zondag 9 december 2018

Alleen maar waargebeurde feiten

Gisterenavond luister ik, vlak voor het slapengaan, naar ’t radionieuws. De voorbije dag heeft men toeristen afgeraden om Parijs te bezoeken. Ik verneem dat men er daar hevig ingehakt heeft, de politie heeft op de Champs-Elysées vele honderden mensen opgepakt tijdens betogingen van ontevreden burgers die we gele hesjes noemen. Ook in Brussel worden er die dag honderden gele hesjes opgepakt. Nog in Brussel is de regering in crisis bijeen omdat de Vlaams-nationalisten zich bis zum Ende verzetten tegen wat het Marrakesh pact heet.
’s Nachts kom ik in een afspanning terecht waar ik enkele oude schoolmakkers ontmoet. Ik schrik van de rekening die me daar gepresenteerd wordt: 900 frank, want ik droom nog in Belgische franken. Zoveel geld heb ik niet op zak. De waardin zoekt een oplossing. Ze zet het bedrag om in de nieuwe munt en zegt: 'Nog slechts 35 euro.' Ik besef dat ik belazerd word, maar ga toch akkoord, want ik wil weg. Helaas vind ik mijn schoenen niet. Als ik die wil krijgen moet ik op de waard wachten, zegt de waardin. Ik begrijp dat ik eens te meer in een gevangenisdroom terechtgekomen ben. Om te ontsnappen is er maar een oplossing: wakker worden. Een figuur, waarin ik Henriette Roland Holst meen te herkennen, roept het me vanuit de verte toe: 'Slaaf geborene, ontwaak! Ontwaak!'
’s Anderendaags zet ik de radio weer aan. Blijkt dat de Vlaams-nationalisten tijdens de voorbije nacht uit de regering weggelopen zijn. Zo, denk ik, die zijn we toch al kwijt. Nu de rest nog.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 8 december 2018

Mary Shelley: haar boek is beter dan haar film

Terwijl mijn vriendin en ik nog overwegen of we al dan niet naar de film Mary Shelley gaan kijken, vat ik ook de lectuur aan van een boek over de Eerste Wereldoorlog. (1)
De auteur ervan, Jacques Pauwels, neemt een verre aanloop die er ook de romantische contraverlichting bij betrekt. Als voorbeeld geeft hij Frankenstein; Or, The Modern Prometheus, geschreven door Mary Shelley en verschenen in 1818: ‘Dit boek leerde het volk dat de mens niet mag ingrijpen in de schepping, en dus ook niet in de menselijke samenleving. Een tweede moraal van het verhaal was dat het geen wonder was dat het politieke experiment van de Franse revolutie het monster van de Terreur had voortgebracht.’
Het hangt er maar vanaf hoe je het bekijkt. Want dat boek behoort tot de literatuur, het is een kunstwerk en dus per definitie voor meerdere interpretaties vatbaar. Hier heb ik eerder al een stukje gepost over een auteur die de creatie van Frankenstein in verband brengt met de klimaatvluchtelingen die (ja, in die tijd) massaal in Europa rondwaren. Mary Shelley heeft het er in haar werk, zegt Gillen Wood, ook over wat het betekent om een klimaatvluchteling te zijn, gevreesd, gehaat, radeloos, woedend, hongerig en eenzaam. (2) Frankenstein is actueel!
Volgens McNally dan weer is de wordingsgeschiedenis van Shelleys boek nauw verweven met de klassenstrijd in Engeland. (3) Hij geeft sterke aanwijzingen. Shelley is de naam van Mary’s minnaar en latere echtgenoot, een dichter die Marx’ dochter Eleanor in een essay resoluut als socialist omschrijft. (4) Mary heet eigenlijk Wollstonecraft Godwin. Ze is de dochter van Mary Wollstonecraft en William Godwin. De eerste is een feministe, de tweede een anarchist. Waarom zou de dochter van die mensen ons met een conservatieve moraal opzadelen?
Pauwels heeft gelijk in die zin dat conservatieven erin geslaagd zijn om zich de interpretatie van dat boek toe te eigenen. Maar McNally heeft ook gelijk waar hij op een aantal invloeden wijst: de opstanden van Ieren die door de Britten als monsters afgeschilderd worden, maar ten huize Wollstonecraft Godwin wel steun vinden; het luddisme, een vormeloze bende opstandelingen die de Britse bourgeoisie danig schrik aanjaagt; en ten slotte de gevechten die in die tijd plaatsgrijpen tussen de organisatoren van publieke dissecties toegepast op geëxecuteerden, een spektakel waartegen de nabestaanden zich met hand en tand verzetten, een stukje klassenstrijd dat zich na de dood voortzet.
Anders dan in de conservatieve interpretatie die Pauwels aanhaalt bekritiseert het boek Frankenstein dan niet de zoektocht naar kennis, maar de risico’s van een samenleving waarin de wetenschap persoonlijke verrijking dient en niet de gemeenschap: Frankenstein mag dan een romantisch antikapitalistisch boek genoemd worden, stelling waarmee mijn geleerde kameraad Michaël Löwy het ongetwijfeld eens is.
En nu de film. Voor zover ik dat, hier en daar kan nagaan toont die film niets van dat alles: Hoewel het titelpersonage alles in zich heeft om het verhaal een vooruitstrevende twist te geven, blijft Mary Shelley vooral een brave vertelling. Met een perfect uitgekozen garderobe en een prachtig gevoel voor detail en decor, maar ook met een overdadig oubollige stijfheid (…)’ Ik denk dat we vanavond naar iets anders gaan kijken.
Flor Vandekerckhove

