woensdag 13 mei 2026

Leuke neonoir B-film

Margaret Qualley als Honey O’Donahue in Honey Don’t!


DE FILMTITEL VERWIJST naar authentieke rock ’n roll uit 1956, Honey Don't, en het eerste muziekje dat de makers je laten horen, ken ik als We Gotta Get out of This Place (1965) van The Animals. Dan weet je ’t wel: dit wordt very retro. De openingstitels bevestigen het, de namen staan op vervallen uithangborden van niet erg bloeiende ondernemingen, alsof heel de filmploeg in een gat woont waar je, dixit The Animals, vooral weg moet zien te komen.
Daar wonen ook de lesbische privédetective Honey O’Donahe, pastor Drew die er een drugshandeltje op nahoudt, politieman Charlie Day die een oogje op Honey heeft en daarbij kansloos is, politievrouw MG waarvan je ’t niet meteen verwacht… Tijdelijk woont daar ook Chère, contactpersoon van de very French connection die ontevreden is over de manier waarop de pastor de drugs distribueert. 
Honey onderzoekt de dood van een klant en stoot tijdens het onderzoek op politieagente MG waarmee ze flamboyante seks heeft. Intussen verdwijnt Honeys nicht. Als tante-detective gaat ze op zoek en ontdekt, enkele merkwaardige moordpartijen later, dat niet de drugs distribuerende pastor, maar politievrouw MG schuldig is. Bij al dat plaatselijke geweld word ik geboeid door de keuze van de moordwapens, veelal keukengerief: een kookketel, een vork, een strijkijzer… 
Alhoewel het verhaal zich in recente tijden situeert (er wordt verwezen naar de periode na covid) is de autoradio van detective Honey deze van mijn Lada in de jaren tachtig. Op haar bureau staat een retro roterend kaartsysteem dat ik toen ook gebruikte. De kousen die ze draagt zijn nylons met zwarte naad. De film herinnert me zeer aan mijn eigen, gecultiveerde imago, beschreven in Vrouwen, sigaretten en een oud kantoor. Het filmverhaal heeft niet veel om het lijf, maar voor mij is het toch prettig thuiskomen.
Een recensie kan niet om de vermelding heen van scenaristen Ethan Coen en Tricia Cooke die door ’t leven gaan als man en vrouw, alhoewel Tricia zich lesbienne noemt. (Het huwelijk blijft overeind, maar beide partners hebben ook ‘iemand anders’.) Cooke werkt al lang samen met Ethan Coen en ook met diens broer, want de Coen brothers vormen een begrip in de filmwereld (o.a. The Big Lebowski). Het echtpaar Coen-Cooke werkt aan een lesbienne-trilogie waarvan Honey don’t deel twee is. Bij de beoordeling van deze film denkt een mens al eens: ik mis de samenwerking met die andere Coen wel.
Flor Vandekerckhove⇲ 

Honey Don’t (2025.) Regie: Ethan Coen | Scenario: Ethan Coen en Tricia Cooke | Cast: Margaret Qualley (Honey O'Donahue), Chris Evan (Drew Devlin), Aubrey Plaza (MG Falcone), Lera Abova (Chère), Jacnier (Hector), Gabby Beans (Spider), Talia Ryder (Corinne), Charlie Day (Marty Metakawitch), Billy Eichner (Mr. Seifried), e.a. | Speelduur: 89 minuten. De film is te zien op Netflix.


dinsdag 12 mei 2026

Miete Delanghe opzoeken

De Lijnbaanstraat in Oostende, genoemd naar de touwslagerijen of lijnbanen die er zich destijds bevonden; bij de zuidelijke stadsuitbreiding (1781-1782) verhuisden de lijndraaiers naar het Hazegras, waar de lijnbanen tegen de nieuwe kazernes werden aangebouwd. De foto (Foto Roland) die mij hier als basis dient, toont ons de Lijnbaanstraat in de jaren vijftig. We zien nog de oude huizenrij die later grotendeels gesloopt werd. (Miete Delanghe, links in beeld, baat nu een winkel uit op de Oosteroever.) 

