donderdag 31 mei 2012

Over Marcel Seynaeve en Tuur Decabooter

— Marcel Seynaeve, vierde van rechts. Tuur Decabooter, derde van links. —


Op 26 mei 2012 overlijdt oud-wielrenner Tuur Decabooter. Het bericht werkt als een teletijdmachine die me een halve eeuw terug in de tijd smijt. Als ik uit die machine stap staat mijn vader achter me en ik sta op het dranghekken toe te kijken wie de sprint zal winnen. 

Mijn held was Marcel Seynaeve, beroepsrenner uit Bredene, die bij Groene Leeuw reed, de ploeg van Albert De Kimpe. Daar reed ook Tuur Decabooter bij. Marcel was niet zo’n supergroot wielrenner. Hij werd vooral gewaardeerd als het hulpje van kopman Frans De Mulder. Die Frans was een ronderenner en zo kwam het dat ook Marcel deelnam aan enkele grote rondes, Spanje, Frankrijk.
Ik herinner me een deelname van Marcel aan de Ronde van Frankrijk. Die was roemloos. Al bij de eerste bergetappe keerde Marcel weer naar huis. Ik zeg het onder voorbehoud, en dat geldt ook voor alles wat volgt, want ik spreek over lang vervlogen dagen. Het dichtste bij de roem kwam Seynaeve toen hij in 1961 de vierde rit in de Ronde van Spanje won en daarmee even het puntenklassement mocht aanvoeren. Ik herinner me dat ik als twaalfjarige dagelijks de resultaten uit de krant sneed om de evolutie van mijn held te volgen. Enkele dagen later gaf ik het op, want onze Marcel was al gauw weer weggezakt naar de onbetekenende plaats waar waterdragers thuishoren.
Mijn maat Ivan Steen, later Ivan Gaze genoemd omdat hij om den brode gasflessen aan de man bracht, was kind aan huis bij de schoonfamilie van Marcel. Die baatte in onze wijk een kruidenierszaak uit, 't Ankertje. Via Ivan kreeg ik een petje van Groene Leeuw, geel en groen, waardoor ik mij als fan kon manifesteren. Ivan was ook een belangrijke informatiebron. Van hem vernam ik dat Marcel uit de kop van dat klassement verdwenen was doordat ploegleider De Kimpe per se wilde dat Decabooter die trui mee naar huis zou nemen. Van Ivan kwam ik nog meer te weten. Bijvoorbeeld dat er bij Groene Leeuw twee informele kampen waren. Het ene rond Tuur, het andere rond Frans De Mulder. Ik vond toen dat dit veel verklaarde, al zou ik vandaag niet meer weten wat.
Wat herinner ik me verder nog over Tuur Decabooter? Ik vertoef op de Visserskaai waar de koers eindigt. Ro-da-nia. Ik ben elf. Mijn vader heeft me meegenomen. Ro-da-nia. Hij staat achter me en ik sta op het dranghekken. Ro-da-nia. Een sprintende Decabooter. Een geweldenaar is het, met een gigantisch bovenlijf en met nog indrukwekkender benen; een stier die de eindmeet aanvalt. El toro wint!
Flor Vandekerckhove


