dinsdag 29 juli 2014

De truc met de emoes

De familie vergaart een ontzagwekkende fortuin met zwendel en ze bestendigt dat fortuin met almaar nieuwe zwendelpraktijken. Meestal gaat dat goed, een keer loopt het mis. Het familielid dat tegen de lamp loopt wordt door de familieraad naar Australië gestuurd. Daar, aan de andere kant van de wereld, blijft de betrapte zwendelaar in de luwte wonen tot de kust hier weer veilig is. Intussen perfectioneert hij zijn capaciteiten. Wanneer hij terugkomt heeft hij een koppel emoes mee, een truc waar Interpol tot vandaag de tanden op stukbijt.
Flor Vandekerckhove

zaterdag 26 juli 2014

Het paard van nonkel Miel

TROTS toonde ik mijn vondst aan vader die het me bevestigde: Ja, dat is van het paard van nonkel Miel. Een paardenbel, een 'historische' vondst. 
In mijn kindertijd overheersten de paarden niet langer het straatleven, maar ze waren er wel nog: vuilnis werd met paard en kar opgehaald; groenteboer Firmin Decoo⇲ deed het nog te paard, de Fiorines reden per paard af en aan; Bobbejaan Schoepen deed dat jaarlijks ook en boer Jerome Lagast vrijwel dagelijks. 
Nonkel Miel had geen paard meer. Wat restte waren de verhalen. Zo vertrok Miel regelmatig, met paard en kar, naar Westkerke, Zerkegem en Ichtegem om er kippen en konijnen aan te kopen die hij in Bredene slachtte en aan toeristen sleet. Doordat hij graag een pint dronk, viel hij regelmatig op zijn kar in slaap. Over de manier waarop hij vervolgens thuis geraakte bestaan twee versies. In de eerste versie wachtte zijn echtgenote, tante Eugenie, de dingen enige tijd af, waarna ze de tocht naar pakweg Zerkegem aanvatte. Op haar oude velo reed ze tot wanneer ze paard en kar van haar echtgenoot ontwaarde. De fiets gooide ze met een forse armzwaai bij de vracht, alsmede bij de uitgetelde Miel. Vervolgens nam ze de teugels ter hand en leidde heel het zootje huiswaarts. In de tweede versie moest tante Eugenie die fietstocht niet aanvatten, het paard had de teugels niet nodig om huiswaarts te keren. Dat beest deed dat spontaan, terwijl nonkel Miel zijn roes uitsliep.

[DLVuurtorenwachter postte dit verhaal in 2014. In 2024 redigeer ik het opnieuw ten behoeve van de FB-groep Bredene Retro.]

vrijdag 25 juli 2014

Alice Munro ontdekken, dat is lezen en schrijven

— Alice Munro —

KORTE VERHALEN worden in de wereld van de literatuur stiefmoederlijk behandeld, zegt men. Ze zijn moeilijker te bespreken dan bijvoorbeeld romans, daardoor worden ze minder belicht en wat niet belicht wordt, blijft onbekend. ‘En toch,’ zegt Jonathan Franzen (*), ‘ondanks de Assepoester-status van het korte verhaal, of misschien juist daardoor, is een hoog percentage van de meest opwindende fictie die de afgelopen vijfentwintig jaar is geschreven (…) korte fictie.’
Alle schrijvers van fictie worstelen met eenzelfde probleem, zegt Franzen ook, op den duur heb je niets nieuws meer te vertellen. Iemand als Alice Munro probeert dat zelfs niet: ‘Hier is het verhaal dat Munro blijft vertellen: een slim, seksueel gretig meisje groeit op op het platteland van Ontario zonder veel geld, haar moeder is ziekelijk of dood, haar vader is een onderwijzer, wiens tweede vrouw problematisch is, en het meisje, zodra ze kan, ontsnapt uit het achterland door middel van een studiebeurs of een beslissende daad uit eigenbelang. Ze trouwt jong, verhuist naar British Columbia, brengt kinderen groot en is verre van onschuldig in het uiteenvallen van haar huwelijk. Ze heeft misschien succes als actrice, schrijfster of tv-persoonlijkheid; ze beleeft romantische avonturen. Wanneer ze onvermijdelijk terugkeert naar Ontario, merkt ze dat het landschap van haar jeugd verontrustend veranderd is. Hoewel zij degene was die de plek heeft verlaten, is het een grote klap voor haar narcisme dat ze niet hartelijk wordt verwelkomd – dat de wereld van haar jeugd, met zijn ouderwetse manieren en mores, nu oordeelt over de moderne keuzes zij heeft gemaakt. Simpelweg door te proberen te overleven als een geheel en onafhankelijk persoon, heeft ze pijnlijke verliezen en ontwrichtingen geleden; ze had schade veroorzaakt.’ En verder: ‘Kijk wat ze kan doen met niets anders dan haar eigen kleine verhaal; hoe meer ze ernaar terugkeert, hoe meer ze vindt.’
Ook Margaret Atwood schrijft uitgebreid over Munro. (**) Ook zij benadrukt dat Munro altijd weer naar die plek in Canada verwijst waar haar protagonisten geboren en getogen zijn, van (willen) wegvluchten en uiteindelijk naar weerkeren. Atwood beschrijft die plek, south-western Ontario, en neen, dat is niet bepaald te vergelijken met Antwerpen. Het is meer iets zoals West-Vlaanderen, zoals Antwerpenaars dat zich hier voorstellen (en zoals het ook veelal is): provinciaal, landelijk, gelovig, hoekig, achterlijk, grof, conservatief, boers…
Mij maant dit alles aan om op de ingeslagen weg voort te gaan. Ik heb ook geen zin om verhalen te bedenken die zich bijvoorbeeld in New York afspelen, in het milieu waar de filmmaker Woody Allan zich zo goed voelt; ik zou dat ook niet kunnen. Ik schrijf, zei ik in New York of de vuurtoren, over het stukje kust waar ik gewoond heb en nu weer woon, over wie/wat daar verdwenen is en over wie/wat er blijft, over zeden & gewoonten van die mensen en over hun verhalen. Ik wil dat doen in een genre dat me blijkbaar zeer goed ligt: het handpalmverhaal, dat ik de frotter van de literatuur noem; ik wil dat doen in verhalen die telkens weer naar dezelfde plek terugkeren. En ik denk ook dat het klopt wat Franzen daarover zegt: hoe meer je ernaar weerkeert, hoe meer je vindt, hoe universeler het wordt en hoe beter je schrijft.