TALRIJK ZIJN DE vertellingen die in de Vlaamse volksverhalenbank over haar genoteerd staan — ze heeft vrouwen betoverd, mannen verleid en kinderen behekst. Miete Delanghe is een heks uit de Oostendse folklore en ze is garnalenverkoopster. Dagelijks trekt ze naar de kaaien om daar garnalen te schooien. Haar kwalijke reputatie zorgt ervoor dat vissers haar niets durven te weigeren. Bij het horen van haar stem haasten schippers zich de kaai op om haar iets aan te bieden. Met die waar trekt Marie Delanghe vervolgens de stad in, waar haar schelle stem door de gevels weerkaatst wordt: 'Vesche gernoas zie!’ (Flor Vandekerckhove

Nadat het leven me van stad naar stad had gebracht, van werk naar werk en van vrouw naar vrouw, streek ik in Bredene neer, waar ik ook mijn jeugd had doorgebracht. Daar startte ik een schrijfproject dat onderzocht hoe het anderen vergaan was. Ik delfde sporen van schoolmakkers op, jongens waarmee ik tijdens m’n tienerjaren de schoolbanken in een Oostends college deelde. 
Had het iets te betekenen, het leven van die babyboomers in de sixties? Ik schreef er een boekje over, Tienerklanken, zo genoemd naar een TV-programma dat in die tijd voor ons gemaakt werd. Dat boekje is nu beschikbaar.
Tienerklanken is een e-boek (117 pagina’s in pdf of epub naar keuze), uitgegeven door De Lachende Visch en gratis verspreid door De Weggeefwinkel. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be en het boekje valt vandaag nog in je mailbox. GRATIS! (Vermeld: ‘Tienerklanken’ en zeg epub of pdf.)

maandag 11 mei 2026

Leren schrijven met Louis-Ferdinand Céline

De foto's komen uit Les secrets d'écriture de Louis-Ferdinand Céline, interview uit 1959: ‘Voor een boek dat uit een manuscript van 2500 pagina’s zou beslaan, schreef hij 80.000 vellen papier vol, die hij met wasknijpers aan elkaar bevestigde.’

