maandag 7 september 2026

August Vermeylen leren kennen


AAN HET BEGIN van de Tweede Wereldoorlog wordt August Vermeylen (°1872 - 1945†) door de Duitse bezetter ‘kaltgestellt’: hij mag niet langer werken. In 1940 komt hij ook in ’t vizier van rechtse kranten, en niet alleen van Volk en Staat. Zelf zegt hij erover: ‘Ik begrijp eenvoudig niet meer wat daar omgaat. Ik heb mijn leven lang voor de Vlaamsche zaak gewroet en gevochten, ook buiten elke politiek om voor de Vlaamsche cultuur geijverd, en voor de eendracht onder alle Vlamingen. (…) Wat hebben die lui dan tegen mij? (…) Uit klerikaal-nationalisme vliegen ze in de armen van de Duitschers. En dezen zijn het juist, die voor hun nationalisme het gevaarlijkst zijn.’
Ik sla een boek dicht over de oorlogsjaren van Vermeylen. (°) Dat boek wilde ik lezen nadat ik over de 'oorlogstrapatsen' van Cyriel Verschaeve gelezen & geschreven had en daarna ook over die van Stijn Streuvels. Ja, ik had een beetje antidotum nodig. Dat Vermeylen-boek levert dat ook wel. Ik was wat blij dat ik La Flandre profonde kon verlaten en vernemen hoe het er bij intellectuele stedelingen aan toeging. 
Doordat auteur Hans Vandevoorde veel dagboekfragmenten van Vermeylen gebruikt, is zijn boek ook rijk aan petite histoire, een verademing voorwaar na al de pathos van Verschaeve en de zijnen: ’Voor Vermeylen was het meest penibele dat tabak vanaf 1 november 1943 werd gerantsoeneerd. Hij kostte begin van het jaar al 400 frank per kilo en in augustus haast het dubbele. Vermeylen: “ik rook nog slechts één pijp per dag”.’ Spijtig dat ik niet meteen een foto vind van de man als pijproker.
Van August Vermeylen wist ik eigenlijk alleen dat hij zijn naam aan het Vermeylenfonds gegeven heeft en voor de rest kende ik alleen maar dit citaat: ‘[…] om iets te zijn moeten wij Vlamingen zijn. — Wij willen Vlamingen zijn, om Europeërs te worden.’ 
Wie was die man eigenlijk? Wel, ik heb een aanrader. Sinds kort staat er op YouTube een lange documentaire over Vermeylen. De film wordt nauwelijks bekeken en da’s spijtig. Sta me toe dat ik u erheen leid en neem er de tijd voor, want ’t duurt langer dan een uur: De Vlaamse rector die een culturele revolutie ontketende. Wie niet zoveel tijd heeft, kan kijken naar Een leven in het teken van taal en verbinding, da’s tweeëntwintig minuten. En als ook dat nog te lang duurt, heb ik nog iets liggen van twee minuten: ‘150 jaar fris en onbelegen’, maar dat is vooral vogelgezang.
Flor Vandekerckhove

(°) Hans Vandevoorde. Stil verzet: De oorlogsjaren van August Vermeylen. 1939-1945. Uitg. Lannoo. 2024. 360 p.

zondag 6 september 2026

Zoeken naar Irving Stettner, ‘waar de gaspitten verstopt zitten met overgelopen erwtensoep’

Er zijn op ’t net nauwelijks foto's van Irving Stettner te vinden. Ik vond een wazig kopje en vroeg ChatGPT om het scherper te maken en in kleur. Ook vroeg ik een achtergond te creëren met exemplaren van Stroker, literair tijdschrift dat Irving Stettner van 1974 tot 2004 uitgaf.

