donderdag 21 februari 2019

Wie de fuck is Alphonse Lange?

— Alphonse Lange en ik. —
Veel van mijn wandelingen starten aan de Hubertmolen in Wenduine. De wind bepaalt in welke richting de tocht vervolgens gaat: Bredene of Blankenberge.
In dat laatste geval steek ik eerst een parkje over. In een hoek staat een monumentje dat me telkens weer intrigeert, een buste in bas-reliëf, beeltenis van een jonge militair. Moeilijk te ontcijferen Franstalige opschriften met namen waarin ik Congolese plaatsten vermoed.
Ik denk er weer aan omdat er nu nogal wat te doen is omtrent straten, pleinen en dokken, vernoemd naar Belgen die behoorlijk fout geweest zijn. Er passeren namen van een burgemeester (Leo Delwaide), een pastoor (Cyriel Verschaeve) en een koning (Leopold II). In een commentaar voegt een journalist daar aan toe: ‘Of trekken we een blik generaals open? Van de meeste weten we niet eens meer hoeveel soldaten ze over de kling hebben gejaagd.’ Zou deze aristocratisch ogende jongeman in dat blik passen?
De Inventaris Onroerend Erfgoed beschrijft het monumentje. Het betreft ene Alphonse Lange en er is sprake van gevechten met Arabische slavenhandelaars in Congo. Het bekomt Lange slecht.: Ziek door buikloop zoekt hij genezing in Wenduine waar hij in 1897 overlijdt (…)’ Hij wordt nauwelijks 32.
Meer over ’s mans militaire carrière staat hier. Die speelt zich af in de Onafhankelijke Congostaat. Over die tijd zegt Wikipedia: De 23 jaar onder het bewind van Leopold II worden gekenmerkt door beschuldigingen van moordpartijen, slavernij, ontvoeringen, martelingen, verkrachtingen, onthoofdingen en het afhakken van handen. De schattingen over het aantal slachtoffers variëren aanzienlijk. De Britse diplomaat Roger Casement had het over drie miljoen tijdens twaalf van de twintig jaar. Peter Forbath noemde ten minste vijf miljoen. Adam Hochschild sprak van tien miljoen. (…)’
In een vrije tribune klaagt theatermaker Luk Perceval dat aan: ‘Hoe is het in godsnaam mogelijk dat de schoolgaande jeugd, nog steeds, nauwelijks weet heeft van wat er in Congo is gebeurd? Hoe is het mogelijk dat er in België nog trotse standbeelden staan die verwijzen naar de glorieuze leider Leopold II? Een koning die, gemeten naar het bloedvergieten dat hij veroorzaakt heeft, thuishoort in het rijtje van Stalin, Hitler, Mao en Pol Pot.’
Om het erg lucratieve ivoor uit het Afrikaanse land weg te halen moet deze Belgische Stalin eerst anderen verjagen die daar al langer eigendomsrechten laten gelden. In dat kader beslist het hoofd van de Force Publique, Francis Dhanis — a.k.a. Fimbo Nyingi (‘veel zweepslagen’) — om op 13 oktober 1893 sultan Rumaliza aan te vallen. Dhanis omkadert zijn soldaten met ‘eersteklas Belgische officieren.’ Lange is er een van. Iemand spreekt over ‘de enige oorlog die België ooit won.’ (°)

Meer weet ik er niet van, maar ’t is toch al voldoende om me af te vragen of Lange dat publieke eerbetoon wel verdient, want ook het parkje is naar hem genoemd. Moet het beeldje daar weg? Moet het daar onveranderd blijven staan? Hoort daar niet minstens een bordje met uitleg bij? Wat denken de Wenduinenaars? Is dit niet het goede ogenblik om aan de kust een parkje naar Patrice Lumumba te noemen?  Moet de wijk- of de gemeenteraad zich niet eens over Alphonse Lange buigen?
Flor Vandekerckhove


(°) Lucas Catherine. Manyiema: de enige oorlog die België ooit won. 1994. Uitg. Hadewijch. 139 pp.

woensdag 20 februari 2019

Het leven zoals het is in de Mexicaanse wijk Roma

— Het gezin waarin Cleo (hier rechtstaand) letterlijke en figuurlijk de boel rechthoudt. —

