zaterdag 31 maart 2018

Bedrieglijke herinneringen

Je weet hoe ’t gaat. Je wordt ouder, je zicht gaat achteruit en je hoort zo goed niet meer. (Vreemd genoeg is ’t voor een mens gemakkelijker om ’t eerste toe te geven dan ’t tweede.) Je reukzin vermindert, waardoor de lente nooit meer zo fris zal ruiken als destijds. Je smaakzin vermindert, waardoor negertetten nooit meer zo intens zullen smaken als voorheen. Joggen? Daarvoor is 't al gauw te koud, te nat, te laat… Bovendien wil je 's middags een dutje doen. Je wordt stijf en het bijknippen van je teennagels is een hele klus. De tijd waarin je een nachtmens dacht te zijn ligt belachelijk ver achter je. 
Wat mij in deze afgang ’t meeste stoort is het verval van mijn hersenen. Het lijkt erop dat ik nog dommer word dan ik al was. Van zekerheden die als een paal boven water stonden, vraag ik me nu af: waar staat die paal ook alweer? Mijn geheugen verdenk ik zelfs van kwaad opzet.
Nooit eerder gebeurde dat laatste zo flagrant als die keer dat ik herinneringen aan het huis van een oud-schoolkameraad opriep. In mijn hoofd was daar een kapsalon. Dat beeld staat op mijn netvlies geprent: kapperszetel, spiegel, scharen, scheerkwast. Niet dus! Waar ik een kapsalon meende te ontwaren was in werkelijkheid een… herberg. Ik heb daar onlangs een stukje over gepost, je moet er hier maar eens naar kijken.
Als bewijs van een kwakkelend geheugen kon dat tellen, vond ik. Maar blogger Philippe Clerick plaatste onder dat stukje een spitsvondige reactie: ‘Geen slecht geheugen,’ schreef hij. ‘Bedrieglijke herinneringen. Hen treft schuld.’ Een straffe repliek is dat, vind ik, grapje en doordenkertje tegelijk; ernst en luim in één doosje. Mijn aftakeling is gelukkig nog niet ver genoeg gevorderd opdat de tweeslachtigheid me zou ontgaan.
Een bedrieglijke herinnering dus. Waar, wanneer, hoe en waarom de herberg in mijn hoofd een kapsalon geworden is, valt niet meer te achterhalen, maar er moet ooit ergens iets gebeurd zijn wat verkeerd gekoppeld werd.
In haar memoires vertelt Mary McCarty hoe zoiets in zijn werk kan gaan: 'Mijn eigen zoon, Rewel, bij voorbeeld, was ervan overtuigd dat Mussolini uit een bus in Noord-Truno op Cape Cod werd gegooid, in de oorlog. Deze herinneringen gaat terug tot een morgen in 1943 toen hij als klein kind met zijn vader en mij in Welfleet op een bus stond te wachten die een vertrekkende gast naar Hyannis zou brengen. De bus kwam en de buschauffeur boog zich naar buiten en riep het laatste nieuws: “ze hebben Mussolini eruit gegooid”.’ (°)
Flor Vandekerckhove


 ° Mary McCarthy. Herinneringen aan mijn roomse jeugd. 1966. Amsterdam De Arbeiderspers. 250 pp. Oorspronkelijke titel: Memories of a Catholic Girlgood. New York. 1957.

woensdag 28 maart 2018

Fake news ! Donald Trump, in zijn eigen woorden, over zijn ontmoeting met meneer Delanghe

‘Ik wil de grootste hebben.’
Raymond Van Het Groenewoud.


Last week Melania and I were invited by my good old friend meneer Delanghe om incognito your country te bezoeken. As soon as we arrived I had to take a sauna, so insisted meneer Delanghe, who introduced me there aan zijn zakenpartners.
Yo de manneu! I said in de sauna, I am the president van de United States en bij ons is alles much bigger.
But was me dat een surprise! In the sauna zag ik that meneer Delanghe bijzonder groot geschapen was. No one I knew had a bigger pietje than meneer Delanghe.
How comes? vroeg ik hem in die sauna, that you have such a big pietje?
Wel, said meneer Delanghe, die z'n best deed om in 't schoon Amerikaans te antwoorden, I have developped my own methode.  Ik train mijn pietje door hem elke avond twenty-five keer tegen het voeteinde van het bed te slaan. 
Dat had ik nog nooit gehoord, dat je je pietje op die manier kunt trainen. You just beat it exactly 25 times and it becomes huge like that? 
You can be sure of that, mister president, antwoordde meneer Delanghe.
So, after dinner, I came finally in our slaapkamer. Het was already donker. Melania was al meteen na de vliegtuiglanding gaan slapen omdat ze hoofdpijn had. Ik deed mijn kleren uit, ging voor het bed staan en to make my pietje great again begon ik hem hard tegen het voeteinde te slaan. Lap en lap en lap en…  Ik was aan mijn tiende mep gekomen toen Melania van het lawaai wakker schoot en in het donker vroeg: Ah meneer Delanghe, is that you?
Flor Vandekerckhove

