dinsdag 20 oktober 2020

Een kiem van klassenbewustzijn


 

‘(…) Arm zijn ze openlijk of minder openlijk, een tweedeling waarmee je daar ook links van rechts scheidt. Het onderscheid wordt door elkeen aangevoeld, ook door mij, een kind dat nog geen tien is. De openlijke armoedzaaiers, allemaal ongelovigen, leven gescheiden van de minder openlijke. De Zijstraat is een grensgeval. Hoe dieper je die intrekt hoe meer je bij de ongelovige armoelijders terechtkomt. Daar hangt op 1 mei de rode vaan uit, daar hangen foto’s van de rode burgemeester August Plovie op, daar gaan ze niet naar de mis, daar smijten ze met stenen naar pastoors. (…)’ 

Het citaat komt uit Gauw! waarin ik mijn eerste levensjaren beschrijf. Ik schrijf het boek op basis van wat ik me herinner, nochtans wetend dat het geheugen een onbetrouwbare getuige is. Goed wetend ook wat Lore Segal hier zo mooi opmerkt: ‘Elke keer dat we ons iets herinneren, plegen we een kleine moord op het ding dat we ons herinneren. De oorspronkelijke herinnering is als de plaats van een misdaad. En ze zeggen: loop er niet overheen! Door het te schrijven, loop je op de misdaadplaats en verander je die door er gewoon over te schrijven.’  Het verhaal verdringt de gebeurtenisIk keer terug naar het citaat en vraag me af hoe het komt dat een kind op die leeftijd al weet dat er klassenverschillen tussen mensen zijn. En nu eist het verhaal dat het komt doordat ik op die leeftijd een boek lees. Dat boek — wellicht het eerste dat ik ooit helemaal uitlees — begint alzo: 

‘In den tijd, toen Jan zonder Vrees over Vlaanderen en Burgondië regeerde, woonde er in het Krabbenstraatje te Antwerpen eene oude vrouw, Moeder Neeltje genaamd, met heuren kleinzoon Jan. In welk nummer het juist was, kan ik echter niet zeggen, omdat het huisje misschien al sedert drie honderd jaar afgebroken is, en ook omdat men destijds geene nummers op de huizen schilderde.’ 

Het boek heet De Wonderlijke lotgevallen van Jan zonder Vrees en is in mijn kindertijd wijd verspreid. Mij leert die eerste alinea al dat er klassenverschillen zijn. Er is een Jan zonder Vrees die over het land heerst en er is een andere die als Uilenspiegel door het land trekt. De kaft toont me die laatste: een openlijke, trots stappende armoelijder. Bovenaan de eerste bladzijde heeft de uitgever ook een tekening van het Antwerpse Krabbenstraatje geplaatst en ik leg — als kind dat voor het eerst een boek uitleest — een verband tussen wat ik zie en de mij omringende werkelijkheid: ‘Daar hangt op 1 mei de rode vaan uit, daar hangen foto’s van de rode burgemeester August Plovie op, daar gaan ze niet naar de mis, daar smijten ze met stenen naar pastoors.’

Flor Vandekerckhove


Een zeerover kan een andere verbergen

www.youtube.com/watch?v=K38MpdPyOq0

zondag 18 oktober 2020

In Ieper denk ik aan de lievelingen van Koning Misère

— Links: detail van de Menenpoort. Daar staan 54.000 namen in steen gegrift, namen van mannen, veelal nog jongens — de soldaten waren tussen 17 en 23 jaar — die in dienst van het Britse imperialisme ten oorlog trokken en zodoende aan hun einde kwamen. Rechts: de Dries van Kemmel. ’t Is niet de eerste keer dat ik daar kom, ik heb er hier eerder al een stukje over gepost. Die Dries ziet er momenteel helemaal niet zo lieflijk uit, er zijn grote werken aan de gang. Er komen nieuwe bomen en het grasveld wordt heraangelegd. —


Over patriotisme deel ik de mening van Céline. In diens Reis naar het einde van de nacht heeft Bardamu (eigenlijk Céline zelve) het erover. Daar moet ik weer aan denken terwijl ik aan de Menenpoort van Ieper naar de namen van 54.000 dode mensen kijk. Die waren, zegt Céline: 

