zondag 9 augustus 2026

Surrealisme-light op het terras van de Lafayette

Op het terras van de Lafayette zie ik in een imaginaire ontmoeting de Amerikaanse dichter James Tate (°1943 - 2015†). 

EEN MENS VRAAGT het zich af. Waarom verliet de Amerikaanse dichter James Tate (°1943 - 2015†) de poëzie met lijnafbrekingen, iets waarmee hij nochtans succes oogstte? Waarom ging hij volop voor prozagedichten
Dat Charles Baudelaire zoiets in de negentiende eeuw deed, valt gemakkelijk te begrijpen, zegt ook Marjorie Perloff (°): ‘Baudelaire wilde af van het knellende karkas van opgelegde versvormen. Maar in het Amerika van na de Tweede Wereldoorlog was poëzie niet langer aan die strenge vormregels gebonden, het vers was vrij. Waarom was dat voor Tate niet genoeg?’ 
James Tate geeft zelf een reden: ‘Het prozagedicht heeft zijn eigen verleidingsmechanismen. Om te beginnen de bedrieglijk eenvoudige verpakking: de alinea. Mensen vluchten over het algemeen niet weg wanneer ze een alinea of ​​twee tegenkomen. De alinea zegt als het ware: ik neem niet veel van je tijd in beslag en ik sta er niet om bekend dat ik geheimzinnig, onbegrijpelijk, pretentieus of hoogdravend zou zijn. Kom binnen... En wanneer er aan het einde van een prozagedicht een epifanie of een soort aha-moment is bereikt, is dat bijzonder bevredigend. Je kijkt ernaar en je zegt: "Hé, ik dacht dat ik gewoon een alinea of ​​twee aan het lezen was, maar jeetje, ik denk dat ik een glimp van de eeuwigheid heb opgevangen."’ Verder zegt Perloff daar nog over: ‘Ondanks de nonchalante, geestige toon, plaatst deze uitspraak Tate in het rijtje van Baudelaire en zijn Franse opvolgers in een verlangen om te choqueren en te verrassen. (…).’ 
Dat ik tijdens een van de hittegolven met zo’n saaie dingen bezig ben, vind ik reden genoeg om er een imaginaire ontmoeting van te maken. Et voilà: op het terras van de Lafayette ontmoet ik zowaar de dichter in kwestie. Wat dit mini-essay in de richting van het surrealisme-light stuurt, iets wat ik ook ambieer. Da’s goed. Maar kijk, meteen uit zich ook het probleem waarmee ik terzake worstel: 'T IS ALGAUW TEVEEL! Dat teveel uit zich wanneer Bobo Kool zijn draaitafel pal in ’t midden van ’t deurgat plaatst. Geen mens die nog binnenkan. Om het weer goed te maken, zegt hij: ‘Ik ga muziek draaien die goed past bij de poëzie van James Tate.’ En hij legt Swordfishtrombones uit 1983 op. 
Flor Vandekerckhove

(°)  Marjorie Perloff. ‘A Kind of Fluidity’: James Tate’s Variations on the Prose Poem. In On James Tate. Edited by Brian Henry. 190 p. Uitg. The Universiy of Michigan Press. 2004. De citaten liet ik vertalen door Google Translation.

