zondag 31 januari 2021

Roddelende dichters

— Rechts: De arme dichter, schilderij van Carl Spitzweg (1839) —



Niemand kan van zijn dichtkunst leven. Daarom organiseert men evenementen waarop dichters tegen betaling van jetje geven. Er zijn plaatselijke, nationale en internationale bijeenkomsten. Dat gaat zo: op een podium leest een dichter uit eigen werk voor, daarna komt een andere die ook zoiets doet, gevolgd door weer een andere die op zijn/haar beurt enzovoort enzovoort. Saaie boel, ge kunt u dat wel voorstellen. Voorbeeld van zo’n plaatselijk circuit is de Poëzieroute in De Haan, waaraan ik in 2020 geparticipeerd heb, en wel voor ’t laatst. Nationaal is er Saint Amour. Arthur Japin weet hoe het daar voor mij zou zijn: ‘Tien dagen lang zijn we tot elkaar veroordeeld; allemaal schrijvers en muzikanten die nauwelijks iets gemeen hebben, behalve ons optreden. We zitten in de bus na onze laatste voorstelling in Leuven. Er is gedronken en van ieder wordt een speech verwacht. Mijn beurt om naar voren te komen. Naast onze chauffeur neem ik de microfoon en laat weten hoe het voelt aan zo’n groepsproces niet mee te doen. Het mag de pret niet drukken. De volgende barst gewoon weer in gezellig zingen uit. Jolig allemaal. Achterin zit ik te huilen, maar niemand die het merkt.’ Voorbeeld van ’n internationaal evenement is dat waarop Herman de Coninck aan een hartstilstand stierf, ge moet niet vragen. Een enkele keer is zo’n bijeenkomst wel leuk, bijvoorbeeld wanneer punkdichter Didi de Paris van de partij is. Tof was ook, herinner ik me, de Tweede Nacht van de Poëzie in Kortrijk, vooral vanwege de legendarisch chaotische organisatie en de even legendarische provocaties van Gerard Reve.
In Amerika gaat het net zo. Ook daar verzamelen dichters zich op podia om hun schaarse inkomsten aan te zwengelen. Een van die Amerikanen is Nin Andrews. In een gedicht verzamelt ze de giftige roddels die je op zo’n bijeenkomsten over collega's te horen krijgt. Resultaat is een knappe variante op gevonden poëzie.
Flor Vandekerckhove
P.S.: suggesties die de vertaling verbeteren, zijn altijd welkom.



zaterdag 30 januari 2021

De poëzie in vraag gesteld



Zaterdag 30 januari, nog altijd Week van de poëzie. Dat is het ideale moment om het genre in vraag te stellen. Terwijl u me op mijn tocht naar de apotheek vervoegt, vertel ik u een merkwaardige geschiedenis. 
Verleden jaar post ik in De Laatste Vuurtorenwachter een gedicht in kwatrijnen, de lange titel ervan luidt Met belgerinkel naar de winkel — De surrealistische variatie. U vindt dat gedicht in de blog als u op die blauw gezette titel drukt. U moet het eens lezen. Laat ons zeggen dat u daarna, net als ik, tot het besluit komt dat het wel degelijk poëzie is (anders is het niet meer geestig.) Vervolgens draai ik die kwatrijnen in mijn woordgehaktmolen en maak ik er in no time een extreem kort verhaal van, een van exact 100 woorden (een drabble). Dat verhaal gaat dan als volgt: 

In de apotheek waar ik tegen de vergeetachtigheid pillen ga kopen, wordt er sinds kort op dinsdagen al dansend gewinkeld. Eerst sta je tegen de muur je beurt af te wachten, maar al gauw is ’t aan jou om met de apothekersassistente een dans aan te vatten, bijvoorbeeld een java, waarbij je getweeën naar de toonbank toe wervelt, alwaar de transactie afgerond wordt.

Omdat ik tegen die tijd helemaal vergeten ben wat ik daar kom doen, verlaat ik helaas onverrichter zake de zaak en buiten vang ik warempel een glimp op van de eenhoorn voor die uit de werkelijkheid verdwijnt.

