zaterdag 28 februari 2015

Over Moby Dick (1)

— Kpt Ahab gaat aan zijn queeste ten onder. —
Dit is wat ik altijd doe wanneer ik een boek schrijf: ik trek op onderzoek. Dat heeft zelden met de plot te maken, ’t is geen veldwerk, want dat soort klussen klaart mijn verbeelding wel… zonder erbij gehinderd te worden door enige vorm van kennis, zoals een wijze man het over die methode zegt. Ik trek op onderzoek, maar verlaat mijn zetel niet; wat ik uitpluis is het genre waaraan ik me op dat moment overlever. Dat komt doordat ik geen literaire opleiding genoten heb. Ik leer al doende, ik ben een leerjongen op leeftijd. Elk boek dat ik schrijf, opent voor mij een haast onuitputtelijke wereld van namen, boeken, voorbeelden en afgeleiden waarin een kat haar jongen niet meer vindt.
Niet zolang geleden heb ik een scenario geschreven dat in een stripverhaal moet uitmonden. Jo Clauwaert is daar nu beelden bij aan ’t bedenken. Rooie Machteld en de Uitgezogenen is een gothic verhaal dat zich in het jaar 2102 afspeelt op de Oostendse Oosteroever, in en rond de vervallen gebouwen van de visveiling. In die toekomst blijken de vampiers nog altijd onder ons te zijn.
Maar goed. Al wat hierboven staat wil zeggen dat ik me de voorbije maanden over twee verschillende, mij tot dan toe vreemde, werelden gebogen heb, deze van de strip en de wereld van de gothic. De lijst met onderwerpen die in de rechterkolom van de blog staat, leert me dat ik al vier bijdragen aan ’t eerste gewijd heb en vijf aan gothic. Daar komt er nu eentje bij, want terwijl ik die wereld aan ’t onderzoeken ben, leer ik dat Moby Dick van Herman Melville tot de Amerikaanse gothic gerekend wordt. Dat wist ik niet, en da’s vreemd, want ik heb dat boek nog maar pas uitgelezen!
Eens je dat weet, bekijk je het uiteraard met andere ogen. En ja, nu je ’t zegt, de monomane kapitein Ahab voldoet aan alle kenmerken van de antiheld uit het genre: een lichamelijk gebrekkige man die het grote je ne sais quoi uitdaagt en eraan ten onder gaat. De witte walvis is voor Ahab wat het monster is voor Frankenstein. Ik heb dat niet eerder opgemerkt, want die Ahab mag dan bezeten zijn, hij is dat wel op een voor mij zeer herkenbare manier; hij is een visser die tot het uiterste gaat en ik heb zo’n mannen persoonlijk goed gekend; sommige leven nog, de meeste zijn dood. De gelijkenis tussen Frankenstein en Ahab heb ik daardoor niet opgemerkt, evenmin als deze tussen Ahab en Heathcliff uit Wuthering Heights.
Had ik het kunnen weten? Wel ja, maar dan had ik dat boek beter moeten lezen, nauwkeuriger, misschien wel op de manier die close reading heet. Ik blader en kijk naar m’n aantekeningen. Dat Melville ons in een gothic avontuur wil onderdompelen blijkt al van bij de start. Ismael, de verteller, wil inschepen voor de walvisvaart, maar hij doet dat niet in New Bedford, toentertijd Amerika’s modernste haven van de walvisvaart. Neen, hij kiest voor het oude, afgeleefde Nantucket, ‘want er hing om alles wat met dat beroemde oude eiland te maken had iets fijn ruigs waar ik allemachtig schik in had.’
Hoe herkenbaar! Toen ik in 1988 de redactie van Het Visserijblad in handen nam, opende ik mijn kantoor niet in Zeebrugge, de haven die vooruitliep in de Vlaamse visserij, maar op de afgeleefde Oostendse Oosteroever, want dat ‘had iets fijn ruigs waar ik allemachtig schik in had’. Daar is Rooie Machteld en de Uitgezogenen gegroeid, eerst in mijn verbeelding en vervolgens in ‘t script. En nu ga ik heel die Moby Dick opnieuw lezen. ’t Zou me sterk verwonderen mocht je daar in ’t vervolg niets meer over vernemen. 
En voor dat vervolg, klik je hier.
Flor Vandekerckhove

donderdag 26 februari 2015

Literaire theorie met Hoss Cartwright

— Van links naar rechts: 1. Hoss Cartwright met hoed; 2. Hoss Cartwright zonder hoed;
3. hoed zonder Hoss Cartwright.


‘Kijk jongen,’ zei Hoss, die me altijd jongen noemt, ‘wat je in de literaire theorie eerst moet uitvogelen is dit: wat is de grondstof waarop een schrijver arbeid verricht? Is dat de werkelijkheid? Damned neen. Een schrijver vertrekt niet van de wereld-zoals-ze-is, maar van de wereld zoals die mens zich die in zijn hoofd voorstelt. En da’s niet hetzelfde. Bijlange niet! Zo’n voorstelling is altijd een zootje ongeregeld, zelfs al denkt die schrijver daar anders over, zelfs als zingt Raymond van het Groenewoud dat in zijn hoofd alles zeer eenvoudig is. Maar wat Raymond daar ook over mag zingen, met dat zootje vangt de schrijver zijn werk aan, daarmee gaat hij aan de slag. Al schrijvend, met taal dus, confronteert hij het zootje met een fictief, concreet verhaal. Hij zet dat zootje om in concrete scènes en hij doet dat met zijn gereedschap, de taal.’ U begrijpt, lezer, dat ik sprakeloos was. Hoe kende Hoss, een cowboy van Bonanza, die song van Raymond van het Groenewoud? 
Flor Vandekerkhove

De e-boeken van Flor Vandekerckhove zijn gratis. Vraag erom via liefkemores@telenet.be.