(*) Jonathan Franzen.  What Makes You So Sure You’re Not The Evil One Yourself (on Alice Munro), opgenomen in de bundel Farther Away
(**) Alice Munro. Alice Munro’s Best Selected Stories. Introduced by Margareth Atwood. Mc Clelland & Steward.

[Ik postte dit mini-essay al in 2014. In 2024 redigeer ik het opnieuw, deze keer als in memoriam, naar aanleiding van het overlijden van Alice Munro.]

woensdag 23 juli 2014

Vroeger, toen we oud waren

Van links naar rechts: Erik Poppe, Hugo Pauwels, Flor Vandekerckhove, Ivan Schamp.


In die tijd meenden we dat we lang genoeg over de dingen nagedacht hadden, het werd tijd om er iets aan te doen. Meisjes toonden ons daarbij de weg, waardoor alles wat we zeiden op een huwelijksbelofte leek. Hadden we in die tijd een goede reden om Goed en Kwaad zo scherp van elkaar te onderscheiden? Wellicht wel ja, al zullen we ons die reden vandaag niet meer herinneren. Ah, we waren toen veel ouder dan we nu zijn, we zijn nu jonger dan in die tijd. 

Bovenstaande is losjes gebaseerd op My Back Pages van Bob Dylan, met daarin het steeds weerkomende: ‘Ah, but I was so much older then, / I’m younger than that now’. Foto en lied zijn in mijn hoofd met elkaar verbonden, ik vraag me af waarom. Aan Ivan Schamp — die zo'n dingen weet — vraag ik waar en wanneer die foto gemaakt werd. Hij zegt zeker te weten dat het beeld van 1966-’67 dateert, wellicht in het Bredense etablissement Tijl, alwaar wij in die jaren enkele danspartijen van de jeugdclub onderbrengen. Ik raadpleeg Google en zie dat The Byrds in 1967 My Back Pages van Dylan op plaat zetten. De hit zit ongetwijfeld in de jubebox van de Tijl, misschien draait de plaat wel terwijl de fotograaf afdrukt: ‘Ah, but I was so much older then, / I’m younger than that now’.
Flor Vandekerckhove

[In DLVuurtorenwachter dateert deze post van 2014. In 2021 redigeer ik hem opnieuw ten behoeve van de FB-groep Bredene Voor & Van Iedereen.]

Op 1 januari 2022 publiceert uitgeverij De Lachende Visch een nieuw e-boek van Flor Vandekerckhove. Honderd titelloze eenparagraafverhalen wordt ingeleid door Flors oud-leraar Nederlands Alfons Vandenbussche.


Honderd titelloze eenparagraafverhalen verschijnt op 1 januari. Het e-boek is gratis voor elkeen die erom vraagt. Doe het nu en het boek valt op nieuwjaarsdag in je mailbox. ’t Is een cadeau van De Laatste Vuurtorenwachter. Doe het meteen via liefkemores@telenet.be↗︎.


