vrijdag 29 november 2019

Delphine Lecomptes surrealistisch naturalisme


Als ik een gedicht lees, denk ik er altijd de dichter bij, ik kan daar niets aan doen. Bij mij schrijft Charles Bukowski altijd in een morsige caravan, Bernard Dewulf nipt altijd zuinig aan een koffie, Paul Verlaine aan zijn absint, James Tate zit voor het grote raam van ’t Lijsternest (ik weet ook niet hoe hij daar komt), Eileen Myles doet het op straat, Peter Holvoet-Hanssen is steevast op weg naar een tevreden klant, Hervé Casier verschuilt zich in Warvinge, Charles Simic staat in de kelder naast het kuisgerief, Delphine Lecompte dwaalt kletsnat door de regenstraten van Bruges-la-morte …
Van Lecompte ben ik nu Vrolijke verwoesting aan ‘t lezen, haar jongste. Daar valt zoveel over te zeggen dat ik de weg kwijt raak. Over de kaft bijvoorbeeld, die ons vooraan The Barn toont, een indrukwekkend schilderij van Paula Rego: naturalisme van lang na het naturalisme. Op de achterflap staat een foto van meester Vanfleteren: portret van een wenende Delphine. Vooraan en achteraan: het leven is ellende. En daartussen zit de wereld van dichter Lecompte, getekend door het surrealistisch naturalisme; een door mij bedachte term waarbij u zeker de wenkbrauwen mag optrekken. Dat naturalisme wordt me door de twee flapbeelden opgedrongen, waar surrealistisch vandaan komt vertel ik straks.
Op de binnenzijde van die kaft staat een wervende tekst die als volgt eindigt: ‘wie één zin leest, zal zich niet meer kunnen losmaken uit dit fantastische universum.’ Wat spijtig zou zijn, want een mens moet zich bij tijd en wijle wel van Lecompte losmaken, zoniet gaat de opeenstapeling van morbide leeuwentemmers, dorre tapijtenweefsters, profetische glasblazers, norse lamaverzorgers, sluwe touwslagers, analfabetische jongenshoeren, verdorven sponzenverkopers, ijdele taxidermisten, bedeesde zeepzieders en weke anesthesisten je al eens op de zenuwen werken. Mijn frank valt vlak voor ik opschrijf dat Delphine de koningin van het adjectief is. Gelukkig doe ik dat niet, maar wees gewaarschuwd: Lecompte consumeer je mondjesmaat.
En nu: surrealistisch. De eerste term van mijn surrealistisch naturalisme valt me te binnen terwijl ik Everzwijnvlees en nachtegalen lees. In de paradijselijke omgeving van een kasteel speelt de dichter badminton met de mystieke chrysantenkweker. Een huilende baby verstoort de sfeer: ‘In de laatste kamer staan een wieg en een vogelkooi / De wieg is gevuld, de vogelkooi is leeg  / Ik knip mijn vingernagels en gooi de nagels in de vogellooi / Het zou mooi zijn mochten mijn nagels nachtegalen worden / Ik neem de baby in mijn armen, zijn hoofd is een verbodsteken.’ Als dat geen surrealistisch tableau is weet ik het ook niet meer. Het laat me aan Leonora Carrington denken, zozeer zelfs dat het me verwondert dat ik nergens op ’t net een Carringtonschilderij vind waarop het tafereel van Delphine voorkomt. Het gedicht gaat verder. De baby komt om, de dichter begraaft het kind, uiteraard ‘in de oksel van de vermoorde landmeter’. Waarna ze in slaap valt. En daar geschiedt het wonder van de kunst die alles mogelijk maakt: de geknipte vingernagels van de dichter zijn waarlijk tot leven gekomen, dat moet het dode kind zeker zien: ‘wakker graaf ik de baby op om hem de tien nachtegalen te tonen.’