‘ZE LEERDEN ONS zinnen te maken die uit het Latijn zijn vertaald, evenwichtig, met een werkwoord, een onderwerp, een bijzin, ritme. (…) Ze zeggen van een auteur: “Hij breit een mooie zin!” Ik zeg: “Het is onleesbaar.” Ze zeggen: “Wat een prachtige, theatrale taal!” Ik kijk, ik luister. Het is plat, het is niets, het is nul.’ Het citaat is van Céline, schrijver die omwille van zijn stijl beroemd wil blijven. (°) ’t Is iets wat altijd terugkomt wanneer het over Céline gaat, zoals ook in dit Interview Imaginaire: ‘Er zijn genoeg verhalen op straat: ik zie overal verhalen, veel politiebureaus, veel gevangenissen, veel van onze levens. Er zijn duizenden schrijvers die verhalen vertellen, maar dat zijn schrijvelaars. Alleen schrijvers die een stijl hebben interesseren me; als ze geen stijl hebben, ben ik niet geïnteresseerd. En het is zeldzaam, een stijl, meneer, het is zeldzaam.’ Of in Louis-Ferdinand Céline vous parle, 1958: ‘Ideeën, niets is vulgairder. Encyclopedieën staan ​​vol ideeën, er zijn veertig enorme delen, volgepropt met ideeën. Heel goede ideeën, trouwens, uitstekende ideeën. Ideeën die hun beste tijd hebben gehad. Maar daar gaat het niet om. Ideeën, boodschappen, zijn niet mijn domein. Ik ben geen man van boodschappen. Ik ben geen man van ideeën. Ik ben een man van stijl. Stijl, daar blijft iedereen bij stilstaan, maar niemand waagt zich eraan. Omdat het heel hard werken is. Het bestaat erin, zoals ik al zei, zinnen uit hun hengsels te lichten.’
Het doet me denken aan een quote van Isaak Babel: ‘Een zin wordt geboren onder goed en tegelijkertijd onder slecht gesternte. Het geheim schuilt in een nauwelijks waarneembare wending. De hendel moet in je hand liggen en warm worden. Je moet hem één keer overhalen, niet twee.’ Alleen ziet het eruit dat Céline de hendel in almaar toenemende mate omdraait: ‘De correcties en veranderingen zijn niet te tellen, scènes worden omgegooid, weggelaten, uitgebreid, toegevoegd, te traditioneel lopende zinnen in stukken gebroken en anders gegroepeerd, te neutrale woorden en uitdrukkingen weggelaten of vervangen, bepaalde vondsten en anekdotes blijven gehandhaafd, andere vallen af.’ Ik haal het citaat bij vertaler Frans van Woerden die ze in een nawoord schrijft van Van het ene slot naar het andere. (°°) Hij vertaalt ook Dood op krediet en in een nawoord op dat boek schrijft hij hoe die nieuwe stijl er zo gekomen is. Na het meesterlijke Reis naar het einde van de nacht blijft Céline ontevreden achter. Hij vindt dat hij op de verkeerde weg zit. Hij moet van stijl veranderen. Van Woerden: ‘Wie de Reis en Dood op krediet naast elkaar legt zal weinig moeite hebben met de vraag of Céline hierin is geslaagd! Bij willekeurig doorbladeren wordt al vrij snel duidelijk dat het hier om een merkwaardig boek gaat: van traditionele zinsbouw is geen sprake, de tekst is doorzeefd met uitroeptekens en de zo beroemd geworden drie puntjes; de stijl is telegramachtig, korte zinnen volgen elkaar in adembenemende vaart op, het ritme, de klank en de kleur van het vocabulaire, dat doorspekt is met ‘argot’ (…), met medisch, technisch en ambachtelijk vakjargon doen hallucinerend aan.’ In Guignol’s Band zegt Céline daar zelf over: ‘Jazz heeft de wals op zijn kop gezet, je schrijft in telegramstijl of je schrijft helemaal niet!’ Ik vind de woorden niet meer weer in het boek, dat komt ervan als je vergeet er een streep onder te trekken, ik citeer uit het hoofd. Wel vind ik een aangekruist citaat van vertaler Frans van Woerden weer: ‘Wat de zinsconstructie betreft valt op dat Céline vooral bij de poëtische passages bijzonder vrij te werk is gegaan. Lidwoorden, voorzetsels, zelfs werkwoorden worden weggelaten, woordvolgordes omgegooid, alles omwille van ritme, klank, vaart, melodie. Dat zijn werk stilistisch voortdurend in turbulente ontwikkeling was is in Guignol’s Band overduidelijk.’
Flor Vandekerckhove

(°) Ik vertaal de woorden uit The Paris Review, the Art of Fiction No. 33.
(°°) Louis-Ferdinand Céline. Van het ene slot naar het andere. Vertaling Frans van Woerden. 1988. Meulenhof A’dam. 382 ps. Dat boek recenseerde ik eerder al in Een nazischrijver met stijl.

zondag 10 mei 2026

Het verlangen op de Oosteroever


OP DE DAG dat het mooiste meisje van de Oosteroever zich met een marineofficier verloofde, legden alle mannen op de Baelskaai spontaan het werk neer. Niemand wist hoe het nu verder moest met ons verlangen. Wijk stagneerde, vissersleven verslonsde, schepen werden niet langer onderhouden, vismijn vergaarde stof, Tips werd niet langer bedeeld, Jeroen Brouwers stierf… Zo kon het niet blijven duren. Aan Bernard Vanneuville van Focus vertelde de schuldbewuste marineofficier dat hij ons als troost een nieuw verlangen zou schenken. Alle matrozen scandeerden daarop hoera! hoera! Dat nieuwe verlangen bleek uit een oude, in beslag genomen, blauwe Cadillac te bestaan. (Flor Vandekerckhove)

Het verlangen op de Oosteroever is een prozagedicht. Bij uitgeverij De Lachende Visch verscheen in 2023  Gesprekken met Polleke, een verzameling soortgelijke prozagedichten. Zo’n prozagedicht ziet eruit als proza, maar er is plaats voor ongeloofwaardigheid en ontregeling, prozagedichten mogen inconsequent en onbegrijpelijk zijn. 
Zoals alle e-boeken van De Lachende Visch is ook Gesprekken met Polleke gratis. Mail erom (vermeld de titel en zeg of je ’t in pdf of epub wilt hebben): liefkemores@telenet.be.

zaterdag 9 mei 2026

Louis-Ferdinand Céline en Jacques Tardi (Zegt één beeld meer dan duizend woorden?)