Cleo is een van de miljoenen inheemse vrouwen die naar de stad emigreren. Ze worden daar huispersoneel en komen in een precaire situatie terecht.
Cleo’s situatie is tweeslachtig. Ze maakt enerzijds deel uit van het gezin, anderzijds is en blijft ze het hulpje. In een scène vat regisseur Alfonso Cuarón deze dubbele situatie perfect samen. Grootmoeder brengt Cleo naar de kliniek om daar te bevallen. De scène toont ons dat de familie Cleo niet aan haar lot overlaat. Terwijl Cleo naar de verloskamer gebracht wordt, moet grootmoeder de papierwinkel in orde brengen. Ze blijkt helaas niets over Cleo te weten. Hoe is haar achternaam? Hoe oud is ze? Waar is ze geboren?
Wie is de vader van het te verwachten kind? Cleo’s vrijer, Fermín, zelf kind van de sloppenwijken, haalt zijn eigenwaarde uit de gevechtssport die hij beoefent. Hij laat Cleo zitten zodra hij verneemt dat ze zwanger is. Wat eerst op een persoonlijk falen lijkt, blijkt een politieke oorzaak te hebben. Fermín heeft immers een maatschappelijke opdracht te vervullen die geen liefde toelaat. De sportschool is een rechtse paramilitaire organisatie die politieke tegenstanders fysisch liquideert.
Mijn vriendin, die van een volgende generatie is, vraagt of ik me die periode herinner. Dat doe ik zeker, want in de post-68 periode wordt radicaal links wel sterker, maar ook meteen geconfronteerd met een agressief en gewelddadig fascisme. Dat is in heel de wereld het geval, zelfs in België. De aanval op de Mechelse boekhandel Rode Mol en de brandstichting in de redactie van het weekblad Pour herinner ik me levendig.
Die Belgische incidenten zijn maar klein bier in vergelijking met wat eerder in Mexico gebeurt. De film toont ons een studentenbetoging die daar op 10 juni 1971 door rechtse paramilitaire bendes wordt aangevallen: er vallen doden, veel doden. (°) We zien hoe Fermín en de zijnen een betoger achtervolgen tot in de winkel waar Cleo en grootmoeder zich op dat moment bevinden. Terwijl de vrouwen zien hoe de man ter plekke geliquideerd wordt, breekt bij Cleo het water; een scène waarin regisseur Alfonso Cuarón op meesterlijke wijze het persoonlijke aan het politieke koppelt. Of het leven zoals het is in Mexico.  
Flor Vandekerckhove


Alphonso Cuarón. Roma. 2018. 135 min.


(°) Later vrijgegeven documenten bewijzen dat de rechtse paramilitaire organisaties vanuit de Mexicaanse regering aangestuurd en gesponsord werden. Er bestaat ook een Wikipediabladzijde over het bloedbad: klik hier.

maandag 18 februari 2019

De IJmuider Kring en ik


— Flor Vandekerckhove. 1987. Een trawler uit Portsmouth
Acryl op ongeprepareerde jute. 130 x 130. — 
Ergens in de jaren tachtig lees ik in Vrij Nederland iets over kunstenaars die zich in het havengebied van IJmuiden terugtrekken. Lei Molin doet dat al in 1979. Pieter Defesche, Gérard Leonard van den Eerenbeemt, Theo Kuypers, Jon Marten en Jaap Mooy volgen. Daar stichten ze de IJmuider Kring. (°)
Het artikel uit Vrij Nederland ben ik al lang kwijt, maar op ’t net vind ik nog sporen van die bende. Het dagblad Trouw schrijft in 1984: ‘De kunstenaars reageren op het havengebied (…). Zij geven geen natuurgetrouwe afbeeldingen van de haven; hun schilderijen zijn op het eerste gezicht abstract, al liggen er wel natuurlijke verschijningen aan ten grondslag.’ In 1988 schrijft De Volkskrant: ‘De IJmuider Kring verzet zich tegen alle dwang die uitgaat van opdringerige kunsthistorici, critici of galeries. Ze zijn wars van etikettering.’
In 1987 verhuis ik zelf vanuit Gent naar een havengebied; niet naar dat van IJmuiden, wel naar de Oosteroever in Oostende. Voor mij is dat ook de tijd waarin ik afscheid neem van een militante praktijk aan de uiterst linkse kant van het politieke spectrum. Dat afscheid werpt me in een leegte die ik al schrijvend en schilderend probeer te vullen.
In mijn hoofd neem ik de beelden van de IJmuider Kring met me mee, zoals die waarvan De Volkskrant zegt: ‘De herinneringen aan een afgebikte, roestige trawler of een vage lucht van zee en teer worden gereduceerd tot bijna onherkenbare tekeningen.’
Het schilderij dat ik hierbij plaats maakt duidelijk dat ook ik me door het havengebied laat inspireren. Ook in mijn schilderijen is de herinnering aan wat daar te zien valt haast onherkenbaar gereduceerd, in dit geval tot een deel van het immatriculatienummer van een schip. Om de overweldigende ruwheid te vatten laat ik trouwens de drager meespelen, in dit geval ongeprepareerde jute waarop ik de verf rechtstreeks aanbreng. Die manier van werken — die je in mijn geval ‘ongehinderd door enige kennis’ mag noemen — maakt dat maar weinig van die schilderijen de tand des tijds doorstaan.
Gaandeweg leer ook ik inzien dat de dingen een technische kant hebben die een mens zich met veel transpiratie eigen dient te maken. Waardoor ik tegelijk besef dat ik zal moeten kiezen: schrijven of schilderen. Over de keuze die ik maak lees je alles in Afscheid van de schilderkunst.
Flor Vandekerckhove