Flor Vandekerckhove

Delphine Lecompte. Vrolijke verwoesting. Gedichten. 2019. Uitg. De Bezige Bij A'dam. 160 pp.

woensdag 27 november 2019

In de Grote Ruutten

Wie het huis kent, begrijpt de titel wel. Alle zichtbare buitenmuren bestaan uit vensterramen, met daarin ruiten, in Oostende ruutten. Ik heb eerder al een stukje over dat huis geschreven — waar eertijds een fietsenhandel was, vandaar die vitrines —, u moet maar eens kijken naar Tina en de slang.
Wie nu binnen kijkt ziet beeldhouwwerk van Bart Soubry en aan de muren hangen doeken van Trui Bernaert. Niet lang meer, want op zondag 1 december is ‘t finissage van die tentoonstelling.
U moet dan eens komen, ook omdat de Ostend Social Club Avondgenoegen er optreedt, zoals blijkt uit onderstaande reclame. Wat die advertentie niet zegt is dit: tijdens dat optreden is er ook een première. Avondgenoegen brengt daar voor het eerst zijn antikerstpoëem 2019 ten gehore: De sprietvink en de zelflikkende poes. U zult het daar zien & horen declameren door de dichter zelve, op muziek van componist-pianist Dimer Geedts. Die uitvoering grijpt plaats nog voor deze blog het gedicht kan publiceren, want er wordt nog gewerkt aan de punten en komma’s. Ook vandaag repeteert Avondgenoegen naarstig verder om mijn woorden op een lijn te krijgen met de noten van de componist. Hoever het duo daarmee staat kunt u horen op de podcast, die haast dagelijks de stand van zaken bijwerkt: klik hier.

Flor Vandekerckhove

— U kunt Ostend Social Club Avondgenoegen boeken: liefkemores@telenet.be

maandag 25 november 2019

Joker, hoe een superschurk de waarheid spreekt

De Verenigde Staten kennen tal van uitgevers van comics, Marvel en DC-comics zijn de grootste. Die strips overspoelen ook de bioscopen, denk Batman & C°. Ze vormen een apart filmgenre, net als de western, de griezelfilm en de film noir.
Regisseur Martin Scorsese vindt die superheldenfilms — marvelfilms — maar niets. Cinema is, zegt Scorsese, een kunstvorm. De visie van een kunstenaar hoort daarin centraal te staan. Bij dat soort producties is dat geenszins het geval: ‘Vele zijn goed gemaakt door teams van getalenteerde individuen. Ze missen echter iets wezenlijks voor cinema: de verenigende visie van een individuele kunstenaar. Omdat de individuele kunstenaar natuurlijk de meest risicovolle factor is.’
Ken Loach is het daarmee eens: ‘Ik vind ze saai. Ze zijn gemaakt als handelswaar ... zoals hamburgers ... Het gaat om (…) handelswaar die winst oplevert voor een groot bedrijf - het is een cynische oefening. Ze zijn een oefening op de markt en het heeft niets te maken met de kunst van de cinema.’ Ook Francis Coppola is die mening toegedaan: ‘Wanneer Martin Scorsese zegt dat de marvelfilms geen cinema zijn, heeft hij gelijk, omdat we iets van de cinema verwachten te leren, we verwachten iets te bereiken, enige verlichting, enige kennis, enige inspiratie.’
Tot voor kort ben ikzelf er nooit in geslaagd zo’n ‘marvelfilm’ uit te kijken; saai, inderdaad. Maar nu heb ik Joker gezien, prent die ons toont hoe Batmans aartsvijand de slechterik geworden is die hij is. (°) En ik heb waarlijk genoten. Misschien is ‘t geen kunst in de visie van Scorsese, maar Scorsese kan niet ontkennen dat het een product van de verbeelding is. Het mag de makers alleenlijk om de dollars te doen zijn, toch heeft ook hun verbeelding — zoals elke verbeelding — een intuïtief kantje dat aan het kapitalisme ontsnapt. Waardoor de film waarheden belicht die misschien niet door de makers bedoeld zijn, en zeker niet door de financiers.
Wat de film ons toont is dit. Arthur Fleck wordt niet als Joker geboren, hij bezit niet de supernatuurlijke macht die helden uit de comics eigen is, hij is evenmin in een vat met chemicaliën gevallen, zoals dat in een van de papieren strips wel het geval is. Wat gebeurt er dan wel? Een mens, Arthur Fleck, verandert in de Joker door de maatschappij waarin hij gedijt. Hij ontspoort niet door een kwalijke insectenbeet of door enige planetaire straling; neen, hij ontspoort door de uitzichtloze maatschappelijke situatie. In het concrete geval van Arthur Fleck gebeurt het ook doordat zijn medicatie hem ontnomen wordt. Hij is overduiidelijk het product van de besparingspolitiek die hoe langer hoe meer ons deel wordt. De sociale assistente die hem begeleidt wordt ontslagen: besparingen. Ze zegt: They don't give a shit about people like you, Arthur.’ En daar voegt ze meteen aan toe: ‘And they don't give a shit about people like me either. De film toont ons in talrijke scènes hoe het neoliberalisme opstandige figuren als de Joker creëert: They think that we'll just sit there and take it, like good little boys! That we won't werewolf and go wild!’ Dat dacht ik ook niet, neen.
Flor Vandekerckhove

