkertje en zeg: eindelijk eigen gedichten! 
Delphine Lecompte heeft me op weg geholpen, James Tate nog meer. En ook Billy Collins. Drie verhalende dichters. In een oud nummer van the Paris Review lees ik hier een inspirerend interview met die Collins: ‘Wat een gedicht op gang brengt, denk ik, is een inleidende regel. (…) De eerste regel is het DNA van het gedicht; de rest wordt opgebouwd vanuit die eerste regel. (…) De eerste regels blijven steeds meer lijnen voortbrengen. (…) In een gedicht lijkt de pen op een zaklamp, een geigerteller of een van die metaaldetectors waarmee mensen over stranden wandelen. Je probeert iets te ontdekken waarvan je niet weet dat het bestaat, misschien iets van waarde.’
Ik voeg het citaat toe aan mijn eigen zoektocht naar de essentie van de poëzie. Eerder postte ik, her & der, al fragmenten van dat onderzoek, telkens onder de titel ‘Is ’t een gedicht? Is ’t een verhaal?’; in de vragende wijs, ja, het onderscheid is mij immers niet altijd duidelijk. Nochtans zegt Collins: ‘Het schrijven van poëzie en van fictie is net zo verschillend als het spelen van twee zeer verschillende muziekinstrumenten, zoals een klarinet en een piano. Ze produceren allebei muziek, (…) maar de pianist heeft geen idee wat hij met een klarinet moet aanvangen. (…) Het zijn heel verschillende vaardigheden. Ik zou niet weten hoe ik een kort verhaal moet schrijven. (…)’ 
Zelf doe ik wel beide. Meer zelfs: van veel verhalen kan ik een gedicht maken en van mijn gedichten kan ik achteraf verhalen maken. Het verschil, leer ik al doende, ligt in ‘het muziekje’. Meer dan dat bij proza het geval is, laat poëzie me zo’n muziekje horen. Nuk de Vries formuleert dat mooi waar hij zegt: ‘De dingen gebeuren omdat ze rijmen’. In een gedicht heerst de vorm over de dingen, in een verhaal is dat de plot.
Ook de Amerikaanse dichter Kenneth Koch benadrukt, hier, de muzikaliteit van poëzie: ‘Bij het lezen van proza ​​(…) zijn we ons vaak niet bewust van iets wat op muziek lijkt. (…) Woorden kunnen echter worden samengesteld op een manier die de nadruk legt op het geluid dat ze maken. Je zou dit de fysieke kwaliteit van de woorden kunnen noemen. 'Slaap' betekent rust en bewusteloosheid (…) maar het woord heeft ook een fysiek karakter — de geluiden SL en AAP bijvoorbeeld — die onder de aandacht van de lezer gebracht kunnen worden, zoals het verborgen geluid in een trommel dat tevoorschijn komt wanneer je er met een stok op slaat. Als je zowel naar het geluid als naar de betekenis luistert (…) hoor je een andere taal, waarin dat geluid muziek maakt, wat op zijn beurt deel uitmaakt van de betekenis van wat er wordt gezegd.’ De poëziesleutel ligt mijns inziens in de laatste woorden: het creëren van dat muziekje brengt extra betekenis voort; een vrucht die extra heet en die in prozagrond nooit kan ontkiemen omdat poëziegrond anders bewerkt wordt en anders bemest.
Flor Vandekerckhove

zondag 29 maart 2020

De genese van het coronagedicht (°)


