zaterdag 7 december 2019

Het leven is datgene wat tussen twee foto’s in zit



— De klasfoto dateert van 1959. Dat het groepje omrande knapen (zie ook inzet) naast elkaar staat is geen toeval: het zijn drie makkers, gezworen kameraden zelfs. Vandaag, zestig jaar later, zien ze elkaar weer. [Elders in de blog vind je ook stukjes over anderen die op de foto staan: Patrick Van Molle, Hugo Pauwels, Noël Denys, Chris Stuyts (†), Erik Poppe, Marcel Van Paemel (†), Dirk Berchmans, Jean-Pierre Boentges, Robert Devisch (†) en Louis Van Cleven (†) Voor de namen van die 34 jongens: klik hier. —]


We zijn tien jaar en we hebben een lijflied: ‘Wij zijn gezworen kameraden / Wij zullen elkander nooit verlaten / Wij zijn bijeen / En we blijven ondereen / Wij zullen elkander nooit verlaten.’ We zingen het, we menen het, we zweren het. Vast staat bijvoorbeeld dat we samen onze legerdienst gaan rondmaken. Dat heeft met een film te maken die we in de parochiezaal te zien krijgen, een komedie, waarin drie miliciens er een zootje van maken.
Het leven beslist er anders over, zelfs vroeger dan verwacht. Ivan Steen komt als veertienjarige in vaders loodgieterij terecht, Freddy tref je op die leeftijd al op Versluys’ bouwwerven aan en ikzelf begin aan een krinkelend winkelend levenspad dat me van hot naar her brengt. Ik denk niet dat we elkaar gedrieën nog samen gezien hebben.
In Bredene hebben we nu, zestig jaar later, voor het eerst weer afgesproken, Ivan Steen, Freddy Versluys en ik. Van de drie blijkt Ivan — Vaantje — degene te zijn die honkvast genoemd mag worden. Hij trouwt met een meisje uit de buurt, blijft de zaak ter plekke tot aan z'n pensioen uitoefenen en woont vandaag nog altijd in de wijk waar hij getogen is. In dat honkvaste verschillen we fel, maar Vaantje en ik hebben vandaag ook wel dingen gemeen: we zitten bijvoorbeeld graag in onze zetel.
Van de drie is Freddy ­— thans Fred(je) voor de vrienden — ongetwijfeld de succesrijkste. Hij somt pakhuizen, gronden en bouwprojecten op, heeft het over aantallen torenkranen en oldtimers, auto’s en moto’s. Verder onderscheidt hij zich van Ivan en mij doordat hij van geen ophouden weet, je moet hier maar eens kijken. (*)
Veel gezinsleven is aan Freddy niet besteed geweest, daarin lijken hij en ik dan weer op elkaar. Vaantje kijkt monkelend toe terwijl Fred en ik elkaar overtroeven met wilde verhalen over foute vrouwen die via ‘t bed in ons leven beland zijn. Neen, we moeten voor elkaar niet onderdoen, wat iets wil zeggen, al weet ik niet goed wat.
Nog verschillen en gelijkenissen. Fred volgt nog altijd van dichtbij de motorcross waarin hij destijds zo uitgeblonken heeft. Ivan en ik daarentegen hebben afgehaakt van het wielergebeuren dat we sinds Marcel Seynaeve gingen volgen, Ivan heeft dat later zelfs als actief bestuurslid gedaan bij de Duinensprinters, een legendarische naam voorwaar. Maar neen, die tijd is voorbij.
Ah, drie knapen, drie oud-makkers, drie verschillende levens die er drie verschillende mensen van gemaakt hebben. Terwijl het gesprek voortkabbelt vraag ik me af hoe de tafel er zou uitzien mochten we alle drie onveranderd gebleven zijn. Voor iemand met mijn fantasie is dat maar een kleine moeite, kijk ik heb er zelfs een foto van gemaakt.
Flor Vandekerckhove