(*) Meer verhalen met meneer Delanghe:


dinsdag 27 maart 2018

We moeten geduldig zijn, zeiden we tegen onszelf


De Amerikaanse surrealistische dichter Charles Simic (°1938) publiceert in 2005 de bundel
My Noiseless Entourage. Daarin staat ook Pigeons at Dawn. In het gedicht vertelt hij, denk ik, wat poëzie vermag: ze toont ons dingen die je anders niet zou zien. Misschien moet je er eerst wel een omwegje voor maken, in dit geval in een krakende lift die je eerst naar een ijskoude kelder brengt. Maar wie geduldig is krijgt uiteindelijk toch een glimp van absolute schoonheid te zien: All but invisible, but for her slender arm.
Ik doe dat graag, poëzie vertalen, maar ’t blijft natuurlijk wel het werk van een dilettant. Correcties en suggesties worden in dank aanvaard. (Flor Vandekerckhove)

maandag 26 maart 2018

De kruisweg van 1961


Een lange sliert. Bij elke statie houden we halt. Eén: Jezus wordt veroordeeld. Twee: de heiland neemt het kruis op zijn schouders. Drie: hij valt voor de eerste maal onder het gewicht van het kruis. Nog elf te gaan. Ik ben twaalf en heb die kruisweg al zoveel keer afgestapt dat ik — geeuw — blindelings weet wat me te wachten staat. Straks zal hij zijn moeder ontmoeten, vervolgens passeert hij Simon van Cyrene en daarna Veronica met haar handdoek. Als hij voor de tweede keer valt zijn we nog maar halverwege. Terwijl de stoet een bocht naar de achtste statie maakt — Jezus troost de wenende vrouwen — ga ik mijn eigen weg. Tegen de tijd dat de messias voor de derde keer valt toef ik in een spookhuis, in mijn haast laat ik de deur openstaan en Simon van Cyrene maakt daarvan gebruik om de straat op te rennen. Ik probeer hem nog te stoppen, te laat, Jezus wordt al van zijn klederen beroofd. Nog terwijl ze Jezus aan het kruis nagelen wordt Simon van Cyrene op straat door een Ferrari gegrepen. De Romein pleegt vluchtmisdrijf, Simon van Cyrene blijft liggen, Jezus sterft aan het kruis. Lang kan het nu niet meer duren. De stoet trekt van de twaalfde naar de dertiende statie en ik graaf een put. Terwijl ik de stoffelijke resten van Simon van Cyrene ernaartoe sleep, wordt Christus — laatste statie — in het graf gelegd.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 24 maart 2018

Op de Valentijntrein


— De stoomtrein die ook vandaag nog ingezet wordt tussen Maldegem en Eeklo. —

De trein, legt hij me uit, is de Valentijntrein, een antieke wagon die jaarlijks van stal gehaald wordt, en in de valentijnsnacht een tocht maakt, getrokken door een stoomlocomotief. ‘Hier in Vlaanderen?’ vraag ik. Accidere ex una scintilla incendia passim,’ roept hij daarop in extase. Ik weet niet wat hij bedoelt. Ik schrijf de woorden op en neem me voor om de vertaling thuis op te zoeken. Maar je weet hoe 't gaat — boodschappen, tukje, fietsband repareren, gras maaien, stoep vegen, ruiten zemen, hond uitlaten, familiebezoek, PMD op straat, voetbal, wasje slaan, hongertje… — het komt er maar niet van, en zo belangrijk is 't nu ook weer niet.
Flor Vandekerckhove

P.S. Later zie ik dat het Stoomcentrum↗︎, waarover hij me vertelt, wel degelijk bestaat. 