(°) Bert Schierbeek. IJmuider Kring, Utrecht 1984. 99 pp. Teksten in Engels en Nederlands. Ik zie dat het alleen nog antiquarisch te koop is, onder boeknummer 256443, bij Antiquariaat A. Kok & Zn. B.V.,. Ik zou me dat boek graag aanschaffen, maar 35 euro is helaas iets te veel voor mij.

zaterdag 16 februari 2019

Over een taal die sommigen niet (willen) begrijpen

— Drie Franse intellectuelen, drie vrienden, drie strijdmakkers. Van links naar rechts: Geoffroy de Lasagnerie (°1981), Didier Eribon (°1953), Edouard Louis (°1992). Ook buiten hun boeken mengen ze zich, à la Sartre & de Beauvoir, steeds meer in het politieke debat.     —

Lange tijd gaat het niet goed tussen de jonge Edouard Louis (°1992) en zijn vader. Je zal maar homoseksueel blijken te zijn in een enggeestig milieu waar op het Front National gestemd wordt. Je zal maar schrijversambities hebben in een gezin waar een luidruchtige tv van ’s morgens vroeg alle aandacht naar zich toetrekt. Edouard Louis schrijft het allemaal van zich af in Weg met Eddy Bellegueule (2014).
Inmiddels zijn al meer boeken van deze jonge auteur vertaald. Ik probeer zijn jongste te lezen, Ze hebben mijn vader vermoord (°), maar telkens ik het in de bib wil ontlenen zijn anderen me voor. In afwachting behelp ik me met passages op het net, zoals, hier, de Engelse vertaling van een fragment in de New York Review of Books.
Het stukje daar ik daar te lezen krijg, The Pain Never Went Away, maakt grote indruk op me. Da’s merkwaardig, want eerder las ik de kritiek die journaliste Marijke Arijs op dat boek formuleert: In het vuur van zijn betoog schrikt hij niet terug voor simplistische, haast karikaturale redenaties.’ Ze noemt het werkje ‘niet meer dan een slag in het water.’
Misschien zegt dat meer over Marijke Arijs dan over het boek, want in een eerder gepubliceerd interview legt de schrijver ons uit hoe het komt dat veel journalisten zijn boeken niet kunnen pruimen: ‘(…) ook de journalistieke en literaire wereld sluit de ogen voor deze realiteit.’
Het fragment dat ik te lezen krijg leert me dat schrijvers’ vader fel veranderd is. Hij spreekt nu met zijn zoon, leest diens boeken, vraagt hoe het met de man gaat waarmee zijn zoon een verhouding heeft. Allemaal zaken die eertijds ondenkbaar waren.
Het slotstukje van die passage is zo merkwaardig dat ik niet kan laten om het te vertalen. Zegt de zoon tegen zijn vader: Vorige maand kwam ik bij je op bezoek en vroeg je voordat ik vertrok; 'Doe je nog steeds aan politiek?' Met de woorden 'nog steeds' doelde je op mijn eerste middelbareschooljaar, toen ik me had aangesloten bij een extreemlinkse partij en we hadden gediscussieerd omdat jij dacht dat ik problemen zou krijgen als ik meedeed aan verboden demonstraties. Ik zei: 'Ja, meer en meer.' Je liet een seconde of vier voorbijgaan, keek me aan en zei ten slotte: 'Je hebt gelijk. Je hebt gelijk, volgens mij zou er eens een goeie revolutie moeten komen.’
Misschien vindt u dit, net als Marijke Arijs, een simplistische, karikaturale redenatie, maar zelf denk ik dat Edouard Louis zijn nieuwe boek niet in de 'middenklassentaal' van Marijke Arijs schrijft. Misschien laat hij de stem van de onderklasse in de literatuur weerklinken. Misschien groeit daarmee zelfs een nieuwe vrucht aan de literaire boom, want Edouard Louis staat niet alleen. Ook zijn vrienden gaan soortgelijk pad op. Mij lijkt het iets te zijn om aandachtig te volgen.
Een van die vrienden is socioloog Didier Eribon. In diens nieuwe boek (°°) laat hij, net als Edouard Louis, zijn ouders over de revolutie spreken, en hij vertelt zijn lezers wat de term in hun context betekent: ‘Er werd vaak gezegd dat er gewoon “een goede revolutie” nodig was, maar daarmee werd eerder gedoeld op de slechte levensomstandigheden en het onaanvaardbare onrecht dan op het idee van een ander politiek systeem tot stand te brengen (…)’
Flor Vandekerckhove