zaterdag 8 augustus 2026

Johan Tahon in De Panne, tussen herinnering en materie


ALLE HOGE DUINEN van De Panne hadden destijds een naam, eindigend op hill. Kykhill was daar een van. De verklaring van het woord laat zich raden: op de hoge duintop konden vissersvrouwen diep in zee kijken, hopend op terugkerende vissersvaartuigen waarop hun man, als ’t goed ging, present tekende. 
in 1886 vereeuwigt 
Pierre Loti zo’n vissersvrouw in zijn Pêcheur d’Islande. (°) Zijn Bretoense Gaud staat sindsdien symbool voor alle vissersvrouwen die naar de thuiskomst van hun man uitkijken. Verliefd als ze is, wacht Loti’s Gaud, uitkijkend over zee, op de terugkeer van haar Yann, maar: ‘Hij is nooit meer teruggekomen. Op een nacht in augustus had hij daar, voor de kust van het donkere IJsland, te midden van een groot lawaai van woede zijn huwelijk met de zee gevierd, met de zee die ooit ook zijn voedster was geweest; zij was het die hem had gewiegd, die van hem een grote en sterke tiener had gemaakt - en vervolgens had ze hem, in zijn verbazingwekkende mannelijkheid, alleen voor zichzelf teruggenomen. (…) Hij, die zich Gaud, zijn vleselijke vrouw, herinnerde, had zichzelf in een gigantisch gevecht tegen deze grafbruid verdedigd. Tot het moment dat hij zichzelf in de steek liet, zijn armen open om haar te ontvangen, met een diepe kreet als een brullende stier, zijn mond al gevuld met water; armen open, uitgestrekt en voor altijd verstijfd.’
In mijn roman Amandine (°°) breng ik een ode aan Pierre Loti, door op zijn Bretoense heldin Gaud te wijzen: ‘Ook later, in de moderne IJslandvisserij, wanneer de traverse niet meer onder zeil gebeurt, wanneer stoomturbines en nog later dieselmotoren het schip voortjagen, blijven vissers in IJsland achter, ook tijdens de XXste eeuw gebeurt dat. Niet alleen in de XIXde eeuw staan vrouwen, zoals de Bretoense Gaud, op het duin te wachten op hun visser die niet terugkomt. Talrijk zijn ook in de XXste eeuw de Vlaamse Maria’s die de einder afspeuren, tegen beter weten in, wachtend op iemand die nooit meer komen zal.’
Johan Tahon voegt nu zijn verbeelding toe aan de iconische Gaud van Loti, daarmee bevestigend dat kunstenaars voortbouwen op een geschiedenis die hen ver voorafgaat. De bronzen sculptuur die Tahon op die duin plaatst, heet Kykhill, net als de duin zelf. In het geval van Tahon is ‘geschiedenis die hem ver voorafgaat’ bovendien een familiekwestie. Johans overgrootvader is een van de vissers die in 1943 omkomen bij het vergaan van de N.141 De Zee. De band van kunstenaar en visserij gaat nog verder terug in de tijd en wel tot bij IJslandvaarder Engelbertus Tahon (°1867) die met nog twee andere Tahons vermeld wordt in Onze IJslandvaarders, het meesterwerk van Johan Depotter. Geen wonder dat een getuige van de vernissage (°°°) spreekt over ‘(…) een originele en warme opening. Tahon begon zelf met het zingen van een oud visserslied, afgewisseld met persoonlijke en diepgaande bedenkingen. Daarna bracht Helmut Lotti – een goede vriend van Johan en peter van één van zijn kinderen – eveneens een visserslied. Dat gaf meteen de juiste toon aan het evenement.’ 
Dat Johan Tahon fan van Sonic Youth en Amenra is, weet ik al sinds Hoe muziek, taal en beeld elkaar aanraken. Dat vissersliederen en Helmut Lotti (die wel meer samenwerkt met beeldend kunstenaars) hem niet te min zijn, verneem ik nu voor ’t eerst.
Flor Vandekerckhove

(°) Pierre Loti. Pêcheur d’Islande. 1967. Editions Livre de poche - 253 p. Oorspronkelijk 1886. De vertaling uit mijn Frans boekje heb ik aan Google Translation overgelaten.
(°°) Flor Vandekerckhove. Amandine. Roman (2012). 2de uitgave, e-boek, 231 p. Uitgeverij De Lachende Visch. 2023. Het e-boek is gratis en wordt per kerende e-mail opgestuurd naar elkeen die erom vraagt. Mail naar liefkemores@telenet.be en vermeld de titel: AMANDINE en zeg of je pdf dan wel epub wenst.
(°°°) Johan Tahon. Het beeld Kykhill maakt deel uit van de solotentoonstelling Wat de Zee Bewaart in Cultuurhuis De Scharbiellie in De Panne. Nog tot 27 september 2026. De expo (€ 5) toont sculpturen in brons, klei en gips en herdenkt de tragische ondergang van vissersschip 'De Zee' in 1943. Er wordt ook een video vertoond waarin Johan Tahon over zijn vissersfamilie spreekt.

vrijdag 7 augustus 2026

Moord in Saint-Philbert-sur-Orne

 Inzet: is dit het graf waarnaar ik op zoek ben?