Wanneer we op 16 maart het land verlaten, waart het coronavirus als een spook over de wereld. Ook in ons land zijn er al dwingende tegenmaatregelen, maar t is niet zo dat mensen aan hun huis gekluisterd worden. Niet hier. Nog niet. Dus rijden Tania en ik onbekommerd de grens over, op weg naar een bergdorp in de Languedoc. Daar woont mijn coiffeuse, daar staan mijn pantoffels, daar wacht Ronny Boy geduldig op mijn teken. 
We beslissen de betalende autosnelwegen links te laten liggen en er onze tijd voor te nemen. (°°) De GPS gidst ons door een merkwaardig leeg Frankrijk, gesloten luiken, zelden tegenliggers, nauwelijks volk. Nergens files. Nooit eerder verloopt de reis zo rustig. En nooit voorheen zo snel.
We installeren ons in t huisje. Ronny Boy zuigt stof, Tania probeert een paard te regelen. En dan begint het. De Franse president meldt dat het oorlog is en de Belgische regering gooit de landsgrens dicht. Mijn coiffeuse geeft er de brui aan. Winkelen doe je met een attest op zak. Corona heerst!
Meer heeft mijn verbeelding niet nodig, het gedicht kondigt zich aan. Daarin verbeeldt een buurvrouw de bevreemdende situatie: En binnen stond buurvrouw Brigitte met paniek in dogen / En met een blonde Brigitte Bardotpruik op haar hoofd en ze / Drukte met haar oude rug en armen tegen de deur als om / Met haar hele lijf het coronakwaad buitenshuis te houden. Die paniek steekt schril af tegenover onze rust, want ja, wij zijn ontspannen met vakantie. De Fransen ervaren dat wel anders: (…) dat op haar gejaagd werd / Door flikken met zwarte doodshoofdmondkapjes aan. // En die tot de tand bewapend grimmig luidkeels van haar / Eisten dat ze hen het attest zou tonen waarop de reden / Stond waarom ze na de avondklok het huis verlaten had (…) Het contrast krijgt een climax wanneer Tania nietsvermoedend van de paardenrit weer thuiskomt: ze ziet een Brigitte Bardot op leeftijd gillend bovenop onze keukentafel staan. 
Zondag 22 maart. Terwijl we s middags door berg & dal wandelen — weer 19.000 stappen — realiseer ik me dat het virus zelve nog geen plaats in het gedicht heeft en letterlijk gaandeweg vormt zich de zin die me de titel geven zal: En verzadigd vlood het virus vlug weer voort. Tania noteert de zin in haar telefoon en dezelfde nacht nog krijgt het virus strofe na strofe een ereplaats in het gedicht.
We doen daar nog iets anders dan wandelen en dichten. s Avonds kijken we naar films, want Tania heeft het volledige cinematografisch oeuvre van David Lynch meegebracht. Wanneer ik op zon avond naar Six Men Getting Sick kijk, een kortfilm waarin Lynch zijn surrealistische grenzen aftast, zie ik er de geschikte illustratie voor mijn gedicht in. Omdat zijn surrealisme even zwaar is als het mijne licht, weerspiegelt de alzo ontstane combinatie van woord en beeld zowel de paniek van de Franse buurvrouw als mijn lichtvoetige receptie ervan. Omdat mijn Mac niet toestaat dat ik van zon DVD screenshots maak, heeft het nogal wat voeten in de aarde voor ik… Maar kijk, nu is er niet alleen het gedicht, er is nu ook de onderstaande film. 
Flor Vandekerckhove

(°°) De beslissing om via de dorpen te reizen heeft eerder al een gedicht opgeleverd: John Lennon leeft.

zaterdag 28 maart 2020

En verzadigd vlood het virus vlug weer voort


— Alles ging zijn gewone gangetje tot Brigitte binnenstormde. —


Tania had te paard het schaars verlichte dorp verlaten om
Het duin van David Lynch te ronden en vanaf het terras van
Het huis had ik haar nagestaard tot ze uit het zicht was en ik
De rustige hoefslag van het paard niet meer kon horen.
[En verzadigd vlood het virus vlug weer voort]

Binnen in het huis ging ik met de zaklamp op zoek naar
Ronny Boy die zich zoals ’t wel meer gebeurt ergens vast
Gereden had en ondanks het piepende geluid dat hij nu en
Dan geprogrammeerd liet horen kon ik hem niet vinden.
[En verzadigd vlood het virus vlug weer voort]

Nog terwijl ik op mijn knieën onder de buffetkast aan ’t turen
Was hoorde ik een jachtig bonzen op de deur en alhoewel ik
Zeker was dat het de nog maar pas vertrokken Tania niet kon
Zijn riep ik iets wat niet mijn gewoonte is want ik riep BINNEN.
[En verzadigd vlood het virus vlug weer voort]