‘WE ZULLEN ZE duizend gore doden laten sterven! En om ze manieren bij te brengen halen we eerst hun darmen uit hun lijf, hun ogen uit hun kassen en de jaren uit hun stinkend kwijlerig leven! Kreperen moeten ze bij legioenen en nog eens bij legioenen, in de pan gehakt worden, leegbloeden, stikken in gifgassen, en dat alles om het vaderland dierbaarder, vrolijker en lieflijker te maken! En als er nog tuig bij is dat deze sublieme dingen dingen niet wil begrijpen, moeten ze zich maar onmiddellijk laten begraven met de anderen, nee, toch maar niet samen met ze, maar helemaal aan het eind van het kerkhof, onder een onterend grafschrift voor lafaards zonder idealen, want deze schoften hebben hun grandioos recht verloren op een stukje schaduw van het monument dat bij aanbesteding door de gemeente op het middenpad is opgericht voor de fatsoenlijke doden, en ook hebben ze het recht verloren iets op te vangen van de echo van de minister, die zondag weer bij de prefect komt pissen om na het middageten bewogen zijn smoel open te doen boven de graven…’ 
In Tracey Emin, het leven zoals het is in Strangeland stelde ik een vraag die het stukje ferm te boven ging: vertelt één beeld meer dan duizend woorden? Ik zei toen dat ik er ietwat over zou nadenken. Dat doe ik nu door twee meesters samen te brengen, een van het woord, Louis-Ferdinand Céline (°1894 - 1961†) en een van het beeld, Jacques Tardi (°1946). Céline schreef zijn Reis naar het einde van de nacht in 1932. Tardi maakte er tegen het einde van de jaren tachtig ruim vierhonderd tekeningen bij. Het geheel werd ook in het Nederlands uitgegeven. (°)
Waardoor het me duidelijk wordt dat ik die vraag toen, met betrekking tot het boek van Tracey Emin, niet had mogen stellen. Emin is een groot beeldend kunstenaar die daarnaast ook wel eens een boek publiceert. Het boek mag verdienstelijk zijn, het is niet het werk van ‘een schrijver’. Schrijven is niet hetzelfde als iets ‘opschrijven' of ‘over iets schrijven’. Schrijven veronderstelt de artistieke eis van transpositie (overbrengen van de realiteit in een andere vorm of gedaante). Wat ik niet zie in haar boek, zie ik wel in haar beeldend werk. My Bed ís haar leven uitgebeeld op ongeziene wijze. Uiteraard zegt een kunstwerk van Emin dan meer dan duizend van haar woorden.
Anders wordt het wanneer je woorden van een groot schrijver confronteert met beelden van een groot tekenaar. Céline schrijft in Reis naar het einde van de nacht niet gewoon over zijn leven, hij doet het in een nooit eerder geziene stijl. Tardi maakt niet gewoon tekeningen over Célines boek, hij verbeeldt het boek op ongeziene wijze. Bij vergelijking van de twee meesterwerken openbaart het cliché (°°) zich ten volle in zijn oppervlakkigheid. Wie Céline (woorden) en Tardi (tekeningen) tot zich neemt, weet dat de vergelijking er een is van appelen en citroenen.
Flor Vandekerckhove

(°) Louis-Ferdinand Céline, Reis naar het einde van de nacht. Met tekeningen van Jacques Tardi. Uitg. Amsterdam Van Oorschot. 1989.
 (°°) Paul Cooijmans zinspeelt als volgt op het adagium: ‘Eén woord zegt meer dan duizend tekeningen’.

vrijdag 8 mei 2026

Naar ’t ongewisse

Op de Oostendse Baelskaai leidt De Laatste Vuurtorenwachter zijn haveloze woorden naar ’t ongewisse.