vrijdag 23 maart 2018

Onbekende familie is ook familie


— Van links naar rechts: Madeleine Vandekerckhove, haar broer Albert en hun zuster Margriete. — 

In 1880 trouwt werkman Karel Vandekerckhove met de werkster Leonia Grosseel. Uit dat proletarische huwelijk ontspruiten dertien kinderen. Een ervan heet Arthur (°1882), een andere Edmond (°1897). Edmond ken ik, dat is mijn grootvader. Van Arthur daarentegen heb ik nooit eerder gehoord, maar ’t is wel Arthur die we nu gaan volgen. 
Hij trouwt met Leonie Janssens, en daar komen zes kinderen uit voort; drie ervan staan hierboven afgebeeld: Madeleine die achter het gordijn wil verdwijnen, Albert die parmantig op een bijzettafeltje steunt en Margriete die erbij gaat zitten. Van de andere drie heb ik geen foto’s. Zo is er Irma die West-Vlaanderen ontvliedt en naar trekt Brussel trekt. Je gaat me niet vertellen dat daar geen verhaal achter zit. En dan zijn er nog twee broers. Een heet André, de naam van de andere ken ik niet — vermoedelijk Kamiel — maar ook hij is een verhaal waard: de jongeling geraakt betrokken in een dispuut om een meisje. De concurrentie gooit hem ergens tussen Snaaskerke en Gistel van de brug en hij verdrinkt. Vragen doorklieven mijn brein: bestaat die brug nog? Is er een foto van die jongen? Heeft zo'n incident een spoor nagelaten in een krant?
Arthurs kinderen moeten tegen mijn grootvader nonkel zeggen; het betreft derhalve neven en nichten van mijn vader. Ik mag veronderstellen dat mijn vader hen ontmoet heeft; op begrafenissen bijvoorbeeld, dat is ook de plek waar ikzelf mijn neven en nichten zie, als ze niet nalaten om me uit te nodigen tenminste. Wie mijn vader heel zeker te zien krijgt is zijn achternicht Georgette, het enige kind van Albert die hierboven centraal op de foto’s staat. Ook ik ken haar, op de Visserskaai in Oostende hield zij destijds een restaurant open, waar ik vleesmanden vol gevogelte leverde.
Sinds kort zie ik Georgette wekelijks, ik ga die achterachternicht (ja, twee keer ‘achter’) regelmatig opzoeken in het woonzorgcentrum van Bredene waar ze ferm tegen haar zin verblijft. ’t Is daar ook dat ik het materiaal verzamel dat me tot dergelijke stukjes inspireert.

Flor Vandekerckhove


— Het restaurant Fryatt op de Oostendse Visserskaai, wellicht kort na de opening in 1960 Georgette zit rechts achter het raam. —

woensdag 21 maart 2018

Slangen, tante en een leguaan


Op de tram komt hij naast me zitten. In Blankenberge gaat hij een tante opzoeken die niet zijn tante is, maar hij noemt haar zo: tante. Werken doet hij niet, hij is een invalide. Zijn rug. Door de landbouw. Weet ik dat de landbouw een benadeelde sector is? De bouw krijgt premies, het metaal krijgt premies, het toerisme krijgt premies, alles krijgt premies, maar de landbouw krijgt niets. Hij kan voorbeelden geven. Ik schud lichtjes het hoofd, ten teken dat het onnodig is. Intussen heeft hij werk genoeg met zijn slangen, een grote en twee kleintjes. Hij heeft al eens een slangenbeet gehad, dat tintelt een beetje, dat zwelt een beetje, verder niets. Weet ik waar een leguaan zit als je hem niet kunt vinden? Boven in de gordijnen zit zo’n leguaan dan, de warmte stijgt en boven in de gordijnen is het warmst van al. Mijn halte. In mijn neus blijft een onaangename geur hangen. Zo ruikt een leguaan, denk ik. Of die tante.