dinsdag 24 februari 2015

De literaire spiegel van Lenin

— Wladimir Iljitsj Lenin —
Wie leest dat nu nog? Dat is ’t eerste wat ik me afvraag wanneer ik het boekje uit het rek haal. Het heet Over kunst en literatuur, de auteur is Wladimir Iljitsj Lenin, de uitgever is gehuisvest in Moscou en heet Progres. Daarin vind ik zes verschillende artikels die Lenin tussen 1908 en 1911 aan het oeuvre van de Russische schrijver Leo Tolstoj wijdt. Nogmaals, wie leest dat nu nog? U misschien, want u vindt die stukjes ook op het internet als u hier drukt.
Die teksten leren me minstens evenveel over Lenin als over Tolstoj. Over Lenin leer ik bijvoorbeeld dat hij in de eerste plaats een politicus blijft, ook als hij fictie leest. Wat hem in een verhaal interesseert is dit: hoe verhoudt het zich tot de maatschappij waarin het ontstaan is. Terwijl hij dat uitvlooit laat hij me echter ook kennis maken met een ingewikkeld literair probleem.
Bij Tolstoj ziet dat er als volgt uit. De schrijver is een telg van de adel, een klasse die het maar normaal vindt dat ze teert op de miserie van arme boeren. Wie tot de adel behoort heeft met dat ‘teren op’ geen probleem, men ziet het zelfs niet, het blijft in het duister; als het al eens de kop opsteekt wordt het vlug als zijnde ‘normaal’ weer weggezet. (Dat 'teren op' wordt zo normaal geacht dat ook de uitgebuite boeren het, zelfs in hun grootste miserie, eveneens normaal vinden. Wie oud genoeg is om op de tv Het gezin Van Paemel gezien te hebben, weet waarover ik spreek.) Maar kijk, in zijn literair werk toont Tolstoj ons op verhelderende wijze dat die boeren wel degelijk door de adel uitgebuit worden. Hij toont het beter dan de boeren het zelf kunnen doen en Lenin wil dan ook dat Tolstojs verhalen massaal onder de boeren verspreid worden. Blijkbaar kan zo’n graaf-auteur er al schrijvend in slagen om de adellijke vooringenomenheid achter zich te laten. Daardoor wordt het werk van deze schrijvende graaf, dixit Lenin, een ‘spiegel van de Russische revolutie’. Een spiegel! 
Kan een schrijver zijn/haar klasse verlaten en, ‘ontheemd’ als hzij dan is, de lezer ‘een spiegel’ van de werkelijkheid voorhouden? Of moet de vraag anders gesteld worden: hoe kan een boek ontsnappen aan de vooringenomenheid van de schrijver die het pleegt? Lenin: Op het eerste gezicht kan het vreemd en gezocht lijken de naam van een groot kunstenaar in verband te brengen met een revolutie, die hij duidelijk niet heeft begrepen en waarvan hij duidelijk afstand heeft genomen. Wat bepaalde verschijnselen kennelijk niet juist weerspiegelt kan men immers moeilijk een spiegel noemen!
De spiegel van Lenin blijkt een merkwaardig meubelstuk te zijn, want de schrijver blijft de dingen toch vanuit een welbepaald oogpunt zien, namelijk het zijne: ‘De tegenstellingen in Tolstoj’s werken (…) zijn inderdaad schreeuwend. Aan de ene kant zien wij de geniale kunstenaar (…) Aan de andere kant zien we de landheer (…). Aan de ene kant het (…) protest tegen maatschappelijke leugen en schijnheiligheid, maar aan de andere kant (…) de perverse prediking van onderwerping (…).’ 
Tolstoj weerspiegelt dus bijlange niet alles: ‘Dat het Tolstoj door deze tegenstellingen absoluut onmogelijk was de arbeidersbeweging (…) noch de Russische revolutie te begrijpen, spreekt vanzelf.’ Andere zaken weerspiegelt hij wel: ‘Vanuit dit standpunt vormen de tegenstellingen in Tolstojs ideeën inderdaad een spiegel voor de tegenstrijdige voorwaarden waaronder de boeren hun historische rol in onze revolutie moesten spelen (…)’ Hoe een auteur daarin slaagt legt Lenin ons niet uit of het zou moeten zijn waar hij het over ‘genialiteit’ heeft, over ‘geniale werken’, een ‘geniale belichting’ en een ‘geniaal kunstenaar’.
Wat denken andere marxisten eigenlijk van Lenins spiegel? Volgens Leon Trotski is de artistieke schepping geen spiegel, maar ‘een vervorming (…) van de werkelijkheid, volgens specifieke artistieke wetten.’ Bertolt Brecht heeft het over een ‘speciale spiegel’  Georg Lukács zegt dat een groot schrijver wel degelijk de realiteit kan weerspiegelen, gesteld dat hzij op een goed moment in de geschiedenis geboren wordt. Voor Pierre Macherey weerspiegelt de literatuur geen dingen, maar tegenstrijdigheden. Terry Eagleton is van mening dat je de metafoor van de spiegel beter verlaat.
Misschien mag ik het voorgaande als volgt samenvatten. Een schrijver wordt in zijn doen en laten (en dus ook in wat hij schrijft) geleid door de vooringenomenheid waarin hij baadt. Maar aan de productie van een literair werk hangt ook een on(der)bewust, intuïtief kantje dat aan die vooringenomenheid ontsnapt. Dat is althans wat de marxistische criticus Alexandr Voronsky daarover zegt. Misschien kun je dan spreken van een gebarsten spiegel. Wanneer een schrijver erin slaagt ons in die barsten te laten kijken, dan mogen we hem/haar een genie noemen, want daar wordt belicht wat normaliter in duisternis gehuld blijft. Dat laatste vind ik mooi gezegd van mezelf, maar het belet niet dat ik het nog altijd niet goed begrijp. Dus sluit ik af met een ander citaat van Wladimir: ‘Leren, leren en nog eens leren.’
Flor Vandekerckhove

zaterdag 21 februari 2015

De wereld volgens Hoss



Volgens Hoss bestaat de wereld uit goede en slechte mensen, je herkent ze aan hun paard. Hij weet ook dat Condoleezza Rice geen vrouw is, maar een man, ook dat kun je zien als zij/hij te paard rijdt. Om de tijd te doden klimt Hoss regelmatig in zijn stamboom. Zo ontdekt hij dat hij dat wij beiden van Stevin Ygghebrechts afstammen, in 1370 geboren in Aartrijke. Die ontdekking brengt Hoss en ik nader tot elkaar. Nu meldt hij me dat die Ygghebrechts in Aartrijke het beroep van eigenbeideraar uitoefende. Ik weet niet wat een eigenbeideraar is en het internet maakt me terzake niet wijzer. Op dat net vind ik evenmin beelden van Condoleezza Rice als man te paard, ons demonstrerend dat hzij een goed dan wel een slecht mens is. Ik weet niet wat ik van dat alles moet denken, maar volgens Hoss heeft alles met alles te maken. Daar heeft hij wel een punt.