ONZE TRED IS ferm. We hebben al wat nodig is: een doofpot, een fluitje van een cent, scheepjes van papier, oud nieuws, verse leugens, tembers, meetlatten van dertig centimeter, vitessepillen, een loos alarm, een lange arm, de zeemansalmanak van 1989, een zak roste kluiten, pullemutsen, een scheet in een zak. We hebben postkaarten van de vuurtoren, broodjes gebakken lucht en een mondharmonica waarnaar Bob Dylan nog gekeken heeft. We zijn met genoeg woorden om tot honderd te geraken. We laten geen kans passeren, we zijn spoorloos en voorbereid op ’t ongewisse. Daar wacht ons de zon. En ambiance met Françaises. (Flor Vandekerckhove)


Op YouTube staat een 
oudere versie van dit verhaal

Naar ’t ongewisse is een prozagedicht. Bij uitgeverij De Lachende Visch verscheen in 2023  Gesprekken met Polleke, een verzameling soortgelijke prozagedichten. Zo’n prozagedicht ziet eruit als proza, maar er is plaats voor ongeloofwaardigheid en ontregeling, prozagedichten mogen inconsequent en onbegrijpelijk zijn. 
Zoals alle e-boeken van De Lachende Visch is ook Gesprekken met Polleke gratis. Mail erom (vermeld de titel en zeg of je ’t in pdf of epub wilt hebben): liefkemores@telenet.be.

donderdag 7 mei 2026

Tracey Emin, het leven zoals het is in Strangeland

Tracey Emin: The End of Love, 2024

VAN DE SCHOKKENDSTE elementen van haar leven maakt ze bekenteniskunst. Daar kende Tracey Emin (°1963) in de jaren negentig een spetterende doorbraak mee: My Bed. Ik schreef er al over in Is dat kunst?, vraag die menigeen zich toen stelde. Nu loopt in Londen nog tot 31 augustus een overzichtstentoonstelling van haar werk: A Second Life. Uit die tentoonstelling bracht Marijke Strangeland (°) voor me mee. Het boek werd voor het eerst gepubliceerd in 2005. Het exemplaar dat ik in handen heb is een mooi uitgegeven feesteditie, de 20 th Anniversary Edition. (°) Drie delen: Motherland, Fatherland, Traceyland; herinneringen aan moeder, het opzoeken van de vervreemde vader, het kind zoals het geworden is. 
Toen ze dertien was, sloeg Tracey de schooldeur achter zich dicht. Daarna leerde ze in en uit de academie op een indruk-wekkende manier met kunst omgaan. Schrijven is uiteraard nog iets anders. Een Author’s Note op ’t einde van het boek, zegt er iets over. Ik laat de vertaling over aan Google: ‘’t Zou onredelijk geweest zijn je een boek te laten lezen dat vol spelfouten staat. Ik besliste dan ook om mijn spelling te laten corrigeren. Nu leer ik spellen.’  Er is wel meer met dit boek gebeurd dan een spellingcontrole. In de Engelstalige Wikipedia lees ik: Emin's editor for Strangeland was the British novelist Nicholas BlincoeWijselijk houdt ze (of haar redacteur) haar teksten kort en eenvoudig, iets wat ikzelf ook nastreef. In het boek wisselt ze genres af, iets wat ik ook in toenemende mate in mijn boeken doe. Wat maakt dat Strangeland voor mij een herkenbare, aangename leeservaring geworden is. 
Ik stip passages aan die met haar beeldend werk sporen, maar constateer dat wat-geschreven-wordt niet op diezelfde, harde manier aankomt. Betekent het dat ze schrijvend mislukt, waar ze beeldend slaagt? Komt het door het medium: schrijven versus uitbeelden? In het boek staat een passage met dagboeknotities die ze verzamelt in From a Week to Hell. Op maandag is dat: ‘Ik werd wakker met vreselijke kiespijn. Ik heb vijftig pijnstillers genomen en een ton kruidnagelolie opgesmeerd. Ik ging te laat mijn pillen halen; en twee verdomde uren te laat voor de morning-afterpil. Ik moest een spiraaltje laten plaatsen: een stukje koperdraad om een ​​plastic haakje gewikkeld. Onbeschrijflijke pijn toen het in mijn baarmoederhals werd geduwd. Mij werd verteld dat het er na een week uit kon en dat ik dan niet zwanger zou zijn.' Die maandag is waarlijk een dag vol kommer, maar ik kan me wel voorstellen dat het in een Emin-schilderij een duizeligmakende slag in je gezicht zou zijn! Heeft het te maken met het cliché dat zegt dat één beeld meer vertelt dan duizend woorden? Nog terwijl ik de vraag stel, begrijp ik dat het nadenken erover de grenzen van deze recensie te buiten gaat. (Ik kom er in een vervolgstukje op terug.)
’t Is niet dat ik vrouwelijke kunstenaars per se aan een vent wil koppelen, maar ik ging in het boek toch op zoek naar een passage over Billy Childish (°°), ex-partner van Tracey en punkartiest. Dat komt doordat ik in 2023 al over die mens geschreven heb in Billy Childish blaast de grens tussen amateurisme en professie op
Op pagina 139 spreekt ze over een man waarmee ze omging toen ze negentien was. Ze noemt hem niet bij naam, maar Billy Childish is er zeker van: dit gaat over hem. En in Some big twists and other mighty stretches ontkracht hij expliciet wat ze daar over hem zegt.
Hoe dan ook, soms zijn haar herinneringen heftig, maar soms gaat het er ook rustig aan toe. In Fatherland vindt Tracey een soort rust door haar Turkse wortels te verkennen. Met haar vervreemde vader plukt ze olijven en wisselt ze familieroddels uit. Dat deel vangt aan met een hilarisch bezoek aan een waarzegster. Ja, er mag al eens gelachen worden.
Flor Vandekerckhove