’T IS AL enige tijd dat we in Normandië de loop van de Orne volgen, Tania wandelend, ik rijdend. Vandaag houd ik me op in Saint-Philbert-sur-Orne, landbouwdorp met 111 inwoners. Ooit zijn het er meer geweest, maar dan alleen doordat mensen vroeger meer kinderen kweekten. ’t Is zo te zien geen dorp dat leegloopt, er staat geen huis te koop, woningen getuigen van enige welstand, voordeuren staan uitnodigend open, er is een bureau de tourisme, het kerkje (°) werd gerenoveerd.
’t Is naar dat kerkje dat ik me begeef, meer bepaald naar het ernaast liggende kerkhof. Omwille van de licht surrealistische toets die ik dit reisverhaal wil meegeven, ga ik op zoek naar een zerk dat in mijn kraam past. Ik zie er die van de jaren 1800 dateren. Veel van die oude zerken liggen er verwaarloosd bij, namen door de tijd gewist. Bordjes: ‘Cette concession réputée en état d’abandon fait l’objet d’une procédure de reprise. Prière de s’adresser à la mairie.’ (Deze concessie, die zich in een staat van verval bevindt, kan worden teruggevorderd. Neem contact op met het gemeentehuis.)
Een van die oude graven is misschien wel dat van de moeder van Adèle-Héloïse Belleau. Zij komt daar op 8 februari 1852 om ’t leven, 70 jaar oud. 0p die dag krijgt ze bezoek van haar 44-jarige dochter, Adèle-Héloïse, die van 24 kilometer ver komt gelopen om geld te schooien. Moeder weigert, wetend dat het toch maar is om ’t aan alcohol te spenderen. Dochter snijdt moeder de keel over. Ze verwondt ook de dienstmeid, Anne Mérel. Die dochter mocht overigens al geen contact meer met haar moeder hebben, sinds een poging tot wurging en diverse diefstallenOp 19 juni van hetzelfde jaar verzamelen zich in de vroege ochtend drieduizend mensen, voornamelijk vrouwen lees ik, op de Place du Marché aux Bestiaux in Alençon, om daar getuige te zijn van het guillotineren van Adèle-Héloïse Belleau. Het feit staat bekend als de laatste vrouw die in de streek van de Orne geëxecuteerd wordt.


(°) Het was Willem de Veroveraar die de kerk van Saint-Philbert schonk aan de monniken van de Abbaye aux Hommes in Caen. Het oudste deel van het gebouw dateert uit deze periode. De kerk werd vervolgens vergroot en verbouwd in de 12e en 13e eeuw, en waarschijnlijk nogmaals in de 18e eeuw. Monniken behielden het patronaat over de kerk, evenals over andere bezittingen (molens, land en bossen), en het recht van lagere rechtspraak tot 1554, toen de grond werd toegekend aan de familie Vassy.

dinsdag 4 augustus 2026

Feestelijkheden, familieverbanden en een onderpastoor

Van links naar rechts: auteur Els Snick, het boek, het villaatje waarin Verschaeve verbleef (het plakkaat werd door ChatGPT bedacht), cover weekblad Pallieter, 37,1923.

