zondag 25 oktober 2026

Op reis krijgt elk dorp zijn verhaal

Net wanneer ik met lege handen het dorp verlaat, snelt het surrealisme-light me te hulp. Aan de graskant word ik plotsklaps getuige van een historische schaakpartij.

IN HET NORMANDISCHE MATHIEU ga ik op zoek naar een gebouw met een verhaal, een gebouw dat château heet, mesnil of manoir. (°) Er is daar bijvoorbeeld een chateau du Mesnil, kasteel dat me bijzonder interesseert omdat het château en mesnil combineert. Het gebouw torst enige geschiedenis en is nog altijd in privébezit. Waarbij een mens zich afvraagt: zijn de eigenaars ook de bewoners? Hebben ze historische rechten of is 't nouveau riche? Misschien kan ik aanbellen en het eens vragen. Helaas pindakaas, al wat ik in Mathieu vind is een inspiratieloze chemin du Mesnil. Geen château die du Mesnil heet, geen manoir, niemendal. Ik verlaat het dorp met lege handen. 
Vlak buiten Mathieu vind ik dan toch iets. Ik zet de auto aan de kant, negeer de afsluitende ketting en begeef me te voet naar de oprijlaan van wel vijfhonderd meter lang. Daar houdt een bord ‘Chiens dangereux’ – meervoud! – me toch nog tegen. Op die afstand kan ik het gebouw nog steeds niet beoordelen. Manoir? Mesnil? Château? Hoor ik in de verte de honden al blaffen? Of is dat mijn verbeelding?
Eens ik me dingen begin in te beelden is er geen houden aan. De graskant verandert in een imaginaire ontmoetingsplaats. Voor mijn ogen ontplooit zich een schaakpartij tussen Marcel Duchamp en John Cage. (°°) Alexina Duchamp kijkt toe. De twee spelen de partij op een electronisch bord, ontworpen door Lowell Cross. Elke zet activeert geluiden en wijzigt de livemuziek. Waardoor mijn bezoek aan Mathieu toch nog een verhaal oplevert. 
Flor Vandekerckhove⇲

(°) Een château heeft torens en een toegangspoort, het kan een pigeonière hebben, omwallingen en een ophaalbrug. Het is van de hogere adel. Een manoir is het landhuis van een rijke burger of lagere edelman. Een mesnil is een landgoed of gehucht, centrum van landbouwgrond, ik weet niet zeker of het ook een gebouw is, een herenboerderij bijvoorbeeld (Google krijgt ‘mesnil’ niet in ’t Nederlands vertaald). Het AI-overzicht zegt: ‘Le mot mesnil (ou ménil, maisnil) désigne, en ancien français, un domaine rural, une petite ferme, une maison de campagne ou un hameau.' Wat ik rondrijdend in Normandië leer is dat de termen te combineren zijn. Zo is er in Mathieu een château du Mesnil dat ik weliswaar niet heb kunnen vinden. 
(°°) Deze legendarische schaakpartij, getiteld Reunion, vond plaats op 5 maart 1968 in het Ryerson Theatre in Toronto, Canada. Het optreden begon om 20,30 uur 's avonds en duurde tot ongeveer 01,00 uur ’s nachts. Het was tevens het allerlaatste publieke podiumoptreden van Marcel Duchamp, die zeven maanden later overleed. De foto die ik schaamteloos inpik om die schaakpartij naar mij toe te halen is van Shigeko Kubota.