Flor Vandekerckhove

woensdag 18 februari 2015

Aangespoeld in Bredene

Van mensen die het binnenland voor de kust inruilen, zeggen wij, autochtonen, dat ze aangespoeld zijn. Deze figuurlijke betekenis is inmiddels zo goed ingeburgerd dat we haast vergeten dat hier ook letterlijk dingen aanspoelen. Uit mijn jeugd herinner ik me een aangespoelde zeehond, tientallen pakken boter uit een gestrand smokkelschip en een losgeslagen droogdok. Legendarisch is het Mariabeeld dat niet één keer, maar driemaal in Bredene aanspoelt; reden genoeg om op die plek een kapel te bouwen: de Visserskapeldoor ons gemeenzaam ’t kapelletje genoemd.
Minder bekend is het verhaal van het onbekende voorwerp dat vanaf 1937 verschillende keren op het strand van Bredene aanspoelt. De volkskundige auteur Karel Clybouw heeft er een bijdrage over geschreven en tekenaar Camiel Geselle heeft er een schets van gemaakt.
— Zo schetste Camiel Geselle het onbekende voorwerp
(Uit de collectie van de Heemkring Ter Cuere)—
In de beschrijving van Clybouw heet het als volgt: ‘In Bredene, in het gebied Westwaarts van de Avenue Le Grand, meer bepaald ter hoogte van de molen van De Heer Hubert Henri, steekt men de duinen over en daar op het strange, tegen de hoogwaterlijn, vindt men halverwege de Oogstmaand van 1937 een vreemd en onbekend voorwerp.’ Uit deze notities weten we dat het 7 ft lang is (in die tijd wordt alles wat aanspoelt in Engelse maten beschreven). Het heeft een spitse neus, is dun en van een materiaal dat volgens Clybouw enigszins op bakeliet lijkt, maar dan lichter, sterk genoeg om hem te dragen zonder dat het breekt. De vorm laat de heemkundigen, blijkens de tekening van Geselle, aan een platvis denken, maar dan een zeer grote. Aan een van de twee platte kanten, zo noteert Karel verder, is er een gleuf met groeven waarvan het nut onduidelijk is, net zoals het nut van de twee hechtingen. Daarin kan Clybouw wel zijn voeten steken, maar niet zijn klompen, wat hem laat vermoeden dat het geen landbouwwerktuig betreft dat uit den vreemde naar hier afgedreven is. Het ding wordt enige tijd onderwerp van discussie tussen Bredenaars die het komen bekijken in het schuurtje van Clybouw. Waarna iedereen het vergeet.
Dat verandert in de daaropvolgende zomer, wanneer blijkt dat het voorwerp uit de schuur verdwenen is en door een strandjutter op het strand weergevonden wordt, krek op dezelfde plaats waar het een jaar eerder ook al aangespoeld is. Weer neemt Clybouw het met zich mee, weer zet hij het in zijn schuurtje en weer verdwijnt het, om tijdens de daaropvolgende zomer weer op dezelfde plek aan te spoelen. Driemaal! De vergelijking met het miraculeuze Mariabeeld dringt zich op. Is er sprake van een Hogere Macht? Pastoor Victor Lozie schrijft hoe dan ook een brief naar bisschop Waffelaert en we weten ook dat er een commissie aangesteld wordt onder voorzitterschap van burgemeester Andries Joseph Zwaenepoel. Het onderzoek maakt duidelijk dat het voorwerp nergens in de Bijbel vernoemd wordt. Het werk van de duivel dan? Deze denkpiste wordt in de kiem gesmoord doordat WO II losbarst, wat uiteraard andere kopzorgen meebrengt, alsmede een andere burgemeester. Om ervan af te zijn besluit die het voorwerp op een geheime plek te begraven, want in die tijd denken de mensen nog dat iets weg is als je ’t in de grond steekt; een misvatting, zoals ook blijkt uit wat volgt.
In Bredene geraakt deze vreemde geschiedenis in de vergetelheid, maar zelfs in de vergetelheid maalt de geschiedenismolen verder. Op de plek waar het onbekende voorwerp keer op keer kwam aanspoelen, wordt vele jaren later een surfclub gebouwd. Toeval? Wie zal 't zeggen? Dat de slierten jongeren die daar nu over het duin trekken mij aan de oude bedevaarten laten denken, heeft wellicht met mijn verbeelding te maken. Maar u zult me niet tegenspreken als ik zeg dat de voorwerpen die daar bij die surfclub op ’t strand liggen verdomd goed op de tekening van Camiel Geselle lijken.

dinsdag 17 februari 2015

De engel in Nick Cave



Op vrijdag 13 — echt waar! — kijk ik op de Nederlandse tv naar 20.000 days on Earth, fel bejubeld portret van Nick Cave, rockartiest, auteur en scenarist. Ik zou daar niets over schrijven, ware het niet dat ik de mens op het podium heb zien staan, alwaar hij me van zijn uitzonderlijk talent overtuigd heeft. Ik heb daar toen een stukje over geschreven dat u hier kunt nalezen. De film bevestigt het in de overtreffende trap: Nick Cave is een groot kunstenaar.
Met die woorden valt hij ons huis binnen: At the end of the 20th century, I ceased to be a human being. That's not necessarily a bad thing. It's just a thing. I awake, I write, I eat. I write, I watch TV.’ Wil dat nu niet krek ‘t zelfde zijn als wat ik doe? U begrijpt dat zo'n gelijke dagindeling me nader tot Cave brengt. Kijk hoe gelijk we in de wereld staan, de Nick en ik, aan elkaar geklonken door een soortgelijke schrijfpraktijk en alleen maar gescheiden door dat flinterdunne televisiescherm. Een beetje later is het alweer van dat: It's a world I'm creating... ...a world full of monsters and heroes, good guys and bad guys. It's an absurd, crazy, violent world... where people rage away and God actually exists. And the more I write, the more detailed and elaborate the world becomes and all the characters that live and die or just fade away, they're just crooked versions of myself.’ Beter kan het niet geformuleerd worden: wij, schrijvers, creëren een wereld bevolkt met personages die tegelijk wel en niet op ons gelijken (‘crooked versions’). U moet maar naar het universum van dichter Peter Holvoet-Hanssen kijken, een wereld die Kapersnest heet. In die verbeelde wereld waart een dichter rond, marineblauw, die her en der mensen op de schouder tikt om hen te ridderen — zelf spreekt Peter over riederen. Of kijk naar mijn wereld, waarin ik u, vergezeld van lange schaduwen, tegemoet treed als de hard boyled loner die ik niet ben… of misschien wel, maar dan toch alleen maar in een ietwat scheve versie, ‘a crooked version of myself’.
U vindt dat ik mezelf niet met de grote Cave mag vergelijken. Gelijk hebt u. Dat ik tegen ’t einde van de XXste eeuw opgehouden ben mens te zijn, mag ik van mezelf niet zeggen. In de scheve versie waarin ik al schrijvend verander, blijf ik menselijk, al te menselijk. Da’s ’t verschil. Cave overstijgt dat in zijn optredens: ‘If you can enter into the song and enter into the heart of the song, into the present moment, forget everything else, you can be kind of taken away... (…) you turn into an angel or something like that.’ Maar voor de rest? Kijk eens wat Cave in die film zegt en vervang Brighton door Bredene: Places choose you. They can take hold of you whether you wish them to or not. I used to come down to Brighton years ago, and what I remember most is that it was always cold and it was always raining... ...with a glacial wind that would blow through the streets and freeze you to your bones. But you gotta drop anchor somewhere and somehow here I am. Brighton, with all its weather, has become my home and, whatever hold this town has on me, well, it's been forcing its way violently into my songs.’
Flor Vandekerckhove