‘T IS LANG geleden dat ik een boek van voor naar achter, in één ruk, heb uitgelezen. Dat ik het nu doe, komt doordat ’t over een land gaat dat ik lang geleden geestelijk ontvloden ben en waarnaar ik nu even, gegidst door Els Snick, terugkeer. Hoe herkenbaar is voor mij de wereld die zij in haar boek oproept!
Die wereld is er een van dorpen waarin hardwerkende Vlamingen, ’t zij boeren, ’t zij commerçanten, op ’t ritme van de seizoenen leven, gemarkeerd door feestelijkheden die meneer pastoor van zingeving voorziet: de Vlaanders! In mijn jeugd leef ik aan de rand ervan — de kust is toch nog iets anders. Mijn verloving brengt me naar de kern, zoals ik die beschrijf in Hier schreef, bakte en kakte Stijn Streuvels. Met mijn toenmalige echtgenote ben ik dat land meteen ontvlucht, zoals zoveel West-Vlamingen het doen: naar Gent, stadslucht maakt vrij!
Hoe goed beschrijft Els Snick het genoegzame leven in zo’n Vlaams dorp, in dit geval Oostrozebeke. Zwart geld dat rolt in eetgelagen, de grote rol die nonkel pastoor in zo’n families speelt, de sterke verbondenheid met het personeel, de moraal van ’t harde werk… 
Het familieflamingantisme van Snick is niet iets van mijn familie, maar in mijn jeugd ken ik wel zo’n flaminganten: zij die ’t Palieterke lezen; zij die met ‘den Duits’ gecollaboreerd hebben; protesten in de kerk tegen Franstalige preken ten behoeve van toeristen; ouders van makkers die de heropbouw van de IJzertoren financieren; zij die voor de Volksunie kalken; blonde meiden die met wapperende vaantjes naar Diksmuide fietsen; vaardige propagandisten in ’t college, zowel onder leraars als onder leerlingen.…
’t Is zo’n Vlaamsgezind dorpsnest dat Snick beschrijft, met als bezwarende particulariteit dat Cyriel Verschaeve op de grond gewoond heeft. Die grond, waarop haar ouders een goed draaiende feestzaal uitbaten, kopen ze van de Lootens, fanatieke bewonderaars van priester-dichter Verschaeve. Via de door hen opgerichte uitgeverij Zeemeeuw verspreiden ze diens werk. Ze laten hem in een kleine villa op de grond wonen: ‘Wat ik niet begreep: na de oorlog heeft Jozef Lootens verder Verschaeve gepromoot. Als een bezetene is hij bezig gebleven met de heruitgave van zijn verzameld werk. (…) Boeken van een veroordeelde collaborateur, hoe kan dat toch? Terwijl Jozef Lootens een overtuigd katholiek was, een “brave mens”, zoals men dat zegt. (…)’ Waarna Snick heel die familie uiteenrafelt, waarin we een overdaad aan paters aantreffen, missionarissen en jongens die naar ’t oostfront trekken. En vrouwen die zichzelf opofferen om non te worden of echtgenote of om levenslang voor een broer te zorgen.
En Verschaeve natuurlijk: ‘De mythe van Verschaeve als de ziener van Vlaanderen, als intellectueel en artistiek genie, miskend door de elites, werd leven ingeblazen door de biografie van Vansina, die in 1955 bij uitgeverij Zeemeeuw verscheen. Het geld voor deze verzorgde publicatie, met veel foto’s, kwam uit de zak van Jozef Lootens. En uit de zak van zijn zus Maria, die immers haar leven en dus ook haar financies met hem deelde. Ze keurde het allemaal goed. Ze verzette zelf bergen werk als medewerkster van Zeemeeuw.’ 
De fascinatie voor Verschaeve blijft overigens niet tot fanatici
 beperkt: ‘Zijn portret hing op school tussen de grote ‘Vlaams koppen’. Mijn ouders spraken over hem met eerbied, bijna als over een heilige. Het waren de jaren waarin ik fel rebelleerde tegen dat katholieke idealisme, die zelfgenoegzame Vlaamse fierheid, de bekrompenheid, de hypocrisie.’ En dan zegt Els Snick iets wat ik goed begrijp: ‘Was ik vijftig jaar eerder geboren dan had ik een van die meisjes kunnen zijn die ademloos naar de visioenen van de heilige Lutgardis luisterden en aan priester Verschaeves lippen hingen.’ Hoe blij mogen we zijn dat Mei 68 op onze weg gekomen is.
Els Snick. De feestzaal van mijn ouders. Een Vlaamse familiegeschiedenis. 292 p. Uitg. Van Oorschot, A’dam. 2025.

maandag 3 augustus 2026

Titelloos verhaal (Droom 42)

In dit gebouw op de Oostendse Baelskaai heerst nu de bedrijvigheid van O.666. Vroeger waren daar SCAP en Hulp in Nood. Later waren dat North Sea Bunkers en de Vlaamse Vissersbond, steeds bedrijvigheid die met de visserij te maken had. Johnny Verplancke ging in 2013 de leegstaande gebouwen fotograferen. Meer foto’s van die shoot op Vlaamse Vissersbond (BE) 2013.


’T IS EEN goed verhaal. En kort, zoals ik het graag heb. Ter wille van de gelaagdheid wil ik nog iets toevoegen. Ik leg die laag erachter, denk ik eerst, maar dan wordt het weer te lang. Waarna ik iets doe wat nog nooit gedaan werd. Ik leg de laag vanboven. Ik schrijf krek dezelfde woorden bovenop deze die er staan. De tekst krijgt een extra laag, waardoor ik aan de literaire eis van gelaagdheid voldoe. Dat heb ik vannacht in mijn slaap gedroomd. Ik schrijf het op, waardoor ik deze schrijversdroom van de vergetelheid
 red. Ik weet niet waarom. (Flor Vandekerckhove)

zondag 2 augustus 2026

Eigen lof stinkt

Links: Born to Write - Write to Live. Rechts: Never underestimate AN OLD MAN who still WRITES POETRY in his seventies.