Donderdag 5 december 2019. De drie makkers van weleer zien elkaar zestig jaar later weer. Van links naar rechts: Flor Vandekerckhove, Ivan Steen en Freddy Versluys. De rechterfoto toont ons hoe het beeld eruit had gezien mochten de drie onveranderd gebleven zijn. Tussen die twee beelden in zit… het leven.
(*), Wat je op die site te zien krijgt mag je niet verwarren met de veelbesproken projecten van zoon Bart. Bouwconcept Freddy Versluys is de onderneming die Freddy pas heeft uitgebouwd nadat zijn zonen op eigen benen verder gingen.

vrijdag 6 december 2019

Edgar Allan Poe blijft inspireren

— Edgar Allan Poe (°1809- †1849) —
De verhalen van Edgar Allan Poe lees je in je tienerjaren. Daarna is het te laat, tenzij je iemand bent die op latere leeftijd gothic kleren draagt. Toch blijft Poe een inspiratiebron. Wikipedia getuigt ervan: Edgar Allan Poe in popular culture somt ‘s mans invloed op in boeken en stripverhalen; Edgar Allan Poe and music doet hetzelfde voor de muziek en er bestaat ook een overzicht van de aanwezigheid van Poe in televisie en film.
Mij hebben de griezelverhalen van Poe nooit erg geënthousiasmeerd, wat niet geldt voor diens gedicht The Raven. Dat lees ik voor ’t eerst als ik dertig ben, vandaag lees ik het nog steeds. Dat komt doordat het gedicht veel tegelijk is: het is een klaagzang, maar ook grappig en ’t is een gegarandeerd succes als je ‘t bij een goedgedekte dis declameert.
Dat ik het nu nog lees komt ook door het boekje waarin ik het destijds ontdekt heb. Naast het origineel bevat dat drie Nederlandse vertalingen; strofe per strofe, naast elkaar. (°) Wat me telkens weer leert dat er veel manieren zijn om een gedicht te vertalen.
The Raven is lang, achttien strofes van telkens zes regels. De eerste regel luidt: Once upon a midnight dreary, while I pondered, week and weary … In de vertaling van John F. Malta wordt dat: In een nacht toen ’t buiten woedde, en ik peinzend, mat en moede … Gerard den Brabander leest dat alzo: Op een nacht, toen ‘k mat en moede peinsde, piekerde en broedde … En Bob den Uyl schrijft: Op een sombere midnacht, ’t stormde, ‘wijl ik moe gedachten vormde …
Daar zou ik een eigen vertaling kunnen aan toevoegen, maar ik ga dat niet doen. Ik zoek een ander gedicht, een korter, en plaats mijn vertaling ernaast. Mijn keuze valt op Alone, een gedicht dat, lees ik toevallig, Cindy Wright zomaar uit het hoofd kan declameren.
Flor Vandekerckhove


(°) Bob den Uyl. Hoe en waarom Edgar Allan Poe The Raven schreef en wat John F. Malta, Gerard den Brabander en Bob den Uyl met de vertaling van het gedicht deden, dit alles samengesteld, ingeleid en nabeschouwd door Bob den Uyl. 74 pp. Amsterdam Em. Querido’s Uitgeverij B.V. 1983.


woensdag 4 december 2019

Tom Liekens: schilder slaat terug

— Links een still uit de film Lust for Life (1956). Rechts een fragment van
het gelijknamige olieverfschilderij (2016) van Tom Liekens.
 —  
 