(°) Tracey Emin. Strangeland. 20 th Anniversary Edition. 240 ps. Taal: Engels. Uitg. Sceptre. 2025.

woensdag 6 mei 2026

Kraanvogels, haring en toeristen

Aan de oever van de Noordede schrijf ik een verhaal over de Oostendse Baelskaai, waarin ook Gerard Dangreau (°1930 - 2006†) voorkomt, wat er een licht surrealistisch retroverhaal van maakt. De inhoud wordt mee bepaald door de vorm die ik mezelf opleg: drie keer exact honderd woorden: 100 voor de opening, 100 voor het midden en 100 voor het slot.


HET IS HET seizoen waarin de kraanvogels terugkeren. Da’s een meesterlijke openingszin, vind ik. De zin neemt je bij je lurven en zuigt je ’t verhaal binnen. Niemand wil weten waar die vogels eerst geweest zijn of waar ze vervolgens heen vliegen. Geen mens die weten wil wat voor vogels dat zijn, kraanvogels. Al wat je wil weten is dit: wat gebeurt er verder? Dat kan alleen met kraanvogels, denk ik. Je kunt die beesten niet vervangen door haringen, padden, oorlogen of toeristen, hoewel die evengoed terugkeren. Het komt, denk ik, doordat kraanvogels in de lucht hangen, net als spanning. 
Het toeristische seizoen nadert zijn hoogtepunt, de vraag naar haring piekt. Hij rijdt nu fulltime rond met bokalen rolmops. Tijd om te schrijven heeft hij niet. Ineens wordt het teveel voor de schrijver, waardoor het verhaal plotsklaps een onvoorziene wending neemt. Met zijn camionette rijdt hij weg van Dangreau (°). Op de Baelskaai wordt de auto ondergescheten door de massaal terugkerende kraanvogels. Alzo ontstaat het conflict waar het in zo’n verhaal toch om te doen is. De schrijver rijdt verblind verder tot hij weer aan honderd woorden komt, alsmede tot stilstand tegen een paal, want ook het middendeel is een drabble.
Rest de schrijver, tevens protagonist van dit verhaal, alleen nog een slot te bedenken, in honderd woorden uiteraard, net als de opening en ’t midden. De ruitenwissers doen hun werk en na tien minuten zwiepen is er genoeg kraanvogelstront van de voorruit geveegd opdat hij de situatie onder ogen zou kunnen zien. Wat hij ontwaart is de werkelijkheid. Op de Baelskaai bestaat Dangreau allang niet meer en degenen die daar nu wonen hebben geen interesse in zijn rolmops. Bovendien weet hij niet eens of kraanvogels (°°) bestaan, hoe ze er desgevallend uitzien en, ook niet onbelangrijk, of het wel trekvogels zijn.
Flor Vandekerckhove