Coda — Deze morgen, vlak nadat ik bovenstaande tekst gepost heb, kijk ik nog even naar de site van de bib en zie dat Ze hebben mijn vader vermoord inmiddels teruggebracht werd. Ik neem meteen de kusttram die me van Bredene naar de wijk Mariakerke brengt, waar de Oostendse openbare bibliotheek staat. Daar zit Louis' nieuwste werk nog in het vak van de pas teruggebrachte boeken. Ik neem het mee en begin er meteen in te lezen, terwijl ik, zittend op de bank, op de tram wacht die me weer naar huis zal brengen. Ook omdat het voorjaarszonnetje zo lekker schijnt laat ik die tram aan mij voorbijgaan en tegen de tijd dat de volgende me weer thuisgebracht heeft, heb ik het boekje helemaal uit. Ik kan me niet herinneren dat een boek me eerder zo ontroerd heeft
Het dankwoord op het einde van dat boekje sluit af met: 'En natuurlijk had dit boek nooit kunnen bestaan zonder Didier en Geoffroy', de makkers waarmee hij bovenaan deze blogpost op de foto staat. Nu lees ik verder in Terug naar Reims, het boek van die Didier waarnaar ik in de slotparagraaf al even verwezen heb.

(°) Edouard Louis. Ze hebben mijn vader vermoord. 96 ps. Uitg. De Bezige Bij. 2018. Vertaling Reintje Ghoos, Jan Pieter van der Sterre.
(°°) Didier Eribon. Terug naar Reims. 207 ps. Uitg. Leesmagazijn. 2018. Vertaling Sanne van der Meij.

vrijdag 15 februari 2019

Hoe ik me de dingen herinner (°)



Toets — De kerstvakantie nadert en we krijgen een toets. Ik lees de vraag. Wat groeit er aan de perenboom? Ik kijk om me heen en zie hoe iedereen de pen in de inktpot dopt en nu met de tong in een mondhoek, in schoonschrift, Peren schrijft. Ze hebben niet begrepen dat het een strikvraag is, want kerst nadert, ’t is winter, de natuur slaapt, aan de bomen hangt geen blad, laat staan een peer. Op mijn beurt steek ik de pen in de inktpot, ik dop hem voorzichtig af en schrijf: Niets. Ik ben de enige die vraag verkeerd beantwoord heeft.

Toeristen — Ik herinner me de Lacans, toeristen die op de Meir een tabakswinkel uitbaatten. We zijn daar nog op bezoek geweest. Dat bezoek was erg verrijkend. Ik werd er geconfronteerd met het stadsleven. De drukte van de Antwerpse Meir, het piepkleine, maar overvolle en drukbezochte winkeltje van Lacan, dat hem als ’t ware de tijd niet gunde om een zin af te maken. Ik leerde Lacan daar in Antwerpen kennen als de zenuwpees die hij bij ons niet was. Toen die Lacans na enige jaren niet meer naar het appartement kwamen, voelden we dat vreemd genoeg een beetje aan als verraad.