zondag 15 februari 2015

Film noir: vrouwen, sigaretten en een oud kantoor

— Al mijn fouten, tekortkomingen, misdaden, zonden, verslavingen en andere ongemakken wortelen in de film noir. —

Heden breng ik u onverbloemd op de hoogte van mijn karaktergebreken, verachtelijke opvattingen & andere tekortkomingen, alsmede van de bronnen waaraan ik me gelaafd heb om mijn verwerpelijke levenswandel te voeden. U begrijpt dat ik het kort wil houden.
Eén: wie mijn persoonlijke geschiedenis een beetje kent, weet dat het instituut huwelijk me, nevenvormen inbegrepen, veertig jaar miserie opgeleverd heeft, om nog te zwijgen over de herinneringen waarmee mijn exen achterblijven. 
Twee: toen Dolle Mina in 1969 op straat een stuk lingerie verbrandde, vond ik dat een verwerpelijke actie. Ik heb daar toentertijd niets over gezegd — de tijdgeest zou het niet toegelaten hebben — maar in stilte heb ik er wel onder geleden. 
Drie: toen ik achttien werd, vond ik dat een sigaret perfect bij mijn imago paste en toen ik dat enkele jaren later alweer niet meer vond, bleef ik toch roken.
Vier: succes, daar loop ik in een grote boog omheen. Mijn kantoor heeft altijd in kansarme buurten gelegen, de tijdschriften die ik uitgegeven heb mag je commercieel waardeloos noemen, mijn verhalen worden zelden gelezen. Ik vond, vreemd genoeg, dat het zo hoorde en eigenlijk vind ik dat nog altijd.
Waar anderen zich hebben laten inspireren door heiligenlevens, sporthelden of politieke voormannen, is mijn leven gemodelleerd op maat van de noir. Laat me toe dat aan te tonen door mijn tekortkomingen weer op te roepen,  in omgekeerde volgorde, van vier naar één.
Vier. Mijn kantoor in het Oostendse havengebied — leeg, armoedig, uitgeleefd ­— verschilde nauwelijks van dat van privédetective Philip Marlowe in The Big Sleep. Daar zat ik dan, net als die Marlowe, te niksen, benen gestrekt, voeten op een bruin gevernist bureau, wachtend op de dingen die zouden komen.
Drie. Nu ik in de aanloop naar dit stukje een heleboel van die films (her)bekeken heb, valt het mij op: iedereen rookt zich te pletter. In Out of the Past (1947) komt Robert Mitchum een plek binnen, hij ziet daar Kirk Douglas staan die hem meteen vraagt: ‘Cigarette?’ Mitchum houdt zijn hand omhoog, toont zijn sigaret en zegt: ‘Smoking’. Uiteraard.
Twee: de biotoop van de vrouw is in die wereld heel anders. Zij houdt zich op in het boudoir, alwaar rokende armoelijders, zoals Humprey Bogart en ik, hen in vernuftige lingerie te zien krijgen.
Eén: het huwelijk. De vrouwen in de noir laten me steevast achter met beelden van mascara, lippenstift, lange benen, roodgelakte nagels, pumps, lange handschoenen… Zelfs wanneer ze onder de kogels neerzijgen geraakt hun haar niet in de war — 't is wellicht, o contradictie!, tijdens zo'n neerzijgen dat het woord levenskunst uitgevonden is. 
In The Maltese Falcon (1941) gaan de mannen ongehuwd door ’t leven of ze zijn slecht getrouwd. Van de femme fatale die steevast in dat soort films te zien is, vergeet ik altijd hoe slecht het met haar afloopt, maar ik onthoud wel haar seksuele aantrekkingskracht. 
Niemand verwoordt dat trouwens beter dan femme fatale Kathie Moffatt wanneer ze in Out of the Past tot Jeff Bailley zegt: ‘I never told you I was anything but what I am — you just wanted to imagine I was.’ En als er iets is waaraan ik nimmer een tekort gehad heb dan is het wel dit: imaginatie.
Flor Vandekerckhove