EEN ESSAY VAN Guillermo O’Joyce gaat over een Amerikaanse dichter-schrijver-schilder waarvan ik nooit eerder gehoord heb: ‘Irving Stettner is de oorspronkelijke straatjongen. En dat is hij al 70 jaar gebleven. Hij heeft geen socialezekerheidkaart, omdat hij weinig interesse heeft in zekerheid en hij zich nooit heeft laten meeslepen door het schadelijke socialisatieproces dat de meeste van onze zielen kenmerkt. Hij leeft uit twee koffers in eenkamerappartementen waar de gaspitten van het tweepitsfornuis verstopt zitten met overgelopen erwtensoep.’ O’Joyce erkent in Irving Stettner een geestesgenoot. Dat valt te begrijpen, hij is net zo: ‘Het leven van Stetttner getuigt van de kracht en vreugde die we zouden kunnen bereiken als we onze angst voor armoede zouden overwinnen. (°)
Wil deze Irving Stettner zijn huur betalen, dan moet hij zijn werk op straat verkopen. Dat komt doordat hij zich afzijdig houdt van de kunstscene: ‘Om een ​​echte kunstenaar, een “professional”, genoemd te worden, moet je je werk aan een publiek laten zien en er geld voor krijgen. Om deze prestigieuze titel te verdienen, moeten niet alleen de kunstenaar en zijn werk eerst door een ingewikkelde keten van ontmande idioten met de juiste connecties worden gefilterd, die allemaal geloven dat kunst een beschavingsmanoeuvre is. (…) Het aantal mensen dat schrijver of schilder wil worden is legio, stuk voor stuk zo hersenloos dat ze bij het minste of geringste bereid zijn hun overspannen emoties te temperen tot beheersbare proporties, als dat maar een beetje respect oplevert, zo niet garandeert.’ 
Niet zo Irving Stettner, althans volgens O’Joyce. Toch heeft Amazon niet weinig van Irving Stettner in de aanbieding: drie ‘pamplets’, drie boeken waarin hij heeft meegewerkt, een theaterstuk, enkele dichtbundels, waaronder een recente Pigeon Feature: Selected Poems 1967-2002. Op instagram staan hier ook drie gedichten te lezen en daar zie ik menig schilderij van hem op de reguliere kunstmarkt staan.
Wat zegt O’Joyce nog over hem? ‘Is Stettner een dwaas? Natuurlijk. Maar niet meer dan een Chaplin, Keaton of W.C. Fields. (...) Hij is een van die zeldzame schepsels, een vrij mens. Met vrij bedoel ik dat hij geloof heeft – niet geloof in de religieuze clichématige betekenis van dat woord, maar geloof dat hij zowel in de mens als in de natuur het royale kan vinden die hem blij maakt om te leven. En Stettner vindt dat royale overal.’ 
Op Wikipedia vind ik niets over Irving Stettner. Niet zonder moeite vind ik op ’t net een fotootje, ergens staat zijn geboortejaar (1922), geen sterfdatum. ChatGPT komt me helpen: Hij stierf op vrijdag 9 januari 2004 op 81-jarige leeftijd in zijn huis in Dallas, Pennsylvania. ‘Zijn overlijdensbericht in de lokale krant vermeldde dat hij vredig thuis stierf. Hij liet zijn echtgenote Mihoko Kato, zijn dochters May en Mona, en zijn tweelingbroer Louis (die destijds in Parijs woonde) achter. In overeenstemming met zijn wensen is er geen uitvaartdienst gehouden.’ 
Er valt meer over Irving Stettner te vertellen. Hij was redacteur van Stroker, een avant-garde tijdschrift met gedichten, proza ​​en kunst, dat tussen 1974 en 2004 verscheen. Het is het enige tijdschrift in Amerika waaraan Henry Miller de laatste jaren van zijn leven heeft bijgedragen. Ook over Irvings tweelingbroer, Louis, valt nog iets te vertellen. Ik denk dat ik die twee eens in een ‘imaginaire ontmoeting’ naar Oostende haal, naar de Chatelet bijvoorbeeld, zeer geschikt etablissement om over artistieke families te praten. Kortelings op dit scherm!
Flor Vandekerckhove

(°) ‘kiss me, I’m still alive: on irving stettner’ in O’Joyce, Guillermo. Miller, Bukowski and Their Enemies: Essays on Contemporary Culture. 160 p. Pinter & Martin, 2011.

zaterdag 5 september 2026

Met Guillermo O’Joyce en Kenneth Rexroth in ’t Leeshuus

Tijdens een imaginaire ontmoeting in ’t Leeshuus van Oostende: (links) Kenneth Rexroth (°1905 - 1982†) en (rechts) Guillermo O’Joyce (°1941). Ze bespreken een boek uit 1957.