zaterdag 24 oktober 2026

Twee miljoen, dat moet je verdienen, elke dag


OOIT VERDIENDE IK een bete broods in de reclame, waardoor ik blijvend oog kreeg voor zo’n dingen. Daardoor ook komt het dat ik me een warenhuisslogan uit 1989 herinner: ‘Twee miljoen klanten dat moet je verdienen, elke dag.’ De legendarische reclameslogan werd voor de Belgische supermarktketen GB bedacht door de Franse reclameman Georges Chetochine. De slogan benadrukte de dagelijkse inzet die nodig is om een grootschalige toestroom van klanten te behouden in een sterk concurrerende retailsector.
Daar moet ik weer aan denken, nu hier bezijden te lezen staat dat De Laatste Vuurtorenwachter inmiddels meer dan twee miljoen page views telt – niet weinig voor de literaire blog van een minor writer – waardoor ik me de warenhuisslogan mag toe-eigenen, zeggend: Twee miljoen paginaweergaven dat moet je verdienen, elke dag.
Al die mensen komen niet zomaar naar je blog, het internet is zo groot, druk, snel, wijd, diep, breed, lang, hoog, vol, dik & ver dat je hen moet weten te lokken. Daar komt de ervaring in de reclame me goed van pas. Reclame is als fietsen, eens je ’t kunt, gaat het nooit meer weg. 
Het Visserijblad⇲ waarvan ik in 1988 de uitgever-redacteur werd, had geen reclamebudget, maar ik wist wel hoe je ‘t journaille kon bespelen. Dit is wat Michel Follet⇲ bijvoorbeeld zei, wanneer Humo hem op 12 maart 1992 interviewde. ‘Ik heb ooit iets willen maken over mensen die hun leven bewust een andere wending laten nemen: ik ken iemand van een jaar of veertig die in een reclamebureau werkte en werkelijk zákken geld verdiende; van de ene dag op de andere heeft hij zijn carrière opgegeven en is hij teruggegaan naar zijn geboortestreek, de kust. Daar geeft hij nu een blaadje over de visserij uit en voor de rest leeft hij van het bestaansminimum. Inmiddels heeft hij ook een roman geschreven. Zulke mensen interesseren mij.’ Het is niet allemaal juist, wat Pollet daar over mij beweerde, maar het stond toch zwart op wit in HUMO. 
Flor Vandekerckhove⇲

Morgen op dit scherm: een licht surrealistisch reisverhaal dat zich afpeelt in Mathieu, dorp in Normandië.

vrijdag 23 oktober 2026

Ze was ‘net zo thuis in het melken van een koe als in het gemeentehuis.’

Links: Élise Cagniard (1890-1976). Rechts: gemeentehuis van Périers-sur-le-Dan.

IN PÉRIERS-SUR-le-Dan (587 inwoners) positioneer ik me voor het gemeentehuis. Élise Cagniard (1890-1976) was er burgemeester van 1944 tot 1953. Ze was ook de eerste vrouwelijke burgemeester van Frankrijk. Op 18 november 1944 trad ze toe tot de gemeenteraad, waarin ze ter vervanging van geschorste of afgetreden leden tot burgemeester werd gekozen. Dat was nog voor vrouwen gemeentelijk stemrecht hadden. Bij de verkiezingen van 17 mei 1945 mochten vrouwen voor ’t eerst meestemmen. Cagniard werd toen in haar functie bevestigd. 
Voor ze lid werd van de gemeenteraad, was ze al actief in het dorp. Mademoiselle Élise, zoals de dorpelingen haar noemden, verleende zorg, gaf injecties, stond vrouwen bij tijdens de bevalling en in hun laatste levensfase. ‘Tante Élise voelde zich net zo thuis bij het melken van een koe als in de gangen van het gemeentehuis,’ zei haar nicht. In 1912 overleed Élises moeder en de 22-jarige nam de zorg voor haar broers en zussen over en ook de leiding van de boerderij, waar toen twaalf mensen werkten. 
Een krant van april 2015 meldt: ‘Tot op de dag van vandaag is er in het dorp geen gedenkplaat of straat naar haar vernoemd, de eerste vrouwelijke burgemeester van Frankrijk. Inwoners hebben hun bezorgdheid geuit en er zijn gesprekken gaande met de familie en de burgemeester om deze omissie recht te zetten.’ Zodra ik thuiskom kijk ik eens op Google Maps om te zien of het euvel intussen al verholpen werd. (°)
Flor Vandekerckhove⇲

(°) Wat blijkt? Nee, er bestaat in Périers-sur-le-Dan (nog steeds) geen straat die naar Élise Cagniard genoemd werd. Er is wel een plakkaat, zegt ChatGPT, dat aan haar herinnert. Het herdenkingsbord voor Élise Cagniard bevindt zich op de gevel van het gemeentehuis. Wel wel wel, ik ben daar geweest, maar goed opgelet heb ik blijkbaar niet.

donderdag 22 oktober 2026

Mijn kleine bijdrage tot het debat over het scholierenprotest

Links: Marc Celis leidt op 13 oktober 2019 een concert met Sint Rikierskoor en barokensemble Les Îles Flottantes. Rechts: flik met schild leidt op 17 oktober 2026 verkeer in de war (eigen foto).