En binnen stond buurvrouw Brigitte met paniek in d’ ogen
En met een blonde Brigitte Bardotpruik op haar hoofd en ze
Drukte met haar oude rug en armen tegen de deur als om
Met haar hele lijf het coronakwaad buitenshuis te houden.
[En verzadigd vlood het virus vlug weer voort]

Meer omdat ik weet dat het zo hoort dan omdat ik ‘t weten
Wilde vroeg ik haar wat er scheelde en terwijl ik rechtstond
Zei buurvrouw Brigitte gejaagd dat op haar gejaagd werd
Door flikken met zwarte doodshoofdmondkapjes aan.
[En verzadigd vlood het virus vlug weer voort]

En die tot de tand bewapend grimmig luidkeels van haar
Eisten dat ze hen het attest zou tonen waarop de reden
Stond waarom ze na de avondklok het huis verlaten had
Om zich tien meter verder naar ‘t mijne te begeven.
[En verzadigd vlood het virus vlug weer voort]

Om haar enigszins te bedaren vroeg ik haar of ze wist hoe
Het nu tussen Jane Birkin en Arno ging en of ze nog iets van
Vanessa de coiffeuse vernomen had en van de boeddhist
Van het dorp die ik al een hele tijd niet meer gezien had.
[En verzadigd vlood het virus vlug weer voort]

Zij antwoordde dat er in de hypermarkt geen toiletpapier
Meer was en nauwelijks nog kaas en dat al de dozen melk
Lek bleken te zijn en dat ze thuis geen brood meer had en 
Of ze eekhoorntjesbrood en chocopasta van ons kon lenen.
[En verzadigd vlood het virus vlug weer voort]

Toen gaf ze een schreeuw omdat Ronny Boy de robotstof
Zuiger zich weer had vrijgemaakt en wiekend op haar af
Kwam en toen Tania na de rit weer thuiskwam zag ze voor
Waar Brigitte Bardot gillend bovenop de keukentafel staan.
[En verzadigd vlood het virus vlug weer voort]


Flor Vandekerckhove

De bundel ‘De man die sneller schijt dan zijn schaduw’ is een gratis e-boek (PDF). Bovendien is het een boek in beweging. In deze 6de editie staan al veel gedichten die ten tijde van de oorspronkelijke uitgave niet eens bestonden. Het boek wordt u op eenvoudige vraag toegestuurd. Mail naar liefkemores@telenet.be.


zondag 15 maart 2020

John Lennon leeft

— In de strijd tegen het coronavirus sluit ook De Laatste zijn Vuurtorendeuren voor het publiek. Meer zelfs: voor de grens op slot gaat ontvliedt hij haastig het land. In Frankrijk ontmoet hij een oude bekende, iemand uit de risicogroep, want inmiddels al 80. Daarover gaat onderstaand gedicht. Neem de tijd om het te lezen, want wegens quarantaine zult u enige tijd geen post meer van De Laatste Vuurtorenwachter ontvangen. —


We hadden besloten om de autosnelweg links te laten liggen en
Via de routes nationales naar het vakantiehuis te rijden waardoor 
We net voorbij Arras op onze weg een legerstock passeerden die 
Een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mij bleek uit te oefenen.

Dat had zowel met de wereldgeschiedenis te maken als met mijn 
Eigen leven want ik was opgegroeid in een tijd waarin Vietnam mee
Mijn wereldbeeld gevormd had en dat terwijl de restanten van de
Tweede Wereldoorlog alhier bijlange nog niet uitverkocht waren. 

Die stock americain leek me de laatste der Mohikanen te zijn en die
Gedachte werd nog versterkt door een polyester Indiaan die ons
Getooid met oorlogsveren naar binnen stond te lokken waardoor ik 
Tania welhaast smeekte om toch maar naast de Indiaan te parkeren.

Mijn verwachtingen waren even vaag als hooggespannen en binnen
In dat grote stapelhuis werd ik overvallen door een enorme stapel 
Nostalgie aangevuurd door kaki koopwaar die naar schimmel en
Geschiedenis rook en me een halve eeuw in de tijd terug schoot.