dinsdag 22 juli 2014

Een man, een betoging

— Oriana Fallaci (1929-2006) en Alexandros Panagoulis (1939-1976) —
Het omslag oogt vettig, de bladzijden vergeeld, de hoeken geplooid. De geur is die van oud papier. Publicatiejaar 1980, titel: Een man. Ik haal het boek uit de kast om iets op te zoeken: de beschrijving van een betoging, of juister gezegd, de beschrijving van een groep mensen in die betoging.
Alexandros (Alekos) Panagoulis, de man waarover Oriana Fallaci het in deze ‘roman vérité’ heeft, is niet alleen politicus en dichter, hij is ook een held. Panagoulis is een tegenstander van het kolonelsregime dat de Griekse democratie van 1967 tot ’74 uitschakelt, hij deinst niet terug. Hij wordt opgepakt en mishandeld. Hij is een individualist en een moeilijke mens. En hij is ook de minnaar van de Italiaanse journaliste Fallaci die later, na ’s mans dood, dit indrukwekkende boek schrijft.
De kolonels moeten uiteindelijk wijken. Panagoulis komt met de hakken over de sloot in ’t parlement terecht. De nieuwe democratie wordt met een betoging gevierd, een herdenking ook van slachtoffers die onder het regime gevallen zijn. Alle democratische partijen nemen eraan deel, ook de centrumpartij van Panagoulis, maar hij vormt toch liever een aparte groep, er zijn al te veel democraten die (in ’t beste geval) niets tegen de kolonels ondernomen hebben of (in ’t slechtste geval) ermee gecollaboreerd hebben. Daar wil Panagoulis zich van distantiëren, meer zelfs, hij wil de stal uitmesten. ‘En als ik eraan denk dat in deze vertoning ook de knechten zullen meelopen die zwegen, die het in hun broek deden van angst, die het woord Verzet niet eens konden horen (…)’ 
Maar, probeert Fallaci ertegen in te brengen: ‘Met iemand zal je toch moeten meelopen, Alekos. Je kunt niet in je eentje marcheren of alleen met mij.’ 
Panagoulis is er echter van overtuigd dat hij gelijkgezinden zal vinden: ‘Ik zal marcheren met degenen die alleen zijn zoals ik. Die bestaan. Het zijn er weinig, maar ze bestaan. Ik zal ze vinden (…) En een paar zijn er al. Mijn vrienden, kijk!’ Het koppel bevindt zich voor ‘s mans kantoor en daar bevinden zich de medewerkers aan zijn verkiezingscampagne. ‘Het oudje met het hoedje en de brilleglazen van bijziende was er, er was een dwergmeisje van één meter veertig met een tas die groter was dan zijzelf, er waren een tiental jongens, evenveel meisjes en een kreupele.’
Vlug harken ze het propagandamateriaal bijeen, waarbij de sjaal van het oudje als vlag dient, ze trekken de straat op: ‘Voorop het oudje met het hoedje en het dwergmeisje met de grote tas: het oudje hief haar volgekrabbelde shawl die vastgemaakt was aan een stoelpoot op, het dwergmeisje hield een onleesbaar bord dat van de hemel wàt gemaakt was omhoog. Op de eerste rij jij en ik en de kreupele, en twee van de jongelui, de anderen erachter.’ 
Een zootje ongeregeld! Zo marcheren ze op, tot wanneer Panagoulis tussen de toeschouwers twee van zijn folteraars opmerkt. Hij laat zijn groep halt houden, nodigt de twee uit om mee op te stappen. 
De mannen gaan wonderlijk genoeg op de uitnodiging in: ‘Je liet ons opschuiven en gaf hen een arm.’ Panagoulis doet dat echter niet omdat hij zo vergevensgezind is, hij uit alzo zijn misprijzen tegenover al de democraten die zich alleen maar in gunstige politieke tijden laten zien. Zijn geste wordt door de menigte uiteraard anders geïnterpreteerd: Panagoulis lijkt de alles vergevende Christus wel, zoals hij daar loopt, met aan elke arm een moordenaar. Het gerucht verspreidt zich razendsnel: Panagoulis heeft zijn beulen vergeven! ‘En het gerucht maakte diegenen wakker die onverschillig die goed georganiseerde optocht bijwoonden, tè goed georganiseerd om oprecht te lijken, diegenen die hem niet bijwoonden omdat het hun niets kon schelen of omdat ze zich buitengesloten voelden; zowel de enen als de anderen verdrongen zich om Jezus Christus die voortliep tussen de twee dieven te zien, en wanneer Jezus Christus verscheen, met zijn snor en zijn pijp en zijn uitdagende houding, applaudisseerden zij overtuigd, ontroerd, iemand schreeuwde je naam, iemand beantwoordde je uitnodiging komt-u-maar, komt-u-maar.’ Op den duur begint Panagoulis zelf in het misverstand te geloven: ‘En je stortte je halsoverkop in de rol die zij je, naar je dacht, toekenden. Je uitdrukking, je blik, je manier van lopen veranderde, je begon dank-u-wel te zeggen tegen wie zich aansloot, vaak met glanzende ogen, en toen, ja, toen sloten ze zich wel aan. Mannen en vrouwen, heel veel vrouwen met de kinderen aan de hand of op hun schouders; jongelui en ouderen, heel veel ouderen, aangemoedigd door het oudje met de hoed veronderstel ik; en jongens, aangelokt door het dwergmeisje met de grote tas veronderstel ik; en kreupelen,
aangetrokken door de kreupele op de eerste rij veronderstel ik. Na zowat honderd meter telde ik vijf kreupelen, drie met een stok en twee zonder, en het toppunt van kreupelheid was een dikke, misvormde jongen met kinderverlamming die, omdat hij het eilandje dat nu zo groot als een eiland was niet binnen durfde te treden ernaast bleef lopen, vastgeklampt aan twee aluminium krukken. Hoe hij het klaarspeelde ons te volgen zonder achter te blijven, is een mysterie. Maar hij slaagde erin, voortschuifelend, hijgend, zijn arme, slappe benen, zijn arme verwrongen lichaam voortslepend, zodat je op een bepaald moment opnieuw de stoet stopzette, hem tegemoet ging om hem te omhelzen en binnen de groep te halen, hem in het midden van de eerste rij te plaatsen, die zich weer in beweging zette op het ritme van zijn wankele, onzekere stap. En hierna was het niet meer nodig dat je komt-u-maar, komt-u-maar zei: er kwamen zoveel mensen dat wij op het Syntagmaplein bijna een duizendtal waren. Van dertig waren we bijna een duizendtal geworden.
Zelf ben ik een oude activist en ja, ik heb nogal wat betogingen op mijn stappenteller staan, maar de mooiste manifestatie ooit heb ik niet persoonlijk meegemaakt, die greep in Athene plaats, in 1974, toen de haveloze bende van Panagoulis zich in die stoet aan ’t vormen was. Dat is althans wat Oriana Fallaci me wil laten geloven; dat is waar ze ook bijzonder goed in slaagt. Godver, dàt mens kan schrijven, da's pas een schrijver, ik denk dat ik dat boek maar eens helemaal moet herlezen.

Oriana Fallaci. Een man. 1980. Uitg. Bert Bakker, A'dam. 523 ps.

maandag 21 juli 2014

Van de ene drank naar de andere

Paul Verlaine drinkt Absinth in café Procope, Parijs.