Wellicht vindt u, net als ik, dat ik van die kwatrijnen proza gemaakt heb. En ten slotte doe ik nóg iets anders. Ik duw het verhaal in de mal van het provovers, waak erover dat ik geen enkel woord verander, er geen toevoeg en evenmin wegneem, geef het resultaat een nieuwe naam en vraag u: Is ’t poëzie? Is ’t proza?


eenhoorn


in de apotheek waar ik 

tegen de vergeetachtigheid

pillen ga kopen

wordt er sinds kort op dinsdagen 

al dansend gewinkeld


eerst sta je tegen de muur 

je beurt af te wachten

maar al gauw is ’t aan jou

om met de apothekersassistente 

een dans aan te vatten

bijvoorbeeld een java

waarbij je getweeën naar de toonbank toe 

wervelt

alwaar de transactie afgerond wordt


omdat ik tegen die tijd helemaal vergeten ben 

wat ik daar kom doen

verlaat ik helaas onverrichter zake de zaak

en buiten vang ik warempel een glimp op 

van de eenhoorn

voor die uit de werkelijkheid verdwijnt


Eenhoorn op youtube

www.youtube.com/watch?v=1wenNVrtjNk

vrijdag 29 januari 2021

Met Wilco in de gevaarlijke keuken van Frank Zappa

29 januari, tweede dag van de Week van de poëzie. Mij lijkt het een zeer geschikt moment om Walt Whitman te vernoemen, maar zo gemakkelijk kom ik er niet mee weg. Want zie…
In onderstaand provovers volgen Frank Zappa en ik de weg die Woody Guthrie in zijn nagelaten songtekst Walt Whitman’s Niece beschrijft, behalve… dat die weg ons nu naar Zappa’s Dangerous Kitchen leidt. In het filmpje dat ik vervolgens van dit provovers maak, hoor je op de achtergrond Billy Bragg en de Amerikaanse band Wilco. Zij hebben van Guthries tekst een gelijknamige song gemaakt. De muziek is bijgevolg van de Brit Billy Bragg en de tekst van de legendarische Woody Guthrie, wat zeg je daarvan. Op het einde van het filmpje hoor je de intro van Zappa’s The Dangerous Kitchen. In die keuken komen alzo samen: Woody Guthrie, Billy Bragg, Wilco, Frank Zappa, het nichtje van Walt Whitman en totaal onverwachts ook… de dochter van Soeur Sourire.




 

 

keuken


die nacht togen Frank Zappa en ik 

op pad

en na afloop trokken we naar huis 

om er iets te eten in zijn Dangeous Kitchen

waar twee meisjes op ons aan ’t wachten waren

en omdat er in die keuken ook kakkerlakken rondliepen 

en vliegen vlogen

en waarschijnlijk ook wel ratten waren

en stinken dat ’t daar deed

rolde Zappa een tapijt uit waarop we ons 

gevieren konden neervlijen

en tot de ochtend naar gedichten luisteren

ons voorgelezen

door een meisje dat een nichtje van 

Walt Whitman bleek te zijn 

en een ander dat de dochter van Soeur Sourire was

Flor Vandekerckhove 


keuken op youtube

donderdag 28 januari 2021

Wie kent er nu nog Guy Lombardo?


Van 28 januari tot 3 februari is het Poëzieweek. In die week ga ik op zoek naar surrealisme-light poëzie. Ik streef daarin een eigen soort poëzie na en een eigen surrealisme. Dat surrealisme-light kan evengoed realisme + heten, en die poëzie kan evengoed proza zijn. Ik zoek grenzen op (u komt toch ook.) In plaats van ernaar te zoeken via surrealistische technieken als écriture automatique, kies ik voor zelfopgelegde beperkingen (‘contraintes’), zoals Georges Perec me geleerd heeft te doen in Wat de fuk is een goed verhaal, vandaar dat ik mezelf in die zoektocht het provovers opleg. ’t Is een goede techniek om tot surrealisme-light te komen, ondervind ik. En de opgelegde vorm levert iets op wat de ene proza zal noemen en de andere poëzie.
Heel inspirerend in die zoektocht zijn oude schlagers. Ik heb het hier al gedaan met O sole mio van Mario Lanza en daar met Tino Rossi, Rina Ketty en Dalida. Vandaag ga ik aan de haal met Guy Lombardo. Guy wie? Wel, die van de schlager Penny Serenade natuurlijk.