Tussen de legertassen zag ik ook de mijne liggen die ik in 1969 
Voor twintig frank gekocht had en die ik ook vandaag nog met 
Me meetors en alles wat ik rond me zag herinnerde aan ons 
Vestimentair protest tegen de Amerikaanse oorlog in Vietnam.

Om me heen lagen honderden kaki legerhemden en de ene was
Nog meer vintage dan de andere en drankbussen en dingen waarvan
Het nut me onduidelijk was maar aan belachelijk lage prijzen en aan
De drang om enige koopwaar mee te nemen kon ik niet weerstaan.

Zo komt het dat ik met een legerjacket en mijn armen vol vintage leger
Hemden aan de kassa tegenover een overjaarse winkelbediende kwam
Te staan waarin ik ondanks het mondkapje dat hij ter bescherming
Tegen het coronavirus droeg meteen John Lennon kon herkennen.

Kalend en met dikke brillenglazen in zijn johnlennonbrilletje en in een
Frans waarin na al die jaren nog altijd zijn Engelse tongval te horen was
presenteerde hij me met trillende stem de rekening en aan alles was
Te zien dat John Lennon een moeilijk leven geleid had na zijn dood.

Nadat ik de kleren in de koffer opgeborgen had reed Tania de auto van
De parking weg en in ’t keren zag ik hoe Lennon in het deurgat naast
De indiaan was komen staan en zoals het twee soixante-huitards past
Toonden we bij ’t afscheid ten laatste male het V-teken aan elkaar.

Flor Vandekerckhove

Het gedicht John Lennon leeft 
staat ook op film, 
met passende muziek 
en nostalgische beelden!

vrijdag 13 maart 2020

Lily May Parker is een collectie meisjes


Wat ’n naam is me dat zeg! Lily May Parker! Wanneer ik die voor het eerst lees, waaieren mijn gedachten uit naar Los Angeles, waar een overrijpe schrijfster van slecht geschreven, maar spectaculair verkopende doktersromans in een chaise longue aan het zwembad ligt. Ze schrijft die romans niet zelf, neen, ze dicteert ze aan een afgetrainde schandknaap die ze voor diverse diensten inhuurt. 
Inmiddels weet ik beter: Lily May Parker is het pseudoniem van een volks meisje uit De Haan. (°) Dat verneem ik in de Colruyt van Bredene, waar we beiden winkelen. Ze heeft een blog (https://lilymayparker.blogspot.com) waarop ze gedichten, foto’s en tekeningen post. Over de gedichten zeg ik niets, maar haar digitaal bewerkte foto’s maken indruk en over haar tekeningen wil ik u iets meer vertellen.
Die tekeningen zie ik voor het eerst in het mooie clubhuis van Kunstplatform Artslag waarvan ze lid is. (°°) Elk tableautje toont me hetzelfde meisje, in andere poses, omgeven door meisjesdingen; variaties op een stripfiguurtje met lang golvend haar en grote grote ogen, zéér grote ogen. Al die meisjes kijken vervreemd naar de wereld buiten het tableau, terwijl ze binnen dat kader in een (daarom niet altijd lieflijk) sprookje leven. Ik vermoed: zelfportretten. Ik wil me geenszins voordoen als de psycholoog die ik niet ben, maar ik denk wel dat Lily May Parker er al tekenend in slaagt haar ‘meisjesangsten’ te sublimeren en er dus kunst van te maken. 
Net als dat bij haar foto’s het geval is, worden de tekeningen achteraf digitaal bewerkt, een techniek die de mixed media artist trouwens goed beheerst. Zelf zegt ze erover: ‘De meisjes worden getekend op een A3 tekenblok. Ik maak ze in potlood, daarna bewerk ik ze met een fijn stiftje en uiteindelijk werk ik digitaal af. Het inkleuren gebeurt dus via de pc. Elk meisje krijgt slechts één print, op hoogwaardig fotopapier, ondertekend, met haar naam en betekenis, en wordt ingekaderd.’
Ik vraag hoeveel ze er alzo gemaakt heeft en haar antwoord — toch al een tachtigtal — bevestigt mijn vermoeden: die meisjes zijn echt haar ding: ‘Ze krijgen allemaal een eigen naam, meestal de naam van een gevallen engel. Net als die meisjes voel ik me iemand die nergens thuishoort.’ 
De meisjes hierboven torsen mooie namen als Victoria 'Vicky' Lichtstein; Nathalie/Lily ‘the odd one’; Lucia-Anna; Lavender Lee; Trixie Bleu; D’Accarabia; Calliope; Curly Wurly. Ik googel er enkele en ontdek dat het internet me nergens heen leidt. Vlak voor ik dit stukje post vraag ik het aan Lily May Parker zelve: 'Lucia-Anna en Lavender Lee, waar háál je het?' Ze laat het woord 'demonologie' vallen. Nooit eerder gehoord, en mijn tekstverwerker kent het evenmin, want het systeem wil er per se 'deontologie' van maken. Wikipedia leert me daarna dat het de theologische studie van demonen betreft en daar verneem ik ook dat er zelfs goede demonen zijn. Het net leert me verder dat De Slegte een boek omtrent demonologie in de aanbieding heeft. Wel wel, een mij onbekende wereld ontvouwt zich.
Flor Vandekerckhove

