zaterdag 17 april 2021

De uitvinding van de sax

— Rechts: Billy Collins, links zijn vertaler. —


Van de Amerikaanse dichter Billy Collins heb ik eerder al een gedicht vertaald, I Go Back To The House For A Book↗︎, een klein meesterwerk. Nu doe ik het weer met The Invention of the Saxophone. Samen met Collins declameer ik het ook, hij in ’t Engels en ik in ’t Nederlands: te bekijken op youtube.

Flor Vandekerckhove


[En zoals steeds: ik ben geen professionele vertaler. Mocht iemand verbeteringen willen aanreiken:  liefkemores@telenet.be.]


De uitvinding van de saxofoon

De dichter en zijn vertaler 

samen aan het woord

www.youtube.com/watch?v=BFVu9XuJlPM

donderdag 15 april 2021

De foute interesse van Eric Corijn



Een Amerikaan, een Fransman en een Belg. Het lijkt op het begin van een mop, maar zo zou ik het niet durven te benoemen, ik moet voorzichtig zijn, straks leg ik uit waarom. Eerst vertel ik wat die drie gemeen hebben. Ernest Hemingway, Francis Wolff en Eric Corijn zijn wat men in stierenvechtersmiddens aficionados de toros noemt, liefhebbers. De drie zijn niet-Spanjaarden die hartstochtelijk over dat merkwaardige gebeuren schrijven. Hemingways Death in the Afternoon (1932) kun je hier↗︎ lezen, Wolff hoor je bijvoorbeeld daar↗︎ over La corrida entre représentation et réalité en het boek van Eric Corijn wacht op u in de boekhandel. (°)
Waarom moet ik voorzichtig zijn? Omdat de hartstocht van aficionados tot handgemeen kan leiden. Wat blijkt uit een anekdote die te leuk is om te negeren. In 1932 publiceert Hemingway zijn beroemde Death in the Afternoon. In 1933 schrijft Max Eastman er een essay over: Bull in the Afternoon↗︎. Op die wijze over dat bloedvergieten schrijven, zegt Eastman, is als ‘het dragen van vals borsthaar’. Met deze spitsvondige vergelijking insinueert hij dat Hemingway zich mannelijker wil voordoen dan hij is. Drie jaar later ontmoeten de twee elkaar. Hemingway trekt zijn hemd open en daagt Eastman uit om zijn borsthaar op echtheid te controleren. Er ontstaat een vechtpartij. Dat gevecht krijgt veel persaandacht en dat geldt ook voor de vraag wie van de twee schrijvers het meeste borsthaar heeft. De meningen verschillen, maar een zaak staat vast: tijdens de schermutseling mept Hemingway zijn tegenstander met een boek. Dat beschadigde boek wordt nu bewaard aan de universiteit van Texas. Voorin staat een inscriptie van Hemingway: ‘Dit boek heb ik beschadigd door ermee op de neus van Max (de lul) Eastman te kloppen. Ik hoop ten stelligste dat hij voor eeuwig wegrot in een hel die hij zelf delft.’ Tot zover Hemingway. 
De indrukwekkende plek die filosoof Francis Wolff in het drietal inneemt, wordt door Corijn in zijn boek geduid in een hoofdstukje onder een veelzeggende titel: De wijsgeer als advocaat. Maar hoe is Corijn eigenlijk zelf een aficionado geworden? Spanjaarden zijn, zegt hij, zijn ‘meest geliefde vreemden’. Zijn eerste stierengevecht ziet hij als hij veertien is. Daarna duurt het tot de tweede helft van de jaren zeventig voor hij ernaar terugkeert. De laatste bezoeken die hij beschrijft dateren van 2015 en 2019. Tussendoor tekent hij in België present op bijeenkomsten van aficionados. De grote tijdsspanne wijst uiteraard op meer dan een toeristische interesse. Hij stelt er vragen bij: ‘(…) waarom mensen eigenaardige culturele praktijken in leven houden, welke ervaringen ze verwekken en waarom je er dan zelf een interesse voor ontwikkelt.’ En een passie!
‘En dan kwam een moment van emotie dat ik nooit eerder had meegemaakt. Padilla bood de dood van de stier aan aan een jonge dame in het rood, in een tendido ‘sombra’ ergens op de zevende of achtste rij. Hij gaf zijn montera in bewaring en leidde dat in met een lange persoonlijke verantwoording. De matador begaf zich opnieuw naar de stier en leidde hem rustig in enkele passen met de muleta naar het centrum. Daar hield hij de stier stil en bleef ook de torero roerloos op één meter staan. ‘Toro’ en torero als een monument met de dood ertussen. De dame in rood vatte rechtstaand voor de doodstille plaza enkele coplas de flamenco aan. A capella. Die gingen door merg en been, vooral door de impressionante stilte van het publiek en de minutenlange stilstand van stier en torero. De dame bleek Laura Gallego te zijn, afkomstig uit Jerez, wonende in de streek van Cádiz en bekende cantaora de coplas en Spaanse liederen. Kippenvel.’
Die passie belet Corijn niet om het stierenvechten historisch en maatschappelijk te analyseren. Hij bevestigt de huidige neergang ervan, vermeldt het Spaanse politieke debat tussen voor- en tegenstanders en houdt plaats vrij voor een antikapitalistische kritiek. Dierenrechtenactivisten worden m.i. iets te gemakkelijk weggezet: ‘In het verzet is dierenleed zeker een sterk argument, maar (…)’ Volgt een bladzijde die ons van het dierenleed in de arena wegleidt. De slotzin van Corijns boek is zeker waar: ‘Vooraleer te oordelen is het altijd goed wat dieper te graven en een cultuurfenomeen in zijn geledingen te doorgronden.’ 
Flor Vandekerckhove