In juli leer ik het oeuvre van Tom Liekens (°1977) kennen. Daar heb ik her en der al over bericht. Een van de indrukwekkendste werken die hij me toont heet Lust For Life, ruim twee hoog, drie breed. De titel is niet origineel, lees ik. (°) Aan de oorsprong ligt een boek uit 1934, een geromantiseerde biografie van Vincent van Gogh. Het boek wordt in 1956 door Vincente Minelli verfilmd, met Kirk Douglas in de hoofdrol. (°°)
Tom Liekens meent dat boek en film er mee verantwoordelijk voor zijn dat de spektakelwaarde het wint van de betekenis van Van Goghs oeuvre. Dat raakt Tom Liekens diep, een kunstenaar heeft niet graag dat het artistieke geminimaliseerd wordt. Terwijl ik daar een beetje over nadenk realiseer ik me dat de kwestie tegelijk een interessante casus vormt van iets wat ons allen raakt: eigent de spektakelmaatschappij zich niet álles toe: ons werk, ons denken en zijn, onze blik, ons oordeel, onze levenswijze?
En dit is hoe een kunstenaar daar vervolgens mee omgaat. Liekens kiest een filmscène waarin kraaien de schilder belagen, terwijl die in open veld een tableau aan ’t maken is. Door er in zijn schilderij nóg meer kraaien aan toe te voegen, benadrukt Liekens de spectaculaire blik die ons via de filmindustrie opgedrongen wordt. Naar analogie met de male gaze, de vermaledijde mannelijke blik die ons zicht vertroebelt, mogen we die door Hollywood gestuurde blik misschien wel de spectacle gaze noemen. Er mag in elk geval over nagedacht worden: in hoeverre wordt onze blik door het spektakel vertekend, een spektakel dat in almaar toenemende mate over ons uitgestort wordt?
Flor Vandekerckhove

(°) Frank Herreman In Lust for life. Uitg. Stockmans, Duffel. N.a.v. de gelijknamige tentoonstelling van Tom Liekens in De Zwarte Panter in A’pen in 2016. 80 pp. © De Vrienden van de Zwarte Panter, Antwerpen, 2016.

(°°) https://www.imdb.com/title/tt0049456/




Luister er al naar op de podcast. Klik hier !

maandag 2 december 2019

De parabel van de kikkerkook

‘Hoezo, geef me een zin?‘ vraagt mijn ouwe maat Johan. (°) ‘Wel’, antwoord ik, ‘Kikkers mogen nooit in kokend water gegooid worden. Zo luidt de openingszin van het kikkerkookhandvestEn de twee daaropvolgende zinnen gaan alzo: kikkerkookwater moet haast onmerkbaar traag aan de kook gebracht worden. Bovendien dient het te gebeuren in kikkerkookketels die vooraf uitgetest worden op hun kikkerkookvriendelijkheid.’
Dat antwoord heeft Johan niet verwacht, maar kikkers kennen die tekst wel, ’t is een verworvenheid van het kikkervriendelijke koken. Ook
kokers kennen die tekst, hij vormt de basis van de kookidentiteit, een cultuur gebaseerd op het welbevinden in de kikkerkookketel. 
Dankzij het handvest verloopt het koken in overeenstemming met algemeen aanvaarde kikkerkooknormen & -waarden. De kikkers ervaren de langzaam toenemende warmte in de kikkerkookketel als zijnde weldadig, wat de kokers toelaat hun werk sereen uit te voeren. Kokers tevreden, kikkers tevreden. Vandaar het gezegde: de pan in swingen.
Toch zijn er kikkers die niet gekookt willen worden. ’t Is een kleine minderheid, maar ze brengen de kikkerkookvrede wel in ’t gedrang. Ze zijn luidruchtig en opstandig, ze gedragen zich helemaal niet zoals de kokers dat van hen verwachten, ze hebben geen manieren. Ons gesprek kabbelt voort. 'En', vraagt Johan, 'waarom hebben ze eigenlijk zo’n geel hesje aan?'
Flor Vandekerckhove


(°) Het verhaal werd in gang gestoken door de zin die Johan D’hondt me opstuurde. Zijn zin was een instinker. Hij zei: ‘Hoezo, geef me een zin?’ Hij deed dat in het kader van een experiment dat ik in april aanvatte. Daarbij vroeg ik lezers of ze me een zin wilden geven. In ruil beloofde ik een verhaal. Meer erover staat hier. En weet je wat? Je kunt nog altijd deelnemen en me je zin opsturen.