vrijdag 13 februari 2015

Van de gothic naar de film noir

Omdat ik gedurende lange tijd een stripscenario aan ‘t brouwen was, heb ik u meermaals meegesleurd in mijn verkenning van het genre. Voor mij was ’t een ware ontdekkingstocht, want strips zijn nooit echt mijn ding geweest. Tijdens die tocht vond ik voorwaar onverwachts een Amerikaanse voorloopster van de heldin uit mijn verhaal. Anders dan die Amerikaanse strip baadt mijn scenario echter in de gothicsfeer en dat leidde weer tot andere ontdekkingen, die mij eveneens enthousiasmeerden, zodat ik u ook daarmee moest lastigvallen, zoals dat het geval was toen ik de auteur China Miéville leerde kennen, een kameraad die me inmiddels de term gothic marxism bijgebracht heeft.
Gothic speelt zich, zo vernam ik al surfend, bij voorkeur af in verleden werelden zoals die er bijvoorbeeld uitzagen in het Victoriaanse Engeland. Maar zelf word ik toch vooral geboeid door de uitzonderingen op die regel, die er evengoed zijn, zoals de film 1408 die zich in het hedendaagse New York afspeelt, maar desalniettemin zeer gothic is.
Nu weer leidt de zoektocht me naar een nieuwe wereld waarover ik eerder nooit iets vernomen heb: deze van de gothic noir, een term die gothic aan film noir koppelt. Meestal speelt zo'n film noir zich af in het stedelijke decor van de jaren veertig, vijftig, maar wanneer noir aan gothic gekoppeld wordt, verplaatst de handeling zich, noblesse oblige, nogal eens naar vroegere tijden: het Victoriaanse Engeland, Frankrijk ten tijde van de revolutie, Amerika tijdens de burgeroorlog. Ook hier zijn er uitzonderingen en weer zijn het die uitzonderingen die het genre erg interessant maken: The Sign of the Ram (1948), Rebecca (1940), Ruby Gentry (1952), The Night of the Hunter (1955), What Ever Happened To Baby Jane (1962); films die u meestal moeiteloos en gratis van het internet kunt halen, zoals dat tot voor kort ook het geval geweest is met Madeleine (1950) dat ik oorspronkelijk onder dit stukje gezet heb, maar daar door youtube inmiddels ook weer weggehaald werd.
Madeleine is een vrouw die in Glasgow leeft, zo te zien in een tijd waarin er al veel auto's rijden, en dus in de stedelijkheid van de film noir. Maar er is geen vergissing mogelijk, de toegenomen mobiliteit belet niet dat Madeleine kleren uit de jaren stilletjes draagt en worstelt met de dubbelzinnigheden van de victoriaanse moraal, waarin de gothic zo goed gedijt. Trouwt Madeleine met de acceptabele, maar saaie man die haar familie prefereert of kiest ze voor een hartstochtelijke lover die haar alleen maar naar het schandaal kan leiden? Dit is gothic met de sterk afgelijnde schaduwen van de film noir!
En zo blijf ik almaar nieuwe dingen ontdekken — hoe mooi is de pensioenleeftijd! Op deze ontdekkingstocht die me nu stilaan van de gothic verwijdert en me naar de boeiende wereld van de klassieke film noir voert begin ik gaandeweg te begrijpen — en dat is, zo moet ik bekennen, quite shocking — dat mijn vrouwbeeld door dat laatste genre gevormd werd. Indien u een gediplomeerd psycholoog bent dan mag u me tegenspreken, maar dat vrouwbeeld heeft zich volgens mij in mijn kindertijd gevormd en ja, mijn kinderjaren zijn tegelijk de hoogdagen van de film noir geweest. Op het internet ontplooien zich nu die beelden, covers van pulpboekjes, cinema-affiches en wat zie ik? De vrouwen die ik vandaag mooi noem, zijn ook vrouwen die daar afgebeeld worden, dames die de film noir maken tot wat hij is! Wel wel wel, dat verklaart veel. Dat ik daar nooit eerder op gekomen ben! Maar goed, aangezien ik me toch voorgenomen heb om dit jaar meer over vrouwen te schrijven, zal ik ter zake een en ander ontbloten in een volgend stukje dat u zeker moet lezen.
Flor Vandekerckhove

woensdag 11 februari 2015

1408, gothic aanklacht tegen de broodschrijverij

— Het Dolphin Hotel, de New Yorkse
versie van Wuthering Heights —
Er bestaat een Amerikaanse versie van de gothic novel. Die verhalen spelen zich niet af in oude, vervallen burchten, zo’n gebouwen hebben de Amerikanen nu eenmaal niet, maar ze hebben bijvoorbeeld wel hotels met honderd jaar op de teller en die evengoed de dreiging van zo’n gothic in zich dragen. Zo’n hotel is de Dolphin, waarin broodschrijver Michael (Mike) Enslin per se de te mijden kamer 1408 wil bezetten. De film, die in de titel alleen maar het kamernummer draagt, is, vind ik, van het mooiste wat het genre te bieden heeft. Je krijgt niet alleen koude rillingen, maar ook stof tot nadenken.
Mike is een Amerikaan: take the money and run. Zijn dochtertje is gestorven en hij kan daar niet mee om. Hij laat zijn vrouw, Lilian, achter, verdoet zijn tijd met surfen, drinkt, bergt zijn literaire ambities op en schrijft alleen nog prullaria; boekjes over spoken waarin hij zelf niet gelooft: 10 haunted Graveyards, 10 Haunted Lighthouses, 10 Haunted Hotels… Over die spoken is hij behoorlijk duidelijk: ze doen de kassa rinkelen. Tot de manager van de Dolphin zegt hij: You're playing a little game. You're selling the mystique. But eventually, we both know you're gonna give me the key and I'm gonna go up to the room and I'm gonna write my story and your bookings are gonna go up 50%.’
Lilian, de verlaten echtgenote, staat dan weer voor een merkwaardig Amerikaans idealisme. Ze heeft haar best gedaan om het doodzieke dochtertje te laten geloven dat er op dit leven nog een ander volgt en staat daarin recht tegenover Mike die een plat materialisme aanhangt. Hoe dwaas, want hij zou Lilians troostende woorden ook kunnen zien als een verlangen naar een betere wereld in het algemeen en voor hun dochter in het bijzonder. Is dat trouwens niet de betekenis die Marx aan het verschijnsel religie geeft? [D]e zucht van de in benauwenis verkerende mens, het gemoed van een harteloze wereld.’  Wanneer je dat Amerikaanse idealisme kunt doorprikken — wat op zichzelf al interessant om doen is — wordt de film veel meer dan een goed verfilmd spookverhaal; hij wordt dan een indrukwekkende aanklacht tegen de broodschrijverij. Want Mike weigert om de geschiedenis van zijn overleden dochter te boek te stellen (literatuur) en verdoet zijn tijd met het plegen van boekjes die nergens op slaan (pulp). 
Dat is evenwel niet altijd het geval geweest. Dat blijkt al vroeg in de film. Tijdens een signeersessie komt een jong meisje met een verfomfaaid boek aandraven: The Long Road Home, het debuut van Enslin. Duidelijk is dat ze er veel aan gehad heeft, maar Mike maakt haar ook meteen duidelijk dat hij dat soort niet-commerciële boeken ver achter zich gelaten heeft. Het meisje heeft nog een vraag. Is de daarin beschreven verhouding tussen de zoon en de vader op enige werkelijkheid gebaseerd? Mike ontkent, maar de film toont ons dat Mikes weigering om verantwoordelijkheid op te nemen ook de relatie met zijn vader verstoort. Die vader daagt in de film regelmatig als spook op om zijn zoon aan te porren het alsnog te proberen, en neen die vader neemt daarbij geen blad voor de mond: I never gave a shit because you are a bullshit writer.’
Kan het nog goed komen met Mike? Ja en neen. De titel van ’s mans debuut is daarbij niet zonder betekenis. Mike zou een lange weg moeten afleggen om weer thuis te komen, zowel in het huis van zijn echtgenote als in dat van de literatuur: ‘I lived the life of a selfish man. But I don't have to die that way.’ Hij steekt de vermaledijde kamer in de fik, sterft in de vuurzee en geeft daarmee de fakkel door aan Stephen King. 
Flor Vandekerckhove