OOIT BEN IK eraan begonnen, en meteen ben ik er ook weer mee gestopt. Dat komt doordat ik toen nog niet wist hoe je dat boek moet lezen. Vergeefs zocht ik hoe de verhaallijn zich gaandeweg ontplooit, ik zocht een plot en vond er geen. O’Joyce zegt erover: ‘Kerouac loste het probleem op door een lineaire vertelling te vermijden; in plaats daarvan maakte hij van elk fragment een prozagedicht, een op zichzelf staande eenheid; verleden, toekomst en heden werden in korte tijd afgewisseld totdat de Tijd zelf oploste.’
Nu lees ik een alinea en geniet van de schoonheid die mij daarin wordt toegestopt: ‘Die nacht in Harrisburg moest ik op een bankje in het station slapen; bij zonsopgang gooiden de leidinggevenden me eruit. Is het niet zo dat je je leven begint als een lief kind dat in alles gelooft wat er onder het dak van je vader gebeurt? Dan komt de dag (…) waarop je beseft dat je ellendig, arm, armzalig, blind en naakt bent, en met het gelaat van een afschuwelijke, treurende geest ga je huiverend door een nachtmerrieachtig leven. Ik strompelde uitgeput het station uit; ik had geen controle meer. Alles wat ik 's ochtends zag, was een witheid als de witheid van een graf. Ik stierf van de honger.’ De alinea komt uit On The Road van Jack Kerouac en da’s ook het boek waarover ik het in de openingszinnen had.
De twee auteurs die ik momenteel aan ’t lezen ben, hebben dat boek gerecenseerd, Guillermo O’Joyce en Kenneth Rexroth, de eerste in ‘kerouac, the hero we needed’. (°) De tweede in een bespreking die gewoon On the Road heet. (°°) 
Waneer het boek van Kerouac in 1957 uitkomt is Rexroth vijfenvijftig jaar oud, O’Joyce is zestien: ‘Gelukkig had ik On the Road gelezen en door de States gereisd voordat ik naar de universiteit ging. Dankzij Kerouac kon ik een zekere afstandelijkheid en scepsis bewaren ten opzichte van de onzin die me als “hoger onderwijs” werd voorgeschoteld.’ En verder: ‘(…) tijdens die reizen door het land tussen 1959 en 1968, allemaal geïnitieerd door Kerouac, vond ik mijn ware universiteit en de eerste aanzet tot het tegengif tegen de verbale onzin die me de volgende vijftig jaar zou worden toegeworpen.’ Het boek, zegt O’Joyce, ‘(…) had dezelfde stimulerende werking op jongeren in de Verenigde Staten. Ze trokken de open weg op en ontdekten zelf wat Kerouac hen in zijn boek had willen laten zien: de verscheidenheid van de mens en de kleine beetjes schoonheid die overal te vinden zijn.’ Dat is de taal van een jongeman, iemand die naar ‘the road’ verlangt. Volledigheidshalve moet ik zeggen dat O’Joyce ook wel de keerzijde van Kerouac ziet: ‘Op welk moment veranderde een groot kunstenaar als Kerouac in een nutteloze martelaar?’
Rexworth bespreekt het boek al bij ’t verschijnen ervan, in 1957. Hier spreekt een oudere man: ‘On the Road heeft de drive die een breed publiek zal aanspreken. En (…) wat de roman echt belangrijk maakt, is de authentieke, nieuwe, boeiende en opwindende schrijfstijl die hem die drive geeft. (…) wat het boek gaande houdt, is de kracht en schoonheid van de schrijfstijl.’ 
Waar O’Joyce de boodschap benadrukt is het bij Rexroth de stijl. Dat laatste is merkwaardig, omdat anderen die stijl juist verwerpelijk vinden. Truman Capote zei: ‘That’s Not Writing. That’s Just Typing.’ Dat Capote daar zo over denkt komt ook doordat Kerouac zelf beweert dat hij het boek in drie weken geschreven heeft, haastig, op een rol papier, zodat hij niet telkens het blad op de typemachine moest wisselen. O’Joyce doorprikt die mythe: ‘De definitieve versie van On the Road is evenzeer het resultaat van het herschrijven door een Viking-redacteur als van het herschrijven dat Kerouac zelf heeft gedaan.’
Rexroth is kritisch voor de ideologie van het boek. Over de daarin geportretteerde jongeren zegt hij: ‘Hun waarden zijn die van de meest conformistische leden van de middenklasse die ze verachten, maar dan enorm overdreven. Ze zijn gedemoraliseerde en mislukte kleine Babbitts. Deze roman zou eens en voor altijd moeten aantonen dat de hipster de woedende conservatief is. (…) Deze personages hebben het tijdsbesef van eendagsvliegen en kleine kinderen. Ze hebben het altijd over 'vroeger', waarmee ze zes maanden geleden bedoelen. (…) Moriarty begint letterlijk uit elkaar te vallen, hij verliest een deel van zijn duim, zijn benen werken niet meer als vroeger, zijn lenigheid is verdwenen, hij kan de gevolgen van zijn daden niet langer ontlopen. Maar hij dendert nog steeds voort, als een bulldozer die de controle kwijt is en op alcohol rijdt.’ Maar kijk, een verwerpelijke moraal kan evengoed waardevolle literatuur opleveren: ‘Het is geschreven door een nieuwe auteur, met de beste proza ​​die de San Francisco Renaissance vertegenwoordigt (…).’ Kerouac mag als mens misleid zijn door zijn materiaal, hij is niet misleid als kunstenaar. ‘On the Road is een studie naar het snelle uiteenvallen van een soort Golem. De 'held', Dean Moriarty, is een androïde, een menselijk ogend mechanisme zonder innerlijk, dat een essentiële veer heeft gebroken en op hol is geslagen.’
Er valt veel meer te vertellen, én over het boek én ook over de twee recensies. Maar O’Joyce en Rexroth zijn het met mij eens: dit volstaat voor deze keer. We verlaten 't Leeshuus, nemen elk een deelstep die daar staat en vertrekken ermee, elk onzes weegs.
Flor Vandekerckhove