De eerste auteursbiografie die ik ooit las, beschreef 't leven van de Franse dichter Paul Verlaine. Het boek maakte grote indruk op me. Het werd geschreven door ene Michel Van Aerde, naam die ik een halve eeuw lang had kunnen onthouden omdat er destijds een wielrenner was die ook zo heette. Maar het geheugen is, zoals bekend, een slechte raadgever. Ik probeer het boek op het internet te traceren en die zoektocht leidt me niet naar Michel, maar naar Rogier van Aerde, die op Amazone.com zo’n boek te koop heeft: The Tormented, a Biographical Novel of Paul Verlaine. Dat zal het geweest zijn: geen biografie, maar een roman; niet geschreven door Michel, maar door Rogier. Vervolgens zie ik dat die Rogier een Nederlander is die het boek in 1956 publiceert als De arme bruiloftsgast. Levensroman van Paul-Marie Verlaine, dichter, minnaar, bohemien.
Ik was nog een puber toen ik dat boek las en voelde me daardoor erg verwant met Verlaine die, zo fantaseerde ik, perfect mijn eigen gemoedstoestand verwoord had: 
Il pleure dans mon coeur 
Comme il pleut sur la ville; 
Quelle est cette langueur 
Qui pénètre mon coeur. 
Geïntrigeerd was ik ook door ’s mans drinkgewoonten. Verlaine was absintdrinker, genieter van een drank waarvoor Gustave Flaubert verwittigde: 
Absint: ultrasterk vergif. Eén glas en u bent dood. Journalisten drinken ervan als ze hun artikelen schrijven. Heeft meer soldaten gedood dan de bedoeïenen’
Die reputatie zorgde ervoor dat absint verboden werd, waardoor die drank des te meer tot mijn verbeelding ging spreken. Kijk, zei ik, Vincent van Gogh was een gebruiker, Ernest Hemingway eveneens, net als Charles Baudelaire, Arthur Rimbaud, Guy de Maupassant, Éduard Manet en Oscar Wilde. Dat waren sterke argumenten. Er waren er nog, maar dat wist ik toen gelukkig nog niet. Die leerde ik pas later kennen via Meindert Burger die er in 2005 een boek over publiceerde: De gifgroene muze. Absinth in de literatuur.
Je kunt een even mooie bloemlezing maken onder de titel Whisky in de literatuur of Wijn in de literatuur, want er is meer onder de alcoholische zon dan alleen absint. In The Thirsty Muse: Alcohol and the American Writer (1989) presenteert Tom Dardis een indrukwekkend lijstje van bekende Amerikaanse schrijvers-alcoholici: Sinclair Lewis, Eugene O’Neill, William Faulkner, Ernest Hemingway, John Steinbeck, Edward Arlington Robinson, Jack London, Edna St. Vincent Millay, F. Scott Fitzgerald, Hart Crane, Conrad Aiken, Thomas Wolfe, Dashiell Hammett, Dorothy Parker, Ring Lardner, Djuna Barnes, John O’Hara, James Gould Cozzens, Tennessee Williams, John Berryman, Carson McCullers, James Jones, John Cheever, Jean Stafford, Truman Capote, Raymond Carver, Robert Lowell en James Agee. Zo’n lijstjes kunnen moeiteloos aangevuld worden met namen van meer hedendaagse auteurs, bijvoorbeeld Charles Bukowski of J.M.H. Berckmans. Maar Hardi heeft het in zijn boek op vier Amerikaanse Nobelprijswinnaars gemunt. Hij volgt nauwlettend Faulkner, Fitzgerald, Hemingway en O’Neill op hun wankele weg langs de bar. Iets soortgelijks doet Olivia Laing in het zopas in ’t Nederlands vertaalde Het uitstapje naar Echo Spring.(*) Zij maakt een reis door Amerika langs de plekken waar bekende schrijvers hun mateloze dorst gelest hebben: Fitzgerald, Hemingway, Williams, Cheever, Berryman, Carver.
Al die schrijvers, al die drank: wie schrijft die drinkt! Maar dat is uiteraard onzin. Je kunt evengoed lange lijsten aanleggen van schrijvers die nuchter door ’t leven gaan. Auteurs drinken niet méér dan wegenbouwers, bankbedienden en pastoors, ze schrijven er wel meer over, waardoor de literatuur een alcoholisch spoor achterlaat dat op den duur mythische proporties aanneemt, zelfs als dat beschrevene de vernietigende kracht van alcohol aantoont, zoals Onder de vulkaan (1949) van Malcolm Lowry in Het Verloren weekend (1944) van Charles Jackson, twee meesterwerken van en over zuipschuiten.

(*) Olivia Laing. Het uittapje naar Echo Spring. Waarom schrijvers drinken. 2014. A'dam. De bezige bij. 334 ps. € 24,80.

zondag 20 juli 2014

Mijn onvergetelijk moment met Marie-Claire De Bourderé

— Kiosk in Bredene Duinen, jaarlijks 2 keer the place to be. —


IN DIE TIJD keek ik verlangend uit naar de publicatie van de activiteitenkalender. Daarop stipte ik het Volksbal aan, openluchtevenement mét orkest, één in juli en één in augustus, ongetwijfeld geanimeerd door Jerome Depoorter, a.k.a. nonkel Jérome. Zo’n Volksbal werd gedanst op het basketpleintje vóór de kiosk en iedereen, echt iedereen, nam eraan deel, zelfs ik.
Openlucht, veel sociale controle, start van het bal: 20 uur. Einde: 22 uur stipt! Daar laat zelfs de meest wantrouwende vader zijn dochter op los, ze moet toch ergens leren dansen. Ook de prille teenager Marie-Claire De Bourderé was van de partij. 
Hoe het er bij haar later aan toegegaan is, weet ik niet, maar zelf heb ik nooit meer zo hard gedanst als die ene keer met haar. Je had maar twee uur de tijd, maar we benutten die ten volle, we hadden er ook de leeftijd voor, Marie-Claire zag er in haar eerste patte d’éléphant niet meer uit als dat kleine meisje, wat me eerder nog niet opgevallen was, en nu dus wel. En er was de hit van Chubby Checker die met zijn versie van the twist een dansnummer had waarin we al onze jeugdige energie kwijt konden.
Ah meneer, hoe hebben we daar gedanst, Marie-Claire en ik. We hebben daar getwist van acht tot tien. En toen we na afloop al op weg naar huis waren — haastig, wegens tien uur — en achter ons hoorden dat er nog een bisnummer aankwam, hebben we elkaar aangekeken in een verstandhouding die maar zelden voorkomt en zonder ook maar een woord te wisselen, zijn we hand in hand teruggelopen naar dat plein, om ook die laatste dans nog mee te pikken. En weet je wat? We waren toch op tijd nog thuis.
Flor Vandekerckhove