ERG GOED KEN ik Oostendenaar Marc Celis niet, maar ik ken hem wel een beetje. In 2012 werden we samen geïnterviewd naar aanleiding van een creatie waarvoor hij muziek schreef en ik de tekst. Sindsdien volg ik zijn FB-pagina. Daar zie ik nu dat hij aan het geklaag deelneemt over winkeldieven & casseurs die militante scholierenbetogingen vervoegen. ‘Klagers zijn er genoeg’, reageer ik op zijn post, ‘maak er liever muziek van.’ Daarna valt het me te binnen dat ik beter voor eigen deur veeg. Heb ik dan al een verhaal over dat scholierenprotest geschreven? Als ik de componist aanmaan om er muziek van te maken, moet ik dan niet eerst mijn eigen ding doen?
En dat terwijl ik zaterdag in Cherbourg zelf getuige van de gebeurtenissen was. Daar stonden Tania en ik toe te kijken hoe flikken-met-schild aan deze kant van de brug het verkeer in de war stuurden. Ze wilden niet met ons op de selfie, maar we konden er in ’t geniep toch een op de foto krijgen. Over de brug stappend verwachtten we het ergste. Stond het stadhuis al in de fik? Waren er al sneakerwinkels geplunderd? Liepen we recht in de armen van het black bloc? Niets van dat alles. Wat we aan gene zijde van die brug zagen, waren vijftien demonstrerende jonge tieners die auto’s alleen lieten passeren als de chauffeurs ten teken van solidariteit claxonneerden. Veel lawaai, dat wel, maar toch vooral hartverwarmend voor een oude trotskist als ik. 
Mijn handpalmverhaal verschilt van heel die berg geklaag op Facebook, zoiets lees je evenmin in kranten die er hun verkoop mee aanzwengelen. Het is gewoon wat ik zelf kon zien, het is mijn verhaal. 't Is misschien niet veel, maar een mens doet wat hij kan. Mocht u zich door die eenvoud politiek tekortgedaan voelen, dan heb ik wel nog iets liggen, ge moet zelf maar eens kijken.
Nu voel ik aan mijn water dat ik nog iets moet zeggen over de plunderaars waarover Marc Celis zich zo opwindt. In 2019 ging ik naar Joker kijken. Ik schreef toen Hoe een superschurk de waarheid spreekt, een recensie voor Snapshots, Tijdschrift van de Vlaamse filmpers. De sociaal assistente die in die film Joker Arthur Fleck begeleidt, zegt: ‘They cut our funding. (…) They don't give a shit about people like you, Arthur.’ En daar voegt ze meteen aan toe: ‘And they don't give a shit about people like me either.’ Ik herinner me nóg een toepasselijk stukje tekst uit de film. Zegt de Joker tot een TV-presentator: ‘They think that we'll just sit there and take it, like good little boys! That we won't werewolf and go wild!’ En kijk.

woensdag 21 oktober 2026

Op reis, in de voetsporen van Georges Simenon

Links Georges Simenon bij de bouw van zijn jacht. Rechts: op de achtergrond, nauwelijks te zien, de vuurtoren van Ouistreham. Naast mij een bronzen Aristide Briand.

IN OUISTREHAM LOOP ik in de voetsporen van Georges Simenon. De Belg toeft daar in de tweede helft van augustus 1931 en enkele dagen later nog eens in september/oktober. Ik fotografeer de vuurtoren die ook hij gefotografeerd heeft. Ik kan u Simenons foto zelfs tonen, maar diens zoon, John, eist iets te graag zijn copyright op, dus fotografeer ik die vuurtoren zelf. Mijn eigen vuurtorenfoto trekt op niet veel, maar heeft als plus dat er ook een nobelprijswinnaar op te zien is. Ge moet zelf maar eens kijken waarmee Aristide Briand zijn sporen verdiend heeft. 
Simenon kent de streek goed. In 1929 laat hij er l'Ostrogoth bouwen, zeilboot waarmee hij in de herfst van 1931 in Ouistreham afmeert. Lang is hij met die boot toch niet in de weer geweest, het jacht wordt op 3 november alweer verkocht. Wat bij mij een gezegde oproept: de eigenaar van een boot kent twee keer de gelukkigste dag van zijn leven, de dag dat hij de boot verwerft en de dag dat hij de boot verkoopt.
’t Is niet dat Simenon de zee moe was. Dit is wat ene Michel Carly daarover zegt in Une oeuvre tres salée: ‘De zee zat hem in het bloed en nu zou hij haar onder ogen zien. Dit zou een reeks personages inspireren: zeelieden, avonturiers, navigators. Simenon was een man van het Noorden, met Vlaamse wortels. Hij voelde zich aangetrokken tot havens, wadden en stormen. Deze aantrekkingskracht zou hij doorgeven aan Maigret. (...) Hij was een avonturier, altijd in beweging; hij was niet zomaar een weekendzeiler. Hij charterde een driemastschip en stak de hele Middellandse Zee over, in de traditie van Odysseus' reis.’ 
In Ouistreham creëert Simenon de setting voor Le Port des Brumes (1932), een Maigret-verhaal. Het boek zelf, in ’t Nederlands vertaald als Maigret in de mist, schrijft hij daar niet, dat doet hij in februari 1932 aan de Franse Rivièra. 
Misschien is dat wel iets voor een lange winteravond, Maigret in de mist lezen, met mijn voeten op de poef en een dekentje over de benen, en me dan Ouistreham herinneren zoals ik het in de herfst heb leren kennen. Ge ziet, ik ben al in stemming. Of de film bekijken, dat kan ook, die staat op YouTube. (°)
Flor Vandekerckhove⇲