[Dit stukje verschijnt ook in Snapshots. Tijdschrift van de Vlaamse filmpers.]

(°) Strict genomen is Joker (2019) geen ‘marvelfilm’. Joker is een vileine figuur die voorkomt in de Batmanstrips van DC-comics, naast Marvel een van de grootste spelers in het veld. We mogen er, denk ik, van uitgaan dat de kritiek van Scorsese & C° evengoed op de verfilmingen van die DC-strips slaan.

zaterdag 23 november 2019

Herinneringen aan Robert Devisch


— Voor me ligt een klasfoto uit de tijd dat ik in Bredene Duinen lagere school loop: 1959. Over elk van die jongens valt wel een verhaal te vertellen. 
Dat geldt ook voor Robert Devisch. —




Bij meester Blomme zitten samen in één lokaal: leerlingen van het vijfde, zesde, zevende en achtste leerjaar. Ik kijk hier naar de namen van die 35 jongens, en maak me de bedenking dat over elk van hen wel een verhaal te vertellen valt. Van sommigen heb ik dat al gedaan. In de blog vind je stukjes over Patrick Van Molle, Hugo Pauwels, Noël Denys, Chris Stuyts (†), Erik Poppe, Marcel Van Paemel (†), Dirk Berchmans, Jean-Pierre Boentges en Louis Van Cleven (†). Vandaag voeg ik er eentje aan toe.
Van Robert Devisch herinner ik me dat hij het later zonder succes in de wielrennerij probeert. En wat ik me ook herinner is dat hij bij Roland Inghelbrecht in de leer gaat om bromfietsen te repareren.
Op mijn zestiende krijg ik zelf een brommer, een occasie. Het ding is zo oud dat er altijd wel iets aan mankeert. Vandaar dat ik Robert thuis opzoek om de bromfiets op punt te zetten: ‘Hij zal als nieuw zijn.’
Dat valt tegen. Wanneer ik mijn brommer ophaal blijkt de motor geen compressie meer te maken. De bromfiets rijdt alleen nog stapvoets, hij is waardeloos geworden. Toch betaal ik Devisch iets voor het geleverde werk, de jongen is 't nog aan 't leren, hij heeft zijn best gedaan en ik heb een beetje compassie met hem.
Om de hoek bots ik op Marc Loy aan wie ik de brommer voor een schijntje verkoop, waardoor ik het geld van de mislukte herstelling recupereer. Marc, die van niet beter weet, rijdt even trots als stapvoets naar huis, waar men hem het begrip miskoop bijbrengt. Tot vandaag blijf ik hopen dat hij het me vergeven heeft en dat hij het gebeuren als een levensles heeft kunnen plaatsen. Dat laatste heb ikzelf trouwens ook gedaan. Ik heb me die dag de woorden van de oude Cicero toegeëigend: ‘Alles wat handel heet, is een fatsoenlijk mens onwaardig omdat de kooplieden geen winst kunnen maken zonder te liegen.’ 
Terwijl ik een passend einde voor dit stukje aan ’t bedenken ben, speur ik het net af naar sporen van Robert Devisch. Het is Norbert Olders die me weet te melden dat Robert enkele jaren geleden overleden is. Waardoor dit stukje onverwachts een in memoriam wordt.