Flor Vandekerckhove

maandag 19 maart 2018

Fanny Schoonheyt zwijgt


Net als zoveel andere intellectuelen wordt ook de Nederlandse Fanny Schoonheyt (°1912-†1961) in de jaren dertig aangetrokken tot het Sovjetexperiment. In 1934 gaat ze dat land zelfs bezoeken. In tegenstelling tot André Gide en later ook Jef Last slaagt ze er niet in de stalinistische propaganda te doorprikken.
Ze verhuist naar Spanje. Wanneer Franco er de democratisch verkozen regering aanvalt gaat ze in het verzet. Ze houdt er een veelzeggende bijnaam aan over: de koningin van het machinegeweer.
Haar biografe (°) is duidelijk: Fanny Schoonheyt kiest kritiekloos de kant van de stalinisten die, zoals bekend, niet alleen de fascisten van Franco bestrijden, maar ook moordend tekeergaan tegen de linkse socialisten, anarchisten, trotskisten en de linkse communisten van de POUM.
In Saluut aan Catalonië beschrijft George Orwell de beruchte meidagen van 1937. Tijdens straatgevechten proberen de stalinisten hun linkse bondgenoten uit te schakelen. Orwell beschrijft het centrale plein van Barcelona, gedomineerd door het hotel Colón, waar de gevechten plaatsgrijpen. Dat hotel fungeert als hoofdkwartier van de communistische partij. Orwell beschrijft hoe een machinegeweer van daaruit op alles schiet wat beweegt.
Pas nadat de biografie haar werk voltooid heeft krijgt ze bovenstaande foto in handen, waarop Schoonheyt te zien is. Achter het drietal herkent Scholten de gevel van dat fameuze hotel Colón, wat de biografe laat vermoeden dat Schoonheyt daar het machinegeweer bediend heeft, waarover Orwell spreekt.
Scholten vermoedt ook dat Schoonheyt actief geweest is als lid van Stalins beruchte geheime politie. Ze baseert zich op een boek van de Amerikaanse journalist Don Levine die in 1960 The Mind of an Assasin publiceert. Daarin reconstrueert hij het leven van Ramón Mercader, de moordenaar van Trotski. Levine beschrijft o.m. hoe de gekwetste Mercader in juni 1937 in een hospitaal een patiënte ontmoet: ‘een groot, blond Nederlands meisje, Fani Castedo, vooraanstaand in de communistische beweging. Ramon had een verhouding met haar. Zijn kamer werd de ontmoetingsplaats voor enkele van de meest prominente communisten in Barcelona, alsook voor de NVKD-operationelen die in het gebouw gehospitaliseerd waren.’ Wellicht is Fany Castedo een schuilnaam van Fanny Schoonheyt.
Wanneer duidelijk wordt dat Franco de strijd wint, keren veel buitenlandse strijders naar huis terug, waar ze moeten constateren dat hun het staatsburgerschap ontnomen werd; een lot dat ook Fanny Schoonheyt treft. Via Parijs komt ze in de Dominicaanse Republiek terecht, waar ze bevalt van een dochter.
Ze zwijgt tot haar dood over haar Spaanse verleden; zelfs tegen haar dochter, die met stomheid geslagen lijkt wanneer de biografe haar met de levensgeschiedenis van haar moeder confronteert.
Waarom zwijgt ze? De vraag blijft open. Mijn oog blijft wel hangen in een uitspraak van de biografe, in The Volonteer, een blad van Amerikaanse Spanjeveteranen : ‘Toen ze in 1939 in Parijs was, ontmoette ze daar verschillende Spaanse kunstenaars die lid geweest waren van, of gesympathiseerd hadden met de POUM. Hebben zij haar ogen geopend voor wat er echt gebeurd is tijdens die verschrikkelijke meidagen van 1937? Hebben zij haar verteld over de verwoestende gevolgen van de Sovjet”hulp” aan de Republiek? In andere woorden, realiseerde ze zich dat ze in veel opzichten de verkeerde politieke keuze gemaakt had?’
Flor Vandekerckhove


(°) Yvonne Scholten, Fanny Schoonheyt. Een Nederlands meisje strijdt in de Spaanse Burgeroorlog. Amsterdam 2012.