serenade


ik droomde dat ik Guy Lombardo heette 

en dat ik onder het raam van een senorita 

van si si si zong 

wat vreemd was 

want nooit eerder had ik van deze Lombardo gehoord 

en toch was ik hem in mijn droom gelijk 


ik kon tango’s spelen 

en de fox trot

en ballades en een serenade

terwijl ik onderaan haar kamervenster stond 

en in die droom werd ze de mijne

maar toen ik wakker werd was ze

si si si 

verdwenen

zo gaat het eraan toe in Penny Serenade 

van Guy Lombardo

en in mijn droom was het gewis niet anders


Flor Vandekerckhove


serenade op youtube

Guy Lombardo zelve

and his Royal Canadians

www.youtube.com/watch?v=-yIEA22raEA

woensdag 27 januari 2021

Een klasfoto uit 1934



’t Gebeurt niet alle dagen dat ik iets van Hugo Jonckheere verneem, maar als ’t gebeurt, brengt hij goed nieuws: ‘Ik heb hier een klasfoto gevonden, gemaakt op de speelplaats van de school in Bredene-duinen, vermoedelijk in 1933-’35, en ik heb een blad met daarop alle namen.’ Daar voegt hij aan toe: ‘Velen zijn mij via mijn vader en schoonvader bekend.’ Zo’n kans laat De Laatste Vuurtorenwachter niet passeren, niet weinig wijkbewoners zullen de naam van hun vader op deze foto zien staan; net als ik trouwens, die daar onverwachts Marcel (nummer 24) zie staan, knaap die later mijn vader wordt.
Er is een namenlijst, helaas geen nummering. Ik breng die zelf aan en word daarin geholpen door een andere schoolfoto. Die staat hier↗︎; van die weten we dat hij in 1932-33 gemaakt werd, minstens een schooljaar eerder. De jongens die op beide foto’s voorkomen zien er daar inderdaad jonger uit, wat me toelaat een hok te wagen: 1935. De jongens zijn pakweg 13 jaar.
1 Maurice Pyra; 2 Maurice Debree; 3 Fons Gillis; 4 Frans (Jan) Jonckheere; 5 Remi Bertens; 6 Raymond Leerman; 7 Roger Jonckheere; 8 Oscar Goethals↗︎; 9 Frans Mestdagh; 10 Remi Casier; 11 Firmin Decoo↗︎; 12 Henri Mestdagh; 13 René Olders↗︎; 14. Gaston Willaert; 15. Mong Verburgh; 16 Gaston (?) Borny; 17 Fernand Brauwers↗︎; 18 Jules Nyssen; 19 Kamiel Willaert; 20 Herman Bonne↗︎; 21 Kamiel Loontiens↗︎; 22 Jozef De Craecker↗︎; 23 Hilaire Lava; 24 Marcel Vandekerckhove↗︎; 25; Charles Creve. 
Flor Vandekerckhove↗︎


Misschien is dit wel het geschikte moment 

om aan Tino Rossi te herinneren, 

aan Rina Ketty en

zeker ook aan Dalida.

www.youtube.com/watch?v=6r6QHyqNk6c

dinsdag 26 januari 2021

Janis Joplin en Amy Winehouse verenigd


Wat gebeurt er wanneer je de magie van Rina Ketty koppelt aan deze van Tino Rossi en daar een ferme scheut Dalida aan toevoegt? Wel, je krijgt een stukje surrealisme-light van de bovenste plank en de ontmoeting, ergens in de galaxie, van twee grote popzangeressen die u nooit eerder samen hebt gezien. 
Vormelijk beantwoordt het verhaal volledig aan de eisen van het provovers, nieuwe twijg aan de literaire boom, jonge tak op de grens van proza en poëzie. Wie er meer over wil weten, klikt hier. Ter promotie van deze literaire nieuwigheid organiseert De Laatste in februari ‘De Eerste Maand van het Provovers’. Gedurende die maand krijg je dagelijks post. Om de andere dag is dat een stuk dat telkens twee mooi ingekaderde provoverzen bevat. Eind februari zullen het er achtentwintig geweest zijn. De Maand van het Provovers wordt georganiseerd door het Provoverscomité. Naast De Laatste maken daar deel van uit: de gerante van De Weggeefwinkel, de loopjongen van De Lachende Visch, een Mad Man van het bureau Reclame is onze enige Kwaliteit en de tycoon van het filmhuis United Fucking North Sea Pictures Entertainment.  (fv)


 

wachten


allen hebben ze dit lied gezongen

dat het vergeefse wachten formuleert

allen dachten ze de stap te horen

van de geliefde die weerkeert

zoals Tino Rossi die bleef wachten

zonder iemand aan zijn zij

zo wachtte ook Rina Ketty

op een vrijer 

liggend op haar sprei

zoals de kerselaar op kersen wacht

en het vogelnest op ’t ei

zo heeft ook Dalida gewacht 

op een verandering van ’t tij


maar ’t eind van dit verhaal

had niemand toch verwacht

dat ’t Janis Joplin was die 

tegen Amy Winehouse zei

wachten is niet langer nodig

kom maar lekker hier bij bij


Flor Vandekerckhove

zondag 24 januari 2021

Kortelings op dit scherm: de Eerste Maand van het Provovers

Realisatie advertentie: Reclame Is Onze Enige Kwaliteit.