vrijdag 29 november 2019

Delphine Lecomptes surrealistisch naturalisme


Als ik een gedicht lees, denk ik er altijd de dichter bij, ik kan daar niets aan doen. Bij mij schrijft Charles Bukowski altijd in een morsige caravan, Bernard Dewulf nipt altijd zuinig aan een koffie, Paul Verlaine aan zijn absint, James Tate zit voor het grote raam van ’t Lijsternest (ik weet ook niet hoe hij daar komt), Eileen Myles doet het op straat, Peter Holvoet-Hanssen is steevast op weg naar een tevreden klant, Hervé Casier verschuilt zich in Warvinge, Charles Simic staat in de kelder naast het kuisgerief, Delphine Lecompte dwaalt kletsnat door de regenstraten van Bruges-la-morte …
Van Lecompte ben ik nu Vrolijke verwoesting aan ‘t lezen, haar jongste. Daar valt zoveel over te zeggen dat ik de weg kwijt raak. Over de kaft bijvoorbeeld, die ons vooraan The Barn toont, een indrukwekkend schilderij van Paula Rego: naturalisme van lang na het naturalisme. Op de achterflap staat een foto van meester Vanfleteren: portret van een wenende Delphine. Vooraan en achteraan: het leven is ellende. En daartussen zit de wereld van dichter Lecompte, getekend door het surrealistisch naturalisme; een door mij bedachte term waarbij u zeker de wenkbrauwen mag optrekken. Dat naturalisme wordt me door de twee flapbeelden opgedrongen, waar surrealistisch vandaan komt vertel ik straks.
Op de binnenzijde van die kaft staat een wervende tekst die als volgt eindigt: ‘wie één zin leest, zal zich niet meer kunnen losmaken uit dit fantastische universum.’ Wat spijtig zou zijn, want een mens moet zich bij tijd en wijle wel van Lecompte losmaken, zoniet gaat de opeenstapeling van morbide leeuwentemmers, dorre tapijtenweefsters, profetische glasblazers, norse lamaverzorgers, sluwe touwslagers, analfabetische jongenshoeren, verdorven sponzenverkopers, ijdele taxidermisten, bedeesde zeepzieders en weke anesthesisten je al eens op de zenuwen werken. Mijn frank valt vlak voor ik opschrijf dat Delphine de koningin van het adjectief is. Gelukkig doe ik dat niet, maar wees gewaarschuwd: Lecompte consumeer je mondjesmaat.
En nu: surrealistisch. De eerste term van mijn surrealistisch naturalisme valt me te binnen terwijl ik Everzwijnvlees en nachtegalen lees. In de paradijselijke omgeving van een kasteel speelt de dichter badminton met de mystieke chrysantenkweker. Een huilende baby verstoort de sfeer: ‘In de laatste kamer staan een wieg en een vogelkooi / De wieg is gevuld, de vogelkooi is leeg  / Ik knip mijn vingernagels en gooi de nagels in de vogellooi / Het zou mooi zijn mochten mijn nagels nachtegalen worden / Ik neem de baby in mijn armen, zijn hoofd is een verbodsteken.’ Als dat geen surrealistisch tableau is weet ik het ook niet meer. Het laat me aan Leonora Carrington denken, zozeer zelfs dat het me verwondert dat ik nergens op ’t net een Carringtonschilderij vind waarop het tafereel van Delphine voorkomt. Het gedicht gaat verder. De baby komt om, de dichter begraaft het kind, uiteraard ‘in de oksel van de vermoorde landmeter’. Waarna ze in slaap valt. En daar geschiedt het wonder van de kunst die alles mogelijk maakt: de geknipte vingernagels van de dichter zijn waarlijk tot leven gekomen, dat moet het dode kind zeker zien: ‘wakker graaf ik de baby op om hem de tien nachtegalen te tonen.’

Flor Vandekerckhove

Delphine Lecompte. Vrolijke verwoesting. Gedichten. 2019. Uitg. De Bezige Bij A'dam. 160 pp.