(°) Eric CORIJN. Stierenvechten. Apologie van een foute interesse. Cultuurfilosofisch essay. 
162 pp.
2020. uitg. Bitbook, Brussel. 
 isbn: 9789464077025. 
€ 18,99. 
Bestellen kan via Bitbook↗︎.

dinsdag 13 april 2021

1954: Vikingers in Bredene



De foto van Handbooggilde De Vikingers kreeg ik van Luc Blomme. Hij werd gemaakt in café De Meiboom (Kapel[le]straat). Later verhuisden de schutters naar café des Sports in de Duinenstraat. En dit zijn de namen die Luc vermeldt: (1) Eduard Vanderbruggen; (2) Remi Van Ghelewe; (3) Stefaan Vanderbruggen; (6) Jerôme Stroobant; (7) Bernard Warlop; (8) Albert Blomme; (9) Cyriel Vanwanzeele, uitbater van De Meiboom; (11) Georges Poppe; (12) Robert Vansieleghem.
Marc Blomme, broer van Luc, weet nog dit: ‘De foto werd genomen op de koningschieting van 1954, waar Bernard Warlop als nieuwe sire van de handbooggilde gevierd werd. De enige nog in leven zijnde schutter is Remi Van Ghelewe. Hij was toen pijlenraper, 17 jaar oud, en kon zo aan wat extra zakgeld komen. Omdat hijzelf geen boog had mocht hij deze van de andere leden gebruiken. Later — er was toen al geen schuttersgilde meer — kreeg hij de boog van Raymond Vansieleghem.’ 
Uiteraard hebben we ons vervolgens afgevraagd wie de mannen achter de nummers 4, 5 en 10 zijn. Roland Vanloo doet een gok: 5 kan Raymond Claerhoudt zijn (ook bekend als carnavalist); 10: Henri Vansteenkiste (had in de Duinenstraat, dicht tegen Bredene Dorp, een winkel. Hij leverde ook gasflessen aan huis.) Marc Blomme vraagt zich af of 4 Mon Dekuyper is. Wat ons dit voorlopige totaalbeeld oplevert: (1) Eduard Vanderbruggen; (2) Remi Van Ghelewe; (3) Stefaan Vanderbruggen; (4) Mon Dekuyper (?); (5) Raymond Claerhoudt (?); (6) Jerôme Stroobant; (7) Bernard Warlop; (8) Albert Blomme; (9) Cyriel Vanwanzeele; 10: Henri Vansteenkiste: (11) Georges Poppe; (12) Robert Vansieleghem.

Flor Vandekerckhove


[Dit stukje maakte in 2017 deel uit van een groter geheel in deze blog  ('Van Vikingers en Vikingmeisjes'). In 2021 splits ik het in twee aparte delen. Het stuk over de Vikingers haal ik naar 2021. Het andere blijft staan in 2017 en heet daar nu ‘Juffrouw Maria en haar meisjes’↗︎.]