‘(…) altijd de lul, net als wij! Inderdaad! We veranderen niet! Niet van sokken, noch van bazen, noch van meningen, of anders zo laat dat het niet meer de moeite waard is. Trouw zijn we op de wereld gekomen en aan die trouw gaan we kapot! Gratis soldaat, helden voor alleman, sprekende apen, woorden die een kwelling zijn, wij zijn de lievelingen van Koning Misère. Die heeft ons in zijn macht! Als we ons niet netjes gedragen, knijpt hij onze strot dicht…’ 

Zie ze hier liggen. Oorlogskerkhoven alom, wat Hugo Claus geïnspireerd heeft:

‘Zelfs na al die jaren zonder mest / Zou je hier een dodenprei kunnen kweken / die alle markten tart.’ Poëtisch cynisme dat de Canadees John McCrae vreemd is. Hij is de dichter van In Flanders Fields, waarvan iedereen de openingszinnen kent: ‘In Flanders fields the poppies blow / Between the crosses, row on row…’. Eugène Mattelaer vertaalt die opening als: ‘In Vlaanderens velden waar papavers bloeien / en waar immer meerder kruisjes groeien (…)’ 

Mooi gedicht, lelijke boodschap, anderen oproepend zich op hun beurt in de oorlog te werpen: ‘If ye break faith with us who die / We shall not sleep…’ (‘Als je ons die sterven het vertrouwen schendt / zullen wij nooit rust kennen…’) Het gedicht wordt dan ook in heel het Britse imperium gebruikt om soldaten te ronselen — het gebeurt wel meer dat overheden literatuur misbruiken. 
Ik denk er nog even over na, terwijl ik richting Kemmel rij. Onderweg volgen de oorlogskerkhoven elkaar op en terwijl ik in Kemmel de Dries achter me laat en de molshoop oprij die Kemmelberg heet, denk ik weer aan Céline: 

‘Zou ik dan de enige lafaard op aarde zijn? Vroeg ik me af. En ik huiver bij die gedachte!… Verloren tussen twee miljoen heldhaftige idioten, die buiten zichzelf waren en gewapend tot de tanden? Met helmen, zonder helmen, zonder paarden, op motoren gierend, in auto’s, fluitend, schietend, samenzwerend, vliegend, knielend, gravend, ‘m smerend, zwenkend op weggetjes, knallend, gekluisterd aan deze aarde als in een cel, om alles te vernietigen. (…)’

Zie ze hier liggen.

Flor Vandekerckhove


Ook vechtersbazen !

www.youtube.com/watch?v=K38MpdPyOq0

vrijdag 16 oktober 2020

De dag waarop Aster Berkhof stierf



11 september 2001. In New York vallen de Twin Towers. U herinnert zich waar u was en wat u deed. Net zo zal ik me blijvend herinneren waar ik was op de dag dat Aster Berkhof stierf. Ik was in Menen, op zoek naar iets om mijn Vlaamse identiteit aan te scherpen. Ik had dat elders al gedaan (Ronse, Bornem, Dendermonde, Geraardsbergen en Zarlardinge, de Kluisberg, Aalst, Avelgem …), maar in Menen wilde het op 29 september niet lukken. 

Een markt, daarop bomen, belfort, mensen met mondkapjes, straten die me almaar verder van het centrum wegleiden, straten worden straatjes, huizen worden huisjes… Geen inspiratie. Ik stap een kroeg binnen, ongetwijfeld de vunzigste van Menen. Mannen met slonzig haar drinken bier uit flesjes, op de vensterbank voldoende stof om er je naam in te schrijven… Ik voel me meteen thuis. Enkele uren later dans ik met de stamgasten in polonaise het café uit en daarna weer naar binnen. Tegen sluitingstijd hebben we alle coronabeperkingen menig maal overtreden, plus enkele andere. 


In memoriam Aster Berkhof. Er is een boek van Berkhof — Isidoor, ik schrijf er hier over — dat ik in mijn kindertijd lees en dat me mijn kleinburgerlijke toekomst laat kennen. Mei 68 heeft zich ertussen genesteld. 