(°) ’t Is niet omdat je, zoals ik, de 70 voorbij bent, dat je jonge vrouwen meisje mag noemen. In ’t geval van Lily May Parker verwijst het naar haar tekeningen waarbij ze telkens een meisje afbeeldt.
(°°) Ik zie dat ik wel meer over Artslag(leden) schrijf, ik maak er dus maar een apart lemma van. Wie het (rechts van de blog) aanstipt wordt ernaartoe geleid.

Enige tijd geleden vat ik een experiment aan 
en voeg beeld & muziek toe aan 
bestaande gedichten van me, 
zoals ook aan ‘Ensor en zijn bende in Oostende’
Het staat hieronder in een youtubefilmpje.

donderdag 12 maart 2020

Is ’t een verhaal? Is ’t een gedicht? (2) °


Ik klap The Government Lake (°°) dicht, een dichtbundel, en blijf met een ei zitten. Kun je deze mooie prozagedichten van James Tate niet evengoed handpalmverhalen noemen? (°°°) The best flash fiction there is! Zelf zegt James Tate: ’t is poëzie. Maar weet de schrijver wel wat hij zegt? Marcel Reich-Ranicki is immers van mening dat schrijvers hun eigen werk niet kunnen beoordelen. Doorgaans weten ze wel wat ze ongeveer willen bereiken maar, zegt deze Marcel, dat vertroebelt hun blik op wat ze werkelijk hebben gemaakt. (°°°°) 
Formeel is een handpalmverhaal beperkt in woorden, wat zeker ook geldt voor Tates Last poems. Er is ook een inhoudelijke norm. In What Is Flash Fiction staat: ‘Niet al wat kort is, is flash-fictie. In tegenstelling tot het vignet of het prozagedicht, houdt flash fictie dezelfde conventies aan als een kort verhaal of roman. (…) flash-fictie geeft de lezers een hoofdrolspeler en een centraal conflict, en leidt hen naar een oplossing. (…)’ Ook daaraan voldoet Tate. In Into the Night komt een non uit de kerk en valt. Ze schiet in brand en verwordt tot as. De omstanders staan perplex: is dit een mirakel? Enkele tellen later staat ze een beetje verder onder een boom. Broeder Paul stelt voor haar naar huis te begeleiden: ‘And so the two of them walked off into the night, though it was barely noon.’ Da’s een verhaal hé: er zijn protagonisten, er is een conflict en er is een oplossing. Dat alles op een enkele pagina: flash fiction!
Tegelijk heet het wel degelijk prozagedicht. Volgens Matthew Zapruder komt dat door ‘een informele maar toch halsbrekende, absolute bereidheid om de geest te volgen waar hij ook gaat. Dat is een vrijheid die zelfs in het beste proza niet gevonden kan worden.’ En ja, 't is waar dat Tate van die bereidheid getuigt en ‘halsbrekend’ is zeker niet overdreven. Maar of die bereidheid nergens in proza te vinden is, durf ik te betwijfelen. Ik tref die ook aan in de Te korte verhalen — verhalen! — van Joke Van Caesbroeck; ik vind ze in Joy Williams’ 99 verhalen over God; (°°°°°) En ook in Richard Brautigans Forel vissen in Amerika. (°°°°°°) Allemaal verhalen, allemaal proza.  
Misschien is het dit: elk woord dat James Tate neerschrijft leidt naar een doel dat hij op voorhand niet kent. Het ene woord brengt in een muziekje het andere voort en het uiteindelijke resultaat is een epifanie, evenzeer voor de auteur als voor ons. Als er een plot bloot te leggen valt, dan is het er een die de dichter pas achteraf duidelijk wordt.
Zelf vind ik dat wel interessant, maar je kunt uiteraard ook Lydia Davis volgen waar ze zegt: ‘(…) probleem met terminologie is dat mijn zogenaamde verhalen in zoveel categorieën kunnen vallen. Ik wil niet moeten stoppen en denken: vandaag schreef ik een filosofische meditatie, of: vandaag schreef ik een anekdote; vandaag heb ik een vignet geschreven; vandaag heb ik een epi geschreven (…) Het punt is, ik wil dat soort zorgen niet.’