— Luister naar de stand van zaken. klik hier !

woensdag 27 november 2019

In de Grote Ruutten

Wie het huis kent, begrijpt de titel wel. Alle zichtbare buitenmuren bestaan uit vensterramen, met daarin ruiten, in Oostende ruutten. Ik heb eerder al een stukje over dat huis geschreven — waar eertijds een fietsenhandel was, vandaar die vitrines —, u moet maar eens kijken naar Tina en de slang.
Wie nu binnen kijkt ziet beeldhouwwerk van Bart Soubry en aan de muren hangen doeken van Trui Bernaert. Niet lang meer, want op zondag 1 december is ‘t finissage van die tentoonstelling.
U moet dan eens komen, ook omdat de Ostend Social Club Avondgenoegen er optreedt, zoals blijkt uit onderstaande reclame. Wat die advertentie niet zegt is dit: tijdens dat optreden is er ook een première. Avondgenoegen brengt daar voor het eerst zijn antikerstpoëem 2019 ten gehore: De sprietvink en de zelflikkende poes. U zult het daar zien & horen declameren door de dichter zelve, op muziek van componist-pianist Dimer Geedts. Die uitvoering grijpt plaats nog voor deze blog het gedicht kan publiceren, want er wordt nog gewerkt aan de punten en komma’s. Ook vandaag repeteert Avondgenoegen naarstig verder om mijn woorden op een lijn te krijgen met de noten van de componist. Hoever het duo daarmee staat kunt u horen op de podcast, die haast dagelijks de stand van zaken bijwerkt: klik hier.

Flor Vandekerckhove

— U kunt Ostend Social Club Avondgenoegen boeken: liefkemores@telenet.be

maandag 25 november 2019

Joker, hoe een superschurk de waarheid spreekt

De Verenigde Staten kennen tal van uitgevers van comics, Marvel en DC-comics zijn de grootste. Die strips overspoelen ook de bioscopen, denk Batman & C°. Ze vormen een apart filmgenre, net als de western, de griezelfilm en de film noir.
Regisseur Martin Scorsese vindt die reeksen superheldenfilms — marvelfilms — maar niets. Cinema is, zegt Scorsese, een kunstvorm. De visie van een kunstenaar hoort daarin centraal te staan. Bij dat soort producties is dat geenszins het geval: ‘Vele zijn goed gemaakt door teams van getalenteerde individuen. Ze missen echter iets wezenlijks voor cinema: de verenigende visie van een individuele kunstenaar. Omdat de individuele kunstenaar natuurlijk de meest risicovolle factor is.’
Ken Loach is het daarmee eens: ‘Ik vind ze saai. Ze zijn gemaakt als handelswaar ... zoals hamburgers ... Het gaat om (…) handelswaar die winst oplevert voor een groot bedrijf - het is een cynische oefening. Ze zijn een oefening op de markt en het heeft niets te maken met de kunst van de cinema.’ Ook Francis Coppola is die mening toegedaan: ‘Wanneer Martin Scorsese zegt dat de marvelfilms geen cinema zijn, heeft hij gelijk, omdat we iets van de cinema verwachten te leren, we verwachten iets te bereiken, enige verlichting, enige kennis, enige inspiratie.’
Tot voor kort ben ik er nooit in geslaagd zo’n ‘marvelfilm’ uit te kijken; saai, inderdaad. Maar nu heb ik Joker gezien, de prent die ons toont hoe Batmans aartsvijand de slechterik geworden is die hij is. (°) En ik heb waarlijk genoten. Misschien is ‘t geen kunst in de visie van Scorsese, maar Scorsese kan niet ontkennen dat het een product van de verbeelding is. Het mag de makers alleenlijk om de dollars te doen zijn, toch heeft ook hun verbeelding — zoals elke verbeelding — een intuïtief kantje dat aan het kapitalisme ontsnapt. Waardoor de film waarheden belicht die misschien niet door de makers bedoeld zijn, en zeker niet door de financiers.
Wat de film ons toont is dit. Arthur Fleck wordt niet als Joker geboren, hij bezit niet de supernatuurlijke macht die helden uit de comics eigen is, hij is evenmin in een vat met chemicaliën gevallen, zoals dat in een van de papieren strips wel het geval is. Wat gebeurt er dan wel? Een mens, Arthur Fleck, verandert in de Joker door de maatschappij waarin hij gedijt. Hij ontspoort niet door een kwalijke insectenbeet of door enige planetaire straling; neen, hij ontspoort door de uitzichtloze maatschappelijke situatie. In het concrete geval van Arthur Fleck gebeurt het ook doordat zijn medicatie hem ontnomen wordt. Hij is overduiidelijk het product van de besparingspolitiek die hoe langer hoe meer ons deel wordt. De sociale assistente die hem begeleidt wordt ontslagen: besparingen. Ze zegt: They don't give a shit about people like you, Arthur.’ En daar voegt ze meteen aan toe: ‘And they don't give a shit about people like me either. De film toont ons in talrijke scènes hoe het neoliberalisme opstandige figuren als de Joker creëert: They think that we'll just sit there and take it, like good little boys! That we won't werewolf and go wild!’ Dat dacht ik ook niet, neen.
Flor Vandekerckhove