‘Als ge op zo’n zaterdagnamiddag gedaan hebt met uw werk, en ge stapt uit de bus, en ge kijkt naar dat stille dorp, waar ge als kind zijt opgegroeid, en waar ge altijd naar terugkeert als naar een veilige haven, en ge ziet die bekende huizen, die liggen te stoven in de zon, die stomp van een uitgebrande kerktoren, die in de druilerige stilte staat te soezen, die warme zandwegen, die links en rechts van de steenweg tussen de goudgele, broeiend hete korenvelden verdwijnen, die donkergroene dennenbossen en elzenkanten in de verte, die trillen in de laaiende hitte en die blauwe lucht tenslotte, die alles overkoepelt, en waarin de zon als een grote, witte diamant hangt te gloeien: als ge dat allemaal ziet, en ge denkt daarbij: ik heb een schoon huis, helemaal van mij, en daar kan niemand mij uitzetten, dan moogt ge zijn wie ge wilt, ge trekt uw schouders achteruit, ge ademt zo diep, dat uw borst er krachtig van opengaat, en uw hart, dat sinds dertig jaar vecht tegen verschrompeling en verdorring, begint triomfantelijk te bonzen, zo heftig, dat ge nadien een hele tijd de ogen moet sluiten, om van de duizeligheid te bekomen.’

Flor Vandekerckhove


Kent u het bal der mannen?

Beleef het op youtube!


www.youtube.com/watch?v=7KEnQyW9u7k

woensdag 14 oktober 2020

Waarvan een man droomt

— 'Heden penetreren we de wereld van Charlie Hédo' kun je nog lezen als je hier klikt. —


De droom van de pornograaf


Hij ontkent de hem ten laste gelegde feiten en zegt dat hij geen pornografie 

Schrijft maar erotische gedichten en dat hij er geen schuld aan heeft dat het 

Publiek het onderscheid niet meer maken kan en dat het onjuist is dat hij

Die dingen naar vrouwen stuurt omdat het geen dingen zijn maar gedichten


Men zegt dat men daarmee rekening houden zal maar niemand schrijft zijn 

Weerwerk op en ondanks zijn protest leidt men hem geboeid de Donkere

Kamer uit om hem naar de tempel te sleuren waar een demonvrouw als 

Opdracht heeft gekregen hem voor eens en altijd het zwijgen op te leggen


En de vrouw die hij daar ontmoet is als een wolf in schapenvacht en haar

Voeten zijn deze van de meest lieflijke demon en haar mond is als de

Mond van een heerlijke godslasteraar en de chaise longue waarop ze ligt 

Verleent haar macht en om haar heen is helderheid als brandend vuur


Nadat men hem aan de Noorderkolom van de tempel vastgeklonken heeft

Laat men hem weerloos achter in het gezelschap van de demonvrouw die

Zonder ook maar iets te zeggen ten oosten van die kolom gaat staan en

Daar fijne lingerie uitzoekt en die vervolgens zonder acht op hem te slaan


Aantrekt alsmede nylon kousen met een zwarte naad en een jarretelle

Houder en terwijl hij wild aan z’n boeien rukt die hem beletten de handen 

Voor de ogen te slaan kijkt hij machteloos toe hoe ze boven haar zijden

Blouse een strak pak met nauwsluitende rok aantrekt met een split tot aan 


Haar broekje en uiteindelijk ook pumps van Jimmy Shoe waarmee ze statig 

Naar de tempelpoort trekt om zeven maal zeven vrouwenbeulen binnen te 

Laten die ritselend de tempel in schrijden terwijl ze zich kirrend om hem

Heen verdringen en hem keuren als was hij een te berijden paard waarna


Ze op vergulde tronen neerzijgen en zich onbeschaamd beginnen vingeren

En de gastvrouw hem glimlachend de zweep oplegt zeggend dat ze

Vooral dat lichaamsdeel kastijden zal dat de schandelijke poëzie opwekt

Waarna de wekker hem gelukkig net op tijd uit de nachtmerrie weghaalt


Flor Vandekerckhove


De droom van de pornograaf op youtube

Met stemmige beelden

maandag 12 oktober 2020

Het hoofd in de bloempot (over Vlaamse identiteit)