Meer over Marcel Seynaeve en diens palmares vind je hier


vrijdag 25 mei 2012

Plaats voor velo’s

Bredene, het erf van boer Lagast. Geen plaats voor velo's meer.
Toen ik een knaap was, woonden mijn ouders in de Duinenstraat, een verbindingsweg tussen het hinterland en de Noordzeeduinen. De straat was druk, niet in het minst tijdens de zomervakantie wanneer honderden dagjesmensen naar de kust afzakten, veelal per fiets.
Tussen mijn ouderlijk huis en dat van de buren lag een stuk grond te wachten op bebouwing. Aan de poort hing een bordje waarop Plaats voor velo’s aangekondigd werd. Elke zondagmiddag werd naast dat bord een stoel gezet en op die stoel zat ik.
Kort na de noen kwamen ze toegestroomd.  Ze kwamen van heinde en ze kwamen van ver; van Oudenburg en Westkerke, Ichtegem en Eernegem, van het Sas en van het Dorp; vaders met hun zoon op de buis, moeders met hun dochter op de bagagedrager, bromfietsers die zwoeren bij Superia, jongemannen met brillantine in 't haar, mannen die Wervik rookten en vrouwen met een foulard die hun permanent tegen ’t zand moest beschermen. 
A rato van vijf frank konden ze hun fiets bij ons achterlaten. Op zonnige topdagen werden er zodoende vele tientallen, soms zelfs meer dan honderd fietsen aan mijn hoede overgelaten.
En er was concurrentie. In diezelfde straat, vijftig meter voor ons huis, stond de woning annex woonerf van boer Jerome Lagast.  Ik herinner me dat daar jaarlijks graan gedorst werd. Voor de rest gebeurde er op dat erf niet veel. Dus was ook daar plaats voor velo’s.  Daar werden de zaken geregeld door Martha, een leeftijdgenote van mijn moeder en dochter van de oude Jerome. Martha heeft dat lang volgehouden. De grond naast mijn ouderlijke woning was al lang bebouwd, zelf was ik al een man op zijn retour, boer Jerome was al lang dood & begraven, maar Martha bleef pal naast haar bordje Plaats voor velo’s staan. 
Jaarlijks verminderde het aantal fietsen dat op dat erf geparkeerd werd. Kwam dat doordat het fietsslot intussen uitgevonden was? De tijd had inderdaad niet stilgestaan, al was dat aan de schort van Martha niet te zien. Het merk Superia bestond niet meer. De mensen uit de polderdorpen namen nu het vliegtuig naar Benidorm. En het zal ook aan het toenemende autobezit gelegen hebben. Het kon hoe dan ook niet blijven duren. Toen ik na veel omzwervingen terug in Bredene kwam wonen, zag ik haar nog altijd naast het bordje staan, waarop nu evenwel geschreven stond: Plaats voor auto’s.
Flor Vandekerckhove

Gauw! is een boek van Flor Vandekerckhove. Daarin beschrijft hij zijn prille jeugd in Bredene, of dan toch hoe hij die kindertijd ervaren heeft. Het boek (e-boek, PDF) is gratis. Vraag erom via liefkemores@telenet.be en het wordt u per kerende toegestuurd.