maandag 9 februari 2015

Larissa Reissner, een remedie tegen de chick lit

— Larissa Reissner (1895-1926) —
In 1929 publiceerde de uitgewezen Russische revolutionair Leon Trotski zijn autobiografie. In 1930 werd het boek onder de toepasselijke naam Mijn leven in ’t Nederlands uitgegeven en die oude vertaling kunt u hier helemaal gratis van ‘t internet halen. Zelf heb ik dat ook gedaan, want er valt op elke bladzijde van dat boek wel iets te leren: dat Trotski machtig goed kon schrijven bijvoorbeeld, maar ook dat het boek opnieuw vertaald zou moeten worden, want een ‘voorrede’ schrijft men vandaag niet meer, ook niet als men vindt dat daarvoor ‘het rechte ogenblik’ aangebroken is. Wie evenwel doorheen al dat oubollige, houterige Nederlands kijkt, ontdekt een schatkist. Een van de schatten heet Larissa Reissner, een medestrijder waarvan Trotski lyrisch wordt: ‘Deze heerlijke jonge vrouw, die zo velen bekoorde, is als een vurige meteoor aan de hemel van de revolutie voorbijgetrokken. Aan het uiterlijk van een Olympische godin paarde zij een fijn ironisch verstand en de dapperheid van de soldaat. (…) Zij heeft vertellingen geschreven over de burgeroorlog, die in de literatuur zullen blijven voortleven. (…)’ Nou nou.
Ik struin het internet af en vind nog wel mannen die deze ‘Olympische godin’ bezingen. Karl Radek bijvoorbeeld, een minnaar, en Boris Pasternak (die van dr. Zhivago) die een gedicht aan haar wijdt. Van het net haal ik ook twee in het Engels vertaalde ‘vertellingen’ van deze ‘heerlijke jonge vrouw’. In de ene, Hamburg at the barricades, heeft ze het over de revolutionaire ontwikkelingen in Duitsland. De andere tekst, Svyazhsk, is iets ouder en beschrijft een episode in de Russische burgeroorlog.
Svyazhsk is de naam van een negorij in Rusland, de plek waar het Rode Leger halsoverkop terechtkomt nadat het van de Witten Kazan een pandoering van jewelste kreeg. Ik probeer enkele stukjes te vertalen. ‘Het was, geloof ik, de derde of de vierde dag na de val van Kazan dat Trotski in Svyazhsk aankwam. In het kleine stationnetje kwam zijn trein vast te zitten; zijn locomotief hijgde een beetje, werd ontkoppeld, vertrok om water in te slaan, maar kwam niet terug. De wagons bleven in de rij staan, even onbeweeglijk als de vuile stro rieten boerenhutten en de barakken die bezet werden door de staf van het Vijfde Leger. Die onbeweeglijkheid onderstreepte stilzwijgend dat het van hieruit nergens heen ging (…) Beetje bij beetje begon het fanatieke geloof echt vorm te krijgen dat dit kleine stationnetje het startpunt zou worden van een tegenoffensief op Kazan.’
‘Elke dag dat dit godvergeten, arme spoorwegstationnetje het tegen de veel sterkere vijand uithield, werd het sterker en steeg het vertrouwen. Van in den verre, van afgelegen dorpen in het hinterland, kwamen soldaten, eerst man per man, vervolgens kleine detachementen en uiteindelijk militaire formaties die in veel betere staat verkeerden.’
‘Ik zie dat Svyazhsk nu voor me, waar geen enkele soldaat ‘onder dwang’ vocht. Alles wat daar leefde en in zelfverdediging aan ’t vechten was —alles was verbonden door de sterkste banden van zelfdiscipline, vrijwillige deelname aan een strijd die bij de start zo hopeloos leek.’
‘Mensen sliepen op de vloer van het station, in vuile hutten vol stro en gebroken glas — zij hoopten nauwelijks op succes en vreesden daardoor niets. De speculatie wanneer en hoe dit zou eindigen interesseerde niemand. ‘Morgen’ bestond gewoon niet; er was alleen maar dit korte, hete, walmend stukje tijd: vandaag. En men leefde ernaar, zoals men in de oogsttijd leeft.’
Akkoord, Larissa Reissner Is de mindere van Isaak Babel maar dat is een onheuse vergelijking, want de meerdere van Babel moet nog geboren worden. Bovendien schrijft ze dit stukje in 1922, ze is pas 27, en staat dan al mijlenver boven de auteur van Vijftig tinten grijs
Chick lit is evenmin de passage waarin ze een nacht in dat stationnetje beschrijft: ‘En nooit hebben ze geleefd, niets weten ze van ’t leven, zij die nooit de nacht op de vloer doorgebracht hebben, in gescheurde en door luizen bereden kleren, daarbij almaar denkend hoe wondermooi de wereld is, oneindig mooi! Dat het oude hier omvergeworpen wordt en het leven met blote handen vecht voor de onweerlegbare waarheid, voor de witte zwanen van zijn verrijzenis, voor iets dat zoveel groter en beter is dan het stukje sterrenhemel dat we door het fluwelen duister van een venster met gebroken ruiten zien — voor de toekomst van de hele mensheid.’ Een stuk literaire non-fictie waarvan een mens alleen maar stil kan worden.
Flor Vandekerckhove

zondag 8 februari 2015

Balans & perspectieven (2)

Intussen werd het veiligheidsniveau aan de kust van 3 op 3,5 
gebracht. Ook joggers komen nu in 't vizier te staan.