— Stil huwelijksleven
met vrouwentongen. —
Enkele maanden geleden begon ik aan een tocht langs de grenzen van het graafschap Vlaanderen. Op zoek naar volksverbondenheid — een gevoel dat ik ietwat mankeer — ben ik alzo Ronse gepasseerd, Bornem, Dendermonde, Geraardsbergen en Zarlardinge

Nu zou ik het over Oudenaarde kunnen hebben, daar is Vlaamse identiteit te over. Niet in het minst in de figuur van Hanske de Krijger die tijdens het wachtlopen in slaap placht te vallen, of in het Centrum Ronde van Vlaanderen, alwaar ge u een ‘toilettas Vlaanderens mooiste’ kunt aanschaffen (17,80 €). Zelf raad ik er De Carillon aan, bruine kroeg, ondergebracht in huisjes uit de jaren zestienhonderd, zelfs de neonreclame is beschermd erfgoed. Toch is het niet Oudenaarde dat me thans naar enige Vlaamse identiteit leidt, maar Avelgem. U werpt tegen dat ik het daar al over dat dorp had, en dat is waar, maar toen zei ik niets over Het Hoofd In De Bloempot.
In augustus 1969 is men in Avelgem in de ban van de verdwijning van George Matton, een hardwerkende Vlaming die als ober bijklust in de zaal Palace op de Kluisberg. George verdwijnt op onrustbarende wijze. ’s Mans echtgenote, Clarysse Jacobs, die in Avelgem een café uitbaat, leidt het gerecht van her naar der: uitgangsmilieu, Vlaamse ardennen, taalgrens, drugs, Noordfranse jongeren… De zaak wordt niet opgelost. Dat gebeurt pas nadat een nieuwe onderzoeksrechter minder belang aan Clarysses woorden hecht. Een huiszoeking bij haar ouders levert resultaat op: op zolder vindt men het afgehakte hoofd van wijlen George Matton. In een bloempot, of all places.
Terwijl mijn Avelgemse respondenten me assisteren in de wedersamenstelling, gaat mijn fantasie in overdrive. In gedachten zie ik Clarysse op kordate wijze doorheen Avelgem stappen, op weg naar d’r ouders, een pot sanseveria’s ter hand. Waarom sanseveria’s? Wel, in de scheve herinnering die ik er tot gisteren op nahield, staat de bloempot-met-hoofd niet op moeders zolder, maar voor het raam van Clarysses café. Hij staat daar naast veel andere bloempotten; allemaal vrouwentongen, allemaal sanseveria’s, en die ene plant groeit, vreemd genoeg, net iets weelderiger dan de andere. 
Ge weet hoe dat gaat met geheugens hé, zeker met ’t mijne.  Maar, zo vraagt gij u af, wat heeft dit alles met de Vlaamse identiteit van doen? Maakt zo’n raam vol vrouwentongen daar geen deel van uit misschien? Wel dan.
Flor Vandekerckhove


En nu iets helemaal anders

https://www.youtube.com/watch?v=CyUF1gpLIy4

zaterdag 10 oktober 2020

Corona, blowing in the wind

 

— 1/2 oktober, in de Archiduc Brussel — Arno, Stef Mallinus en Stef Kamil Karlens. —

Op de vlucht waren we in de Archiduc beland. Daar zaten we nog maar goed neer of de Zeitgeist waaide ook daar binnen. En stinken! Echt een vuile, gore, stinkende scheet! Arno, Stef Kamil Carlens en Stef Mallinus (foto) ontvloden meteen de stank, maar wij bleven zitten. Daar zaten we nog toen het hoge cafégewelf onder druk van de tijdgeest begon te kraken. En in die gore scheetspleet verscheen de heilige drievuldigheid in de variante van Peter, Paul and Mary. Ze zongen Bob Dylans blowing in the wind. ‘Hadden jullie destijds kunnen denken,’ vroeg Marie-Louise me, ‘dat al jullie sixtiesvragen in 2020 zo’n stinkend antwoord zouden krijgen?’ Toen ze zag dat haar vraagstelling me moedeloos maakte, zei ze vlug: ’Zet er je coronagedichten tegenover. Je kunt die gore, stinkende tijdgeest alzo een poepje laten ruiken.’ Ze dacht even na en voegde er nog aan toe: ’Je zet ze best op youtube, want als je denkt dat ze dat anders gaan lezen…’ (Flor Vandekerckhove)