zaterdag 17 maart 2018

Het voordeel van een slecht geheugen

Het voordeel van een slecht geheugen is dat men van de goede dingen meer dan eens kan genieten. Dat is niet iets wat ik opeens bedenk, het komt uit de koker van Friedrich Nietzsche, maar ‘t is daarom niet minder waar.
Ten bewijze verwijs ik naar een stukje waarin ik op zoek ga naar het ouderlijk huis van Freddy Buffel, een oud-schoolmakker. Ik ben daar ooit geweest, en ooit betekent hier dik vijftig jaar geleden. Dat bezoek staat als volgt in mijn geheugen gegrift: Je kwam binnen in een grote ruimte die een vreemde aanblik bood. Langs de ene kant stonden kapblok, toonbank, weegschaal… Aan die kant werden vleeswaren geëtaleerd, want vader Buffel was een slager. Keek je de andere kant uit dan zag je een spiegel aan de wand, een zetel en een tafel met scheerkwast en scharen, want vader Buffel was ook coiffeur.’ Wie de rest wil lezen, moet hier maar eens kijken.
Onderaan dat stukje plaats ik een oproep, want op ’t internet vind ik dat huis wel weer, maar niet mijn schoolmakker. Daarom sluit ik af met de woorden: ‘Mocht iemand meer weten…’
’s Anderendaags staat buurvrouw Paulette aan m’n deur. Zij en haar echtgenoot Michel zijn al meer dan eens een hulp gebleken bij het opzoeken van mensen die ik onderweg verloren ben. Ook nu weer reiken ze de draad aan die ik maar te volgen heb om tot bij mijn ouwe maat te geraken.
De kinderen van Paulette en Michel hebben immers in Bredene school gelopen en op de banken zaten toen ook Isabel en Davy Buffel. Veel kans, zegt Paulette, dat het kinderen van Freddy zijn. Van Davy weet ze daarenboven dat hij in Gistel De Molenhoeve uitbaat.
Diezelfde dag vertrek ik naar Frankrijk, maar niet voordat ik naar die bistro een mail gestuurd heb: Via via vernam ik dat u, Davy, wellicht de zoon van Freddy Buffel bent. Mocht dat het geval zijn, laat u het me dan weten? Kunt u me eventueel zijn coördinaten meedelen? Heeft Freddy een e-mailadres?’ En kijk, wanneer ik weer thuiskom heeft zoon Davy me het mailadres van zijn vader meegedeeld.
Buffel blijkt in Benidorm te overwinteren, wat niet belet dat er een leuk over en weer geschrijf ontstaat, waarbij ik tot mijn ontstentenis verneem dat de zaak in Klemskerke géén slagerij-kapsalon was: Bij ons thuis waren mijn ouders begonnen met een cafe-beenhouwerij, geen kapperszaak.’ Daar had ik nochtans heel mijn hebben & houden op willen inzetten. En dat zou ik nu kwijt geweest zijn.
Maar goed. De Amerikaanse schrijfster Lucia Berlin zegt over zo'n dingen: ‘Dat doet er allemaal niet toe, het is het verhaal dat telt.’  Een blik op Klemskerke mag het dan wel verkeerdelijk over een kapsalon hebben, ’t is toch een mooi verhaal. En wat hierboven staat is dat misschien ook wel. Twee verhalen, voor de prijs van één! Waarmee ook de woorden van Nietzsche op een scheve manier bewaarheid worden: ‘Het voordeel van een slecht geheugen is dat men van de goede dingen meer dan eens kan genieten.’

Flor Vandekerckhove

vrijdag 16 maart 2018

Herinneringen aan Nathalie

Nu zit ik in mijn zetel, maar enkele dagen geleden zat ik op een bank in Toulouse, in een stadspark, van ’t zonnetje te genieten: zuiders, paardenmolens, bedelaars op blote voeten, mannen in korte broeken…
De vrouw die me opeens indringend aankeek droeg geen korte, maar een lange spannende broek, zwart leer. Of ze naast me mocht zitten?  Uiteraard, zei ik, dat is mijn persoonlijke bank niet. Dat vond ze sympathiek.
Ik voegde er meteen aan toe dat mijn Frans niet goed genoeg was om een gesprek te voeren. Waarop ze in ‘t Engels beweerde dat ze in mij een artiest herkende. Ik zei dat ik evenmin veel Engels sprak, wegens Nederlandstalig, en toen vroeg ze me in mijn eigen taal of ze me een sigaret mocht aanbieden.
Waardoor we in drie talen tegelijk een gesprek aanknoopten, de jonge dakloze (dat was ze) Nathalie (zo heette ze) en ik, een sympathiek ogende artistiekeling uit West-Vlaanderen. Op een bank in Toulouse!
Tegen de tijd dat Tania me van die bank kwam weghalen wist ik dat Nathalie haar Nederlands uit Amsterdam had meebracht. Daar had ze in een bordeel een pedofiel vermoord, waardoor ze in Nederland lang genoeg had moeten brommen om een en ander van de taal te leren. Hoe meer ze me vertelde, hoe minder moeite het me kostte om de joint te weigeren die ze met me wilde delen.
Ik stelde ze aan elkaar voor, Nathalie en Tania, en toen we afscheid namen vroeg Nathalie nog gauw een weinig geld. Daar kon ik haar niet in tegemoet komen, ik had mijn portefeuille aan Tania meegegeven, wat waar was. Die legde Nathalie met de glimlach uit dat ze tijdens ‘t shoppen al mijn geld had opgebruikt. Dat was een leugentje, en meer dan eentje om bestwil was het een erg nuchtere reactie.
Flor Vandekerckhove

zaterdag 10 maart 2018

Leren schrijven met Richard Brautigan (I)