Inmiddels is ’t dik drie jaar geleden dat ik deze blog opgestart heb. Daar valt een balans van op te maken. Ik heb dat trouwens al eens gedaan, wel, ik zal het ook in de toekomst doen wanneer er weer eens een nieuw stukje tot in de top tien geraakt, zoals dat nu enigszins onverwachts gebeurd is met het in memoriam voor Marcel Van Paemel.
In de voorbije drie jaar werd er meer dan 80.000 keer gekeken naar de 376 stukjes die ik alhier gepubliceerd heb. 142 mensen laten zich automatisch verwittigen wanneer er een nieuwe bijdrage verschijnt, 183 zijn lid van de site geworden en 626 internetgebruikers zeggen regelmatig de blog op te zoeken. Dat is allemaal verwaarloosbaar klein als je ’t met The Huffington Post vergelijkt, maar ’t is wel meer dan het publiek dat ik kon bereiken in de tijd dat ik papieren boeken in de winkel deponeerde.
Drie jaar is een voldoende lange periode om naar trends te speuren. Zo te zien schrijf ik bij voorkeur over onderwerpen die niemand anders het schrijven waard vind. In mijn blog zult u vruchteloos zoeken naar een commentaar op de betoging in Parijs waarin iedereen zei Charlie te heten, maar Ik heb wel over een merkwaardige betoging geschreven die in 1929 in New York is doorgegaan. Wanneer ik het over boeken heb, dan is dat vooral over werken die nauwelijks (nog) gelezen worden, zoals godbetert Isidoor van Aster Berkhof, waarover ik nochtans iets te vertellen heb dat u kan interesseren, iets over een duivenkot bijvoorbeeld. In de blog komen films, zoals Kes, aan bod die u lang vergeten ben, maar die mij bijgebleven zijn. ik belicht politieke strekkingen, zoals het trotskisme, die nauwelijks bestaan en waarmee ik me nochtans verwant voel; kunstenaars waar u in Het Laatste Nieuws zelden iets over leest, zoals die Serrano met zijn aanstootgevende werken. Ik plaats personen voor het voetlicht die daar volgens de meesten onder u niet thuishoren, zoals de cowboy Broncho John en ik haal herinneringen op aan mensen waaraan vandaag niemand nog denkt, zoals Oscar Vereecken. Ik schrijf over Bredene, een plek waar niemand anders over schrijft, toch niet op de manier waarop ik dat doe in het verhaal Wolvenkinderen, waarin ik herinneringen ophaal aan twee broers die enige tijd in die gemeente gewoond hebben; een stukje dat u echt eens moet aanklikken, want het werd veel te weinig bekeken, dus: Wolvenkinderen
Bij een balans hoort een debet- en een creditkant. Welke zijn de tekortkomingen? Uit de ontleding van de ‘pageviews’ leer ik dat ik voor de man in de straat schrijf. Zelfs wanneer ik me in de hogere regionen van de cultuur begeef, zoals deze bijvoorbeeld via James Joyce tot ons komen, gaat het om de man in de straat die het allemaal niet begrijpt. Dat heeft een sociologische reden: ik ben zelf een man in de straat. Da’s goed, want, zo zegde meester Blomme me destijds al: 'Ge zoudt beter opschrijven wat ge kent, in plaats van door het venster te kijken.' Tegelijk valt het mij echter ook op dat ik veel te weinig over vrouwen schrijf. Dat ikzelf geen vrouw ben mag, vind ik, geen excuus zijn. Ik neem me bijgevolg voor om dat in de toekomst meer te doen, over vrouwen schrijven, want mocht ook de vrouw in de straat mijn blog regelmatig beginnen consumeren dan verdubbel ik toch mijn lezerscorps.
Laat me eens kijken. Kent u Larissa Reissner, een vrouw die destijds velen kon bekoren? Neen? Hebt u ooit iets van deze spetter vernomen, een beeldschoon vrouwmens waarvan men destijds zei dat ze verhalen aan 't schrijven was die in de literatuur zouden voortleven? Neen? Dan moet die Larissa hier zeker een plek krijgen. Wie evenwel wil weten wannéér het in de blog komt, schrijft zijn/haar e-mailadres in het vakje dat bovenaan in de rechterkolom staat. Druk vervolgens op ‘submit’ en… hopla! Als premie krijgt u onderstaand lied aangeboden, een gratis meezinger (BTW-verhoging niet inbegrepen, maar deze tax shift kunt u dan weer deze sympathieke regering aanrekenen).
Flor Vandekerckhove

donderdag 5 februari 2015

In memoriam Marcel Van Paemel

Marcel Van Paemel, °Oostende 7 november 1948 - †Mariakerke (Gent) 30 januari 2015. (Foto JP Boentges)