Flor Vandekerckhove

donderdag 21 november 2019

Palet in gruzelementen, tafel in de fik, balletje de ruimte in

Mijn schrijfpraktijk lijkt wel een pingpongspel. Het balletje gaat over en weer; je ziet het — ping! — aan deze kant van de tafel, dan weer — pong! — aan gene. Nu kan ik hier nog duizend woorden aan toevoegen, maar ik ga dat niet doen: duizend woorden is tegen mijn poëtica, pingpong volstaat.
Ik zie het ook in het fotografisch werk van Marie-Thérèse De Clercq. (°) Het ene werk is ping, het andere pong. Waardoor ik me afvraag of ik het mag veralgemenen. Worstelt elke creatieve mens met de dialectiek die ik zo oneerbiedig pingpong noem? Is het oeuvre van de kunstenaar de rapportage van een pingpongspel; verslaggeving van iets wat voortdurend in beweging is? Heen en weer en weer heen? Pingpong waarvan Beckett zegt: ‘Geprobeerd. Gefaald. Maakt niet uit. Probeer opnieuw. Faal weer. Faal beter.’
En opeens sta je voor iets wat zo evident is dat het nooit eerder gezien werd. Proef die formulering, ik ben er trots op: iets wat zo evident is dat het nooit eerder gezien werd. Voorwaar een merkwaardig moment, zowel in het leven van de kunstenaar als van de toeschouwer: het balletje krijgt een mep die het in een baan om de aarde slingert, het palet versplintert, de tafel staat in de fik; these (ping) en antithese (pong) zijn overstegen, opgeheven, vernietigd.
Little Boy in the Frontline van Thérèse De Clercq is zo’n werk. Zelf zegt ze erover: Ergens onderweg een oud klein kerkje binnengestapt en plots werd m’n aandacht getrokken door een oude stenen muur met vlekken, waarin ik de beeltenis van een kleine jongen ontdekte.’ Ze spreekt over ‘toeval’, anderen zullen ‘intuïtie’ zeggen of ‘instinctief inzicht’; het is de krak in de spiegel, de barst in het bastion, de plek waar kunst ontstaat: palet in gruzelementen, tafel in de fik, balletje de ruimte in.
Ik waar nog een wijle rond in de galerie en stoot op een gedicht dat Véronique Djanga schrijft bij een andere foto van De Clercq. (°°) Kijk, dat kan ik nu niet laten zie: ik leen een passage uit Djanga’s gedicht en plaats dat stukje ongevraagd naast De Clercqs Kleine jongen. De combinatie wordt een werk zonder titel. Ik plaats er een denkbeeldig bordje met uitleg bij: ‘Palet in gruzelementen, tafel in de fik, balletje de ruimte in.’
Flor Vandekerckhove


(°) Werk van Marie-Thérèse De Clercq is nog tot 15 december te zien in De Casino, Stationsstraat 104 in Sint-Niklaas.  Open van woensdag tot vrijdag vanaf 16 uur en in het weekend vanaf 14 uur. (°°) Daar is ook Zelfbeeld te lezen, het volledige gedicht dat de Franstalige Véronique Djanga maakte voor de gelijknamige foto van De Clercq; met daarnaast een mooie Nederlandse vertaling van Dora Vande Velde.