donderdag 17 mei 2012

Myriam

Het graf van Myriam op het oud kerkhof
van Bredene Dorp. Het graf bestaat niet meer.
Ooit heb ik een zusje gehad. Niet lang, want het kind was prematuur geboren en heeft maar enkele maanden geleefd. Myriam, zo heette ze, heeft haar korte leven in een couveuse doorgebracht. Ze heeft de materniteit nooit verlaten.
Wellicht omdat kinderen verspreiders van ziektes zijn, heb ik haar nooit in die couveuse mogen zien. Wanneer mijn ouders bij haar op bezoek gingen, moest ik aan de receptie blijven wachten. Of ik bleef buiten spelen. Een welwillende verpleegkundige heeft Myriam eens aan het venster omhoog gehouden en zo komt het dat ik mijn premature zusje toch een keer gezien heb, al was er, zo moet ik eraan toevoegen, niet veel te zien, want ik stond buiten te kijken en de couveuse stond op de hoogste verdieping van de kliniek. 
De volgende keer dat ik haar zag, lag ze opgebaard. Ze hield een sliert gevlochten bloemen in haar dode minihandjes, wellicht witte lelies. Misschien komt het daardoor dat ik het tot vandaag nog altijd liever niet met bloemen zeg.
Myriam mag kort geleefd hebben, ze is voor mij wel belangrijk geweest. Door haar heb ik bijvoorbeeld geleerd dat er taboes bestaan. De zwangerschap van mijn moeder was zo’n taboe. Dat moeder zwanger was, hoorden kinderen in die tijd blijkbaar niet te weten. En mijn vader beantwoordde sowieso al geen vragen, hij zei alleen maar gauw gauw.
Ik was zeven. Opeens was mijn moeder weg. Er werd een kamer in gereedheid gebracht. Daar kwam naast een kinderbedje ook een ouderlijk bed te staan, zodat mijn ouders bij het minste onraad konden ingrijpen.  
Omdat mijn vader niet goed wist hoe hij mij in moeders afwezigheid onledig moest houden, kreeg mijn nicht opdracht met me te komen spelen. Dat deden we trampolinegewijs op dat ouderlijke bed, waarbij dat nichtje telkens schalks naar mijn piemeltje greep. Dat was fun en we krijsten het uit.  Zelf durfde ik niet naar haar kutje te tasten, want dat werd mij ingegeven door de duivel die me vanaf mijn linkerschouder vuile manieren aan ’t influisteren was. Dat wist ik dan weer doordat er op mijn rechterschouder een engel zat, van het type engelbewaarder, die me erop wees dat kutjes grijpen not done was.
Bijna was die tweestrijd in het voordeel van de duivel beslecht toen mijn vader onverwachts, kwaad omwille van het door ons geproduceerde lawaai, de deur bruusk open stak en ons luid gauw gauw toesnauwde, waarna mijn nicht verschrikt op de vlucht sloeg om thuis onder moeders rokken te gaan schuilen.
Voor het eerst in mijn leven stelde ik me een existentiële vraag: What the fuck doet al dat gewicht op mijn prille schouders? Aan de geboorte van Myriam heb ik als ’t ware mijn eerste geloofscrisis overgehouden. Tegelijk nam ik me voor nooit ofte nimmer nog zo’n kans voorbij te laten gaan. Het leidde me later naar een libertair liefdesleven dat me veel parten gespeeld heeft.
Niet lang daarna zaten mijn makker Gilbert Huysmans en ikzelf op straat tegen een muurtje naar onze zwarte knieën te kijken. Opeens voelde ik, met een intensiteit die me in paniek bracht, dat ik er dringend vandoor moest. Ik voorvoelde echt dat er iets ernstigs gebeurd was. Ik liet de verbouwereerde Gilbert achter en liep als de weerlicht naar huis. Daar stond de pastoor. Hij had mijn ouders zojuist de mare gebracht dat mijn zusje overleden was.
Tijd om samen te vatten. De zwangerschap van mijn moeder had me het fenomeen van het taboe leren kennen, de geboorte van Myriam was aanleiding geweest voor mijn eerste geloofscrisis, mijn kinderlijke overdenkingen ter zake leidden me naar een libertair liefdesleven en haar dood had me een ervaring laten meemaken die anderen als paranormaal omschrijven. Dat kind heeft dat alles bewerkstelligd in een leven dat nauwelijks enkele maanden geduurd heeft.
Flor Vandekerckhove
[Myriam leefde van 10 november 1956 tot 5 maart 1957.]