Februari wordt druk. In die maand krijgt ge elke dag post van De Laatste. Om de andere dag is dat wat ge gewoonlijk krijgt, in de tussenliggende dagen wordt dat telkens een blad met twee provoverzen. Waarom? Omdat februari uitgeroepen werd tot Maand van het Provovers, daarom!
Ik hoor u al uitroepen: provo wat? Dat komt doordat ge mijn uitleg terzake alweer vergeten zijt, gesteld dat ge die ooit gelezen hebt. Daarom zeg ik u, net als de verzetsheldin Michelle uit Allo Allo: Listen very carefully I shall say this only once: een provovers is een stukje proza dat aan zo’n welbepaalde strenge regels voldoet dat het wel poëzie lijkt. Die strenge regels heb ik zelf uitgevonden, ze hebben te maken met mijn zoektocht naar mijn eigen surrealisme-light, iets wat ik nog aan ’t uitdenken ben, en die regels staan hierNa een periode van twijfel zult ge toegeven dat het provovers een verrijking voor de letteren in ’t algemeen is en voor deze van de surrealisme-light in het bijzonder.
Opdat ge zoudt weten hoe die provoverzen u in februari, twee per twee, om de andere dag, dus 28 in totaal, gepresenteerd gaan worden, volgt heden al een voorbeeld, zodat ge in februari niet verwonderd zoudt uitroepen: ha, zo bedoelt ge!
Flor Vandekerckhove

Nieuw! Nu ook met Franse ondertitels. Wie ‘absurdist’ op youtube wil horen, klikt op www.youtube.com/watch?v=H52l_OU5wyw. Wie ‘accident’ op youtube wil horen, klikt op www.youtube.com/watch?v=IIVQsPc8o7A&t=9s.




zaterdag 23 januari 2021

Herinneringen aan Jean-Paul Dellaert

— Links Leo Tasseyns, rechts: Jean-Paul — Pol — Dellaert (†) (foto Roy Verhaeghe) —



In onze tienerjaren zie ik hem al eens op school, daarna zie ik hem overdag al eens op straat, overnacht zie ik hem al eens op scène (ik lees dat Dellaert bij de Broadway Jazz Gang gespeeld heeft, bij Sir James CompanyThe White FormationThe Bunch, opvolger van The Swallows…) Een collegejongen die in de popscene belandt, zo zijn er niet veel, daarom staat hij op mijn lijstje, Jean-Paul Dellaert (†2017) kan me iets leren.
In mijn herinneringen ziet Pol er onverstoorbaar uit. Ik zie hem onverstoorbaar de Oostendse straten dwarsen, in kroegen leest hij onverstoorbaar de krant. Op podia werkt hij onverstoorbaar de setlist af. Hij straalt de rustige zelfzekerheid uit van iemand die zijn plaats kent. Dat maakt indruk op me (zelf ben ik een leven lang naar mijn plaats op zoek geweest.)
Op 21 maart 2017 staat er in HLN een in memoriam. Aan het woord is cafébaas Pascal 'Passe' Devriendt van de Twilight:
Pol had zijn vaste stoel aan de toog. (…) Zelfs wanneer we loeiharde metal in het café opzetten en iedereen stond te headbangen, bleef Pol rustig aan de toog zijn krant lezen. En tijdens onze oudejaarsfeestjes haalden we alle stoelen weg, maar één kruk aan de bar bleef staan. Die van Pol, zodat hij zijn vaste plek kon innemen.’
Het beeld past perfect in mijn herinnering. Een mens met een vaste plek! Zo ken ik er nog wel. In een taverne van de Oostendse glazenstraat was er een tafel voorbehouden aan een vriendengroepje dat zich ‘de senaat’ noemde: Walter Debrock↗︎, Tony Maeyaert van restaurant Lusitania en nog iemand. Ik denk dat er zelfs naamplaatjes op de ruglening stonden. Mannen met een vaste plaats!
Nooit is er een kroeg geweest waar ik mijn vaste plaats had. Wel bijna. In die tijd baat wijlen Guido Houben in de Oostendse Langestraat café Regisseur uit. Hij moet me iets vragen. Of ik niet regelmatig mijn tijd in zijn etablissement wil doorbrengen. Op een vaste plek voor ’t raam. Daar moet ik, zegt Guido, alleen maar in een boek lezen. Volgens Guido zal dat volk trekken en, vindt hij ook, voor mij is dat maar een kleine moeite. Neen, ik ben daar niet op ingegaan.  

donderdag 21 januari 2021

Hebt u DÁT al eens meegemaakt?