IN DIT GESPREK vraagt 1 vader aan z’n dochter: ‘Ben ik geen Easy Rider der letteren? Maal ik niet dagelijks mijn kilometers in telkens weer een nieuw verhaal? Mag ik me niet de leuze toe-eigenen: Born to Write / Write to Live’? De dochter antwoordt: ‘ik herinner me die moto en ik herinner me ook dat je schrik had om ermee te rijden.’ Vader weer: ‘Ja, ’t was 1 lowrider, nu ben ik 1 lowwriter’ Dochter weer: ‘Akkoord, maar je hebt die moto wel zo vlug mogelijk verkocht, zoveel schrik had je.’ Vader: ‘Never underestimate an Old man…’ Dochter: ‘Ja ja.’ (Flor Vandekerckhove)

Dit is een titelloos verhaal. In 2022 publiceerde uitgeverij De Lachende Visch honderd verhalen die telkens maar een alinea lang zijn en geen titel hebben. De bundel wordt ingeleid door mijn oud-leraar Nederlands, Alfons Vandenbussche. Zoals alle e-boeken van uitgeverij De Lachende Visch is ook Honderd titelloze verhalen gratis voor elkeen die erom vraagt. Doe het nu en het boek valt vandaag nog in je mailbox. Doe het meteen (en vermeld de titel: Honderd titelloze verhalen) via liefkemores@telenet.be.

zaterdag 1 augustus 2026

Heeft Jacky Kennedy-Onassis ooit café Tijl opengehouden?

Edna O’Brien en DLVuurtorenwachter in café Tijl. Achter de tapkast: Jacky Kennedy. 

ER ZIJN POSTS die duizenden keren bekeken worden. Er zijn er ook die geen honderd views halen, stukjes die haast niemand opzoekt. Zo’n stukje is Edna O’Brien, bevriend met Jacky Onassis. Het dateert al van 5 mei en telt nauwelijks 96 views. Omzeggens niemand komt kijken naar wat ik over Edna en Jacky te vertellen heb. Niet dat ik het me erg aantrek, ik haal het aan omdat ik vandaag over een imaginaire ontmoeting met die twee wil schrijven. Jacky Kennedy, Edna O’Brien en ik ontmoeten elkaar in café Tijl in Bredene, ooit stamcafé van mijn maat JP (†) en ik.
’t Lijkt ongerijmd, waarom doe ik zoiets? Wel, ’t is een experiment in mijn zoektocht naar een milde vorm van surrealisme, iets wat ik surrealisme-light noem. Het experiment onderzoekt ook of het duo Edna-Jacky meer kijkers naar de blog lokt als ik hen in mijn eigen omgeving positioneer. Aan Philip Roth zegt O’Brien daar zelf over (°): ‘Jezelf op een specifieke plek vestigen en die gebruiken als achtergrond (…) is zowel een kracht voor de schrijver als een wegwijzer voor de lezer.’ Misschien vind je dat nog geen reden om het op zo’n geschifte manier te doen, maar ze zegt in dat interview ook: je moet ‘schrijven wat je voelt, zonder je te storen aan welke publieke opinie of welke clique ook.’ (°°)
Flor Vandekerckhove

(°) Philip Roth. Waarom schrijven? Verzamelde non-fictie 1960-2013. Vertaald door Else Hoog Kooman en Bart Kriek. 496 p. Uitg. De Bezige Bij. 2018.
(°°) De memoires van Edna O’Brien (2013. De Bezige Bij A’dam. 397 p.) recenseer ik in ‘Een meisje van buiten’

vrijdag 31 juli 2026

De Seule Vul Bloed

Dit verhaal van honderd woorden werd geïnspireerd door de legendarische Stagger Lee, a bad motherfucker, en meer bepaald door Nick Caves interpretatie van de song. Op YouTube staat nog een oudere (en langere) versie van dit verhaal: www.youtube.com/watch?v=RuYozRmO8fs.