— Van links naar rechts: Dora Vande Velde, Véronique Djanga, Marie-Thérèse De Clercq, Flor Vandekerckhove. —
Zelfonderzoek is een gezamenlijk werk van dochter Marijke en vader Flor Vandekerckhove. Zij is beeldend kunstenaar, hij is schrijver. Elk voerden ze op hun eigen manier een zelfonderzoek uit. Het boekje (e-boek, PDF, 46 pp.) is gratis. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be.

dinsdag 19 november 2019

Avondgenoegen en de Art Nouveau


— Van links naar rechts: Dimer Geedts (De Laatste Pianoman), Gabriël Fauré, 
Claude Debussy en Flor Vandekerckhove (De Laatste vuurtorenwachter). —

Ge weet dat we ons verenigd hebben, De Laatste Pianoman en ik, in de Ostend Social Club Avondgenoegen; ik heb u dat al meer dan genoeg verteld. Sindsdien val ik haast dagelijks op mijn gat. En wel van verbazing, door wat ik allemaal uit de mond van De Laatste Pianoman verneem. Terwijl hij hier op z'n dooie gemak een joint aan ’t rollen is, zegt hij bijvoorbeeld: ‘Wat Avondgenoegen doet, past perfect in de art nouveau.’ Mijn verbazing is zo groot dat ik een nieuwe alinea dien aan te vatten.
Zelf worstel ik hevig met de begrippen art nouveau en art déco — wat komt eerst en wat laatst, wat heeft krullen en wat niet, ik moet het telkens weer opzoeken — maar voor De Laatste Pianoman is het poepsimpel, art nouveau, dat is de pianomuziek waarvan hij houdt: Gabriël Fauré, Claude Debussy, Maurice Ravel … Bij mij, de literaire poot van het duo, ligt dat moeilijker. Wil ik wel met schrijvers uit dat tijdvak — vooral symbolisten toch — vergeleken worden? Met de jammerende Georges Rodenbach van Bruges-La-Morte bijvoorbeeld, of met de superdecadente Joris-Karl Huysmans: kunst om de kunst, spleen, ennui … Ohlala! Val ik dan niet ten prooi aan de om ons heen heersende ondergangsstemming, met een blik, à la Jambon, gericht op het verleden? Is het niet de taak van de schrijver om het cynisme te overwinnen en de dingen een positief voorwaarts gerichte wending te geven? (’t Is maar een vraag hoor.) En zoveel woorden dat die mannen nodig hebben om een scheet in een netzak te beschrijven! 
— Bovenaan zien we Claude Debussy aan 't werk in het
salon. Onderaan treedt Avondgenoegen in het salon op. —
Daartegenover staat dat ik Een zwerver verliefd van Arthur van Schendel graag gelezen heb, al moet Ik eraan toevoegen dat ik toen twintig was. Maar ook vandaag nog, op hoge leeftijd, lees ik graag voor in zo’n literair salon dat me, wellicht ten onrechte, aan die tijd laat denken, terwijl het publiek — vooral dames — smachtend toekijkt hoe De Laatste Pianoman met vaardige vingers de toetsen beroert. Ooooo, wat hoor ik die dames graag kirren als ik in een poëem vernuftig het gebruik van de tepelklem aanroer, zoals in Drie variaties in de vorm van een femme fatale. Na afloop wil ik ook altijd meteen naar Parijs emigreren. Maar steevast gebeurt dan iets anders: ‘In een bruin café wacht ik de trein af die me naar Parijs zal brengen. De regen gutst neer, het Oostendse weer heeft zich al aan het symbolisme van de art nouveau aangepast. Gezeten in de gelagkamer met een petit café noir, een sneetje spacecake en een stevig stuk roquefort soes ik weg. Ik heb nog net tijd een kaartje te nemen en mijn bagage aan te geven. Maar tegenzin overvalt me, ik gelast de reis af en in een koets thuisgekeerd, laad ik mijn bagage uit, moe maar voldaan alsof ik van de lange reis was teruggekomen.’ ’t Is een spelletje dat ik speel hoor, met een citaat uit A rebours, de bijbel van de decadente literatuur. Wel een vruchtbare oefening, want ik ontdek dat ik toch iets met die Huysmans gemeen heb: ook ik plof graag in mijn zetel neer, moe maar tevreden, als was ik van een lange reis teruggekeerd. Waar heb ik de rest van die spacecake gelegd?