Onderstaand handpalmverhaal beantwoordt volledig aan de eisen van het provovers, nieuwe twijg aan de literaire boom, jonge tak op de grens van proza en poëzie. Wie er meer over wil weten, klikt hierHet provovers is jong en onbekend. Ik ben er de bedenker van, alsook de enige beoefenaar. Ter promotie organiseert De Laatste in februari ‘De Eerste Maand van het Provovers’. Gedurende die maand krijgt u niet, zoals gewoonlijk, om de andere dag post, maar dagelijks. Om de andere dag is dat een stuk dat telkens twee mooi ingekaderde provoverzen bevat. Eind februari zullen het er achtentwintig geweest zijn. Als dát u niet overtuigt, weet ik het ook niet meer. Het is overigens niet de bedoeling dat er epigonen komen, integendeel zelfs, de eerste die zich aan navolging waagt, wordt door het partijdige provoverscomité geschrapt, en dat op zo’n drastische manier dat zelfs André Breton er niet goed van zou zijn. Naast De Laatste maken nog deel uit van het provoverscomité: de gerante van De Weggeefwinkel, de loopjongen van De Lachende Visch, een Mad Man van het bureau Reclame is onze enige Kwaliteit en de tycoon van het filmhuis United Fucking North Sea Pictures Entertainment.  (fv)




soep


vlak nadat ik de zeven laatste woorden 

van Jezus Christus gelezen had

Eli Eli lema sabachtani

wat er eigenlijk maar vier zijn

sloeg ik het evangelie volgens Mattheus dicht 

waarna ik verzonken in gedachten de soep op ’t vuur zette

en zodra die kokend heet was 

goot ik hem 

nog steeds aan Jezus’ woorden denkend

in een kom

en nog terwijl de woorden tot me door aan ’t dringen waren

viel mijn linkeroog 

onverwachts en pijnloos 

waardoor ik het niet eens gezien had

in de soep

en daardoor komt het dat ik

samen met de soep mijn linkeroog 

heb opgeslorpt


Flor Vandekerckhove


Soep op youtube

Met ferm bewegende ogen

en Franstalige — oui, oui — ondertitels

 www.youtube.com/watch?v=yo-LTs2zrqA

dinsdag 19 januari 2021

Eric de Noorman, een Viking on the road

 Van links naar rechts: Het Laatste Nieuws publiceert de strip Eric de Noorman en geeft de verhalen achteraf in boekjes uit. — Midden: een bladzijde uit zo’n Noormanboekje. — Rechts: Playboy publiceert een parodie. Dat is dan geen tekststrip meer, maar een met tekstballonnen. Op dit prentje stelt de heldin zich alzo voor: ‘Ik ben de Gala en ik heb éen bruine tepel en één groene! Vraag niet waarom… Het is een mysterie!’



Voor hij zijn middagdutje aanvangt, bladert vader in Het Laatste Nieuws. Daarin staat Eric de Noorman, een tekststrip die hij me een enkele keer voorleest. Daarna slaapt hij in en, terwijl ik op de leuning blijf zitten, geniet ik een wijle na van de prentjes.
Bijna zeventig jaar later speur ik wereldwijde web af, in de hoop dat daar zo’n bladzijde met strip te vinden is. Ik vang bot, maar mij wordt wel meegedeeld dat Het Laatste Nieuws de strip ook in boekjes verzameld heeft. Het alles onthullende net toont me zelfs een blad uit zo’n boekje… Ja, zo moet het er ook in de krant uitgezien hebben: drie prentjes, waaronder een doorlopende tekst: ‘Grimmig staart hij naar de ongastvrije rotswand en als om de ernst van de toestand nog wat duidelijker tot uiting te laten komen, zegt de dwerg met een benepen stemmetje: Mij honger. Mij niet eten …’ Tevergeefs probeer ik me er vaders stem bij voor te stellen.
Eric de Noorman, strip van Hans G. Kresse, verschijnt in Het Laatste Nieuws voor het eerst op 4 juli 1946. Als de krant er in 1964 mee ophoudt, werden daarin 67 Noormanverhalen gepubliceerd. Intussen heeft Eric ook internationaal carrière gemaakt: publicaties in ’t Frans, Duits, Engels, Fins, Portugees, Spaans, Zweeds en Fries. Hij heeft het zelfs tot in Playboy geschopt, maar dat komt doordat Dick Matena er een voor dat mannenblad geschikte parodie van maakt. Ook daarvan plaats ik een prentje in hoofding.
Flor Vandekerckhove