(°) O’Joyce, Guillermo.  In Miller, Bukowski and Their Enemies: Essays on Contemporary Culture. 160 p. Pinter & Martin, 2011. 
(°°) On the Road. In Three reviews bij Kenneth Rexroth, online te lezen in het Bureau of Public Secrets. 
[De vertalingen  die ik uit die twee stukken meegeef zijn van Google Translations.]

vrijdag 4 september 2026

Een oud paard van stal halen

De ballade van Trotski. (Maurizio Cattelan. 1996. Opgezet paard, leren zadelwerk, touw en katrol. Afmetingen 270 x 200 x 75 cm.)


IN DIE TIJD ging ik dagelijks joggen en zo komt het dat ik in de Duinbossen van De Haan onverwachts (de beeltenis van) een paard ontwaarde dat hoog in een boom was opgehangen. Ik schrok niet, ik herkende de situatie meteen als werk van Berlinde De Bruyckere (°1964) die het paard wel meer als metafoor voor kwetsbaarheid en vergankelijkheid gebruikt, zo ook die keer in 2003. Ik zoek even uit wat er van dat werk geworden is en zie dat het nu in het SMAK te kijk staat: Aan-één van Berlinde De Bruyckere. (Ik herinner het me niet op die manier. Ik herinner me één paard, niet twee, waaruit eens te meer blijkt hoe onbetrouwbaar de herinnering is. Tegelijk zie ik dat er ook elders gesproken wordt over één 'Berlinde-paard' in die bossen.)
Dat ik daar nu weer aan denk, komt door een krantenstuk (°) over Maurizio Cattelan (°1960), hier ten huize bekend als ‘de man van de banaan’. Ook hij heeft zo’n opgehangen paard. Omdat ik een oude trotskist ben, werd ik meteen gegrepen door de titel: De ballade van Trotski. Cattelans paard dateert van 1996, lang voor Berlinde zoiets deed. 
De jonge Belgische kunsthistoricus-kunstenaar Julien Delagrange (°1994) interpreteert Cattelans paard als ‘verbeelding van de tragikomische aard van het menselijk bestaan. Net als de Russische revolutionair Leon Trotski – die uit de Sovjet-Unie werd verbannen, van verraad beschuldigd en door agenten van Jozef Stalin opgejaagd en vermoord – draait de tragedie in dit werk om onbenut potentieel en het verlies van een ideaal.’
Cattelan laat het niet bij dat ene paard. Public Delivery toont met een aantal indrukwekkende foto’s ‘Alle paardensculpturen van Maurizio Cattelan.’ (°°) En doordat het ene woord het andere meebrengt, leidt Delagrange ons naar nog meer hedendaagse kunstenaars die met paarden in de weer geweest zijn. Zo leer ik dat Jannis Kounellis (°1936 - 2017†) in januari 1969 al zijn Untitled (Cavalli) uit 1967 in Rome presenteert. Twaalf paarden staan drie dagen lang in de galerie. Ze worden verzorgd door stalknechten en keren elke avond naar de stal terug. 
Ook Michaël Borremans (°1963) heeft zijn paard, maar dat is geschilderd. Met zijn doek 'Het Paard' uit 2015 grijpt hij terug naar de geschiedenis van de schilderkunst, zoals we dat van hem gewoon zijn. 