1. John Lennon leeft. In de lente waren we corona te vlug af. Nog voor de eerste golf zich ten volle openbaarde, reden we naar de Languedoc. ’t Was op die weg dat ik een oude man ontmoette — geen twijfel mogelijk — John Lennon! Een gebeurtenis die ik vereeuwigd heb in een blijde mare: Johan Lennon leeft voorwaar, en net als wij draagt hij een mondmaskertje. Klik hier. 

2. En verzadigd vlood het virus vlug weer voort. Terwijl we in de Languedoc verbeven, werd de situatie in België almaar ernstiger. Gelukkig volgden we daar het nieuws niet. Maar ook in die bergen bleef je van dat virus niet gespaard. Brigitte Bardot, onze buurvrouw, moest zelfs om toiletpapier komen schooien, in geen enkel Frans warenhuis was dat nog te vinden. Brigitte in huis! Da's een gedicht waard. Klik hier. 

3. Het einde der coronatijden. ’t Is niet dat het er nu zo uitziet, maar ook aan de coronadreiging zal een einde komen. Ik heb er al op geanticipeerd in een gedicht dat ons instrueert hoe we moeten handelen om van het leven een feest te maken. Als we het goed aanpakken, zal het in de post-coronatijden nooit meer zijn als voorheen. Klik hier.

vrijdag 9 oktober 2020

Freddy Versluys, het leven zoals het is in de motorcross

— Links: Freddy Versluys in actie. Midden: Destelbergen 1976, Freddy Versluys ontvangt de overwinningstrofee, naast hem staat zijn maat en crossrivaal Hendrik Schautteet (†). Tussen hen in staat organisator Roger Willems (†). Rechts: Raymond Talloen naast would-be bakkenist Jan Vangeluwe en Freddy Versluys, waardoor ook het korte bestaan van het team Vangeluwe-Versluys vereeuwigd werd. —


Freddy Versluys (°1949) komt uit een familie van motorcrossers. Vader is er een geweest, neef Noël eveneens. Het is trouwens op Noëls motor dat Freddy in 1965 aan wedstrijden van de BLB begint deel te nemen: ‘Die 4-tact weegt om en bij 180 kilo en wanneer ik ermee begin te rijden zijn er ook al 2-takt moto’s op de markt die 70 kilo minder wegen. Dat maakt het niet gemakkelijk, maar ik rij wel graag met die zware bak. ‘k Heb er ook twee wedstrijden mee gewonnen.’ In 1967 schakelt ook Versluys over op zo’n lichtere 2-takt. Hij wint er in dat jaar zeven koersen mee. In 1968 volgt de legerdienst, wat deelnames aan wedstrijden bemoeilijkt, maar toch wint de matroos-milicien er drie. 

In 1969 laat Freddy de juniores achter zich. We vinden hem nu bij de senioren en later zelfs bij de inters (vedetten): ‘Ik rij met een Husqvarna 360 c en mag al blij zijn als ik, als piepjonge snaak, in de top 5 terechtkom, want dat zijn echt de mannen! Ik heb 3 jaar bij die vedetten gereden, haal soms mooie ereplaatsen en win toch ook 3 wedstrijden.’ De passage bij de ‘inters’ passeert echter niet ongestraft: ‘ik heb in die jaren toch wel enkele zware kwetsuren opgelopen: sleutelbeen- en schouderbreuk, verschillende ribben, een voetbreuk, tijdens een zware sprong de twee voeten tegelijk zelfs… Na herstel van die kwetsuren heb je toch telkens enige competitie nodig om weer goed mee te kunnen. Doordat ik in de week nooit kan trainen —  geen circuits in de buurt, alle dagen werk in de bouw — ben ik op het circuit toch wel benadeeld.’