Zelf ging ik 

op situationistische wijze 

aan de haal met

een Amerikaanse strip

www.youtube.com/watch?v=FMsFc5ZO4lo


zondag 17 januari 2021

De vijfde strofe

— Links. In 2016 leg ik bloemen neer aan de Mur des Fédérés op het kerkhof Père-Lachaise in Parijs, plek waar tientallen communards gefusilleerd werden. Op de herdenkingsplaat: Aux morts de la commune 21-28 Mai 1871. — Midden: Jean-Baptiste Clément, dichter en tekstschrijver van Le temps des cerises. — 

Rechts: De karikatuur van Willette uit 1891, met daarop geschreven, de door hem bedachte vijfde strofe. —



Misschien ken jij het in de versie van Geike Arnaert en Bobbejaan Schoepen, zelf hoor ik het al langer zingen en dat voor ’t eerst in Lissabon, tijdens de nadagen van de Anjerrevolutie. Op het Rossio verzeil ik in een groep Fransen die ’t plots, zichtbaar ontroerd, en mede geïnspireerd door de rode wijn, aanheffen. Ook omdat ik in die tijd van toeten noch blazen weet, legt een tafelgenoot me uit dat Le temps des cerises met voorsprong het mooiste lied is dat men ter linkerzijde zingt. Het is direct verbonden met de Commune van Parijs (1871), zegt hij, en tekstdichter Jean-Baptiste Clément mag zich een echte communard noemen. 
Op de laatste dag van de strijd ontmoet die Clément op de barricaden Louise. De arbeidster komt er gewonden verzorgen. Hij draagt zijn gedicht Cerises (1866) aan haar op en het groeit uit tot een lied dat weemoedig aan de barricadentijd herinnert. Zeer geschikt om naar te luisteren nadat je Mélancholie de gauche gelezen hebt, over ‘de melancholie van Blanqui en van Louise Michel na de bloedige repressie van de Commune van Parijs; van Rosa Luxemburg die, in haar gevangenis van Wronke, mediteert over het bloedbad van de Grote Oorlog en de capitulatie van het Duitse socialisme; van Gramsci die na het mislukken van de Europese revoluties, in een fascistische gevangenis, opnieuw nadenkt over de verhouding tussen ‘stellingenoorlog’ en ‘bewegingsoorlog’; van Trotski tijdens zijn laatste ballingschap in Mexico, opgesloten achter de muren van een huis-bunker in Coyoacan: van Walter Benjamin die, verbannen in Parijs, de geschiedenis herwerkt vanuit het standpunt van de ‘geknechte voorouders’: van C.L.R. James die over Melville schrijft, op Ellis Island waar hij in quarantaine verblijft, als vijandelijke vreemdeling in de Verenigde Staten van het maccarthisme; van de Indonesische communisten die het grote bloedbad van 1965 overleven; van Che Guevara die er zich in de bergen van Bolivië bewust van wordt dat de Cubaanse weg in een impasse terechtgekomen is.’ 
Mij inspireert dat lied veel later tot een gedicht dat die melancholie aan een daadkrachtige meid koppelt. Ook omdat we een kameraad gekend hebben, Willy Goval, die in Cuba ging werken, daar verliefd werd en er bleef wonen, verplaats ik de gebeurtenissen van Parijs naar Havana. Tijdens die omvorming leer ik de strofen van het lied beter kennen. Daardoor verwondert het me dat Walter De Buck hier in zijn Gentse vertaling een mij onbekende vijfde strofe zingt. Ik ga ernaar op zoek en ontdek een verhaal.
Twintig jaar na de Commune is oud-communard Clément actief in de Parti ouvrier socialiste révolutionnaire. Daar kunnen ze in Frankrijk niet mee lachen en hij wordt gearresteerd. Zijn maat, Adolphe Willette, maakt er een cartoon van, ik plaats die rechts in bovenstaande fotomontage : we zien de vrijheid aan banden gelegd, de gendarmen nemen de mand kersen in beslag en het meisje wordt geketend. De tekenaar schrijft er enkele zelfbedachte verzen bij: de vijfde strofe van Le temps des cerises! In ’t Frans eindigt die strofe, vrij vertaald, erg wraakzuchtig: Maar wanneer de kersentijd weerkomt / zullen de kogels hen rond de oren fluiten. In ’t Gents van Walter De Buck gaat het er vreedzamer aan toe: En in die schaduw schrijft de dichter voort / aan de tekst van het lied dat je hier hebt gehoord. En wil het nu net dit zijn, wat ik hier aan 't doen ben.
Flor Vandekerckhove


(*) Enzo Traverso. Mélancolie de gauche. La force d’une tradition cachée (XIXe – XXIe siècle). Paris 2016. Editions La découverte.


