OOIT HAD IK grootse plannen met de historische bendeleider Lodewijk Bakelandt (1774-1803). In een vissersroman wilde ik soortement Bakelandt-ter-zee creëren. ‘t Is er gelukkig nooit van gekomen, maar jong en dynamisch als ik was, ondernam ik al veldwerk. Ik trok naar de streek waar Bakelandt geleefd had, om daar de sfeer op te snuiven. ’t Werd een scheet in een zak: In ’t land van de buschkanters.
Ook verdiepte ik me in ’t boek (°) van Victor Huys (°1829 - 1905†). Dat verhaalt niet alleen ’t leven van de struikrover, het verdedigt ook fel de katholieke kerk: ‘(…) al wie bedorven van zeden was, of geld nodig had, en niets te verliezen maar alles te winnen had, deed met de vijanden van de ware Kerk en van den katholieken godsdienst, om dan ongestraft te kunnen leven gelijk zij wilden.’ En paster Huys neemt een verre aanloop: ‘In het jaar 1600, waren de ketters, of anders gezeid de Geuzen, meest allen Hollanders, nog meester van Oostende, zeehaven en sterkte. (…) Het gespuis uit geheel België, al wat den godsdienst vijandig bleef, was gelopen naar die stad (…) om er de Hollander te ondersteunen, en de ketterij in ons land te voeren, en een slecht leven, ongehinderd en ongestraft, te mogen voortleiden.’ ‘Eenigen waren binnen de verschansingen gelaten geweest, anderen bleven buiten en hielden zich op in de bossen, zuid-oost van Oostende gelegen (…) Onder de naam van vrijbuiters of Geuzen, plunderden en roofden zij alles (…) Niemand nogthans had juist kunnen achterhalen waar de vrijbuiters zich ophielden; men wist dat zij in de bossen zaten, maar geenszins wat zij er deden, toen eindelijk, bij het naderen van het Spaansch leger, naar Oostende gezonden, een voorval alles bekend maakte.’ Een boer uit Koekelare verneemt dat de Spanjaarden op komst zijn en hij trekt hen tegemoet om hen zijn hoeveproducten te verkopen. Dat lukt aardig en ’s avonds keert hij door het bos weer naar huis. Hij wordt helaas onderschept door Geuzen die hem zijn geld afhandig maken, hem folterend al hun wreedheden vertellen en de spot drijven met het katholicisme: ‘De wreedste der bende deed de andere stille staan en zwijgen. Met eene zware stemme, die weergalmde in de stilte van de nacht, ging hij een gezang op, dat niet kwalijk geleek aan het kerkgezang, en waarin wat halflatijnsche woorden kwamen, tussen de vuilste dingen en de ijselijkste blasphemien. Als hij gedaan had, juichte geheel de bende toe en lachte dat het kletterde.’ Om een zeventien bladzijden lange historie kort ter maken, de Geuzen laten hem uiteindelijk gaan: ‘maar gij kunt denken of zijne vrouw en kinders verschoten, en of zijn gerucht zijner ongelukken rond de streek liep! Al de inwoners van Couckelaere, Ichteghem, Aertryke en andere dorpen spraken eenen tijd van niets anders; en ’t was natuurlijk. Zij wisten wel, van te vooren, dat er Geuzen in hunnen bosschen verkeerden (…) maar nu kenden ze hunne schuilplaats en al hunnen wreedheden. Zij hadden eenen mensch gezien, door die vijanden van hunnen godsdienst mishandeld (…) en zulke dingen gaan uit het geheugen niet meer.’
Flor Vandekerckhove⇲
Ook verdiepte ik me in ’t boek (°) van Victor Huys (°1829 - 1905†). Dat verhaalt niet alleen ’t leven van de struikrover, het verdedigt ook fel de katholieke kerk: ‘(…) al wie bedorven van zeden was, of geld nodig had, en niets te verliezen maar alles te winnen had, deed met de vijanden van de ware Kerk en van den katholieken godsdienst, om dan ongestraft te kunnen leven gelijk zij wilden.’ En paster Huys neemt een verre aanloop: ‘In het jaar 1600, waren de ketters, of anders gezeid de Geuzen, meest allen Hollanders, nog meester van Oostende, zeehaven en sterkte. (…) Het gespuis uit geheel België, al wat den godsdienst vijandig bleef, was gelopen naar die stad (…) om er de Hollander te ondersteunen, en de ketterij in ons land te voeren, en een slecht leven, ongehinderd en ongestraft, te mogen voortleiden.’ ‘Eenigen waren binnen de verschansingen gelaten geweest, anderen bleven buiten en hielden zich op in de bossen, zuid-oost van Oostende gelegen (…) Onder de naam van vrijbuiters of Geuzen, plunderden en roofden zij alles (…) Niemand nogthans had juist kunnen achterhalen waar de vrijbuiters zich ophielden; men wist dat zij in de bossen zaten, maar geenszins wat zij er deden, toen eindelijk, bij het naderen van het Spaansch leger, naar Oostende gezonden, een voorval alles bekend maakte.’ Een boer uit Koekelare verneemt dat de Spanjaarden op komst zijn en hij trekt hen tegemoet om hen zijn hoeveproducten te verkopen. Dat lukt aardig en ’s avonds keert hij door het bos weer naar huis. Hij wordt helaas onderschept door Geuzen die hem zijn geld afhandig maken, hem folterend al hun wreedheden vertellen en de spot drijven met het katholicisme: ‘De wreedste der bende deed de andere stille staan en zwijgen. Met eene zware stemme, die weergalmde in de stilte van de nacht, ging hij een gezang op, dat niet kwalijk geleek aan het kerkgezang, en waarin wat halflatijnsche woorden kwamen, tussen de vuilste dingen en de ijselijkste blasphemien. Als hij gedaan had, juichte geheel de bende toe en lachte dat het kletterde.’ Om een zeventien bladzijden lange historie kort ter maken, de Geuzen laten hem uiteindelijk gaan: ‘maar gij kunt denken of zijne vrouw en kinders verschoten, en of zijn gerucht zijner ongelukken rond de streek liep! Al de inwoners van Couckelaere, Ichteghem, Aertryke en andere dorpen spraken eenen tijd van niets anders; en ’t was natuurlijk. Zij wisten wel, van te vooren, dat er Geuzen in hunnen bosschen verkeerden (…) maar nu kenden ze hunne schuilplaats en al hunnen wreedheden. Zij hadden eenen mensch gezien, door die vijanden van hunnen godsdienst mishandeld (…) en zulke dingen gaan uit het geheugen niet meer.’
Flor Vandekerckhove⇲