Freddy Versluys: ‘In 1971 kom ik na een zware val bewusteloos in het ziekenhuis terecht. Wanneer ik uit de coma ontwaak, beslis ik ermee op te houden.’ Althans op dat niveau. ‘In datzelfde jaar koopt onze makker Jan Vangeluwe een zijspan crossmotor. Puur voor de fun nemen we ergens deel aan een liefhebberswedstrijd, Jan als side kick, ik aan ’t stuur. Na enkele rondjes krijg ik er goesting in en begin ik ons, volle gas!, naar de kop te manoeuvreren. Daar is Jan helaas niet tegen opgewassen. Ik zie hem lijkbleek worden, onwel ook, hij moet overgeven, en vraagt me om meteen te stoppen.’ Oftewel: het roemloze einde van het team Versluys-Vangeluwe!

Freddy zelf daarentegen heeft de smaak van de sidecars goed te pakken. In Werner Goethals vindt hij een zeer geschikte bakkenist. Het duo wint in 1972 vier crossen, in 1973 zijn het er een 10-tal, in 1974 drieëntwintig en dat is ook het jaar dat ze in die liefhebbersclub kampioen worden. In 1975 sluiten Goethals & Versluys zich aan bij de befaamde Limburgse BLM. Ze winnen 24 wedstrijden en worden kampioen van België. Ze gaan zelfs internationaal, winnen in Zwitserland twee wedstrijden en worden… Europees kampioen van de International Motor Bike Association.

Is het motorleven van Freddy Versluys daarmee afgelopen? Geenszins. Hij blijft tot in 1990 sportief actief en je kunt hem ook vandaag nog aantreffen op grote motorcrossmomenten, niet alleen in België trouwens. De piloot in Freddy heeft plaatsgemaakt voor de sponsor. Je vindt daar toch wel indrukwekkende beelden van op ’t net: als je hier naar beneden scrolt bijvoorbeeld, of zoals hij daar tussen die twee jonge kerels zit te glunderen.

Flor Vandekerckhove


Elias (†), Drybergh (†) en Martinsen.

Het leven zoals het is in de schilderkunst

www.youtube.com/watch?v=hN-LpT548qY

woensdag 7 oktober 2020

Over James en Franz, vader & zoon, twee dichters

— Franz en James Wright. —

Franz Wright is een Amerikaanse dichter. Ik heb hier een prozagedicht van hem vertaald. Franz is ook de zoon van dichter James Wright, en ook van James heb ik daar een gedicht vertaald. Vader & zoon zijn niet alleen dichters, ze zijn ook bijzonder goed, ze hebben beiden de Pulitzer Price voor poëzie gewonnen, een unicum. 

Je zou zo denken, godver, had ik ook maar een vader-dichter, dan was ikzelf zeker de prins der Vlaamse dichters geworden of minstens van de West-Vlaamse. Maar wanneer je de poëzie van die twee leert kennen, dan denk je daar toch alweer anders over. Wanneer de zoon voor ’t eerst een gedicht aan z’n vader laat zien, zegt die: ‘Je bent een dichter. Welkom in de hel.’ Daar zou een mens toch aan de drank van geraken, wat met James dan ook gebeurt. Of je zou er katholiek van worden, en ook dat is die — ook manisch-depressieve — mens overkomen. Zoveel onheil! Franz komt dan ook uit een disfunctioneel nest om u tegen te zeggen. Wat blijkt uit het gedicht Circle, over zijn moeder, en Last, over z’n vader. Beide staan in de bundel met de veelzeggende titel Kindertotenwald.
Ik ga die twee prozagedichten niet helemaal vertalen, daarvoor zijn ze te lang en de taal is te geconcentreerd. Ik beperk me tot een passage uit elk, die aantoont hoe erg het was. Let wel: geen verslagen, geen reportages, wel gedichten. Eerst over de moeder die tijdens haar zwangerschap de dood van haar eigen moeder beweent. Neen, Franz wordt niet onder een gunstig gesternte geboren. Uit Circle dus: 


Geboren worden uit een moeder met zoveel verdriet, dat is niet niets. En dan de vader, van wie James zegt dat het de mens is die hij ’t liefst van al zag. Uit Last:


Je vraagt je af of het daarna nog goed gekomen is met die jongen. Niet echt, neen.
En dan wil ik nog iets zeggen over het boek waarin die twee (proza)gedichten voorkomen. Op de cover staat een — ik wik mijn woorden — verschrikkelijk mooi schilderij van Michaël Borremans. Wat erop wijst dat de Vlaamse schilders nog altijd een vooraanstaande positie in de wereld innemen en dat ze hun historische voorgangers bijgevolg recht aandoen.