maandag 7 mei 2012

Gerry Healy, de Pol Van Den Driessche (*) van het trotskisme

Trevor Griffiths (Foto Jo Clauwaert)
Het begint met een boek dat Jo Clauwaert me toestopt, een scenario van Trevor Griffiths, u misschien bekend als een van de scenaristen van de film RedsIk googel Trevor Griffiths en mijn oog valt op A New World: A Life of Thomas Paine by Trevor Griffiths. Er staan foto’s bij, en godver, ook een portret dat Jo van Griffiths geschoten heeft. Wel wel, een foto van de Gentse Clauwaert op een Amerikaanse website.
Ik blijf daar een wijl hangen, het is het uithangbord van de International Committee of the Fourth International (ICFI), een van de vele trotskistische splinters. Door mijn politieke verleden ken ik wel een en ander van lambertisten, pablisten, posadisten, morenisten en andere rare tisten, zoals de healisten. 
De healisten worden genoemd naar hun leider, de politieke avonturier Gerry Healy. Van deze Gerry verneem ik voor het eerst in 1985. In dat jaar beschuldigen zijn partijleden hem vrouwelijke activisten lastig te vallen. Dat maakt ophef. Ik herinner me een vergadering waarop iemand een Engelse krant onder de neus van Ernest Mandel duwt, waarin onthuld wordt dat die Gerry zijn poten niet kan thuishouden. Mandel geniet zichtbaar van Healys afgang.
Healy komt in 1985 in de positie te staan die ook Pol Van Den Driessche later bezet. 
Ik herinner me dat Healy tegen de aantijgingen verdedigd wordt door de actrice Vanessa Redgrave die tot zijn club behoort. Gerry heeft namelijk artistiek volk rond zich verzameld. Ook Trevor Griffiths — waarmee dit stukje opent — blijkt door deze vreemde politicus gecharmeerd te worden, in zijn stuk The Party voert hij Healy welwillend ten tonele in de figuur van John Tagg.
Vanessa Redgrave in 1974, terwijl ze campagne voert 
als kandidate op de lijst van de Workers 
Revolutionary Party van Gerry Healy.
In/rond het partijtje van Healy, dat een tijd lang zelfs een dagblad(!) uitgeeft, is inderdaad nogal wat artistiek volk te vinden: film- en theaterregisseurs als Ken Loach en Roy Battersby; auteurs als Jim Allen, Trevor Griffiths, John Arden, Margaretta D’Arcy, David Mercer, John McGrath, Colin Welland, Neville Smith, Tom Kempinski en Troy Kennedy Martin; producenten / uitgeversTony Garnett, Kenith Trodd en Roger Smith; journalist Francis Wyndham; kunstenaar David King; veel acteurs ook, waaronder Tony Selby, Jack Shepherd, Frances de la Tour, Malcolm Tierney, David Calder, David Hargreaves, Vanessa Redgrave en ook haar broer Corin, alhier minder bekend dan zijn zuster, maar wel te zien in In the Name of the Father (1993), Four Weddings and a Funeral (1994), Persuasion (1995) and The Forsyte Saga (2002).  
Ja, dat is toch van een ander niveau dan de miss België kandidaten waarmee Pol Van Den Driessche zich later pleegt te omringen. Gerry wordt tegen de aantijgingen verdedigd door Vanessa Redgrave, Pol moet het met Mia Doornaert doen. Van Den Driessche waant zichzelf al burgemeester van Brugge, maar Healy denkt dat hij de Lenin van Groot-Brittannië is.  Hoe miniem dat trotskisme ook geweest mag zijn, het is blijkbaar toch van een ander kaliber dan wat de N-VA ons vandaag laat zien.
Tijd om af te ronden. Rest me nog een naam voor dit vreemde stuk te bedenken. Waarover gaat dit hier uiteindelijk? Wat denk je van Gerry Healy, de Pol Van Den Driesche van het trotskisme’? Of is dat erover?
Flor Vandekerckhove

(*) Pol Van Den Driessche is een Belgisch politicus, actief in de nationalistische NVA, die in het jaar dat ik dit stukje schreef, van onwelvoeglijk gedrag beschuldigd werd. Hij was in de running om burgemeester van Brugge te worden, maar moest toen een stap terugzetten.