[Deze post dateert van 2014. In 2021 redigeer ik hem opnieuw, ten behoeve van de FB-groep Bredene Retro.]

zaterdag 19 juli 2014

Andres Serrano: épater les bourgeois

Vandaag maakt de affiche deel uit van een museumcollectie, maar in 1997 kondigde hij een tentoonstelling aan van de Amerikaanse conceptkunstenaar en fotograaf Andres Serrano. Ik herinner me de commotie rond die tentoonstelling. Velen voelden zich gechoqueerd, er was zelfs een bommelding (bom-melding hé, niet bommel-ding).
Mij heeft die affiche destijds niet gechoqueerd, maar wel een schokje bezorgd. Ik vind dit, eerlijk gezegd, ook vandaag nog altijd een bijzonder sterk beeld. Dat heeft ongetwijfeld een duistere reden. Leo’s fantasy — zo heet de foto — confronteert me met mijn eigen seksuele fantasieën die ik niet aan uw neus zal hangen.
Wel wil ik u meedelen dat Serrano me heeft laten nadenken over het verschil tussen porno en kunst. (Ik voorvoel uw vraag: het verschil tussen deze foto en porno zit in voorgaande zin: porno laat je nergens over nadenken, nadenken is daar een pretbederver.) 
Serrano heeft me ook de weg gewezen naar andere artiesten die deel uitmaken van een stroming die shock art heet. Bedoeling van shock art is het uitlokken van controverse, want die levert niet alleen betogingen van kwaaie katholieken op, maar ook inzicht. Het leert ons nadenken over onderwerpen waarover eerder niet nagedacht werd. Nadenken, je kunt er alleen maar beter van worden, vind ik (behalve als je naar porno kijkt).
Shock art! Baudelaire is er een meester in. Van hem stamt de veelzeggende uitdrukking Épater les bourgeois. Zijn dichtbundel Les fleurs du mal levert hem een veroordeling op. Zes gedichten worden gecensureerd en wat ik straf vind: ik ben al geboren wanneer die censuur in Frankrijk wordt opgeheven. Nu zegt men van die bundel dat ‘t een meesterwerk is. 
Marcel Duchamps choqueert de goegemeente ongetwijfeld ook wanneer hij in 1917 zijn Fontain presenteert, een urinoir dat inmiddels het invloedrijkste moderne kunstwerk ooit genoemd wordt.
Andres Serrano treedt in het voetspoor van zo’n kunstenaars. En wat mij betreft mag hij tot de linkerzijde van die strekking gerekend worden. Daar moest ik aan denken toen ik onlangs in Brussel geconfronteerd werd met de grote toename van daklozen en bedelaars. Ik herinnerde me op dat moment een recent werk van Serrano dat Sign of the Times heet, een video waarin hij alleen maar bordjes toont die bedelaars gebruiken om voorbijgangers tot een gift te bewegen. Ook die video heeft de nodige controverse veroorzaakt, maar Serrano wil dat de New Yorkers eindelijk ophouden die daklozen te negeren. (*) En bij uitbreiding: dat wij eindelijk ophouden de daklozen in Brussel te negeren.
Flor Vandekerckhove

vrijdag 18 juli 2014

Gered door de bel


Geloofwaardigheid, daar gaat het om, de lezer moet erin geloven, en deze keer ziet het er niet naar uit dat ik daarin slaag. Het is… Die vrouw overtuigt niet, maar ik weet niet hoe ik haar kan veranderen.De deurbel haalt me weg uit mijn overpeinzingen. Ik loop de trap af, open de voordeur en sta oog in oog met een jonge vrouw in de meest sexy lingerie. ‘Hi’, zegt ze in een vet Amerikaans accent, ‘I’m Billie Eilish, may I come in?’ Ik wil zeggen: ‘Zeer zeker mevrouw Eilish,’ maar ik krijg het niet gezegd. Ik laat haar binnen en weet meteen hoe ik mijn verhaal geloofwaardig maak. Ik moet die naam zien kwijt te raken. Billie Eilish?
Flor Vandekerckhove

[Ik schrijf het verhaal in 2014. In 2021 actualiseer ik het door de naam van de heldin te veranderen.]

maandag 14 juli 2014

KoR Van der Goten, kwam, zong en… ging weer weg

KoR Van der Goten (1931-1983)
Dat Frank Zappa aan mij voorbijgegaan is, kan mijn vriendin maar moeilijk begrijpen, want ‘je was toch jong in die tijd’. Ja, dat is waar, maar ik heb veel muziek aan mij voorbij laten gaan. Ik luisterde als teenager wel naar de piratenzender Veronica, maar herinner me vooral jingles. Kopen bij de Spar / Is sparen bij de koop. Mij bijgebleven is ook: Wanneer u rookt / Maar meer ook niet / zodat u’r echt / niet van geniet / Verander dan in allerijl / En kies iets naar uw eigen stijl. De sigaret die zich aldus aan ons presenteerde heette Sir Richard’s, een merk waarvan ik op ’t internet geen spoor meer aantref. Sir Richard’s is in rook opgegaan.
In 1962 keek ik naar op de televisie naar het programma Tienerklanken. Ik was dertien. En werd omvergeblazen door ene KoR Van der Goten die daar in alle eenvoud een lied zong dat Sprookeling heette. Deze KoR had voor mij de deur kunnen openen naar de wereld van het chanson (hijzelf schreef sjanson) en van daaruit naar de folk, de folkrock en zo verder tot ik uiteindelijk wel bij Zappa zou uitgekomen zijn. Waardoor ik heden tot mijn vriendin had kunnen zeggen: KoR heeft me de weg naar Zappa gewezen!
Maar Van der Goten was niet wat we een blijver noemen. Hij kwam een lied zingen en verdween vervolgens van het scherm. Later gebeurde dat nog eens. En nog later nog eens. Niet beklijvend genoeg om het muziekvuur in mij brandend te houden. 
Ik google zijn naam en vind dit: ‘een turbulente geest’, ‘zijn steeds verder oprukkende alcoholverslaving’, ‘moeilijk en ronduit arrogante man’ en ook: Met zijn demarches verloor Van der Goten heel wat krediet en het Vlaamse publiek haakte op den duur massaal af.’
Ja maar, zo hoor ik je tegenwerpen, die KoR was toch maar een epigoon van George Brassens. Waarom ben je dan niet via deze sympathieke Fransman de muziek ingerold? Daar kan ik dan weer tegen inbrengen dat Brassens wellicht maar zelden op Veronica te horen was en op radio Caroline al helemaal niet.
Flor Vandekerckhove