(°) Gerard Dangreau (2006†), geboren op 19 septem­ber 1930, begon in 1948 als visleurder met een ronde in Henegouwen en Wallonië. Door een zwaar ongeval kwam een einde aan deze activiteit. Na de zijn revalidatie werkte Gerard tien jaar in de Frigorifères du Littoral van Crops waar vismeel gemaakt werd. Nadien werd hij visfileerder, chauffeur en ijsvervoerder. Hij begon in 1958 ook een winkel op het Vissersplein in Oostende, maar bleef intussen bij Crops aan de slag als frigoman. In 1962 startte hij met een groot­handel in pakhuis 64 in de vismijn. Acht jaar later stapte hij in de zaak van zijn vader aan de H. Baelskaai en bouwde deze uit tot een onderneming voor verse vis, inleggerij, mayonaise, sausen, slaat­jes en later ook diepvriesproducten. Hij stond bekend als een maatjesspecialist. 
(°°) In de Griekse mythologie was de kraanvogel een voorteken, zo ook in dit verhaal.

Nadat het leven me van stad naar stad had gebracht, van werk naar werk en van vrouw naar vrouw, streek ik in Bredene neer, waar ik ook mijn jeugd had doorgebracht. Daar startte ik een schrijfproject dat onderzocht hoe het anderen vergaan was. Ik delfde sporen van schoolmakkers op, jongens waarmee ik tijdens m’n tienerjaren de schoolbanken in een Oostends college deelde. 
Had het iets te betekenen, het leven van die babyboomers in de sixties? Ik schreef er een boekje over, Tienerklanken, zo genoemd naar een TV-programma dat in die tijd voor ons gemaakt werd. Dat boekje is nu beschikbaar.
Tienerklanken is een e-boek (117 pagina’s in pdf of epub naar keuze), uitgegeven door De Lachende Visch en gratis verspreid door De Weggeefwinkel. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be en het boekje valt vandaag nog in je mailbox. GRATIS! (Vermeld: ‘Tienerklanken’ en zeg epub of pdf.)

dinsdag 5 mei 2026

Edna O’Brien, bevriend met Jacky Onassis


VAN 21 TOT 26 april ging in verschillende Belgische steden een Iers Filmfestival door. Daar werd ook Blue Road (°) getoond, documentaire over de Ierse schrijver Edna O’Brien (°1930 - 2024†). Voor mij was het een gelegenheid om haar memoires weer uit de kast te halen, Een meisje van buiten. (°°)
Dat boek heb ik in 2013 gelezen. Ik zie dat ik veel onderstreept heb, veel hoekjes omgeplooid ook. Altijd een goed teken, ik heb het intens gelezen. Die lezing laat ook een spoor achter in De Laatste: Edna O'Brien, een meisje van buiten.
Veel herinner ik me niet: dat de Ierse bevriend geweest is met Jacky Onassis (°1929 - 1994†) bijvoorbeeld, a.k.a. Jacky Kennedy.
Terwijl Edna O’Brien in New York is, waar een van haar toneelstukken wordt opgevoerd, belt Jacky Onassis haar op. Er ontstaat een vriendschap die tien jaar duurt. Over de laatste brief die ze van Jacky krijgt, zegt O’Brien: ‘(…) op donker hyacintblauw papier, geschreven op haar sterfbed, was een en al optimisme, de lente, wat we allemaal zouden doen, weer in volle vaart leven. Het was niets pathetisch; het was zelfbehoud. In een ver verleden was ze First Lady geweest, iemand die zeker wist dat ze geliefd was, en het meisje in haar hield daaraan vast. Het was haar pantser en het hielp haar om met verbazingwekkende kalmte de grootste verschrikkingen te verduren. (…) zij zag het leven door een roze bril en toen zij het verliet, was haar droom nog intact.’
Ik weet niet goed waarom ik juist dit stukje citeer. Misschien wil ik tonen dat het ‘meisje van buiten’ ook een behoorlijke hap mondain leven achter de kiezen had. Misschien is ’t om weer een steentje aan mijn reeks memento mori toe te voegen, in het besef dat we allemaal moeten gaan.
Flor Vandekerckhove