Iets heel anders zijn Jorg Kargs digitale collages. Volgens Delagrange zijn ze resultaat van een zoektocht naar het buitengewone. Daar past ook een paard bij dat in een fotostudio poseert. Dancing Fearless uit 2020 toont een transparante trede en een kleine donkere bol in een fotoshoot. Een steigerend paard betreedt deze denkbeeldige, surrealistische omgeving. Hoe die Jorg Karg het voor elkaar krijgt, legt Delagrange mooi uit in een korte video: Jorg Karg: Manifest.
Flor Vandekerckhove

(°) Thomas Siffer interviewt Maurizio Cattelan. ‘Denk jij echt dat ik belangrijk ben?’  In DSWeekblad, 29 augustus 2026. 
(°°) Woorden en teksten die in DLVuurtorenwachter gearceerd staan, kunt u aanklikken. Het systeem leidt u dan naar de bron, in dit geval een foto van het vernoemde kunstwerk. Dat heeft voor mij het voordeel dat ik die foto niet zelf moet afdrukken, want op elk van die beelden rust copyright. Ik maak van de gelegenheid gebruik om de huidige irrelevantie van het copyright-systeem in deze aan te klagen. Dat zegt ook Kenneth Godsmith in Elvis has left the building: ‘De huidige discussie over copyright is te vergelijken met deze over pornografie in de twintigste eeuw’. Iets nieuws maken is niet langer relevant, zegt Goldsmith ook. Maak datgene wat je vindt op ’t internet relevant, verplaats het, herschik het, verpest het, breng het samen, verzamel de gemaakte dingen van de voorbije honderd jaar. Er is ook dit: De Laatste Vuurtorenwachter produceert zijn inhoud buiten het geldcircuit en dus ook buiten dat van de copyright. Dat is niet zonder gevaar voor de auteur. Het kan gebeuren dat ik door derden aangevallen wordt en juridisch veroordeeld wanneer ik zomaar een foto produceer. Liever niet dus.

donderdag 3 september 2026

Met Harry Mulisch op een Oostends caféterras

Links: Stefan Zweig en Phlip Roth, 1936, Oostende. Rechts: Harry Mulisch en Flor Vandekerckhove (met sleeves) in een imaginaire ontmoeting. 

IN NOTITIEBOEKJES WAARIN ik al dertig jaar citaten verzamel, kies ik er eentje van Harry Mulisch (°1927 - 2010†). 't Zijn woorden uit diens Voer voor psychologen. Aan dat boek heb ik twee sterke herinneringen. De vroegste herinnering betreft de titel. Die lees ik voor het eerst op een wc-deur, in een graffiticommentaar. De wc-deur is er een van unief Gent, het jaar is 1969. Sterke herinnering, misschien wel veroorzaakt door de sterke geur. De latere herinnering betreft het boek zelve. Uit dat boek blijft me dit stukje bij dat me, veel jaren later, een grote beslissing deed nemen. Met die zinnen in het achterhoofd heb ik in 1988 tegen mezelf gezegd: ‘Als je het nu niet doet, doe je het nooit meer.’ Door die woorden van Mulisch ben ik de facto een schrijver geworden: ‘De schrijver trouwt een vrouw, krijgt kinderen, wordt journalist en schrijft niet meer. De schrijver wordt ziek en kan niet meer schrijven. De schrijver wordt op de tramrails door een meteoor getroffen en is dood. Dat alles is een gebrek aan talent.’
Flor Vandekerckhove