— Richard Brautigan (1935-1984) —
Hoe komt het dat ik Richard Brautigan nu pas leer kennen? Komt dat doordat hij tussen twee stoelen valt? Is hij iets te jong voor de beatgeneratie van de jaren vijftig en een beetje te oud voor de jeugdrevolte van de jaren zestig? Marginaal mag je Brautigan nochtans niet noemen. Trout fishing in Amerika, zijn meesterwerk, is in ’t Nederlands vertaald en in nog 11 andere talen. Wereldwijd zijn daar twee miljoen exemplaren van verkocht. Naast Forelvissen zijn er nog zeven boeken van hem in ’t Nederlands vertaald, maar die zijn nu een beetje onvindbaar. Mocht je, net als ik, iets aan je onwetendheid willen doen, moet je zeker hier kijken, want daar valt meer dan een forel van het net te plukken.
In Trout fishing in Amerika volgen we een hippieachtige auteur die aan de maatschappelijke druk probeert te ontsnappen door op forel te gaan vissen. Je mag daarbij aan Walden van David Thoreau denken, zij het niet meer dan een beetje.
’s Morgens vertrekt onze forelvisser welgemutst ter visvangst. Als aas heeft hij een sneetje brood mee. Het uitzicht is prachtig: beekje, waterval: ‘Maar toen ik dichterbij kwam, merkte ik dat er iets niet klopte. De beek gedroeg zich niet normaal. Er was iets raars mee. Er was iets mis met de manier waarop zij zich bewoog.’ Wanneer hij nadert ziet hij dit: ‘De waterval was gewoon een witte houten trap die omhoogliep naar een huis tussen de bomen.’ Wat een ontgoocheling: ‘Het draaide erop uit dat ik mijn eigen forel werd en de snee brood zelf opat.’ Op de desillusie volgt deze commentaar: ‘Ik kon het ook niet helpen. Ik kon een trap niet zomaar veranderen in een beek.’  Die commentaar wordt gegeven door een personage dat, net als de boektitel, Forelvissen in Amerika heet.
Forelvissen in Amerika is, ontdek je gauw, niet alleen een titel en een commentator, het is ook een hotel en een vredesmars. Na enkele bladzijden verwondert het je al niet meer dat je daar ook tweedehands forelwater kunt kopen: ‘We verkopen het per meter. U kunt een klein stukje nemen of alles wat we nog hebben.’ De watervallen, bomen, vogels, bloemen, gras en varens worden aangerekend, maar de ‘insecten krijgt u gratis bij een minimumafname van drie meter.’ Richards boodschap: álles is te koop, dat is erg, maar niet erg genoeg om er je humor bij te verliezen.
Het boek wordt een kassucces. Schrijver wordt rijk. Schrijven wordt wollig. Drank, vreten, weggesmeten geld. Zelfmoord. Maar hij heeft wel zijn levensdoel bereikt: ‘Ik heb altijd een boek willen schrijven dat eindigde met het woord mayonaise.’ Ik kijk naar de laatste bladzijde van Forelvissen in Amerika en daar staat helemaal onderaan: ‘P.S. Sorry dat ik het vergeten was van de mayonaise.’

Flor Vandekerckhove

Richard Brautigan. Forel Vissen in Amerika. Vertaald door Peter van Oers. 2012. Uitg. Van Gennep A’dam. 160 pp.

zondag 4 maart 2018

De eerste zon

Bovenaan van links naar rechts. Charles Drybergh met familie en vrienden, omstreeks 1970. Staand, vierde en vijfde van rechts: Hubert Decleer en Maritza Serpieters. Zij zou vaak opdagen in Dryberghs werk van 1969-1971. — Midden boven: Walter Debrock leidt het werk van Drybergh in, 1971, galerie Atelier Oostende (Frans Aerts). Rechts Raymond Miroir. — Rechts: In de galerie van Tony Maeyaert, 1982. Frank Edebau leidt in. Onderaan van links naar rechts: 1990. Luc Martinsen en Flor Vandekerckhove presenteren hun grafiekmap ‘Titels’ in Galerie Bureaux & Magasins. We herkennen Annie Vanhee, Els Milh en Lucienne van de bar Follies uit de Van Iseghemlaan, die haar hostessen heeft meegebracht.