C’est arrivé pres de chez vous

zondag 11 april 2021

Een verslaving laat blijvende gevolgen na

In wijzerzin, startend bovenaan links. 1. Liedtekst van Eindjezoekers, een ‘succeslied’ van ‘kluchtzanger Bertino’. Eindjezoekers zijn er die op straat naar peuken zoeken. 2. Volkszanger Albert Lingier (1915-1969) (Bertino). 3. Still uit het youtubefilmpje waarop King of the Road van Roger Miller te horen valt. 4. Roger Miller zit als koning van de weg in ’t midden van de drukke straat. (De twee die op de andere krukken zaten zijn wellicht al omver gereden.)




In onderstaand provovers↗︎ laat ik me inspireren door de Oostendse volkszanger Bertino (Albert Lingier, 1915-1969). Bertino verspreidde zijn teksten op liedbladen, wat hij ook deed met ‘Eindjezoekers’. Ik heb er een exemplaar van. Het blad titelt: N° 140. SUCCESLIED uitgegeven op aanvraag door den Kluchtzanger BERTINO (LINGIER)'. Hij bezingt er mannen in die op straat naar sigarettenpeuken speuren. Ik ben er een hedendaagse versie van.

peuken

aan mijn nicotineverslaving hou ik
dit weerzinwekkende gedrag over
waarbij ik aan tramhokjes op de grond
naar peuken speur
luid zingend van 
old stogies I have found
short but not to big around
en als de tram komt
tel ik mijn peuken 
en kijk of ‘t voldoende voor een sigaret is
wat meestal wel het geval is
en alhoewel het roken achter me ligt
geeft het me dat geruststellende gevoel 
dat Roger Miller in zijn song bezingt
en ook Bettino
in zijn succeslied over eindjezoekers
waarvan ik de tekst
uitgegeven op aanvraag van de kluchtzanger 
omzeggens altijd op zak heb
Flor Vandekerckhove

‘peuken’ op youtube
met weerzinwekkende beelden!

vrijdag 9 april 2021

Schrijven in het ploegenstelsel

— Joseph Ponthus (1978-2021) tussen de Franse en de Nederlandstalige uitgave van zijn boek. —



In Frankrijk is ’t een bloeiende praktijk: autodidacten die op literaire wijze van het arbeidersbestaan getuigen waartoe ze zelf behoren. Ze geven vorm aan een literaire stroming: de proletarische literatuur. Wikipedia vermeldt 34 namen van Franse arbeiders-schrijvers die na 1968 gepubliceerd hebben, wat betekent dat daar nu meer proletarische schrijvers zijn dan ooit.
Het uitgebreide en interessante lemma in de internet-encyclopedie↗︎ verhaalt de geschiedenis van een stroming die Henry Poulaille↗︎ (1896-1980) in de jaren dertig ijkt. Niet onbelangrijk in deze is Victor Serge geweest die in Franse tijdschriften over literaire ontwikkelingen in de jonge Sovjet-Unie rapporteerde, onder meer over de Proletkult↗︎. Een van z'n titels luidt: Een proletarische literatuur is zij mogelijk? Poulaille, anarchist en zelf auteur, beantwoordt de vraag positief en vanaf de jaren dertig manifesteert zich een groep: beoefenaars, manifest, tijdschriften, boeken. Maar dat is dus geschiedenis.
Actueel is de onlangs overleden auteur Jozef Ponthus↗︎. Zijn roman Aan de lopende band, Aantekeningen uit de fabriek↗︎ (°) is een meesterwerk en niet alleen van de proletarische literatuur, het is een meesterwerk tout court. Wie hierboven de titel aanklikt, komt op een bespreking terecht, waardoor ik mezelf kan beperken tot een veelzeggende bijzonderheid, met name de opdracht vooraan in het boek: ‘Aan de proletariërs uit alle landen / aan de ongeletterden en de tandelozen / met wie ik zoveel heb / geleerd gelachen geleden en gewerkt’ en ook ‘aan Charles Trenet / zonder wiens liedjes / ik het niet had volgehouden.
Omdat ik er als uitgever van Het Visserijblad↗︎ zelf geweest ben, ken ik de streek waarin het verhaal zich afspeelt, ik heb er de bedrijven bezocht waarover hij schrijft, ik ken de vissector, ik ken het volk dat er werkt en ik zie tot mijn vreugde dat de vorm die Ponthus hanteert niet erg verschilt van deze die ik in mijn provoverzen↗︎ aanwend. Ik citeer een passage uit het boek, dat terecht in de prijzen viel: 
Terug naar mijn garnalen
In de ruwe omgang met hen die alleen hun arbeidskracht
hebben om te verkopen
Hun scheten om te laten
Hun schuine moppen om zes uur ’s ochtends
Wat ze ook zingen
Of ze zichzelf nu
Ja dan wel de nee
Existentiële vragen stellen
Tijdens het sorteren van hun garnalen
Ik zal een van de uwen zijn
O arbeiders in de fabriek
Vragen over het grote al over niets
over literatuur en zo of over garnalen
Wat in wezen op hetzelfde neerkomt
Acht uur per nacht achter de
machines
Flor Vandekerckhove