De boerin uit West-Vlaanderen

en de kersentijd

www.youtube.com/watch?v=hHoYfTHKfic


vrijdag 15 januari 2021

Heil wrede meerderheid !



Jerome Rothenberg (°1931) dicht, vertaalt, geeft uit… In zijn vroege werk komt de inspiratie o.m. van James Joyce, dadaïsten, Ezra Pound… Rothenberg gaat daarna verder met het verkennen van primitieve en archaïsche poëzie, klankpoëzie, gevonden poëzie, visuele poëzie, samenwerkingen, zijn joodse erfgoed… In een interview verklaart Rothenberg dat hij zich aan het begin van zijn carrière als schrijver ongelooflijk geïsoleerd gevoeld heeft, vanwege de repressieve geest in de Verenigde Staten tijdens het McCarthyisme. ‘De opkomst van de Beats was tegelijkertijd het eerste publieke signaal dat we niet de enigen waren in onze wens naar een nieuwe revolutie-van-het-woord en een tweede ontwaken van een radicaal en ongebonden modernisme.’ Voor Rothenberg, en andere schrijvers als hij, is het in eigen handen nemen van hun publicaties dan het belangrijkste middel waarmee ze zich kunnen uiten, en het is dit besef dat hem ertoe heeft gebracht een eigen uitgeverij op te richten. (Flor Vandekerckhove)

woensdag 13 januari 2021

Heden roep ik uit: ‘Lang leve het Opvangcentrum voor Vogels en Wilde Dieren van Oostende!’

— Rechts: de meerkoet houdt zich schuil op mijn koertje. De pijl wijst naar zijn zere teen. —



Terwijl ik Polleke-de-kat naar binnen riep, viel mijn oog op een beest dat zich op ‘t koertje verscholen hield. Ik dacht: misschien is ’t wat aan ’t rusten. Toen het daar ’s middags nog zat, maakte ik me zorgen en wat ik ook maakte was een foto. Die stuurde ik naar mijn ouwe maat Norbert, vogelkenner, die me antwoordde: ‘’t Is een meerkoet, met een gezwollen teen nog wel’ en toen zag ik het ook: zo'n dikke teen! ’s Avonds zat de meerkoet er nog, ik kon alleen maar hopen dat Polleke-de-kat het beest die nacht met rust zou laten. Dat lukte wonderwel, maar de teen bleef zwellen en de vogel bleef zitten. Ook de dag erna en de dag na de dag erna. Toen gaf Tania me bevel om het dier te kooien zodat ze het sofort naar het Oostendse Opvangcentrum voor Vogels en Wilde Dieren (VOC) kon brengen. Omdat Tania geen tegenspraak duldt, deed ik dat meteen. Op 3 december werd mijn meerkoet in dat VOC geregistreerd als het 5995ste dier dat er in 2020 werd aangeboden. Laat het getal maar eens goed tot je doordringen: 5995 !
Gisteren viel volgend bericht in mijn mailbox: ’In het Opvangcentrum hebben we jouw dier de nodige zorgen gegeven om het de beste kans op een nieuw leven in de natuur te bieden. We zijn steeds verheugd wanneer we de patiënt zijn vrijheid terug kunnen geven en vinden het uiteraard jammer wanneer een dier het niet haalt of ingeslapen moet worden’, waarna heuglijk nieuws volgt: ‘Op 18/12/2020 werd jouw dier uitgeschreven met als eindresultaat: In vrijheid’.
Nu vraag ik je: is dat niet schoon? Is ’t niet prachtig dat er alhier zo’n instelling bestaat? Begrijp je dat ik daar nu enige ruchtbaarheid wil aan geven, uitroepend: ‘Lang leve het Opvangcentrum voor Vogels en Wilde Dieren van Oostende!’ En begrijp je dat ik nu meer dan anders het zwerk afspeur? Daarjuist zag ik in gedachten mijn meerkoet overvliegen, hij zwaaide en daardoor zag ik goed dat zijn teen helemaal genezen was.
Flor Vandekerckhove


En als toetje: 

De gevaarlijkste tramhalte

https://www.youtube.com/watch?v=8eDy3GcBlYg

maandag 11 januari 2021

‘Voor twintig frank kunt ge de mijnen zien.’