(°) Georges Simenon. Maigret in de mist. 1980. Uitgeverij Bruna & Zn. 192 p. Er wordt ook twee keer een televisiefilm van het verhaal gemaakt. Die van 1996 is hier te zien. Simenon doet nog meer in Ouistreham, hij schrijft er La Danseuse du Gai-Moulin en La Guinguette à deux sous.

dinsdag 20 oktober 2026

Flanagan’s Oostende: ’Een tijdperk van plezier is ten einde.’


EERST DENK IK dat het over Flanagan’s zal gaan, Irish pub in de Oostendse Langestraat. Ooit heb ik daar een bezem geleend om de confetti voor de deur bijeen te vegen. Dat wil ik nu overdoen in een verhaal. Daarna herinner ik me dat het verhaal al bestaat. Flanagan’s was daarin een schelpenwinkel, Langestraat werd Vlaanderenstraat, date werd trouwpartij, tandprothese werd trouwring, alles werd anders, maar ’t verhaal was hetzelfde. Transpositie!, zoals dat hoort in de schone letteren. Ik herlees het oude verhaal en zie dat ik het niet kan verbeteren. Ook zie ik dat Flanagan’s in 2017 na brand gesloten werd. Al wat blijft zijn oude beoordelingen op Tripadvisor, waarvan ik er eentje pik: ‘De vrouw en ik gaan altijd naar flanagans in de loop van de jaren, toen ik in de stad was, met name de Ierse kapitein van het hoge schip Turk toen het in Oostende was en hij was een geweldige zangeres in die nacht, maar helaas is het niet langer open nu hebben we het vorige week bezocht en bang om te zeggen dat het voor altijd gesloten is omdat de bovenste twee lagen van het gebouw door vijf werden vernietigd, dus een tijdperk van plezier is ten einde.’ Ik vermoed dat Tripadvisor-Google de beoordeling erg slordig uit het Engels vertaalt, waardoor het Nederlands van de beoordelaar een hoog poëtisch gehalte krijgt: ‘hij was een geweldige zangeres’, ‘en bang om te zeggen dat’, ‘door vijf werden vernietigd’, ‘een tijdperk van plezier is ten einde’. En ten einde is ook mijn verhaal over Flanagan’s.


Morgen op dit scherm: In Ouistreham loop ik in de voetsporen van Georges Simenon.

maandag 19 oktober 2026

John Wingate, de militair die na de oorlog kwam

3 oktober 2026, bij valavond — Op de achtergrond, de rolbasculebrug van Bénouville.