Wij, met zand in onze schoenen is een memoir (25 bladzijden), waarin ik terugdenk aan de weg die Luc Martinsen en ik afgelegd hebben, sinds onze eerste ontmoeting in 1988. Ik schreef dat boekje als een symfonie, een muziekstuk in drie delen, dat na het tweede deel onderbroken wordt door een interludium en afsluit met een coda. In de beste traditie van De Weggeefwinkel is ook Wij, met zand in onze schoenen gratis. U hoeft er alleen om te vragen. Mocht u interesse hebben, mail naar liefkemores@telenet.be. (Vermeld 'Zand' en zeg 'pdf' of 'epub'.)

woensdag 2 september 2026

Rita en Rita



DAAR, AAN ’T station, terwijl Rita en hij in de auto op Rita wachtten, die met de trein van haar werk kwam, bevredigden ze elkaar, Rita en hij. Rita was er erg bedreven in en hij ook, en het spel herhaalde zich daarna telkens ze aan ’t station op Rita wachtten. Dat ging zo door tot vrijdag de dertiende, dag waarop de trein ontspoorde en Rita in een vreselijk bloedbad aan haar einde kwam. Daarna had het uiteraard geen zin meer om in de auto op Rita te wachten. Nochtans bleven Rita en hij het nog lang doen, elkaar bevredigen, terwijl ze op Rita wachtten, goed wetend dat Rita nooit meer van het werk zou komen. Na een tijd zagen ze er de irrationaliteit van in. Rita kwam bij hem inwonen. Aan de kinderen zei hij niets, ze zagen toch ‘t verschil niet. (Flor Vandekerckhove)

[Op YouTube staat een oudere versie van Rita

Rita en Ria is een prozagedicht. Zo’n prozagedicht ziet eruit als proza, maar er is plaats voor ongeloofwaardigheid en ontregeling, prozagedichten mogen inconsequent en onbegrijpelijk zijn. In 't geval van Rita en Rita is de grens overigens moeilijk te trekken. Is dit een verhaal? Is ’t een prozagedicht?
Bij uitgeverij De Lachende Visch verscheen in 2023 een verzameling soortgelijke prozagedichten, Gesprekken met Polleke. Zoals alle e-boeken van De Lachende Visch is ook Gesprekken met Polleke gratis. Mail erom (vermeld de titel en zeg of je ’t in pdf of epub wilt hebben): liefkemores@telenet.be.

dinsdag 1 september 2026

Over passieve collaboratie en stil verzet in de Vlaamse schrijverij

In deze imaginaire ontmoeting blijft August Vermeylen rustig aan gene zijde van de tapkast zitten, zoals het hoort, maar de kerel die zich als Stijn Streuvels voordoet, gaat zijn boekje ferm te buiten. Het kost hem een tournée générale, Iwein vult al de glazen.