Vroeger — Omdat zachte heelmeesters stinkende wonden maakten spaarde meester Bernard Warlop de roede niet. Die wilde hij op Gilberts knoken slaan, maar de jongen had in een reflex zijn hand weggetrokken en Warlop sloeg zijn roede tegen de bank aan gruzelementen. Daar moest ik spontaan om lachen, wat me een straf van honderd lijnen opleverde: Ik ben een neet. Ik ben een neet. Ik ben een neet… Honderd keer na elkaar, opdat ik nooit meer zou vergeten dat ik een neet was. Wist ik wat een neet was? Geenszins, maar ik wist wel dat een netenleven niet van de poes was.

Konijnen — Ooit heb ik om den brode regelmatig een tijdschrift van de horeca volgeschreven. Ik hou er kennissen aan over die ik anders nooit gekend had, zoals de toenmalige ondervoorzitter van die club. Die is intussen met pensioen en dat verdoet hij aan reizen. Zo’n reis heeft hij ook naar Mexico ondernomen waar hij in Coyoacán het huis van Trotski bezoekt en ook diens graf. Daar zegt hij aan zijn vrouw: ‘Dat moeten we aan Flor vertellen’. Dat heeft hij intussen ook gedaan. ‘En,’ zegt hij, ‘weet je wat Trotski’s hobby was?’ Ik wacht zijn antwoord af: ‘Konijnen kweken!’ Hij glundert.

Zoenen — Kussen deed ik voor het eerst met een meisje wier naam ik vergeten ben. We zaten in het autowrak dat op het erf stond. Vooraan zaten twee tongzoenende pubers en wij, kinderen, zaten achterin. Ik dacht er niet aan om met dat meisje te trouwen, daar stond dat kussen helemaal los van (iets wat me later nog wel overkomen is.) Dat zoenen vond ik trouwens much ado about nothing. En al helemaal nadat ik na zo'n goed geïmiteerde kus de ogen opende en mijn moeder door het zijraampje van die auto zag turen. Toen was de pret er helemaal af.


(°) Een drabble is altijd honderd woorden lang, niet 99, niet 101, exact honderd, titel niet inbegrepen. Een drabble is bijgevolg een extreem kort handpalmverhaal dat aan die strenge honderd woorden regel voldoet. (Flor Vandekerckhove)


woensdag 13 februari 2019

Zeventig


— Dinsdag 12 februari 2019 is een mooie, zonnige dag. Om 11 uur verlaat ik het huis en ga joggen. Mijn vriendin fietst mee om fotografische bewijzen te verzamelen; foto’s die ik naar mijn kleinkinderen stuur met de onderliggende boodschap: misschien valt er van jullie ouwe pépé nog wel iets te leren !
Het parcours loopt via een bosje naar de duinen en vervolgens naar de Spinoladijk. Die loop ik af tot aan de Groenendijk. Terugkeren doe ik langs ‘t laagwaterstrand. Thuis neem ik een douche en wanneer ik daarna mijn laptop opensla verneem ik dat mijn pas gekochte boek al klaarligt in het postpunt om de hoek. Mooier kan een zeventigste verjaardag niet worden, vind ik. —

Gisteren ben ik zeventig geworden. Dat ik dát nog mag meemaken, 70 !, en dat op mijn leeftijd. 
Terwijl ik vruchteloos naar adem zoek om zeventig kaarsjes uit te blazen, zoek ik ook een passend vers dat ik bij deze gelegenheid aan mezelf kan opdragen. Daarbij denk ik eerst aan Elsschot en diens gedicht De Klacht van den Oude, maar dat heb ik verleden jaar al gebruikt om mijn soixante-neuf te markeren. Vervolgens gaan mijn gedachten uit naar Jean Gabin die met zijn doorrookte stem Maintenant Je Sais zingt, maar ook daarop heeft deze vuurtoren zijn licht al laten schijnen.
Affirmation van Donald Hall lijkt me ook wel geschikt, ik plaats het gedicht hieronder. Wat vindt u ervan? Te pessimistisch? Die Donald heeft nochtans recht van spreken, hij is 90 geworden. Wellicht denkt u op die leeftijd ook wel anders over de dingen, wacht maar.
Tegenover de negentig van dichter Hall lijkt mijn zeventig niet erg oud, maar ik laat me geen blaasjes wijsmaken, de ouderdom staat hoe dan ook voor de deur. Wanneer het buiten erg stil is kan ik hem al voor die deur horen rochelen, zo dicht staat hij. Niet dat ik het aan mijn hart laat komen — dat zou op deze leeftijd pas gevaarlijk zijn — want kijk hoe ik mijn verjaardag gevierd heb: al joggend. En gij nu!