IN DE NACHT van 5 op 6 juni 1944, vlak voor de landing in Normandië, landen al zes stille zweefvliegtuigen van de Britten in de velden rond Bénouville. Aan boord bevinden zich mannen die de bruggen over de rivier Orne en het gelijknamige kanaal moeten innemen, zodat de Duits langs daar geen tegenaanval kan organiseren. Ze slagen in hun missie, waardoor Bénouville de eerst bevrijde gemeente van Frankrijk wordt. De merkwaardige rolbasculebrug over het kanaal wordt sindsdien Pegasus Bridge genoemd, naar het schouderembleem van de eenheid die de klus klaart, de mannen van het vliegend paard. Het evenement laat tot er vandaag zijn sporen na. Overal wappert nu de Union Jack. Om de hoek renoveert men het museum dat aan het feit herinnert. De Britten zijn zot van het dorp.
Wie hier ook graag toefde was auteur en marineofficier John Wingate (°1920 - 2008†). Had zijn liefde voor het dorp iets met de landing in 1944 te maken? Misschien was hij er gewoon graag, misschien had hij iets met iemand van het dorp. Feit is dat hij van 1981 tot 1985 in Bénouville kwam wonen, meer bepaald in de rue du Grand Clos, waar hij vier van zijn vijfentwintig boeken schreef. Allemaal avonturenromans, veronderstel ik, die zich in het milieu van de zeemacht afspelen. 
Omdat ik me altijd al afgevaagd heb wie dat soort boeken schrijft (en leest, dat ook) zoek ik in het dorp naar sporen van deze John. Ik vind het huis waar hij verbleven heeft, een ferme doening. Op ’t einde van de Tweede Wereldoorlog doet het dienst als hoofdkwartier van een Brits regiment. Is het daardoor dat Wingate er later komt wonen? Inspireert het dorp hem? Feit: bijna veertig jaar later zet hij er zijn valies neer. Colette Burlot is er in die tijd de gastvrouw. Had hij iets met haar? Ik zal ’t nooit weten en ’t zijn ook mijn zaken niet.


In ’t Nederlands vertaalde boeken van John Wingate: De slag om Kreta 1941 (1973); De strijd om Het Kanaal / De slag om het Kanaal; Het Fregat (1985); De Onderzeeboot (1988); Het Vliegdekschip; Tussen Malta en Tobroek. Zijn Nederlandse boeken zijn momenteel nog antiquarisch of via tweedehandssites te vinden.

zondag 4 oktober 2026

Petit Bistrot in mijn hoofd (°)


IN MIJN HOOFD heb ik een stamcafé dat Petit Bistrot heet. De waardin heet in mijn hoofd Françoise, Carine, Eddy Tange of Lily The Pink, naargelang. Ik ken haar al van in mijn tienerjaren. We hebben de stormen van het leven goed doorstaan, de waardin en ik, en nu zijn we oud. In mijn hoofd leest de waardin achter de toog alleen geschriften van Guy Debord die ze, naar eigen zeggen, persoonlijk gekend heeft en van wie ze oorspronkelijke kladjes bewaart, iets wat alleen vaste klanten weten, als ik. De Petit Bistrot is in mijn hoofd ook een coffeeshop. Dagelijks ga ik er een joint smoren, een slaapmutsje. In mijn hoofd staat in de Petit Bistrot een kolenkacheltje waaraan ik ’s winters mijn voeten warmen kan. Via een indrukwekkend buizenstelsel verwarmt het kacheltje heel de ruimte, wat ik als kind al in ’t café van Alida heb gezien. Soms heet de waardin ook Alida. In mijn hoofd wint Jean-Luc Mélenchon in Frankrijk de komende presidentsverkiezingen, want ‘t is tijd voor deze richting, in mijn hoofd. Er is ook plaats voor eender welke stroof. Er is rust om alles t’ overschouwen, ’t is prettig toeven in m'n hoofd. In mijn hoofd is alles ferm versleten, de plankenvloer, de bezem in de hoek, de wekker op het rek, de zwarte kat die alles bekijkt, de kast met zekeringen links, de draperieën rechts, de toog, de waardin, ik en ook de stoof. In mijn hoofd is alles gekleurd in sepiatinten, zoals dat hoort in iemands oude hoofd. Zolang ik daar iets kan ontwaren, blijf ik dwalen in m'n hoofd. In mijn hoofd toef ik nu al in Frankrijk, waar we straks voor enige tijd naartoe trekken, Tania om er te wandelen, ik om te kijken wat daar nu weer te beleven valt, in mijn hoofd.
Flor Vandekerckhove⇲

(°) Met dank aan Raymond van het Groenewoud aan wie ik enkele lijnen uit zijn ‘In mijn hoofd’ heb ontleend. — Langs deze weg wijs ik mijn lezers er ook op dat De Weggeefwinkel van uitgeverij De Lachende Visch voor enkele dagen gesloten blijft, wegens jaarlijkse vakantie.

zaterdag 3 oktober 2026

Oostends verhaal


DE GRIEKSE GODIN woont in een chique flat. Ze is hardhorig, voor de rest is ze oké. Bij mooi weer zit ze op de Zeedijk, waar ze flaneurs nakijkt. Als ’t regent trekt ze de stad in. In een tearoom drinkt ze koffie en kijkt naar mensen die zich door de regen haasten. Doordat Frank O'Hara zei: 'If I'm writing a poem and a cat walks under the table; then the cat goes into the poem’, komt ook Polleke in dit prozagedicht terecht. Na ’t noenmaal doet ze iets ongerijmd. Ze zet d’r zotskap op en dicht haar dagelijkse haiku. (Flor Vandekerckhove⇲) 