zondag 13 juli 2014

Louise Michel, anarchiste mèt standbeeld

Veel zullen er niet zijn, maar zij wel: Louise Michel is een anarchiste die een standbeeld heeft staan. Tijdens haar leven is ze trouwens al een monument. Bij haar begrafenis wordt de kist gevolgd door honderdtwintigduizend mensen. 
Wie is deze populaire anarchiste? Ze is vooral iemand die moeilijk te catalogeren valt. En dat begint al bij de geboorte. Louise is de vrucht van een vrijpartij tussen een kasteelheer (of diens zoon) en de meid. Moeder Marianne Michel behoort tot de onderklasse, vader is zeer upperclass. Louise en haar moeder worden niet, zoals je zou verwachten, de kasteelpoort uitgegooid. Neen, de rijkaard laat moeder en kind op het kasteel wonen. Wat de kasteelvrouw daarover denkt is niet bekend. Dat maakt ook dat Louise een opleiding krijgt. Die rondt ze af als onderwijzeres. Ze trekt naar Parijs waar ze haar tijd verdeelt tussen onderricht en woelmakerij. Het geweer ter hand staat ze in 1871 op de barricaden van de Commune van Parijs.
Louise Michel (1830-1905) 
De repressie die volgt verandert haar leven. Samen met andere communards wordt Louise naar Nieuw-Caledonië verbannen. Terwijl het schip afvaart, zingen ze Le temps des Cerises, ongetwijfeld de meest atypische revolutionaire hymne uit de wereldgeschiedenis.
In Nieuw-Caledonië zet ze haar revolutionaire en opvoedende werk verder. Ze onderwijst de Kanaken en juicht in 1879 de opstand toe van de autochtonen tegen de Franse bezetters.
Zodra ze van amnestie geniet keert ze naar Frankrijk terug. Tegelijk bekent Louise Michel zich uitdrukkelijk tot het anarchisme, dat ze tot haar dood trouw blijft. De laatste vijfentwintig jaren van haar leven wijdt ze trouwens helemaal aan propaganda, wat haar ook naar Groot-Brittannië, Nederland en België brengt. De politie volgt haar nauwlettend en ze blijft de binnenkant van gevangenissen zien: 15 dagen in 1882; veroordeling tot 6 jaar eenzame opsluiting in 1883, waaruit ze in 1886 verlost wordt; 1886: vier maanden; 1890 een maand. 
Het is uiteraard niet voor die gevangenisstraffen dat ze in Frankrijk een metrostation en een pleintje naar haar genoemd krijgt, Louise is immers ook letterkundige en een pedagoge. Zo wordt haar sprookjesboek in 1884 gepubliceerd, daarin legt ze de allerkleinsten uit waarom er armoede bestaat en hoe de staat de onrechtvaardigheid zelve is, of zoals Henriette Roland Holst het ook al zeide: de staat verknecht, de wet is logen. 
Deze vrouw die strijdt aan de zijde van bekende anarchisten als Emile Pouget, Sébastien Faure, Kropotkin, Malatesta, Cornelissen, Domela Nieuwenhuis en Paul Reclus heeft tot geen enkele organisatie behoord, wellicht ook niet tot de Internationale. Ze was gewoon zichzelf en werd ervoor bezongen door Paul Verlaine in een gedicht dat Ballade en l’honneur de Louise Michel heet en in Viro Major, een werk van Victor HugoStraffe madam!