Flor Vandekerckhove


Voor de rest treedt O.S.C. Avondgenoegen dit jaar nog op in WENDUINE, Persepit (in de duinen), 24 november, 14 uur en in OOSTENDE, De Grote Ruutten, 1 december, van 18 tot 21 uur. Ook u kunt Avondgenoegen boeken: schrijf naar liefkemores@telenet.be en we epibreren meteen hoe we ’t gaan doen.

maandag 18 november 2019

Boude stelling over 'een mutatie'

Alessandro Baricco sluit zijn nieuwe boek (°) af met een hoofdstukje Contemporary humanities. Term die slaat op aan wat ze aan de Scuola Holden doceren. Wie meer over dat merkwaardige instituut wil weten, moet zeker dit artikel eens lezen. Mij gaat het nu om iets anders.
Met name om de eerste stelling van dat hoofdstuk. ‘De digitale opstand (…) was een reactie op (…) de shock van de twintigste eeuw. Intuïtief wilde men aan die rampzalige beschaving ontkomen door een vluchtweg in te slaan die door een aantal mensen was ontdekt (…)’ Baricco weet wie die mensen waren. In de jaren zeventig woonden ze in Californië en ze maakten daar deel uit van wat hij ‘een aparte mensheid’ noemt: ‘waarin informatica-ingenieurs, hippies, politieke militanten en geniale nerds samenvielen onder de paraplu van een specifiek gemeenschappelijk sentiment: ergernis over de wereld zoals die was.’
Op ’t eerste gezicht lijkt me dat een wel heel erg boude stelling, uit de lucht gegrepen zelfs. Als ik er een beetje over nadenk wordt dat al anders. Maakte ik in die jaren niet evengoed deel uit van een biotoop die actief was ‘onder de paraplu van een specifiek gemeenschappelijk sentiment: ergernis over de wereld zoals die was.’? Wij zochten die uitweg in stromingen die wel niet nieuw waren, maar toch als nieuw overkwamen, zoals trotskisme of maoïsme. Naast onze deur leefden hippies, ecologisten en goede zielen die het in Taizé gingen zoeken. Met elkaar gemeen hadden we dat het allemaal pogingen waren om 'aan die rampzalige beschaving te ontkomen.' Ge kunt u dat vandaag haast niet meer voorstellen, maar zo ging het er toen wel aan toe.
Degenen waarover Baricco schrijft heb ik destijds niet opgemerkt — wellicht omdat ik geen nerd was en evenmin in Californië woonde — maar als ik diep nadenk valt mij hier en daar toch wel een anarchist te binnen waarvan ik vond dat hzij veel te veel tijd in technologie stak, alsof de oplossing daaruit ging komen. Nog later stootte ik op de naam van Stewart Brand,  een theoreticus die in zo’n kringen een beetje de rol opnam die Ernest Mandel voor ons, trotskisten, speelde. Baricco citeert die Brand trouwens: ‘Veel mensen proberen de aard van de mens te veranderen, maar dat is echt tijdverspilling. Je kunt de aard van de mensen niet veranderen, wat je wel kunt doen is de tools die ze gebruiken veranderen, de technieken veranderen. Dan verander je de samenleving.’
Is dat zo? Volgens Stewart Brand wel en Baricco treedt hem bij. Door de digitalisering zitten we nu te midden van ‘een mutatie’. Da’s geen toeval, stelt Baricco: ‘Ze bestormden niet de machtspaleizen, ze gaven niets om de scholen, stonden onverschillig tegenover alle soorten kerken. Ze groeven tunnels rondom de grote forten van de twintigste eeuw, wetend dat die vroeg of laat zouden instorten.’ En dan staat daar opeens, als bij donderslag: ‘Die zijn nu aan het instorten.’ Der grosse Kladderadatsch
Lees dat boek eerst maar, voor ge die mens begint tegen te spreken!
Flor Vandekerckhove


(°) Alessandro Baricco. The Game. 2019. De Bezige Bij, A’dam. Vertaald uit het Italiaans door Manon Smits. 335 pp.