ER REST NIEMAND die ’t kan navertellen, maar op d’Oede Viertorre was er een kroeg die De Seule Vul Bloed heette. De piano klonk vals, in de kast stremde de melk, in de winter bevroren de pinten, maar zeevarenden kwamen van heinde en ver naar Nelly Brown kijken. Dat ging goed tot Stagger Lee er zomaar de waard neerschoot. Vier kogels in ’t hoofd. Hier had dit verhaal kunnen eindigen, maar ’t gaat toch door. Diezelfde nacht neukten de klanten om beurten Nelly Brown. Doordat haar kamer naast de mijne lag, kwam er voor mij van slapen niets in huis. (Flor Vandekerckhove)

Nadat het leven me van stad naar stad had gebracht, van werk naar werk en van vrouw naar vrouw, streek ik moegestreden in Bredene neer, waar ik ook mijn jeugd had doorgebracht. Daar startte ik een schrijfproject dat onderzocht hoe het anderen vergaan was. Ik delfde sporen van schoolmakkers op, jongens waarmee ik tijdens m’n tienerjaren de schoolbanken in een Oostends college deelde. 
Had het iets te betekenen, het leven van die babyboomers in de sixties? Ik schreef er een boekje over, Tienerklanken, zo genoemd naar een TV-programma dat in die tijd voor ons gemaakt werd. Dat boekje is nu beschikbaar.
Tienerklanken is een e-boek (117 pagina’s in pdf of epub naar keuze), uitgegeven door De Lachende Visch en gratis verspreid door De Weggeefwinkel. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be en het boekje valt vandaag nog in je mailbox. GRATIS! (Vermeld: ‘Tienerklanken’ en zeg epub of pdf.) 

donderdag 30 juli 2026

Twee Gilles passeren langs mijn raam



Paasmaandag 2019 — AAN DE OVERKANT draait een Gille de hoek om. Naast hem loopt zijn Gille-vrouwtje. Roffelend begeleidt een trommelaar het koppel. Dat ik ’t me herinner, komt doordat het me toen inspireerde tot het schrijven van Inleiding tot het surrealisme. ’t Komt ook doordat de aanwezigheid van die trommelaar me blijven boeien is. Zeven jaar later leert de alwetende ChatGPT me: ‘Wanneer een of meerdere Gilles zich tijdelijk van de groep verwijderen – bijvoorbeeld om familie te bezoeken – is het traditioneel gebruikelijk dat zij door een trommelaar worden begeleid. Die "vertegenwoordigt" als het ware de aanwezigheid van het carnaval en zorgt ervoor dat de Gilles niet zomaar als gewone verklede personen door de stad wandelen. Een Gille die in kostuum zonder trommelbegeleiding rondloopt, is binnen de traditie eerder ongepast.’  
Vandaag bekijk ik de foto opnieuw. Het uitzicht is veranderd. Ter linkerzijde werd een flatgebouwtje bijgebouwd, ter rechterzijde is de zijgevel opgekuist. Veelzeggend is dat de dieren uit de wei verwijderd werden. Waar nu wei is komen flats, na het bouwverlof beginner ze er al mee. Alleen de herinnering blijft bestaan.
Flor Vandekerckhove

De tekstkroes is als een beker waarin ik al mijn creativiteit gooi. Daar mengt mijn imaginatie zich met die van u, lezer, hopend dat er zodoende goud van komt. De tekstkroes is een e-boek, 337 pagina’s, in 2026 uitgegeven door De Lachende Visch. De distributie gebeurt via De Weggeefwinkel. Het e-boek is gratis voor wie erom vraagt. Vermeld ‘Tekstkroes’ en zeg of u pdf dan wel epub verkiest. Doe het via liefkemores@telenet.be en het boek valt vandaag nog in uw e-box.