(°) Jozef Ponthus. Aan de lopende band. Aantekeningen uit de fabriek. Vertaling Floor Borsboom. Uitg. De Arbeiderspers, A’dam. 2020. Oorspronkelijke titel A la ligne. Feuillets d’usine. Ed. La Table Ronde Paris. 2019. 164 pp. 


Een readymade op youtube

www.youtube.com/watch?v=KdLjdVbh3dc

woensdag 7 april 2021

Er ligt onheil op de loer



Er is al relatief veel van Charles Simic (°1938) vertaald, je vindt er iets van in de digitale bib voor de Nederlandse letteren en ook ik heb al eentje op mijn palmares staan:  Pigeons at Dawn, uit de bundel My Noiseless Entourage (2005). In dat gedicht vertelt Simic wat poëzie vermag: ze toont ons dingen die je anders niet zou zien. Misschien moet je er eerst een omweg voor maken — in dit geval verzinnebeeld door een lift die eerst naar een kelder voert — maar wie geduldig is, vangt uiteindelijk een glimp van schoonheid op: All but invisible, but for her slender arm. Dat gedicht en mijn vertaling staan hier.
Nu waag ik me aan Something Evil is Out There, recenter werk. Het staat in Come Closer and Listen (2019). Er zitten 14 jaren tussen die twee, maar de verzen hebben nog altijd iets gemeen. Weer zijn de dingen verhuld en weer kun je niets anders doen dan wachten. Er is ook een verschil. In het eerste geval wordt het wachten beloond, in het nieuwe gedicht is er geen hoopvol perspectief. Er hangt onheil in de lucht en ’t komt almaar nader. Voelt de dichter zijn einde naderen? Dat zal wel, hij is de tachtig voorbij: ‘If one had the nerve to stick around’.
En dan nog dit (zoals steeds): ik ben een gepassioneerde liefhebber, geen professionele vertaler. Wie suggesties heeft die de vertaling verbeteren, op- en aanmerkingen, stuurt ze naar liefkemores@telenet.be. (
Flor Vandekerckhove)


En ook hier staat iets te gebeuren

maandag 5 april 2021

Van Oostende naar Luik en terug

— Bovenaan: de foto die dit stukje op gang trekt. Onderaan: Isi Collin, het boek waarvan sprake, tekening uit het boek, plaket aan het huis van Isi Collin in Luik. —