Flor Vandekerckhove


maandag 11 februari 2019

Een filosofisch gedicht

Het is alweer enige tijd geleden dat ik nog eens een Amerikaans gedicht vertaald heb, en je weet dat ik het nochtans graag doe. Vandaag valt mijn oog op een werk van John Ciardi, dichter en vertaler. Ik vind het op de site van PoemHunter, waar ik in het verleden al meer gedichten geoogst heb.
En zoals steeds: laat niet na me op fouten te wijzen, verbeteringen te suggereren of een andere aanpak voor te stellen.

Flor Vandekerckhove


zaterdag 9 februari 2019

‘Extreemlinks heeft de klimaatbeweging gekaapt’


— Banksy, graffiti kunstwerk. —
Sinds een week wordt mijn mailbox, meer nog dan anders, overstelpt met rechtse bagger. Zoals met die mail van iemand die uitvlooit waar de jonge klimaatactiviste Anuna De Wever op vakantie gaat en als volgt besluit: Waar haalt ze het geld vandaan? Pa en ma natuurlijk! En dat meisje moet ons een geweten schoppen? Hallo!’ Dat staat daar dus echt hé.
Dat bericht zit al in mijn bus nog voor Joke Schauvliege een klimaatcomplot ontbloot. Dat ze daarna met veel bittere tranen moet toegeven dat ze die dingen uit haar duim zuigt, weerhoudt katholiek Vlaanderen geenszins om ermee door te gaan.
Manu Desutter, oud-senator van CD&V, verspreidt een bericht van ene Paul Van Akolyen die de eenzijdige berichtgeving van de pers aanklaagt. De Paul weet immers dat de moeder van Anuna door Groen betaald wordt. Ook dat blijkt uit de katholieke duim gezogen te zijn. Dagblad De Tijd schrijft daar op 7 februari over: ‘Van der Heyden voelde zich gisteren genoodzaakt te reageren op de speculaties. ‘Ik ben ontsteld over de aantijgingen dat mijn bedrijf achter de schermen zou betaald worden of te maken zou hebben met Groen. Dat is onwaar.’
Geen complot dus en geen geheime geldlijn die naar Groen leidt. Maar wat dan wel, want er moet toch iets van fake nieuws te bedenken zijn dat in de hoofden blijft hangen? Gelukkig kaapt CD&V-voorzitter Wouter Beke net op tijd de kwestie. In De Morgen van 9 februari zegt hij: ‘Extreemlinks heeft de klimaatbeweging gekaapt’.
Voor dat laatste valt zeker iets te zeggen, zoals ook voor wat volgt. De katholieken hebben de hemel gekaapt; radicaal rechts heeft de CD&V-kiezers gekaapt. Anderzijds heeft CD&V het onderwijs gekaapt, de partij van het extreme midden heeft bovendien het ziekenhuiswezen gekaapt en alsof dat niet genoeg was heeft de christen-democratie ook nog eens de boerenstand gekaapt. Enerzijds hebben de flaminganten de Vlaamse beweging gekaapt, anderzijds heeft CD&V het enerzijds-anderzijds gekaapt. De pastoors hebben de kerken gekaapt, net zoals de paus Christus gekaapt heeft. Aan de kust heeft Jean-Marie Dedecker Middelkerke gekaapt, Greenpeace heeft tal van klimaatacties op zee gekaapt, Electrabel heeft de kernenergie gekaapt, de paters hebben het kloosterleven gekaapt, opiniemakers hebben de opinie gekaapt, Bart De Wever heeft het electoraat gekaapt, de auto-industrie heeft onze mobiliteit gekaapt, de Boerenbond heeft Joke Schauvliege gekaapt, de bank heeft het spaargeld van de brave katholieke spaarders gekaapt, Joke Schauvliege heeft bittere tranen gekaapt, de nonnen hebben mijn kindertijd in de kleuterschool gekaapt. De verkavelaars hebben het platteland gekaapt, de wasmiddelenindustrie heeft het begrip witter dan wit gekaapt. Een regenzone heeft zopas het land van west naar oost gekaapt. En de Russen hebben hier De Laatste Vuurtorenwachter gekaapt.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 8 februari 2019