dinsdag 1 mei 2012

De Markt

Er is een tijd geweest waarin de schrijver niet echt een schrijver was. Schrijven? Hij wilde wel, maar deed het niet, hij dacht er alleen maar aan.  Hij was een werkman die aan schrijven dacht.
Werken wilde hij dan weer niet, maar hij deed het toch, want om over koopkracht te beschikken moest hij zich op de arbeidsmarkt begeven. Dat viel niet mee, want veel vaardigheden bezat hij niet, toch niet van het soort waarmee je een knelpuntberoep invult. Bovendien lag de arbeidsmarkt hem niet zo goed. Hij vond het beledigend om, zoals een groente, gewikt en gewogen te worden. Een mens zou er communist van worden, zo zei hij menigmaal. Dat deed hij uiteindelijk ook, communist worden, wat ook al geen meerwaarde bood op de arbeidsmarkt.
Lezer, kent u deze markt, de arbeidsmarkt? U ziet hem niet, maar hij bestaat wel degelijk. Hij bestaat uit werklozen. Vroeger kon je die in lange rijen aan de zogenaamde dop zien staan, alwaar ze dagelijks een stempel kwamen halen. Vandaar dat ze geringschattend stempelaars genoemd werden, dompelaars met een stempel. Omdat die rijen op den duur te lang werden — het was geen gezicht — besloot de overheid ze van de straat weg te halen. De arbeidsmarkt werd van het doplokaal naar de werkloosheidsval verplaatst, waar de werklozen voortaan in een hangmat moesten wachten tot hun prijs danig gezakt was. Allee allee mensen, profiteert ervan, twee voor de prijs van één!
Maar laat ons terugkeren naar de goeie ouwe tijd. Soms werd de schrijver, die nog geen schrijver was, op de arbeidsmarkt gerekruteerd. Dat was bijvoorbeeld het geval toen De Markt een secretaris zocht. Die vereniging was een club van hardwerkende Vlamingen, specialisten in de verkoop van onzin. Zo werd de werkman een secretaris en leerde hij De Markt goed kennen. Hij dacht er het zijne van en schreef dat op in een schriftje, want De Markt vormde een haast onuitputtelijke bron van inspiratie. Tegen de tijd dat hij dat cahiertje volgeschreven had, was hij een schrijver geworden. Hij gaf het schrift toepasselijk de naam De Markt en stuurde het naar een uitgever die er ook het zijne van dacht en het in de prullenmand gooide.
Het allereerste verhaal uit dat weggegooide cahier had het over een man die met veel succes onzin kon verkopen en omwille van die bedrevenheid tot Marktleider verkozen was. Zijn vaardigheden werden trouwens ook buiten De Markt erkend, waardoor hij in de politiek terechtgekomen was, wat het functioneren van De Markt zeer ten goede kwam. Maar elk voordeel heb zijn nadeel. Te pas en te onpas maakte hij reclame voor zijn partij. Dat vond heel De Markt wel ongepast, maar niemand zegde er iets over, want hij was tenslotte de leider.
In dat allereerste verhaal moest De Markt de jaarlijkse groepsreis organiseren. Het bestuur nam plaats, de secretaris nam zijn schriftje, de Marktleider nam een slok. Wat iedereen gevreesd had gebeurde ook. Weer begon de Marktleider over zijn partij te spreken. Zijn partij dit en zijn partij dat. Zijn partij hier en zijn partij daar. Dat hij een kadervorming meegemaakt had en veel vijven en zessen. En hoe interessant het was, een partijkader te zijn, en hoe leerzaam die kadervergaderingen waren, want deze keer bijvoorbeeld hadden ze het over communisten gehad.
De bestuursleden onderdrukten een geeuw en sommigen grepen al naar de fles. De secretaris, die zoals gezegd een communist geworden was, spitste de oren. ‘Weet De Markt’, zo vroeg de Marktleider vervolgens, ‘hoe communisten te werk gaan?’ Het was een retorische vraag. Uiteraard wist niemand het, ook al omdat het niemand interesseerde. De secretaris wist het wel, maar hij zei wijselijk niets. De Marktleider wist het ook, want dat had zijn partij hem bijgebracht. De communisten, die zijn met niet veel, zo begon hij ongevraagd de rode tactiek uit te leggen. Dat kon de secretaris beamen, maar hij bleef zwijgen. Wel, zo vervolgde de Marktleider, genietend van de onwetendheid van de anderen, ze plaatsen hier en daar een mannetje in verenigingen met invloed. In De Markt bijvoorbeeld hahaha. En ze proberen daar de dingen te beïnvloeden. In hun richting natuurlijk!