Bovenstaand beeld van het Oostendse vissersvaartuig O.262 Prévoyance Sociale pluk ik op 7 maart van ’t internet. Het onderschrift dat ik er op die dag aan toevoeg is cryptisch: ‘Isi Collin joods journalist Witte Zee’. Waarna ik het in een mapje steek en… uit het oog verlies. Nu weet ik niet meer wie de foto destijds gepost heeft. Misschien maakt die persoon zichzelf nog kenbaar, want ere wie ere toekomt. Wat ik me nu uiteraard ook afvraag is dit: wat betekent ‘Isi Collin joods journalist Witte Zee’?
De O.262 is een schip van de N.V. Oostendsche Reederij, in de volksmond bekend als ‘de rode vloot’, een onderneming gesticht en geleid door socialisten. Het vaartuig wordt in 1917 op de werf Alexander Hall & Sons Ltd in Aberdeen gebouwd en verdwijnt na 1932 uit de Officiële lijst der Belgische vissersvaartuigen. De foto toont rechts boven een inzet,
 tekst waarop in twee talen staat: ISI COLLIN / VLAAMSCHE VISSCHERS / HET IS AAN BOORD VAN DEZE TREILER DAT EEN WAALSCHE DICHTER IN UW MIDDEN KWAM LEVEN EN ER HET SCHOONSTE WERK SCHREEF TER VERHEERLIJKING VAN DEN STOEREN, MOEDIGEN VLAAMSCHE VISSCHERS.
Enig zoeken leidt me naar Luik, waar men op 31 mei 1931 ter nagedachtenis van deze Isi Collin (1878-1931) aan diens geboortehuis een plaket onthult. Ook krijgt hij daar een straat naar hem genoemd. Bij leven en welzijn is hij, lees ik, dichter en journalist. Hij reist nogal wat af: Havana, Marocco, Portugal, Belgisch Congo. Ik verneem ook iets over ‘Quinze Âmes et un Mousse’ (Vijftien zielen en een scheepsjongen.) Die naam leidt me naar een vermelding in ‘Les écrivains belges et la mer’, lezing van ene Joseph Delmelle tijdens het Vierde Internationaal Congres van de Zee (Oostende 1951): ‘Isi Collin deelt, gedurende een maand, het leven van de bemanning. Hij brengt een oogst aan notities mee die hij achteraf in Quinze Âmes et un Mousse verwerkt’, boek dat alhoewel in proza geschreven, een ‘gedicht van de zee’ genoemd wordt. Daar wil ik wel eens een blik op werpen en al zoekend stoot ik op een aanbod: iemand biedt het boekje hier te koop aan. Op die site kun je er enkele bladzijden van inkijken en ik haal er een illustratie uit van ene Frédéric De Smet, misschien wel deze Gentenaar: een vissersvrouw in klederdracht, met kaketuute en al, heet haar man welkom op de kaai.
Flor Vandekerckhove

zaterdag 3 april 2021

Iets wat maar weinigen weten

Vijftig jaar nadat The Band een hit gescoord had met The Weight, kwam het aan het Bredense duinengat tot een merkwaardige ontmoeting tussen personages die daar nooit eerder samen gezien waren (en elders trouwens evenmin). Omdat deze ontmoeting in mijn hoofd gebeurd is en daar dus geen foto's van bestaan, heb ik bovenstaande illustratie samengesteld met beelden die ik op 't internet vond (1) van The Band, (2) van het duinengat van Bredene (momenteel het logo van de FB-groep Bredene Vroeger en nu 2.0.) en (3) een beeld van mezelf aan de tafel van iemand anders.




In 2019 verscheen de Canadese docu Once were brothers: Robbie Robertson and The Band. Doordat die enige tijd geleden bij ons beschikbaar gesteld werd (via Sooner, Proximus Pickx, Cinema bij je thuis en ZED vanuit je zetel) konden ook wij er, gezeten in onze zetel, naar kijken. Eerder had Tom Hermans er een lovend artikel in De Standaard Weekblad over geschreven: ‘een schitterend tijdsdocument’, ‘de mooiste muziek die in de jaren 60 en 70 werd gemaakt’, ‘waar het speelplezier en de muzikaliteit van afspatten’, ‘Hun belang voor de popmuziek kan moeilijk overschat worden, maar wordt voortdurend onderschat’, ‘hoe de vriendschap en de chemie tussen vijf totaal verschillende kerels tot de mooiste muziek leidde’ ‘Die vijf kerels waren elk afzonderlijk niet zo bijzonder, maar als ze samen muziek maakten, was dat pure magie.’ Woorden die zo overtuigend lazen dat ik ze niet zou durven tegen te spreken. Meer zelfs, ik durf ze nauwelijks aan te vullen. Behalve met dat ene weetje dat Tom Hermans onbekend is. Vijftig jaar nadat The Band een hit gemaakt had met The Weight, inspireerde die song me tot een gedicht dat Verlost van de last heet. Highbrows kunnen het hier lezen, lowbrows slaan het lezen uiteraard over en richten de blik meteen naar YouTube, waar ze dat gedicht horen declameren door de poëet zelve, hem daarenboven de song horen neuriën, fluiten en zelfs meezingen. Dat filmpje hoef je je geeneens aan te schaffen bij Sooner, Proximus Pickx, Cinema bij je thuis of ZED vanuit je zetel, neen, je kunt het hier & nu op je scherm bekijken, voor nul de botten, zoals het ons — once were brothers —betaamd.
Flor Vandekerckhove