Flor Vandekerckhove

(°) Dit is het tweede stukje in een reeks van drie waarin ik de vage grens tussen poëtische handpalmverhalen en prozagedichten opzoek. Het derde deel wacht in de schuif op publicatie, het eerste staat hier: https://florsnieuweblog.blogspot.com/2020/01/is-t-een-verhaal-is-t-een-gedicht.html
(°°) James Tate. The Government Lake. Last poems. 2019. Uitg. Ecco, a imprint of HarpersCollins Publishers New York. 82 pp. [Wie de poëzie van James Tate niet kent, kan rechts van de blog op het lemma met zijn naam klikken, het systeem leidt u naar een gedicht van Tate dat ik vertaald heb.]
(°°°) Volgens de Nederlandstalige Wikipediabladzijde is handpalmverhaal het equivalent voor het Amerikaanse flash fiction. 
(°°°°) Marcel Reich-Ranicki, Mijn leven. A’dam. Uitg. Bert Bakker. 2000.
(°°°°°) Joy Williams 99 verhalen over God. Uit het Engels vertaald door Marianne Gaasbeek. Uitg. 2017. De Geus. 
(°°°°°°) Richard Brautigan. Forel Vissen in Amerika. Vertaald door Peter van Oers. 2012. Uitg. Van Gennep A’dam. 160 pp.

Ik ben al enkele maanden aan 't experimenteren met woord en muziek. 
Daar vloeien publieke optredens uit voort met pianist Dimer Geedts 
in Ostend Social Club Avondgenoegen. 
Experimenteren doe ik ook in youtubefilmpjes 
waarbij ik mijn gedichten combineer met muziek en beeld. 
Zoals hieronder in Mijn laatste internetaankoop.

dinsdag 10 maart 2020

Peter Holvoet-Hanssen kreeg een ferme hesp in Gent

— Hij is een van mijn lievelingsdichters, vooral omwille van zijn manier van doen. Op zondag 22 december kreeg Peter Holvoet-Hanssen een ferme Gandaham mee naar huis, trofee waarmee de laureaten van de Louis Paul Boon-prijs bedacht worden. Dit gedicht verhaalt de HAM-plechtigheid, ik was erbij. Dat ik het gedicht op aan een andere dichter opdraag, aan Delphine Lecompte, komt doordat ik vroeger nooit een gedicht als dit had durven schrijven, Lecompte heeft me de weg naar een eigen stijl getoond. —


De Laatste dicht nu waarlijk vlugger dan zijn schaduw

Aan Delphine Lecompte

Ik bevind me in het parkeergebouw alwaar de dichter van de grote reuzin 
Straks een indrukwekkende klomp vlees overhandigd krijgt en dat is
Ook de reden waarom ik heden De Laatste Vuurtoren ontvlied ben en
Mijn Laatste Lamp op dat indrukwekkende stuk vlees laat schijnen.

Een al even indrukwekkend vrouwmens beroert in de entree het draaiorgel
En produceert daar klanken van tierelantijne tierelantijne tierelala 
Die in mijn hoofd een almaar doller wordende en welhaast  onbeheersbare 
Kolk van inspiratie tierelantijne tierelantijnen op gang brengen tierelala. 