[Dit stukje verschijnt ook in Snapshots. Tijdschrift van de Vlaamse filmpers.]

(°) Strict genomen is Joker (2019) geen ‘marvelfilm’. Joker is een vileine figuur die voorkomt in de Batmanstrips van DC-comics, naast Marvel een van de grootste spelers in het veld. We mogen er, denk ik, van uitgaan dat de kritiek van Scorsese & C° evengoed op de verfilmingen van die DC-strips slaan.

zaterdag 23 november 2019

Herinneringen aan Robert Devisch


— Voor me ligt een klasfoto uit de tijd dat ik in Bredene Duinen lagere school loop: 1959. Over elk van die jongens valt wel een verhaal te vertellen. 
Dat geldt ook voor Robert Devisch. —




Bij meester Blomme zitten samen in één lokaal: leerlingen van het vijfde, zesde, zevende en achtste leerjaar. Ik kijk hier naar de namen van die 35 jongens, en maak me de bedenking dat over elk van hen wel een verhaal te vertellen valt. Van sommigen heb ik dat al gedaan. In de blog vind je stukjes over Patrick Van Molle, Hugo Pauwels, Noël Denys, Chris Stuyts (†), Erik Poppe, Marcel Van Paemel (†), Dirk Berchmans, Jean-Pierre Boentges en Louis Van Cleven (†). Vandaag voeg ik er eentje aan toe.
Van Robert Devisch herinner ik me dat hij het later zonder succes in de wielrennerij probeert. En wat ik me ook herinner is dat hij bij Roland Inghelbrecht in de leer gaat om bromfietsen te repareren.
Op mijn zestiende krijg ik zelf een brommer, een occasie. Het ding is zo oud dat er altijd wel iets aan mankeert. Vandaar dat ik Robert thuis opzoek om de bromfiets op punt te zetten: ‘Hij zal als nieuw zijn.’
Dat valt tegen. Wanneer ik mijn brommer ophaal blijkt de motor geen compressie meer te maken. De bromfiets rijdt alleen nog stapvoets, hij is waardeloos geworden. Toch betaal ik Devisch iets voor het geleverde werk, de jongen is 't nog aan 't leren, hij heeft zijn best gedaan en ik heb een beetje compassie met hem.
Om de hoek bots ik op Marc Loy aan wie ik de brommer voor een schijntje verkoop, waardoor ik het geld van de mislukte herstelling recupereer. Marc, die van niet beter weet, rijdt trots maar stapvoets naar huis, waar men hem het begrip miskoop bijbrengt. Tot vandaag blijf ik hopen dat hij het me vergeven heeft en dat hij het gebeuren als een levensles heeft kunnen plaatsen. Dat laatste heb ikzelf trouwens ook gedaan. Ik heb me die dag de woorden van de oude Cicero toegeëigend: ‘Alles wat handel heet, is een fatsoenlijk mens onwaardig omdat de kooplieden geen winst kunnen maken zonder te liegen.’ 
Terwijl ik een passend einde voor dit stukje aan ’t bedenken ben, speur ik het net af naar sporen van Robert Devisch. Het is Norbert Olders die me weet te melden dat Robert enkele jaren geleden overleden is. Waardoor dit stukje onverwachts een in memoriam wordt.