Verlost van de last
op youtube
(Met Amerikaanse ondertitels!)

www.youtube.com/watch?v=dutLZmzOEfE

donderdag 1 april 2021

Mijn helden: twee ‘slechte vrienden’

— Boven: Henry Miller, naast een citaat uit Tropic of Cancer, dat ik in onderstaand stukje vertaal. 
Onder: Frank Harris, naast een passage die ik hieronder vertaal. —


Tot de boeken die me gevormd hebben behoren de keerkringenboeken van Henry Miller en Mijn leven en liefdes van Frank Harris. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze gefictionaliseerde biografieën zijn en ze hebben ook gemeen dat ze me meer dan een halve eeuw geleden uitgeleend werden door Daniël Crabeels die ze in de schatkamer van boekhandel Corman gesprokkeld had. Ere wie ere toekomt: Danny heeft me de weg naar de literatuur gewezen. 
De hoofdpersonages van die boeken zijn mijn tienerhelden geworden. Ze hebben me ook op ‘het verkeerde pad’ gezet, waarvoor ik hen tot vandaag dankbaar ben. Als werkgevers er nooit in geslaagd zijn van mij een rendabele arbeidskracht te maken, dan komt dat door de Henry uit Millers boeken. Als die al een job had, was dat toch maar om zich ervan af te maken. Dat ik ooit uitgever van Het Visserijblad geworden ben, komt mede door krantenman Frank uit Harris’ boek. Ja, dat leek me in mijn tienerjaren wel nastrevenswaard: leven als zo’n krantenman. Miller en Harrris hebben me ook literair beïnvloed: dat ik mijn verhalen rond een ik-persoon opbouw, komt door die twee.
Nu ik de zeventig gepasseerd ben, lees ik die boeken opnieuw, deze keer in ’t Engels, in digitale versies die ik vrijelijk van ’t net pluk. Eerst Millers Tropic of Cancer, uit 1934. (°) ’t Valt me niet moeilijk te begrijpen waarom ik De Kreeftskeerkring destijds zo graag gelezen heb. Miller schrijft over de noodzaak om radicaal van koers te veranderen en opnieuw van nul te beginnen. Is dat niet wat elke jongeling graag denkt? En dan is er ’s mans manier van schrijven, zo anders dan wat men ons in ’t college als literatuur aansmeert: ‘mijn idee om (…) van de gouden standaard van literatuur af te geraken (…) om een wederopstanding van de emoties te presenteren, om het gedrag van een mens in de stratosfeer van ideeën, dat wil zeggen in de greep van een delirium, uit te beelden.’ Ja, daar kan Ernest Claes een puntje aan zuigen. Millers boeken zijn bovendien overladen met seks en — ik moet me herhalen — is dat niet wat elke jongeling denkt?
Nu, meer dan een halve eeuw later, zie ik bij herlezing ook dat Miller een frisse, Amerikaanse versie van Louis-Ferdinand Céline is, schrijver die later, gedurende vele jaren, mijn lievelingsauteur wordt. En wat ik nu,Tropic of Cancer herlezend, ook zie is hoe schatplichtig de Amerikaanse beatgeneration aan Miller is.
Na Miller neem ik My Life and Loves (1922) weer ter hand, althans volume 1 van de vier boeken die Frank Harris onder die titel schrijft. (°°) Ik ga erin op zoek naar mijn jeugdige ambitie een krantenman te zijn. Dat blijkt minder simpel dan verwacht. Frank is daarin minder een krantenman, dan wel een vrouwenman. Zoals ook uit deze passage 
blijkt waarin de jonge Harris in het huis van een kennis overnacht en de oudere gastvrouw onverhoeds in zijn kamer ziet opdagen: 
'Opeens ging mijn deur open en kwam ze binnen, d’r haar los om haar schouders en in een lange kamerjas die tot aan haar kousenvoeten reikte. In een flits stond ik op; maar ze had de deur al dicht en op slot gedaan; Ik trok haar naar het bed en weerhield haar ervan de kamerjas uit te doen: "laat me eerst je kousen uitdoen", fluisterde ik, "ik wil je helemaal op mij voelen!"
Het volgende moment stond ze daar naakt, de flakkerende vlam van de kaars wierp vreemde arabesken van licht en schaduw op haar prachtige ivoren lichaam: ik staarde en staarde: van de navel naar beneden was ze perfect; Ik draaide haar om en ook de achterkant, de kont was zelfs foutloos, wel groot; maar helaas! de borsten waren veel te groot voor schoonheid, te zacht om op te winden! Ik moet alleen denken aan de indrukwekkende ronding van haar heupen, dacht ik, de pracht van de stevige dijen, waarvan het vlees de harde omtrek van marmer had en haar - seks? Ik legde haar op bed en opende haar dijen: haar poesje was van een ideale perfectie.’
Da’s dus een boek uit 1922 hé. Maar ik denk niet dat Felix Timmermans het gelezen heeft. Is het omwille van die expliciete seksscènes dat ik toen een krantenman wilde worden? Mogelijks wel, ja. Mij hoor je trouwens niet zeggen dat ik het me achteraf beklaagd heb.
Flor Vandekerckhove