Veel verbeelding, weinig woorden (°)

Hond — De hond bijt zich vast in mijn broek. Scheur! Broek aan flarden. Daar lig ik nu met mijn kruis open en bloot. De hond ziet er een uitnodiging in en bijt in mijn pik. Ik schreeuw het uit, wat als weerspannigheid geduid wordt. Vier flikken grijpen me vast, lichten me op en smijten me in de hoek. Daarna verlies ik het bewustzijn. Wanneer ik weer wakker word heb ik het erg koud en ook een droge mond. Mijn ballen doen pijn, mijn pik doet pijn. In de andere hoek zie ik de hond die op een kussentje ligt te slapen.



Ticket — In het zelfmoorddorp overnachten de zelfmoordenaars voor ’t laatst in de plaatselijke B&B. Bij de slager halen ze hun laatste boudain noir, in de bistro drinken ze hun laatste rode wijn, bij de bakker kopen ze hun laatste croissant, in de bar-tabac rollen ze een laatste sigaret en met hun laatste geld betalen ze het ticket voor de gewisse dood. Het zelfmoordtoerisme draait op volle toeren in dat dorp. Er komt geen einde aan, want daarna komen nabestaanden er plastic bloemen kopen die ze op het graf van de afvallige leggen en die de winkelier daar ‘s nachts weer weghaalt.



Blauwalgen — Tijdens de zesde opeenvolgende hittegolf komen de blauwalgen uit het water. Nadat ze akkers en weiden veroverd hebben trekken ze in blauwe drommen naar Antwerpen. Daar bedreigen ze niet alleen de klimaatvluchtelingen die de stad bezet houden, maar ook de autochtonen die tegen die vluchtelingen hardnekkig weerstand bieden. De regering komt in spoed bijeen en beslist tot drastische maatregelen over te gaan. De kerncentrale van Doel, die toch nergens meer voor deugt, wordt tot ontploffing gebracht. In een straal van tweehonderd kilometer rond Doel wordt alle leven vernietigd. Alle klimaatvluchtelingen vinden de dood en hun tegenstanders eveneens. De blauwalgen overleven.



Muur —Terwijl de buren de zinloosheid van ‘s mans onderneming aanschouwen, werkt Louis onverdroten verder aan een trap die tot bovenaan de muur loopt. Als hij ermee klaar is, wast hij het stof uit zijn poriën, trekt zondagse kleren aan, neemt de trap tot boven en springt in de afgrond, een zekere dood tegemoet. Louis’ lijk ligt nu in ‘t ravijn, naast de muur die door de dorpelingen Le mur du con genoemd wordt. Ter herinnering beitelt de steenkapper ’s mans naam in een marmeren plaat die naast de muur gezet wordt. Toch blijft het bouwwerk Le mur du con heten.



Moment — Er komt een moment waarop alles wankelt. Dat mag je niet laten passeren. Je blaast de bruggen op. Je haakt af en vervoegt het reservoir van oude geruchten over getalenteerde waarzegsters, rijk geworden scharenslijpers die vroeger kruidenkenners waren en befaamde paardenmenners die nu van ’t oud ijzer leven. Daar, waar de vrouwen een gevaarlijk goedje stoken en sigaren van zelfgekweekte tabaksblaren op hun billen rollen, word je een minnaar, een slaaf, een lustobject, een schandknaap. En op ’t einde schrijf je in één geut dat verhaal neer en ben je de schrijver geworden die je anders nooit had kunnen zijn.


[(°) Een drabble is altijd honderd woorden lang, niet 99, niet 101, exact honderd, titel niet inbegrepen. Een drabble is bijgevolg een extreem kort handpalmverhaal dat aan die strenge honderd woorden regel voldoet. (Flor Vandekerckhove)]