Ooit is die foto in mijn mailbox geworpen, het valt voor mij niet meer te achterhalen wanneer dat gebeurd is en wie 't gedaan heeft. ’t Zal wel een (oud-)Bredenaar zijn, ik herken er enkele op dat beeld. ’t Zou me niet verwonderen mocht blijken dat het allemáál Bredenaars zijn, we gaan dat straks proberen uitvissen. Er zijn nog dingen die ik niet weet. Ik weet niet in welk jaar de foto gemaakt werd en evenmin welke organisatie die mensen daar heeft heengebracht. Wel herinner ik me dat er in mijn jeugdjaren inderdaad bezoeken aan ondergrondse koolmijnen georganiseerd werden, ik herinner me bijvoorbeeld een leraar aardrijkskunde die in de klas zei: ‘Voor twintig frank kunt ge de mijnen zien.’ Daar dankten we dus feestelijk voor.
Ik tel 86 mensen. Ze staan tussen twee autobussen die hen daar wellicht naartoe gebracht hebben. Ze poseren voor een luifel waarop André Dumont geschreven staat. Die André ligt aan de basis van de ontdekking van het Kempense steenkoolbekken. Rechts van zijn naam, op de achtergrond, zie ik de iconische gevel van de Steenkoolmijn van Waterschei
En nu de namen. Hieronder verdeel ik de foto in drie gelijke stukken en op elk van die figuurtjes kleef ik een nummer. Wat ik vervolgens ga doen is wachten op uw reacties. De namen die u me laat kennen, plaats ik hieronder in rood, voorafgegaan door het corresponderende nummer. Hopelijk wordt het een lange lijst.

Flor Vandekerckhove


[Marie-Claire De Bourderé: ‘Ik denk 1968 of '69. Mijn pa, Fernand (nr 72) werkte toen als chauffeur bij Royal Tours (later Jet Air, nu Tui). Meester Gerard Van Laere (71 of 84) van de Don Bosco school op ’t Sas organiseerde dergelijke reisjes als begeleider en gids.'] [Bij Bert Tas (33) luidt het als volgt: Deze daguitstap zal en kan ik niet vergeten. 1 november 1969 hadden wij deze uitstap naar de koolmijnen van Waterschei en maakte ik kennis met mijn schatje Colette Vandecasteele (19). Dus het was een heuglijke dag. De daguitstap werd door de Schelpe en Davidsfonds Bredene-Sas georganiseerd. Gerard Vanlaere (toen collega van Colette) was de grote bezieler van deze daguitstappen naar de koolmijn en op deze dag was dit voor de 50ste keer. Ik herinner me nog dat we na het bezoek een grote receptie hadden in het toenmalige casino (A. Dumon?) en als ik me niet vergis zelfs met een eten.]
1  Romain Cardon; 2 Monique Van Parijs; 3 Marcel Derdeyn; 4 Monique Schaut (?); 6 Monique Hindryckx; 7 Johan Brauwers; 8 Margriet Lauwers; 9 Paul Vangeluwe; 10 Jeanine Huys; 11 Willy Dekeyzer; 12 Maria Stemgee; 15 Liliane Vangheluwe; 16 Roland Vanmassenhove; 17 Frieda Clicteur; 18 Marina Bruynooghe; 19 Colette Vandecasteele; 20 Lucienne Schram; 21 Erik Poppe; 22 Jan Vangeluwe; 23 Willy Versluys; 24 Anne-Marie Boury; 25 Jacques Croos; 26 Honoré Pitteljon;  27 Rudy Mestdagh; 28 Hugo Jonckheere; 29 Raymonde Schram; 30 Hugo Pauwels; 32 Paul Poppe; 33 Bert Tas; 34 Roland Meysman; 37 Marc Loy; 40 Christine Vandecasteele; 42 Willy Vandenbussche; 53 Michel Vansteene54 Lliliane Mortier; 55 Gerard Vanlaere (?, iemand zegt t'Jack de buschauffeur, of Tjaak of Jaake); 60 Remi Vansteene; 63 José Mortier; 65 Oscar Debeuckelaere: 66 Maria De Reviere; 70 echtgenote Vanlaere; 72 Fernand De Bourderé (buschauffeur); 73 Rose-Marie Billaut; 75 Etienne Gilliaert; 78 Simonne Pille; (71 of 84) Gerard Van Laere; 82. Hector Vansteenkiste; (83. Jerome Depoorter?);