IN 1999 VERSCHEEN Als een oude Germaanse eik van Hedwig Speliers (°1935). (°) Daarin heeft hij het over Stijn Streuvels (°1871 - 1969†) als passieve collaborateur. Streuvels zette zich niet actief in voor de ‘nieuwe orde’, zoals Cyriel Verschaeve dat wel deed, maar de nazi’s gebruikten zijn boeken wel in hun propaganda, iets waaraan Streuvels veel geld overhield, ergens lees ik ‘miljoenen’. En ook dat: in 1942 kwamen Duitsers hier Streuvels’ meesterwerk De Vlaschaard verfilmen, film waaraan Streuvels meewerkte
’t Is niet dat ik over die dingen veel weet, maar ’t klopt wel dat er toen voor Vlaamse schrijvers in Duitsland flink te verdienen viel. Felix Timmermans hield er genoeg aan over om in Oostende een professionele vissersboot te kopen, zijn schoonzoon reedde dat schip uit. 
Speliers’ boek is fel aangevochten door het Stijn Streuvelsgenootschap. Uit de bib haal ik hun turf van bijna duizend bladzijden. Veel ervan zijn aan de kwestie gewijd. ‘Dat hij zijn vertaalde boeken tijdens de oorlog bleef publiceren kan men bekritiseren. Maar dit is ook tot zijn essentie te herleiden: hij was schrijver en niets anders (…) en hij verkocht boeken, zoals de bakker brood verkocht.’ Nog eentje: ‘(…) de pretentie van Speliers een objectieve en nauwgezette studie te bieden, zijn kort samengevat een staaltje bluf. Speliers brengt een romanesk werk op de markt dat een massa onkritisch materiaal naast elkaar plaatst en de grens tussen fictie en werkelijkheid niet weet te trekken.’
Voor Streuvels’ passieve welwillendheid bestond er anders wel een alternatief. Gerard Walschap (1898–1989) bleef tijdens de oorlog schrijven om in zijn levensonderhoud te voorzien, maar weigerde principieel om zijn pen in dienst 
van de nazipropaganda te stellen. Hij distantieerde zich openlijk van de politieke collaboratie. Maurice Gilliams (1900–1982), schrijver van Elias of het gevecht met de nachtegalen, trok zich tijdens de oorlog volledig uit het openbare literaire leven terug. Hij weigerde te publiceren in door de nazi's gecontroleerde bladen. In zijn dagboeken uitte hij walging over de opportunistische culturele collaboratie. 
Mijn oog valt ook op ‘Stil verzet: De oorlogsjaren van August Vermeylen 1939-1945’. (°°) Stil verzet staat hier tegenover actieve deelname aan een verzetsbeweging, zoals bijvoorbeeld Johan Daisne en Achilles Mussche deden. Vermeylen (°1872 - 1945†) weigerde elke tegemoetkoming aan de Nieuwe Orde. Achter de schermen hielp hij Joodse vluchtelingen. Hij bleef in stilte schrijven: ‘Vermeylen was geen lid van het verzet, maar kantte zich in stilte tegen het bewind door (…) nieuw werk te publiceren dat regelrecht inging tegen het corporatistische gedachtegoed van de Nieuwe Orde. Ik noem dat ‘stil verzet’, (…).’
Flor Vandekerckhove

(°) Hedwig Speliers. Als een oude Germaanse eik. Ondertitel: Stijn Streuvels en Duitsland. 2000. Uitg. Manteau. 610 p. In 1994 had hij al een Streuvels-biografie geschreven: ‘Ik ken den weg alleen’. En vroeger ook al een aantal essays: H. Speliers, ‘Een broertje dood aan Streuvels?’ In: Bok 1(1964)10, november, p. 12-33; idem, Hedwig Speliers, Georges Adé, Georges Wildemeersch en Albert Godfroid, ‘Afscheid van Streuvels’, Brugge, J. Sonneville, 1971, 279 + [III] p. Wat heb ik hier nog? Hedwig Speliers. Omtrent Streuvels. Het einde van een mythe. Uitg. Brugge, J. Sonneville, 1968. In 2003 publiceert Speliers nog een Streuvelsboek: ‘Met politiek bemoei ik me niet. De literatuur in Vlaanderen tijdens het interbellum’.
(°°) Hans Vandevoorde. Stil verzet: De oorlogsjaren van August Vermeylen. 1939-1945. Uitg. Lannoo. 2024. 360 p.

maandag 31 augustus 2026

Lintmeter


ZE ZEGT DAT hij zó dik is dat ze er niet mee buiten durft te komen. Ik ontrol de lintmeter die een beoefenaar van deze milde vorm van surrealisme altijd op zak heeft. Na meting blijkt eens te meer dat hij, in centimeters uitgedrukt, niet eens erg dik is.  (Flor Vandekerckhove)