We waren knapen en moesten aantreden in een toneelstukje. Wij stonden daar, om het met Guido Gezelle te zeggen, een beetje te hakkelen, haast ongeriefd nog van woorden, maar Marcel niet, hij bewoog over het podium als ware het zijn natuurlijke habitat. Van Paemel had een aangeboren talent: hij kon mensen entertainen.
Na de lagere school scheidden zich onze wegen. Marcel koos voor de hotelschool, maar hij koos vooral voor ’t leven. Hij was nog een tiener toen hij al op de Oostendse slipway schepen aan ’t kuisen was. We herinneren ons ook dat Van Paemel in de vismijn gewerkt heeft en op de maalboten; jobs die onlosmakelijk met onze streek verbonden waren.
In die tijd was Bredene ’s winters niet veel meer dan een negorij, maar in de zomer bruiste de duinenwijk als een stad. Het nachtleven werd er aangevuurd door een rist dancings met legendarische namen: Cosmo, King, Djinn…  Wij, teenagers, bewogen ons houterig over de dansvloer, maar Marcel niet, hij swingde de pannen van het dak. Over die tijd vertelt Jean-Pierre Boentges nog altijd met zichtbaar genoegen: ‘Ik werd dj in de Cosmo en toen ik door de concurrentie van de King weggekaapt werd, nam Marcel er mijn plaats in. Er is een vriendschap uit gegroeid die een leven lang stand kon houden.’
Marcel Van Paemel was een kenner van de popmuziek en een bijzonder goeie dj, hij kon, zoals gezegd, mensen entertainen. Hij trok van de ene draaitafel naar de andere en kwam zodoende in Gent terecht, in dancings van de toen vermaarde Kuiperskaai. Daar ging het hoog voor Van Paemel, zo hoog dat hij zich een appartement op de Kouter kon veroorloven, de duurste wijk van de stad. Maar het nachtleven was ook slopend. Marcel kon geen alcohol verdragen; met de drank ging het van kwaad naar erger en hij was nog geen dertig toen hij de fles al links liet staan. Met succes! Nooit zou hij nog een druppel alcohol aanraken. Wat dat betreft was hij voor velen een voorbeeld, ook voor mij. Zo hectisch als zijn jeugd geweest was, zo rustig werd zijn volwassenheid. In die tijd leerde ik hem ook beter kennen. Hij hield er een haast boeddhistische levensfilosofie op na: first things first, doe stille voort, maak je niet dik, pluk de dag… De rebel without a cause was een rustige dertiger geworden. Enkele keren zijn we samen vanuit Gent naar Bredene gereden, hij op bezoek bij zijn zuster, ik bij mijn ouders. Beroepsmatig bleef hij nog lang in de horeca actief en verwierf er een reputatie. Van hem werd gezegd dat hij een dood café weer tot leven kon wekken. Zei ik niet dat hij een geboren entertainer was? Aan dat entertainen had hij evenwel almaar minder behoefte en zijn leven werd nog rustiger dan het al was. Overdag kweekte hij cactussen, liep rommelmarkten af en knapte houten meubeltjes op. ’s Avonds sloeg hij een kaartje met het nachtvolk en ouwehoerde hij over popplaten met zijn muziekvrienden. Zijn beroepsloopbaan sloot hij af als hulp in een ziekenhuis.
Het bericht van zijn dood kwam onverwacht. Een bloedklonter had hem de das omgedaan. De jongste jaren hadden we nauwelijks nog iets van Marcel gehoord. Verwonderlijk was dat niet. Het internettijdperk had hij aan zich voorbij laten gaan. Een GSM? Had hij niet. Autorijden deed hij niet. Hij had zelfs geen vaste telefoon. Wanneer hij moest bellen, deed hij dat… bij de beenhouwer.
Ik zie dat Marcel Van Paemel met een kerkdienst begraven wordt. Daardoor herinner ik me opeens een gesprek dat we ooit samen over kerkdiensten voerden en waarvan me een zin bijgebleven is: ‘Ik kom alleen maar voor de muziek.’ Ik googel de term en kom uit bij een singeltje uit 1970, waarop ene D.C.Lewis Mijn gebed zingt, een tearjerker die de woorden bevat die we als Marcels levensmoto kunnen beschouwen: 'Ik kom hier alleen maar voor de muziek.' 
Flor Vandekerckhove

[In DLVuurtorenwachter dateert deze post van 2015. In 2022 redigeer ik hem opnieuw ten behoeve van de FB-groep Bredene Voor & Van Iedereen.]

dinsdag 3 februari 2015

Met vis leuren

De eerste vrachtwagen van de visleurhandel Pieters-Quagebeur. Voor de auto staat Hélène Maenhout, echtgenote van Richard Quaegebeur.

De jaren vijftig zijn voor de visserij gouden tijden. De aanvoer is massaal en de visconsumptie dringt door tot in de kleinste dorpen. Daarin spelen de visleurders een grote rol, want er wordt in die tijd nog veel op straat verhandeld. Visleurders, verkopers van vliegende blaadjes, rondtrekkende fotografen, soepboeren, Jehova’s getuigen, verkopers van encyclopedieën, scharenslijpers, ijsjesverkoopsters en voddenrapers… ze kruisen elkaar meer dan eens. 

Aan de kust schaffen vissers en vislossers zich een camionette aan en trekken er vol vis mee naar het binnenland. Eerst zijn dat er een vijftiental, maar het verschijnsel neemt snel toe. Het aantal wagens dat op die manier de vis distribueert wordt door kenners op 300 geschat. Er worden gouden zaken gedaan, maar de leurders krijgen dat goud niet voor niets. Richard Quaegebeur is bij de eersten
‘Het is niet zo dat we een gat in de markt vulden. De plaatselijke leurders die met groenten & fruit rondtrokken verkochten ook vis. Zij waren onze concurrenten. Maar de Oostendse visventers richtten zich op kwaliteit. Ons product was verser dan dat van de concurrentie, de waar werd goed 'afgeijsd' en zo kweekten we een trouw cliënteel.’
Het werk begint op maandagmorgen wanneer de vis in de mijn gekocht wordt. Die dag wordt de waar ook gekuist, gefileerd en afgeijsd in de wagen geladen. De leurders trekken op dinsdagmorgen, vier, vijf uur, ’t land in en ze komen niet terug voor het vrijdag is. Quaegebeur doet het enigszins anders: 
‘Op maandag en dinsdag bewerkten we onze vis. We vertrokken op woensdagnacht rond twee uur naar Limburg voor drie dagen. Van woensdag tot vrijdag leurden we daar van deur tot deur en in de vastentijd kwam daar ook nog de dinsdag bij. ’s Avonds kwamen wij rond tien uur toe op ons logement om de ‘s morgens om vijf uur alweer op te staan.’
In die tijd bestaan er nog afstanden. De autosnelweg begint pas in Jabbeke en stopt al in Aalst. De rest wordt via erbarmelijke wegen afgelegd, soms in de sneeuw, soms terwijl het aan ’t ijzelen is, veelal in de mist. Vlugger dan 60 km per uur gaat het nooit. De camionetten hebben geen verwarming, zodat men zich met dekens warm moet zien te houden. Raamontdooiing is er uiteraard evenmin en bij vriesweer smeert men de ruiten in met pekel.
Leuren is iets anders dan markten. Zo’n visventer komt toe in een of ander Waals dorp en begint daar om zeven uur aan zijn ronde. Met bel of claxon wordt er kabaal gemaakt. De leurdersvrouw loopt de straat af, belt aan elke deur en zegde in haar beste Frans iets als: ‘C’est le poisson’. Een sterk verkoopargument is ook: ‘On vient d’Ostende’. Dat gaat door tot acht uur ’s avonds, soms in verschrikkelijk slecht weer, straat na straat, almaar in en uit de wagen. Een boterham uit ’t handje etend om geen tijd te verliezen. ’s Avonds wordt er logement gezocht. Die zijn van allerlei aard, maar zelden comfortabel. Soms kruipt zo’n koppel onderkoeld in bed, met de kleren aan, maar slapen doen ze, uitgeput als ze zijn, onmiddellijk. En zo gaat dat door tot vrijdagmiddag. Als ’t weer meezit, komen de leurders die dag rond vijf uur thuis. In ’t weekend wordt de wagen gekuist en op maandag zijn ze alweer aan de slag.

[In DLVuurtorenwachter dateert deze post van 2015. In 2022 redigeer ik het stuk opnieuw ten behoeve van de FB-groep Oostende nostalgie.]