[Op YouTube staat een oude versie van dit prozagedicht: 

vrijdag 2 oktober 2026

Twee kunstenaars, één bekoring

Sinds Delphine Lecompte me enkele dagen geleden naar Gustave Van de Woestyne wist te lokken, heb ik me al over diens leven gebogen en ook over zijn werk. Vandaag rond ik af. Hierboven links: Gustave Van de Woestyne. De bekoring, (1925) olieverf op doek, 175 x 124 cm. (in privébezit). Rechts: Luc Martinsen. Nooit meer drinken.  Acryl op doek. (Onbekend jaar) 40 x 30 cm. (in mijn bezit.)

STRAKS RETOURNEER IK een boek aan de bib (°), maar niet voordat ik hoekjes platstrijk die ‘k al lezend respectloos heb omgeplooid. Een eerste hoekje leidt me naar een een interview uit 1929. Zegt Gustave Van de Woestyne: ‘Ik meen dat, na ieder voltooid schilderij, de kunstenaar een nieuwe maagdelijkheid moet terugvinden. Hij moet zich naakt vóór het witte doek stellen. Iedere herinnering van het vorige werk moet uit zijn geheugen gebannen worden. Ieder werk is een herbeginnen. Indien twee werken op elkaar lijken, dan is het stiel en geen kunst. (…)’ ’t Zijn woorden waarmee ik niet onmiddellijk iets kan doen, maar ik schrijf ze toch op. 
Platstrijken doe ik ook het hoekje van een blad waarop Gustaves schilderij De bekoring te zien is. Een schildersezel zonder doek. De kunstenaar draagt een kostuum, niet iets wat hij in zijn atelier draagt. Verf en penselen ontbreken. Je leest dat schilderij als: lonkend genot gaat ten koste van de creativiteit. Hans Groenewegen ziet dat ook: ‘Het hoofd is bij de fles. De handen zijn op weg naar het glas, maar bevinden zich nog in de diagonalen van de schildersezel. Verder drinken - de kurk is eraf - of schilderen, dat is het dilemma.’
Nu haal ik een schilderijtje van de muur en plaats het voor u naast De bekoring, in een zelf gefoefelde fotocompositie. Nooit meer drinken toont ons neo-expressionisme van Luc Martinsen. 't Is pure schilderdrift, picturaal feest, heftig, brutaal. Willem Elias verwoordt dat goed. Ik weet niet in welk jaar Martinsen het schilderijtje maakt. Ik weet wel dat ik het in oktober 2012 cadeau krijg. Jo Clauwaert vereeuwigt het moment. Ook in dat schilderij lonkt de bekoring, de fles is ontkurkt, het glas is al gevuld. Kijk dat daar staan, in twee zo verschillende schilderijen, de fles, het glas.
Afsluiten doe ik met een parodie: ‘Ik meen dat, na iedere voltooide post, de blogger een nieuwe maagdelijkheid moet terugvinden. Hij moet zich naakt vóór het computerscherm stellen. Iedere herinnering van het vorige werk moet uit zijn geheugen gebannen worden. Ieder werk is een herbeginnen. Indien twee posts op elkaar lijken, dan is het stiel en geen kunst.’ Ik lees alles nog eens na. Dat zit wel goed. Van de Woestyne mag tevreden zijn.
Flor Vandekerckhove⇲

(°) Robert Hoozee en Catherine Verleysen. Gustave Van de Woestyne. Mercatorfonds. Museum voor Schone Kunsten Gent. 255 p. 
 
Wij, met zand in onze schoenen is een memoir (25 bladzijden), waarin ik terugdenk aan de weg die beeldend kunstenaar Luc Martinsen en ik afgelegd hebben, sinds onze eerste ontmoeting in 1988. Ik schreef dat boekje als een symfonie, een muziekstuk in drie delen, dat na het tweede deel onderbroken wordt door een interludium en afsluit met een coda. In de beste traditie van De Weggeefwinkel is ook Wij, met zand in onze schoenen gratis. U hoeft er alleen om te vragen. Mocht u interesse hebben, mail naar liefkemores@telenet.be⇲. (Vermeld 'Zand' en zeg 'pdf' of 'epub'.)