zaterdag 12 juli 2014

Cutie en de bokser

Neo-dada? Nooit van gehoord. Maar wanneer ik het opzoek zie ik er bekende namen achter staan: John Cage, Robert Rauschenberg, Yoko Ono, Joseph Beuys… Een van die neo-dadaïsten is Ushio Shinohara. Hij schildert geen schilderijen, hij bokst ze! Hem leer ik kennen in het wondermooie Cutie and the Boxer van de jonge filmmaker Zachary Heinzerling. De man heeft er vijf jaar aan gewerkt en het resultaat is fenomenaal mooi. Wie we in die film ook leren kennen is Noriko. Zij is ‘s mans echtgenote en ze is eveneens kunstenaar. Maar je weet hoe ’t meestal gaat bij echtelieden en ja, zo gaat het ook bij Noriko: ze leeft in de schaduw van de manspersoon die Ushio is. Of, juister gezegd, zo heeft ze veertig jaar geleefd. Want tijdens de documentaire zien we de dingen veranderen. Eerst slorpt de dominante Ushio alle aandacht op, maar naarmate de film vordert begint Noriko haar eigen plaats op te eisen, waar ze overigens met brille in slaagt.
Een koppel kunstenaars, moeilijk is het wellicht altijd. Zowel Alma Maria Schindler als haar echtgenoot Gustav Mahler waren componisten, maar Alma voelde zich wel miskend door Gustav die haar aspiraties op muzikaal terrein niet serieus nam. En bleef Lee Krasner qua bekendheid niet lang in de schaduw van haar echtgenoot Jack Pollock staan? Van Max Ernst heeft iedereen wel al gehoord, maar om Dorothea Tanning te kennen moet je al goed op de hoogte zijn, idem voor Wassily Kandinsky en Gabriële Münter. De foto’s van Man Ray zijn gereputeerd, maar dat veel van die foto’s door zijn muze Lee Miller gemaakt werden is dat al minder. De geschiedenis van Auguste Rodin en zijn rechterhand Camille Claudel is bekend. En waarom worden de installaties van Jeanne-Claude en Christo eigenlijk altijd naar die laatste genoemd?
de tachtigjarige Ushio bokst een nieuw schilderij.
Moeilijk is het tussen kunstenaars-echtelieden wellicht altijd, en bevredigend is het zelden voor beiden. Jonathan Franzen heeft het erover in zijn lezing On Autobiographical Fiction. Om zijn meesterwerk De correcties te kunnen schrijven moest hij eerst van zijn huwelijk afraken. Ze waren te jong getrouwd en zowel hijzelf als zijn echtgenote ambieerden een schrijverscarrière: Our plan was to work side by side all our lives. It didn’t seem necessary to have a fallback plan, because my wife was a gifted and sophisticated New Yorker who seemed bound to succeed, probably long before I did, and I knew that I could always take care of myself. And so we both proceeded to write novels, and we were both disappointed when my wife couldn’t sell hers. When I did sell mine, in the fall of 1987, I felt simultaneously excited and very, very guilty.De twee gaan uit elkaar, en maar goed ook, want dan kan elk een eigen weg gaan. Zo gaat dat vandaag, maar zo ging dat vroeger niet.
De oude Ushio en zijn eenentwintig jaar jongere Noriko blijven voor de rest van hun leven samen in een huwelijk waarin hij alles voor zichzelf opeist. Zij assisteert hem, terwijl hij het haar inwrijft dat ze maar een assistente is, ze bereidt met veel liefde het eten dat hij onachtzaam opschrokt, ze heeft zijn alcoholisme moeten verdragen, ze heeft zijn kind opgevoed dat inmiddels ook al alcoholist geworden is. In de wereld van Ushio is ze de assistente, moeder, klankbord, meid, manager en boekhouder. Maar kijk, terwijl Heinzerling zijn documentaire maakt zien we de zaken ten goede veranderen. Terwijl haar echtgenoot voortgaat met het uitwerken van zijn megalomane oeuvre, begint zij haar eigen werk te produceren, tekenwerk dat op haar huwelijksleven met Ushio gebaseerd is. Dat tekenwerk mondt uit in The Cuty Series, een artistiek verhaal waarin Cutie & Bullie figureren, het lieverdje en de bullebak, de overeenkomst is duidelijk.
Noriko aan het werk in de galerie waar Cutie & Bullie tentoongesteld worden.
Wanneer er weer eens een galeriehouder op bezoek komt, trekt ze haar stoute schoenen aan. Nadat hij het werk van haar echtgenoot bekeken heeft, troont ze hem mee naar haar tekeningen. De mens gaat overstag. Op ’t einde van de film zien we hoe de bokser-schilder staat te glunderen op zijn tentoonstelling in die galerie. Vervolgens neemt de camera ons mee naar een andere zaal van dezelfde galerie en daar zien we de even verbaasde als enthousiaste jetset van New York kennis maken met de Cuty Series van Noriko. Eindelijk herkenning!
Ushio is inmiddels de tachtig voorbij, maar blijft met een bewonderenswaardige energie zijn muurgrote schilderijen boksen. En zij? Ik heb het opgezocht. Zij tekent, etst en schildert nog altijd en ze exposeert regelmatig in New York en in Japan. Ze heeft in de kunstwereld haar eigen plaats veroverd. Hopelijk slagen die twee er inmiddels ook al in om hun huur te betalen, want dat was ten tijde van die documentaire een haast onoverkomelijk probleem. 
Flor Vandekerckhove

vrijdag 11 juli 2014

Te vierklauwe



Nooit eerder gezien! Ze interpreteert mijn verbijstering als interesse. Wat vind je ervan? Ze draait zich om, zodat ik het kledingstuk ook achteraan kan aanschouwen. Dit is de onderbroek van Annie Oakley. En omdat ik nog steeds niets zeg, vertelt ze wie Annie was: een van de sterren uit de show van Buffalo Bill. Ze zegt ook: Mijn vader heeft de broek bij Christie’s gekocht. Terwijl ze dit zegt begrijp ik dat dit meisje niets voor mij is. Ik veer recht, open het venster en fluit op mijn vingers. Ik spring uit het raam, recht in het zadel en ga er vierklauwens vandoor.