De bestuursleden keken naar elkaar. Dacht de Marktleider dat een van hen een communist was? Had hij zijn verstand verloren? De secretaris wist dan weer niet wat hij hoorde, want hij beïnvloedde niemendal in welke richting ook. Ging dit over hem? Zou De Markt hem royeren? Hij bereidde zich al voor om met rode kaken de zaal te verlaten, richting stempellokaal. En toen zei de Marktleider onverwachts: ‘Maar laat ons naar de dagorde terugkeren, de groepsreis. Ik stel voor dat we onder de leden tien keer twee reizen naar Spanje verloten.’
Iedereen was blij dat men eindelijk tot de dagorde overging. De secretaris schreef het voorstel op, maar besefte al schrijvend ook de politieke implicaties ervan. Het waren de nadagen van het Francoregime. De caudillo lag op sterven, maar had nog voldoende levenskracht om een aantal tegenstanders richting wurgpaal te sturen. In heel de wereld werd geprotesteerd en de linkse beweging organiseerde een boycot. Niemand naar Spanje! En uitgerekend op dat moment zat de beginnende schrijver in een club die mensen per se naar dat land wilde sturen.
De secretaris, die ervan overtuigd was dat de voorzitter zijn communistische sympathieën verder aan het ontbloten was, koos voor de vlucht vooruit. Hij vroeg het woord: ‘Mijnheer de Marktleider, dit is echt niet het geschikte moment…’. Waarna hij de politieke situatie op het Iberische schiereiland begon uit te leggen. Aan tafel schudde men eenparig het hoofd. Voor De Markt was Spanje gewoon alle dagen zon en serenades aan ’t balkon. Dat had De Markt geleerd van de geliefde schlagerzangeres Samantha die in die tijd overal te horen was. Met politiek had zo’n reis dus niets te maken. Bezwaren weggewuifd.
De secretaris greep nu zijn kans om De Markt met opgeheven hoofd te verlaten. Hij stond recht en sprak met luide stem: ‘Indien u dit beslist dan kan ik dat niet met mijn geweten in overeenstemming brengen. Ik zal ontslag moeten nemen.’ Dat had veel effect.  Iedereen riep en joelde. Belachelijk en chantage waren de twee vriendelijkste woorden die uit het tumult naar voor kwamen. De secretaris klapte zijn schriftje dicht, stapte kordaat richting uitgang, maar werd onderweg tegengehouden door de Marktleider die inzag dat hij aan de dop niet onmiddellijk een vervanger zou vinden, toch niet aan zo’n voordelige prijs.
Laat ons geen ruzie maken over een bagatel’, zo sprak hij verzoenend zoals het een Marktleider past, ‘Laat ons dit jaar kiezen voor… kiezen… kiezen voor… Zweden!’ Het gejoel verstomde, de bestuursleden monkelden. Ja, Zweden, zo zag je ze denken, dat waren langharige blondines, vrijgevochten meiden met veel seksuele appetijt, mjaa, misschien… En naar Spanje was iedereen al eens geweest. ‘Wat denk je secretaris,’ vroeg de Marktleider vervolgens, ‘Zweden, kan dat volgens jou? Olav Palme is daar premier. Dat is een socialistisch land.’  Dat was goedgeplaatste onzin vanwege de Marktleider die alom bekend stond omwille van zijn flexibiliteit. De secretaris begreep dat hij nu niet meer kon opstappen. Hij ging weer zitten, heropende zijn schriftje, schrapte Spanje en schreef het tegenvoorstel op: Zweden. 
Daardoor eindigde het eerste verhaal van de schrijver met De Markt die naar Zweden trok, waar het op dat tijdstip helaas buitensporig veel regende voor de tijd van het jaar.
Flor Vandekerckhove
[Wie op een van onderstaande links drukt, vindt elders in de blog nog dergelijke verhalen.]