(°) Blue Road - The Edna O’Brien Story — Regie: Sinéad O’Shea. Productie: Claire McCabe, Eleanor Emptage, Sinéad O’Shea. Executive Producer: Barbara Broccoli, Katie Holly, Niamh Fagan, Jack Oliver, Kathryn Ferguson. Cinematografie: Eoin Mc Loughlin, Richard Kendrick. Taal: English. Land: Ireland, United Kingdom. 2024. 1h 38m.
(°°) Edna O’Brien, Een meisje van buiten. 2013. De Bezige Bij A’dam. 397 p. 

zondag 3 mei 2026

Ben ik er geweest of ben ik er geweest (Kunst in The Sailor)

Visserscafé The Sailor, Baelskaai Oostende. Beeldend kunstenaar William Phlips en De Laatste Vuurtorenwachter aan de toog. Let op de affiche die de tentoonstelling aankondigt. U komt toch ook?!


’T IS NIET voor ’t eerst dat ik het zeg: Mijn gebrek aan sociabiliteit is welhaast compleet. Gisteren had ik me nochtans voorgenomen het anders te doen, maar ‘het kwam me niet goed uit, want mijn oom en tante uit Venezuela waren op bezoek.’ Die zin leen ik van A.L. Snijders, mijn leermeester in 't schrijven en in de ouderdom. Elders zegt hij ook: 'Ik zie mensen in de verte, ik ga niet naar ze toe, ik blijf roerloos tussen de bomen staan. Ik voel me schuldig en bevrijd. Om die twee dingen gaat het: ik ben een sociaal mens met een glimlach en een eenzaam dier dat niet gestoord wil worden. Nooit ben ik zonder dat schurende gevoel.’ ’t Is ook die tweespalt, vind ik, die de ware schrijver kenmerkt. Zegt ook punkschrijver Stephen Elliott niet: ‘De drang om te schrijven is deze om te communiceren, gekoppeld aan deze om alleen te zijn.’ Tot zover de rechtvaardiging van mijn niet te rechtvaardigen afwezigheid op William Phlips' PreVew. En ik had nochtans mijn haar al gewassen. Feit: ik heb mijn kat gestuurd.
Nadat het leven me van stad naar stad had gebracht, van werk naar werk en van vrouw naar vrouw, streek ik in Bredene neer, waar ik ook mijn jeugd had doorgebracht. Daar startte ik een schrijfproject dat onderzocht hoe het anderen vergaan was. Ik delfde sporen van schoolmakkers op, jongens waarmee ik tijdens m’n tienerjaren de schoolbanken in een Oostends college deelde. 
Had het iets te betekenen, het leven van die babyboomers in de sixties? Ik schreef er een boekje over, Tienerklanken, zo genoemd naar een TV-programma dat in die tijd voor ons gemaakt werd. Dat boekje is nu beschikbaar.
Tienerklanken is een e-boek (117 pagina’s in pdf of epub naar keuze), uitgegeven door De Lachende Visch en gratis verspreid door De Weggeefwinkel. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be en het boekje valt vandaag nog in je mailbox. GRATIS! (Vermeld: ‘Tienerklanken’ en zeg epub of pdf.)