Mijn driezinnenverhalen en oneliners zijn experimenten in het maken van extreem korte verhalen. In het e-boekje 2HONDERD 3ZINNENVERHALEN & 1LINERS verzamel ik er zo 200. Het boekje heeft als bijkomende plus dat je elke titel kunt aanklikken, de link leidt je dan naar een video waarin het verhaal geïllustreerd wordt en ook te horen/zien valt, 200 YouTube-producties in totaal. EN DAT ALLES IN 1 BOEKJE ! Zoals alle digitale publicaties (pdf en EPUB) van De Lachende Visch is ook 2HONDERD 3ZINNENVERHALEN & 1LINERS gratis. Mail erom en je bestelling wordt meteen aangepakt door de juffrouwen van De Weggeefwinkel. (Vermeld de titel: in dit geval ‘200’, dan begrijp ik het wel.): liefkemores@telenet.be.

zondag 30 augustus 2026

Leren schrijven met André Gide

André Gide (°1869 - 1951†) en De Laatste Vuurtorenwachter spreken met elkaar
tijdens een 
imaginaire ontmoeting in Du Parc Oostende.

DE LAATSTE VUURTORENWACHTER heeft al een en ander gepost over André Gide. Ge kunt die stukjes weer oproepen als ge op de gearceerde woorden klikt: De politiek zal ons niet scheiden; In het hart van het stalinisme; Trotski lacht zich een bult. Nu ga ik nog in zijn dagboeken op zoek naar een paar schrijfadviezen. (°) Daarna heb ik het wel gehad met die Gide.
11 juli 1922 — ‘[…] Mijn stijl gaat gebukt onder een zekere behoefte aan cadans, een behagen in welluidendheid. Ik zou het minder gepolijst willen, meer breuken en accenten […]’
17 juni 1923 — ‘[…] Goed schrijven, stijl waarvoor ik bewondering voel, is die waardoor de lezer zonder dat het al te veel opvalt, even blijft stilstaan en langzaam voortgaat in zijn denken. Ik wil dat zijn aandacht stap voor stap verdergaat op een voedzame, diep omgespitte bodem […]’
(°) In André Gide. Het innerlijk blauw. Een keuze uit het dagboek. 1918-1939. Uitg. De Arbeiderspers A’dam/A’pen. Privé-domein. Nederlandse vertaling 2006. Gekozen, vertaald en geannoteerd en van een voorwoord voorzien door Mirjam de Veth. 662 pp.

zaterdag 29 augustus 2026

Drieëntwintig


EERGISTEREN WERD MIJN oudste kleindochter, Lena, drieëntwintig. Ik vergat haar te feliciteren, wat erg is. Ik buig het hoofd en beken ootmoedig dat ik een onwaardige pépé ben. Ik probeer excuses te bedenken, maar vind er geen. Al wat ik nu nog kan doen is haar erom doen lachen.
Zelf werd ik drieëntwintig in 1972. Dat is het jaar waarin ik als soldaat het vaderland verdedigde. Want, Lena, in die tijd was dat een verplichting, ’t was de wet. Elke jongeman werd, als ’t zover was, ‘onder de wapens geroepen'. 
In mijn geval waren die wapens gieters, verschillende soorten emmers met een tuit waarop de driekleur stond. Daarmee moest ik de kazernebloemen besproeien. In Gent, in de kazerne de Hollain, gaf ik een jaar lang water aan de planten. Een jaar lang verdedigde ik daar, gieter ter hand, dat deel van het grondgebied waar de kazerneplanten stonden, in casu de vensterbanken van de bureaus. Op den duur was ik er zo goed in dat ik kon gieten terwijl ik een sigaret opstak. Ik kan je verzekeren, Lena, dat de droogte in die kazerne geen kans kreeg, niet in het jaar dat ik daar de planten deed. Werd ik er achteraf voor gedecoreerd? Kreeg ik een medaille? Een lintje? Weerklonk de Brabançonne? Mocht ik het doen met het nichtje van de kolonel? Neen, ik had gewoon mijn plicht gedaan, zeiden ze.
Zo. Meer kan ik niet doen, 't is te laat, je verjaardag is voorbij. Volgend jaar beter. Dat was ook wat ik zei toen ik op ’t einde van 1972 uit het leger afzwaaide.
Flor Vandekerckhove