Iedereen is er en Ivo Michiels is de boekverkoper van de dag en ook
Adriaan is er en Pjeroo die me ooit naar mijn eerste uitgever geleid heeft
Een klootzak die zijn spel Nioba noemde edoch zelf zijn kinderen opvrat
Ja er loopt wat rond in de wereld van de letteren dat weet gij ook wel.

Iedereen is er en ook de enige Vlaamse beroepsvisserin is er en haar
Echtgenoot die naast visser dichter is en ridder en de schelpenblazer is er
Met zijn wijf waardoor dit godver wel op een reünie lijkt en zelfs Stefaan
Is er wiens gedichten best tot uiting komen als hij ze zittend in zijn zetel leest.

Uiteraard is ook de dichter van de grote reuzin zelf van de partij en minzaam
Gaat hij handjes schuddend tierelantijne tierelala rond en wanneer
Hij ook mij aanraakt ontploft in mijn hoofd de dol geworden kolk van
Inspiratie aangezwengeld door dat vrouwmens met haar orgel tierelala.

Iedereen is er en boven iedereen uit torent de langbenige rock ’n roll 
Laagwaterheks die haar basgitaar op ’t podium heeft klaarstaan wat me laat
Nadenken over wat ik allemaal zal missen als ik er straks noodgedwongen
Want voortgestuwd door de in mijn hoofd ontplofte inspiratie van onder muis.

Want dat ga ik natuurlijk wel doen en niet zozeer omdat ik ’t altijd doe
Maar in de eerste plaats omdat ik aangeraakt ben door de dichter van de 
Grote reuzin en door de klanken van dat indrukwekkende vrouwmens dat
Tierelantijne tot in ’t diepste van mijn wezen heeft weten door te dringen.

Ik verneem dat de langbenige laagwaterheks de met een ham gefêteerde 
Dichter straks tot een bluesversie van zijn poëzie bewegen zal en ik wil dat
Uiteraard wel horen maar zolang blijven is nu schier onmogelijk geworden 
Mijn hand tast al in de jas naar m’n met groene inkt gevulde dichterspen.

Iedereen is er en iedereen is blij en iedereen verkneukelt zich in wat het
Programmaboekje belooft aan muziek en ridderen en overhandigen en 
Dankwoorden en als afsluiter Navagio met bluesstructuur waarvoor de
Langbenige rock ‘n roll laagwaterheks haar basgitaar heeft meegebracht.

Iedereen in die feestelijk opgetuigde parking heeft massa’s tijd te verdoen 
Maar ik niet want ik onderga een mutatie en word tierelantijne tierelala
Een vuurtorenwachter die sneller dicht dan zijn schaduw waardoor ik vanaf
Heden veel meer genoemd zal moeten worden dan alleen maar de Laatste.

Nog voor het programma van start gaat heb ik het in gedachten al helemaal  
Beleefd en wacht ik alweer op de 76 die me van de parking naar Sint-Pieters
Voert waar ik de trein neem die me het veranderende klimaat doorklievend
Net op tijd thuis zal brengen want ’t is vroeg donker in deze tijd van het jaar.

Terwijl de trein Oostende eindstation nadert hoor ik al de roep van de Laatste 
Vuurtoren die zich tot mij richt met een lied van Freddy Quinn die zingt
Junge, komm' bald wieder, bald wieder nach Haus en ook nog andere zinnen 
Die ik niet vertaal als bijvoorbeeld Jonge, fahr' nie wieder, nie wieder hinaus

Terwijl de trein vertraagt versnel ikzelf ’t neerschrijven van dit gedicht en kijk
Nog voor de deuren van de trein zich openen heb ik De Laatste Zinnen van 
De Laatste Strofe neergezet en schrijf ik bovenaan nog vlug de titel die luidt
Hij dicht nu waarlijk vlugger dan zijn schaduw De Laatste Vuurtorenwachter.

Flor Vandekerckhove

Van dit gedicht werd een filmpje gemaakt.
Ge moet daar eens naar kijken, ge móet!