Over de theorieën van Alessandro Baricco schreef ik eerder al in De barbaren , Analoog versus digitaal en Het huis heropgezocht.


zaterdag 16 november 2019

Besparen? Schaf de Vlaamse regering af!


Ostend Social Club Avondgenoegen is solidair met de sectoren podiumkunsten & muziek die acties voeren tegen de maatregelen van Jambon. Avondgenoegen roept op tot verder protest en tot solidariteit binnen de kunsten & cultuursector, tussen publiek & makers, tussen grotere huizen & kleinere, tussen organisaties & individuen, tussen werknemers & freelancers, en bovenal tot solidariteit met andere getroffen sectoren die ten dienste van de maatschappij staan. Nie pleuje !


Wie O.S.C. Avondgenoegen boekt hoeft NIET op cultuur in te boeten. Contacteer liefkemores@telenet.be en we epibreren samen hoe we ’t gaan doen. In elk geval zal ’t zo zijn: prijs overeen te komen.
Kom kijken en laat u overtuigen: O.S.C. Avondgenoegen treedt dit jaar nog op in OOSTENDE, House Gallery, Mijnplein, 17 november om 15 uur — WENDUINE, Persepit (in de duinen), 24 november, 14 uur — OOSTENDE, De Grote Ruutten, 1 december, van 18 tot 21 uur … Mocht je een idee willen hebben, luister dan eens naar Drie variaties op een vernissage: klik hier !

vrijdag 15 november 2019

Drie mystieke ervaringen voor de prijs van één


1 — Taboe — Omdat we het taboe willen doorbreken staan we op ’t einde van de pier en wachten: drie meisjes, de pastoor en ik. De meisjes roepen: ‘Dáár komt hij!’ De pastoor heft een hymne aan. Sierlijk glijdt het schip voorbij,  De meisjes ontbloten uitdagend hun borsten. Ik roep: ‘Kijk schipper, vrouwen en een pastoor op de pier!’ De visser reageert ongehoord: hij toont ons zijn bloot gat en laat een scheet, zo luid, dat het hemelgewelf ervan splijt. De meisjes knopen beschaamd hun blouses dicht en terwijl we op onze schreden terugkeren, neemt de pastoor ons nog vlug de biecht af.

2 — Paraglider — Dit is wat ik die dag zie. Vlak boven me word ik traag voorbijgestoken door een engel. Die engel beweegt geruisloos, licht schommelend, nauwelijks boven de duintoppen. Hij zweeft zo traag, zo laag dat ik eerst vermoed dat hij aan ’t landen is, maar dan zie ik dat hij zachtjes wiegend verder zweeft naar het einde van de Spinoladijk, tot aan de vuurtoren. Daar is hij nauwelijks nog een stip. Waarna hij de terugweg aanvat en weer groter wordt. Wanneer hij nadert blijf ik stilstaan om hem aandachtig te bekijken. In ‘t passeren groet de engel me en ik zwaai terug.

3 — Pijpen De man die naast me liep had juist de kerk verlaten. Ik kende hem niet, nooit eerder gezien.Fellatio’, zei hij opeens tegen me, ‘Ik begrijp niet wat mannen er zo leuk aan vinden. En ‘t is ook gevaarlijk. Je verneemt daar toch regelmatig iets over, over mannen die tijdens het pijpen hun pik afgebeten worden.’ Ik stak vlug de straat over. Daar keek ik hem na tot hij in de massa opgenomen werd. Thuis, las ik in de krant een bericht over een boodschapper van god die willekeurige voorbijgangers uitkoos om hen voor het ergste te behoeden.


Deze drie mystieke ervaringen beluisteren — met pianomuziek van Dimer Geedts — kan ook: klik hier !