In 1990 publiceert Luc Martinsen (°1951) een map met vijf drukken. Het geheel wordt voorgesteld in galerie Bureaux et Magasins. In de map zitten ook vijf bladen met ‘grafisch woordgebruik’, die ik mag leveren. Een van de drukken heet De eerste zon. Daar bedenk ik een gedicht bij dat dezelfde titel draagt. 
In 2018, 28 jaar later, beslis ik om het gedicht te herschrijven. Daarin wordt nu plaats geruimd voor twee kunstschilders die in het origineel niet voorkomen: Charles Drybergh (1932-1990) en Etienne Elias (1936-2007). Het thema blijft: schilderen en schrijven, en degenen die zich in die disciplines bekwamen. Wat bindt hen, wat scheidt hen?
Het was iets wat me indertijd erg bezighield, en niet alleen omwille van de map die woorden en beelden bijeenbracht. Ik was op een punt gekomen waar ik moest kiezen: schilderen of schrijven. Ik heb het daar eerder al over gehad in een stukje dat veelzeggend Afscheid van de schilderkunst heet.
In het gedicht neemt de schrijver aan de schildersdialoog niet langer deel, maar hij neemt het wel in zich op (‘Mijn glas werd almaar voller’). Geïnspireerd door ‘de eerste zon’ haasten de schilders zich naar het atelier om ermee aan de slag te gaan. De ik-figuur weet wat hen bezielt (‘dat ik als geen ander wist / waar elk van hen naartoe getrokken was.’) maar blijft zelf zitten: hij heeft gekozen voor de schrijverij: ‘En tevreden vroeg ik aan de waard een ander glas.’
[Onderaan het gedicht staat een filmpje waarin ik het declameer, verlucht met beelden van werk van de drie kunstschilders.]
Flor Vandekerckhove

De eerste zon

Het is al lang geleden,
maar ik herinner ‘t me nog goed.
Martinsen en Elias zaten, in de wind
als steeds, op een terras
te twisten over wie de grootste was.
Het regende pijpenstelen in mijn glas.

Ik zat te luisteren naar die twee.
Alles wat Luc met verve zei,
overschilderde Elias
met een streep nee,
wat toch wel heel merkwaardig was
op zo’n leeg en nat caféterras

Mijn glas werd almaar voller,
wat van het terras niet gezegd kon worden,
slechts één mens kwam er nog bij,
Charles Drybergh, met een enorm stuk
canvas op de rug
en een nog groter in zijn kloten.

Toen brak de eerste zon door.
Charly hield op met krabben aan zijn aars,
Luc en Etienne stopten met hun wild geraas.
Opeens, ’t was ongehoord, zweeg ook de zee.
Geen druppel water viel nog in mijn glas
en ‘t werd oorverdovend stil op het terras.

Alles werd, zo mag ik toch wel zeggen, de stilte gelijk.
Met rooddoorlopen ogen keken we allemaal,
de schilders en ik, de vissen, de vogels
en alles wat de stad aan ogen had,
naar het wonder van de eerste zon
dat zich voor het blote oog ontspon.

Het was Luc die ’t eerst bewoog,
zenuwachtig schuifelde hij op zijn stoel,
en nadat hij alles nog eens goed bekeken had
­— Elias, Drybergh, mij en ‘t regenwater in mijn glas —
greep hij haastig naar zijn jas
en zonder iets te zeggen verliet hij het caféterras.

Nadat ook Drybergh en Etienne Elias
vertrokken waren, spoorslags, elk huns weegs,
haalde ik een schriftje uit mijn tas.
Daarin schreef ik dat ik als geen ander wist
waar elk van hen naartoe getrokken was.
En tevreden vroeg ik aan de waard een ander glas.

[De Laatste Vuurtorenwachter post dit stuk in 2018. In 2021 redigeer ik het opnieuw, ten behoeve van de FB-groep Oostendse verhalen.]