Flor Vandekerckhove


De kwestie van de blauwe Cadillac

woensdag 9 juli 2014

Autobiografisch schrijven, volgens Jonathan Franzen

Op 12 februari 2013 nam ik me voor om een autobiografie te schrijven. Een jaar later was ik ermee klaar, zoals ik dat ook vooropgesteld had: Tegen de tijd dat ik vijfenzestig word,’ zo schreef ik in dat boek, ‘zal die eerste versie er zeker liggen, alleen weet ik op voorhand niet tot welke leeftijd die biografie uiteindelijk zal reiken. Het enige wat ik met zekerheid kan stellen is dit: mijn autobiografie, de eerste versie ervan, zal beëindigd worden op 12 februari 2014. Zal ik daarin heel mijn leven verteld hebben, vanaf de geboorte tot mijn pensionering? Wellicht niet, neen. Maar wat erna komt, wat na dat jaar onbeschreven blijft, zal, zo stel ik hier met enige vooringenomenheid, de moeite van het beschrijven niet waard zijn. Al wat over mijn leven gezegd moet worden, zal over een jaar gezegd zijn; alle gebeurtenissen die dat latere, eventueel nog onbeschreven leven bepaald hebben, zullen voor die periode gebeurd zijn.’  Ja, u hebt gelijk, ik hield een slag om de arm en gelukkig maar, want ik veronderstel dat veel lezers toch wel de wenkbrauwen optrokken toen ze tegen ’t einde van dat boek moesten constateren dat ik daarin… alleen maar de eerste vijftien jaren van mijn leven beschreven had. Daartegen kon ik dan weer inbrengen dat die eerste jaren inderdaad de rest van je leven fundamenteel bepalen: The Child is Father of the Man.
Elk boek dat ik schrijf is een experiment. Telkens weer gaat het me erom te kijken of ik het wel kan, zo’n boek tot een goed einde brengen. Kan ik een liefdesverhaal schrijven? Dat is bijvoorbeeld wat ik in Het kasteel (1992) onderzoek. In De Poldergeesten van Bredene (2005) zoek ik uit of ik een thriller kan schrijven. En op dezelfde manier heb ik geëxperimenteerd met toneelwerk (Naar de kloten,1995), een novelle (De trein,1993), met korte verhalen (De smaak van zeewater,1991), met essays, pamfletten, dagboekaantekeningen, poëzie… En nu dus met de autobiografie die Gauw! (*) Uiteindelijk geworden is.
Ik ben een luie schrijver, ik doe geen veldwerk, ik bestudeer de literatuur niet, ik lees heel weinig. Ik word bijgevolg niet gehinderd door enige kennis wanneer ik zo’n experiment aanvat. Gevolg is dat ik het allemaal al schrijvend ontdek. Wat betekent dat eigenlijk vandaag, een sociale roman schrijven? Dat is wat ik in Amandine (2012) probeer uit te vissen. Of wat kan dat worden, zo’n autobiografie als Gauw!? In dat proces ontdek ik woorden, genres, literaire problemen en hun oplossingen waarvan ik vooraf het bestaan niet kende. Autofictie is bijvoorbeeld zo’n woord dat ik tijdens het schrijven van Gauw! leren kennen heb. De mogelijkheid dat je in zo’n autobiografie nog levende mensen gaat kwetsen is een probleem dat zich al vlug stelde en waarvoor ik, denk ik, in Gauw! een zeer originele oplossing gevonden heb. Boeiend vond ik het om te kijken wat er gebeurde toen ik bewust fictionele elementen in die autobiografie begon te schuiven
Het waarheidsgehalte van een autobiografie is een evident probleem, maar het werkelijkheidsgehalte van een roman is dat evenzeer. In een lezing, opgenomen in de essaybundel Farther Away (**) onderhoudt Jonathan Franzen ons over het autobiografische karakter van zijn romans. Is de fictie die hij schrijft al dan niet autobiografisch? Het antwoord is uiteraard, zoals dat meestal het geval is met zo’n soort vragen, ja en neen.
Een autobiografische roman is, volgens Franzen, een boek waarin het hoofdpersonage sterk op de auteur gelijkt en waarin dat personage de gebeurtenissen beleeft die de schrijver ook daadwerkelijk meemaakt in ’t het leven: A Farewell to Arms, All Quiet on the Western Front, Vilette, The Adventures of Augie March, The Man Who Loved Children…
Zo’n romans schrijft hij niet: ‘I don’t think I’ve published more than twenty or thirty pages of scenes drawn directly from real-life events that I participated in.’ Toch is zijn fictiewerk ‘in another sense extremely autobiographical' Daarenboven stelt hij: 'that I consider it as my job as a writer to make it more even so. My conception of a novel is that it ought to be a personal struggle, a direct and total engagement with the author’s story of his of her own life.’ Het is bij hem, zo zegt hij, als bij Kafka die wel nooit over de dingen schrijft die hij dagdagelijks beleeft (en dus niet autobiografisch schrijft zoals Franzen dat bedoelt met bijvoorbeeld A Farewell to Arms), maar wiens schrijversactiviteit wel degelijk volledig gecentreerd is rond het persoonlijke gevecht met familie, vrouwen, morele wetten, het leven, dus rond Kafa’s eigen leven… Een boek is, zo stelt Franzen, maar lezenswaard (en ‘t schrijven waard) wanneer de auteur er zelf de inzet van is. Een roman moet een reis in het onbekende ik zijn.
Grote schrijvers gaan daar heel ver in. In Gauw! heb ik het over Karl Ove Knausgård: ‘Man man man. Hij mag dan een kunstwerk geproduceerd hebben, hij heeft er blijkbaar wel zijn leven mee geruïneerd. In die documentaire is die mens gewoon heel de tijd aan ’t janken, letterlijk aan ‘t snikken. Die mens is tijdens het schrijven van dat epos helemaal onderdoor gegaan, en erna blijkbaar nog meer. Hij is daar als een wrak uitgekomen. En hij recupereert er niet van. En hij rookt de ene sigaret na de andere (en je moet weten dat ikzelf er eindelijk, na vele pogingen, in geslaagd ben om ermee te stoppen, met dat roken). En maar bleiten. Hij heeft een grens overschreden, en er is geen weg terug, niet voor mij, maar evenmin voor hem. En maar schreien.’  
Zo moet het ook Jonathan Franzen vergaan zijn. Al schrijvend ervoer hij dat zijn huwelijk zijn schrijverschap in de weg stond. Dat huwelijk bleek niet zo’n succes te zijn, maar hij wilde er desondanks trouw aan blijven, en een deel van die trouw bestond erin om in zijn boeken vooral niets te schrijven wat zijn echtgenote op stang zou jagen, want ja, het leven was al moeilijk genoeg. Hij zocht naar omwegen tot hij inzag dat er geen ontkomen aan was. Het komt eropaan doorheen de dingen te schrijven en niet eromheenHa ja, zo is dat maar net, een boer ploegt toch ook niet omheen zijn akker, hij ploegt erdoor. Met die nuance echter dat een echtgenote geen stuk grond is, aber ein Mensch. En dat maakt het moeilijker, alhoewel die boer daar wellicht weer anders over denkt.
Flor Vandekerckhove

(*) Wie gratis een elektronisch exemplaar (PdF) wenst toegestuurd te krijgen, stuurt me gewoon een mailtje: florvandekerckhove@telenet.be.
(**) Jonathan Franzen, Farther Away, A Collection. 2012. Farrar, Straus and Giroux, New York. 250 ps.