(°) HENRY MILLER. Tropic of Cancer. A Flamingo Modern Classic 1993. First published in Great Britain by John Calder (Publishers) Limited 1963. Copyright © Obelisk Press, Paris 1934. ISBN 0 00 654583 1.

(°°) FRANK HARRIS. My Life and Loves. ’The Project Gutenberg EBook of My Life and Loves, by Frank Harris’. 'Release Date: June 27, 2019 [EBook #59827] Volume 1 (of 4). Een kopie van de oorspronkelijke uitgave in 1922.  


De droom van de pornograaf

 www.youtube.com/watch?v=b55HPtsATpM

dinsdag 30 maart 2021

Triptiek



De beoefenaar van het door mij uitgevonden provovers is aan strenge vormregels gebonden. Een ervan luidt dat het provovers exact honderd woorden telt. Hoe kan deze dichter dan nog een lang gedicht maken, vraagt u zich (niet) af. De oplossing heet triptiek. De dichter maakt dan wat de kunstschilder ook al eens maakt: een drieluik, drie gelijkwaardige provoverzen, elk honderd woorden, die samen een triptiek vormen, en tegelijk een nieuw gedicht. (Flor Vandekerckhove)


triptiek


i

zij fietst naar hem toe
hij staat in het deurgat
en probeert vruchteloos 
zijn ogen van haar kut weg te houden
zij ziet het trillen van zijn oogleden 
en opent haar benen
een half uur later zijn 
zowel de jongen als de vrouw 
andere mensen geworden
zij verlaat haar echtgenoot 
en wordt ’s lands meest bekeken 
kortgerokte fietster
de jongen wordt man
blijft thuis 
en brengt al zijn tijd door 
in het huis met het nummer 144
na zijn dood treft men in dat huis 
een merkwaardige collectie foto's aan
negenduizend fietsende vrouwen 
een verzameling waarvan niemand de zin inziet


ii

dagelijks passeer ik
een keer heen en een keer weer
op mijn tocht doorheen de stad
dat huis met nummer 144
en voor de voordeur van het voorhuis
groeit een grasspriet
waarrond zich een stoepgraszode vormt
waaraan schrale noordoostenwinden
en natte noordnoordwestenwinden 
vanuit zee
gierend zand aanvoeren 
dat van heinde en verre komt 
om er een eilandje van te maken
waarop zich de kleintjes vestigen
die ik kabouters noem
hoewel de naam onzeker is
een keer heb ik me naar hen toe gebogen
om het hun te vragen
maar omdat zo’n vraag geen antwoord kent
doe ik dat niet meer


iii

het huis met het nummer 144
blijft na ’s mans overlijden
lange tijd onbewoond door mensen
maar niet door de kleintjes
die plat op hun buik onder deuren 
binnenschuiven om binnen te doen
wat zo’n kleintjes binnen doen
en telkens ik 
op mijn tocht doorheen de stad
een keer heen en een keer weer
weer aan het huis passeer
hoor ik gestaag aangroeiend flip flop flapwieken 
als van een vleugelwiekend koor
wat mij er telkens toe beweegt 
binnen
naar ontblote tepels te turen
van La Veilleuse
koningin der kleintjes
die met haar haardos schuddend 
aan myriaden vlinders ‘t leven geeft



triptiek op youtube

www.youtube.com/watch?v=1Hg7yMHvMVM