woensdag 29 juli 2026

Over spruitjes en schrijverschap


SCHRIJVER GUILLERMO O’JOYCE IS een leerling van Richard Yates (°1926 - 1992†) die je misschien kent van Revolutionary Road. De oud-leerling wijdt een essay aan zijn leraar. Dat hij het The Curse of Brussels Sprouts De vloek van spruitjes) titelt, komt door een verhaal van Yates. 
In diens A Glutton for Punishment (Een masochist), wordt de antiheld ontslagen. Eerst ziet hij in dat ontslag een kans om avontuurlijke wegen in te slaan. Thuis komt hem de geur van spruitjes tegemoet. ‘Het verhaal gaat nog zo'n 1500 woorden verder, maar die spruitjes markeren het einde.’ Spruitjes zijn in deze ‘een grimmige herinnering aan de plechtige plicht van een goede burger, spruitjes ontnemen Walter Henderson zijn mannelijkheid en zijn menselijkheid. Als het eten smakeloos is, de straten smakeloos, de vrouw droog, de kinderen zeurend, is er maar één ding te doen: je schrap zetten en je fatsoen tonen.’ De antiheld berust. 
Had het anders gekund? ‘had hij zijn plan kunnen doorvoeren (…) zou hij door de straten van Manhattan hebben rondgezworven, hebben kunnen nadenken, vreemde gesprekken hebben gevoerd met mensen met wie hij normaal gesproken niet zou praten, Manhattan hebben leren kennen. Bovenal zou hij moeten bedenken wat hij met zijn tijd moet doen, in overeenstemming met zijn eigen kwetsbare gevoel voor plezier. Hij zou zelfs een status kunnen hebben gekregen die zelden wordt geëerd op deze planeet (…): een man die een manier had gevonden om zich thuis te voelen op aarde.
Dat verhaal, insinueert O'Joyce, gaat evenzeer over 't leven als over schrijverschap. Wat in zijn geval te begrijpen valt, schrijven is bij O'Joyce a way of life
Hij keert terug in de tijd. Tweeënveertig jaar geleden volgt hij een schrijfcursus bij Richard Yeats. Hij vertelt over diens bundel Eleven Kinds of Loneliness (waarin A Glutton for Punishment staat), boek dat hij in die tijd voor 99 cent koopt en waarbij hij zich na lezing afvraagt: hoe komt het dat zo’n goed boek in de ramsj geraakt? ’t Is een ervaring die zijn afschuw van het boekbedrijf aanwakkert en hem laat nadenken over wat het betekent schrijver te zijn. En dit is wat hij na lezing van Eleven Kinds ervaart: ‘Mijn reactie was pure stilte; Ik zat heel stil aan het bureau in mijn raamloze eenkamerappartement. Ik had niet de behoefte om iets te doen of iets te denken. Ik voelde me meer op mezelf dan ik me kon herinneren. Ik had er vrede mee en ik was dankbaar. Nadat ik dit misschien vijf minuten had gedaan, zei ik tegen mezelf: "Nou, eindelijk heeft iemand het gezegd." Dat was mijn volledige reactie. Ik voelde me lichter dan voorheen en ik had geen behoefte om te analyseren wat ik zojuist had gelezen.’
De antiheld van The Curse of Brussels Sprouts trekt naar de rivier waar hij voor ’t eerst zijn echtgenote heeft gekust. ‘De rivier is het tegenovergestelde van spruitjes; dat geldt zelfs als het een stinkende rivier is, een gele, zwavelachtige rivier, want de rivier stroomt altijd.’ En verder: ‘Om persoonlijkheid te hebben, om van het leven te genieten... al is het maar een beetje, moet je het meten loslaten, zeker als het om je eigen inspanningen gaat, en wat meer tijd doorbrengen langs de rivier waar je niets probeert te bewijzen, gewoon je gedachten uitzetten en genieten van de stroom (...)’ Hij komt er verder nog op terug: ‘Dat was precies waar Eleven Kinds of Loneliness en Revolutionary Road ons voor waarschuwden. Het leven gaat niet over winnen of falen, gepubliceerd worden of prijzen winnen, maar om op de een of andere manier een harmonieuze stroom te vinden zoals een rivier dat doet (…)’.
Wat mag je dan verwachten van de schrijver? ‘Iedere schrijver kan maar een klein beetje doen; op een onhandige manier. (...) Er is geen opwaartse klim bij schrijvers, of in wat dan ook.’ Yates, zegt O'Joyce, deed veel moeite om zijn literaire kunstgrepen te verbergen ‘(…) waarschijnlijk omdat hij wist dat boeken uiteindelijk net zo verdacht waren als al het andere, spruitjes incluis.’
Flor Vandekerckhove

(°) O’Joyce, Guillermo. The Curse of Brussels Sprouts: Richard Yates revisited. In Miller, Bukowski and Their Enemies: Essays on Contemporary Culture. 160 p. Pinter & Martin, 2011. [De vertalingen  die ik meegeef zijn van Google Translations.]