Toen ik in Gent woonde, liep ik regelmatig bij de Slegte langs. Haast altijd kwam ik met boeken buiten. Die stak ik thuis in de kast, zoals de wijnkenner dat met een fles in de kelder doet. Ik leidde een beweeglijk liefdesleven in die tijd, wat me van vrouw naar vrouw bracht en in die verhuizingen liet ik almaar meer achter: dream big, travel light. Daardoor staan her en der boeken die ik ooit de mijne noemen mocht. Of ze zijn in ’t containerpark terechtgekomen, wat waarschijnlijker is.
Een collectie brieven van Ernest Hemingway heeft die verhuizingen overleefd. Ik weet niet hoe dat komt. Ik haal het boek (°) uit de kast, blader en vind maar één door mij onderstreepte passage. Op 15 september 1925 schrijft Hemingway een brief aan Ernest Walsch. Ik weet niet wie die Walsch is, zoek het op en zie dat ook die Amerikaan in 1922 naar Parijs trekt, net als Hemingway.
‘Ik heb mijn roman af—moet er van de winter nog eens goed doorheen gaan en uittikken. (…) Ik wil een wandeltocht ondernemen en mijn hoofd weer helemaal normaal laten worden. Het is van binnen hels vermoeid en nadat ik het boek af had heb ik er weer heel wat op los gedronken. Kan verdorie net zoveel whisky drinken als ik maar wil zonder dronken te worden omdat mijn hoofd zo moe is. Heb ook elke dag in de Seine gezwommen. Kouder dan de kust van Maine. (…) Heb er een hekel aan de herfst in de stad te verspillen. (…) Er zijn in de stad geen mannen met wie ik op straat gezien wil worden en ik ben bang om een van mijn vrouwelijke kennissen mee te nemen omdat ik een hekel heb aan complicaties, onwettige kinderen en alimentatie. Ga dus waarschijnlijk op mijn eentje maar voel me van binnen verdomd eenzaam en wou dat er iemand was om mee te gaan. (…)’
Flor Vandekerckhove⇲