Flor Vandekerckhove


° Kindertotenwald. Franz Wright. Prozagedichten. 109 ps. Alfred A. Knopf New York. 2013. 

maandag 5 oktober 2020

Saint-Tropez? Biarritz? Nice?



Bredene heeft geen stadsdichter, wel leeft daar een dichter die zich door z'n woonplaats ferm laat inspireren. De Laatste Vuurtorenwachter verzamelt alzo tweehonderd (!) verhalen die zich aldaar afspelen. Recentelijk werden daar vijf filmpjes aan toegevoegd; vijf poëtische uitingen waarin Bredene bezongen wordt als ware het de muze zelve. (Flor Vandekerckhove)


1. De sprietvink en de zelflikkende poes is een kerstverhaal. Het speelt zich af op het wereldberoemde Bredense naaktstrand. Naakte dames doen zich in die periode voor als de herders bij nachte. Ge moet het zien om het te geloven. Youtube biedt u die mogelijkheid. Ge hoort hoe Vandekerckhove het gedicht declameert, op pianomuziek van Dimer Geedts. Verlucht met schilderijen van Luis Ricardo Faléro: klik hier.


2. Rode Mustangs en mannen met een zwarte moustache bezingt die heerlijke ‘tussentijd’ in ’t leven, waarin je niet echt een kind meer bent en nog niet echt een man. In Bredene speelt de kusttram dan een grote rol, want in de zomer levert die de vakantiemeisjes af. Allen daarheen! En zijn dat The Swallows niet die daar optreden? Eerst zien, dan geloven: klik hier.


3. Karel, de stichter van Bredene is de creatie van een mythe. In Rome gebeurt iets dergelijks met de tweeling Romulus en Remus. Volgens de oude Egyptenaren werd de wereld dan weer geschapen door de zonnegod Ra. Limburg zou gesticht zijn door drie reuzen. Nu heeft ook Bredene-Duinen een eigen mythe. De stichter van de wijk was man noch vrouw: klik hier.


4. Verlost van de last, zo heet het jongste gedicht van de reeks. ’t verhaalt over een ontmoeting tussen een Fransman en een Rus, aan ’t Duinengat van Bredene. Samen vatten ze er een song uit 1968 aan. U houdt het niet voor mogelijk en toch gebeurt het. Da’s de kracht van de poëzie. U komt toch ook? klik hier.


5. Alida. Het vijfde filmpje bevat een extreem kort verhaal dat zich afspeelt in een tijd waarin alleen café’s al televisie hadden. Elke zondag om zes uur trokken wij, knapen, daarnaartoe om er naar ons feuilleton te kijken. Ontmoet Alida, de godmother aller waardinnen, bazin van café du Littoral: klik hier.

vrijdag 2 oktober 2020

On the road met Allen Ginsberg

Links: Allen Ginsberg on the road in Amerika. 

Rechts: Flor Vandekerckhove on the road in Vlaanderen 

(meer bepaald op de Kluisberg, vrijdag 11 september 2020.)