Flor Vandekerckhove

donderdag 21 november 2019

Palet in gruzelementen, tafel in de fik, balletje de ruimte in

Mijn schrijfpraktijk lijkt wel een pingpongspel. Het balletje gaat over en weer; je ziet het — ping! — aan deze kant van de tafel, dan weer — pong! — aan gene. Nu kan ik hier nog duizend woorden aan toevoegen, maar ik ga dat niet doen: duizend woorden is tegen mijn poëtica, pingpong volstaat.
Ik zie het ook in het fotografisch werk van Marie-Thérèse De Clercq. (°) Het ene werk is ping, het andere pong. Waardoor ik me afvraag of ik het mag veralgemenen. Worstelt elke creatieve mens met de dialectiek die ik zo oneerbiedig pingpong noem? Is het oeuvre van de kunstenaar de rapportage van een pingpongspel; verslaggeving van iets wat voortdurend in beweging is? Heen en weer en weer heen? Pingpong waarvan Beckett zegt: ‘Geprobeerd. Gefaald. Maakt niet uit. Probeer opnieuw. Faal weer. Faal beter.’
En opeens sta je voor iets wat zo evident is dat het nooit eerder gezien werd. Proef die formulering, ik ben er trots op: iets wat zo evident is dat het nooit eerder gezien werd. Voorwaar een merkwaardig moment, zowel in het leven van de kunstenaar als van de toeschouwer: het balletje krijgt een mep die het in een baan om de aarde slingert, het palet versplintert, de tafel staat in de fik; these (ping) en antithese (pong) zijn overstegen, opgeheven, vernietigd.
Little Boy in the Frontline van Thérèse De Clercq is zo’n werk. Zelf zegt ze erover: Ergens onderweg een oud klein kerkje binnengestapt en plots werd m’n aandacht getrokken door een oude stenen muur met vlekken, waarin ik de beeltenis van een kleine jongen ontdekte.’ Ze spreekt over ‘toeval’, anderen zullen ‘intuïtie’ zeggen of ‘instinctief inzicht’; het is de krak in de spiegel, de barst in het bastion, de plek waar kunst ontstaat. Vlam: palet in gruzelementen, tafel in de fik, balletje de ruimte in.
Ik waar nog een wijle rond in de galerie en stoot op een gedicht dat Véronique Djanga schrijft bij een andere foto van De Clercq. (°°) Kijk, dat kan ik nu niet laten zie: ik leen een passage uit Djanga’s gedicht en plaats dat stukje ongevraagd naast De Clercqs Kleine jongen. De combinatie wordt een werk zonder titel. Ik plaats er een denkbeeldig bordje met uitleg bij: ‘Palet in gruzelementen, tafel in de fik, balletje de ruimte in.’
Flor Vandekerckhove


(°) Werk van Marie-Thérèse De Clercq is nog tot 15 december te zien in De Casino, Stationsstraat 104 in Sint-Niklaas.  Open van woensdag tot vrijdag vanaf 16 uur en in het weekend vanaf 14 uur. (°°) Daar is ook Zelfbeeld te lezen, het volledige gedicht dat de Franstalige Véronique Djanga maakte voor de gelijknamige foto van De Clercq; met daarnaast een mooie Nederlandse vertaling van Dora Vande Velde.