De eerste zon op YouTube

 www.youtube.com/watch?v=hN-LpT548qY

vrijdag 2 maart 2018

Een blik op Klemskerke


— Het panorama, met in de verte de torenspits van Klemskerke. —

Vanuit mijn raam kijk ik neerwaarts uit over de straat en als ik de blik langzaam opricht, als maakte ik een lange shot, zie ik eerst een dierenpark, dan een duivenhok, dan campinghuisjes en verder ook de nokken van deze die erachter liggen. Aan de einder onwaar ik, als de bomen nog geen blaren hebben, de torenspits van Klemskerke.
Over veel details van dat uitzicht heb ik iets geschreven. In een stukje waarin ik het over mijn jeugdig godsgeloof heb, vernoem ik de kampeerterreinen, waar ondernemende Walinnen ons, gewillige Vlamingen, naartoe wisten te lokken.’  Over het duivenhok heb ik nog maar onlangs iets geschreven en over het dierenpark publiceerde ik in 2012 een verhaal dat De nonnenstaking heet. 
Klemskerke daarentegen is aan mijn schrijverij ontsnapt. Tot nu.
De foto boven dit stukje laat verkeerdelijk vermoeden dat die kerk erg nabij ligt. Dat komt doordat ik er vanaf mijn dak op inzoom. Als ik er vanuit mijn zetel, op de eerste verdieping, en zonder lenzen naar kijk moet ik speuren naar de spits die helemaal achter de bomen ligt.
De afstand mag groot zijn, hij is niet onoverbrugbaar. In onze tienerjaren zijn we er met enkelen naartoe gefietst, omdat we er daar een schoolmakker wonen hadden, Freddy Buffel — hier achter het nummer 46 —, wiens vader daar een merkwaardige onderneming uitbaatte, eigenlijk twee.
Ook vandaag begeef ik me naar Klemskerke, maar niet per fiets. Met Google Street View glijd ik soepel de Dorpsstraat in en vlak naast het gemeentehuis hou ik halt voor het ouderlijk huis van mijn oud-schoolmakker. De gevel leert ons al iets over vader Buffels bezigheden. Centraal staat de voordeur, links en rechts zijn grote ramen, eertijds etalagevensters.
Je kwam binnen in een grote ruimte die een vreemde aanblik bood. Langs de ene kant stonden kapblok, toonbank, weegschaal… Aan die kant werden vleeswaren geëtaleerd, want vader Buffel was een slager. Keek je de andere kant uit dan zag je een spiegel aan de wand, een zetel en een tafel met scheerkwast en scharen, want vader Buffel was ook coiffeur. [Intussen weet ik alweer meer. De lezer doet er goed aan achteraf de noot te lezen die onderaan dit stuk staat.]
Als je in Klemskerke naar de coiffeur ging kwam je met een kotelet weer buiten. Als je daar gehakt ging kopen kwam je gekapt weer thuis. 't Schijnt indertijd niet ongewoon geweest te zijn, een beenhouwer-coiffeur. Maar toch ongewoon genoeg om over die combinatie niets op ’t internet weer te vinden.
Flor Vandekerckhove
 
— Het huis dat destijds aan de familie Buffel toebehoorde. —
Coda — Mij ga je niet gauw op reünies tegenkomen. Maar godver, dit doe ik toch wel graag: een spoor opdelven dat naar een kennis uit lang verleden dagen leidt.
Soms is dat een doodlopend spoor. Mijn zoektocht naar Patrick Van Molle loopt bijvoorbeeld dood, vlak voor zijn deur in ’t Brusselse, maar ik heb er wel een goed verhaal aan overgehouden. Meestal leidt het naar een goed gesprek, zoals dat met Jean-Pierre Casier. Of met Wilfried Laforce, Marc Cromphout, René Deweert, Jean-Pierre Boentges, Jan Decreton, Georges Verleene en Noël Denys. Of naar trieste verhalen, omdat de protagonisten overleden zijn, zoals Marcel Van Paemel en Jacques Chandler. Soms leidt het naar nevenverhalen, zoals dat over de vader van Bernard Vanneuville en deze van Werner Verbiest.  Deze keer heb ik een oud spoor naar Freddy Buffel gevolgd, zonder ook maar in de verste verte te weten waar hij zich thans ophoudt. Mocht iemand meer weten…


* Intussen weten we alweer meer. Je moet echt hier eens kijken. Daar zul je zien dat het kapsalon eigenlijk een… herberg was.