 In 1965 krijgt beatdichter Allen Ginsberg van Bob Dylan een bandopnemer cadeau. Terwijl hij Amerika doorkruist zal hij er nuttig gebruik van maken. ’t Zijn tochten waarin schrijver Jack Kerouac (On The Road) en fotograaf Robert Frank (The Americans) hem voorafgaan. Al rijdend spreekt Ginsberg observaties en gedachten in. Tijdens stilstanden schrijft hij de opnames uit: 'Ik zat tegen mezelf te praten, met alleen maar een bandrecorder. Elke keer dat ik iets interessants tegen mezelf zei, zette ik het op band'. Zo komt een deel ervan in zijn oeuvre terecht, nadat hij de aantekeningen in zijn eigen poëtica geplooid heeft, lijnen ‘gerangschikt volgens hun organische tijdsafstand, zoals de geest de zinnen bedenkt en de mond die ze uitspreekt.’. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de gedichten in The Fall of America, bundel die hier naast me ligt, een boek vol anti-oorlogsgedichten, allemaal autopoëzie: in een auto tot stand gekomen. Tijdens zo’n autorit komt ook Wichita Vortex Sutra (1966) tot stand, waarin Ginsberg de landschappen die hij traverseert, contrasteert met zijn woede over de oorlog in Vietnam. ’t Is over dat gedicht dat ik straks nog iets kwijt wil. Maar eerst wil ik het wondermooie begin ervan vertalen:


Ik ben een oude man nu, en een eenzame man in Kansas, 

        maar niet bang

        om mijn eenzaamheid in een auto uit te spreken, want niet alleen mijn eenzaamheid

‘t is die van ons, alom in Amerika (…)


Ik heb een en ander aan Ginsberg te danken. Hij is het die me leert dat een dichter zijn eigen ritme moet vinden. Bij hem wordt dat ‘een fysiek-mentale inspiratie van gedachten, vervat in het elastiek van een ademhaling.’  Bij mij wordt elke stanza een golfslag die uitrolt over ’t strand, meestal bij kabbelende zee. Er is meer dat ik aan Ginsberg ontleen. Zijn tocht doorheen Amerika inspireert me tot een tocht langs Vlaanderens grenzen. Daar waar Ginsberg het landschap contrasteert met zijn woede over de oorlog in Vietnam, laat ik onderweg mijn parodiërende blik over het door nationalisten danig opgefokte begrip Vlaamse identiteit glijden. (*)

Nog iets. Van Ginsbergs Wichita Vortex Sutra bestaat een compositie voor piano, geschreven door de grote Philip Glass. Die zegt daar zelf over: ‘In 1988 ... kwam ik toevallig Allen Ginsberg tegen in St. Mark's Bookshop in New York en vroeg hem of hij met mij wilde optreden. We waren in de poëzieafdeling en hij pakte een boek van de plank en wees naar Wichita Vortex Sutra. Het gedicht, geschreven in 1966 weerspiegelt de anti-oorlogsstemming van die tijd, en leek zeer geschikt voor de gelegenheid. Ik componeerde een pianostuk ter begeleiding van Allens lezing, die plaatsvond in het Schubert Theatre op Broadway. Allen en ik genoten zo enorm van de samenwerking dat we al snel begonnen te praten over het uitbreiden van onze voorstelling tot een avondvullend muziek-theaterwerk. Het was vlak na de presidentsverkiezingen van 1988 en noch Bush noch Dukakis leken te praten over wat er aan de hand was. Ik herinner me dat ik tegen Allen zei: als deze jongens niet over de problemen praten, dan zouden wij dat moeten doen.' 
Zo heb ik ze graag, mijn artiesten! En wat gij nu eens moet doen, is naar het samenspel van die twee luisteren, dat staat hier.  Ge moet dat aanklikken hé, dan zult ge horen dat het, alle verhoudingen in acht genomen, niet verschilt van wat Dimer Geedts en ik met Ostend Social Club Avondgenoegen doen. Alle verhoudingen in acht genomen dus, onder meer deze: Glass maakt de opname met een Steinway & Sons grand piano model O (uit 1926) en Soundman OKM II microfoons. Dimer Geedts en ik doen het met een Bechtstein model B (uit 1909) en met de ingebouwde micro van mijn Macbook op Garageband, maar ge kunt toch goed horen waar ons samenspel vandaan komt, wat aantoont dat we bereid zijn om te leren van de allerbesten.

Flor Vandekerckhove


(*) Zo publiceerde ik al stukjes in Ronse, Bornem, Dendermonde, Geraardsbergen en Zarlardinge over het identitaire Vlaanderen.


Poëzie, pianomuziek en mooie beelden:

AVONDGENOEGEN 

https://www.youtube.com/watch?v=0foMery6G-I