(1) Jacques R. Pauwels. De Groote Klassenoorlog 1914-1918. Uitg. EPO. 669 pp.Tweede druk 2017. Eerste druk 2014.
(2) Gillen D’Arcy Wood. Frankenstein, the Baroness, and the Climate Refugees of 1816’. U kunt het essay daar op het internet lezen.
(3) David McNally. Monsters of the Market: Zombies, Vampires and Global Captalism. (2010) Het boek is gratis in PdF-formaat te downloaden: http://digamo.free.fr/mcnally11.pdf.
(4) Edward and Eleanor Marx Aveling. Shelley’s Socialism. Het staat op https://www.marxists.org/archive/eleanor-marx/1888/04/shelley-socialism.htm.



vrijdag 7 december 2018

Gratis boekjes uit onze online weggeefwinkel

De winkel van De Laatste Vuurtorenwachter is het distributiecentrum waaruit de spetterende uitgeverij De Lachende Visch al sinds 1991 haar boeken verdeelt. Meegaand met de tijd is het een online webwinkel van e-boekjes geworden. Meegaand met de pensionering van De Laatste Vuurtorenwachter is het ook in een weggeefwinkel veranderd. Dat in dit alles een flinke dosis ironie schuilt ontgaat u wellicht niet. Dat is ook het geval voor wat betreft onze eindejaarsactie van 2018, waarbij we u een boekje vol drabbles presenteren.
Flor Vandekerckhove



woensdag 5 december 2018

Plechtige communicanten van 1944 … en niet van 1934


Verleden week stoot ik in het familiearchief op een foto waarvan ik geen concrete gegevens heb. De ommezijde vermeldt jaartal noch namen. Ik bekijk die piepkleine foto met het vergrootglas en het enige wat ik herken is de achtergrond. De muur maakt deel uit van de speelplaats van de kleuterschool die ik in lang verleden dagen gefrequenteerd heb.
Als ik de foto met Photoshop groter & scherper maak, zie ik dat veel van die jongens een boek omklemmen. Ha, da’s wellicht een missaal, iets wat katholieke kinderen krijgen (en nadien nooit meer bekijken) wanneer ze hun plechtige communie doen.
Ik dacht: als die foto zich in mijn familiearchief bevindt dan is dat wellicht omdat mijn vader daarop te zien is. En als Marcel Vandekerckhove op de foto staat, dan zou dat — ik gok — onder het nummer 6 kunnen zijn.
Vervolgens probeer ik mijn tantes te benaderen om duidelijkheid te krijgen. Wat ik ook doe is enkele oudere lezers mailen met de vraag of zij iemand herkennen.
Luc Blomme reageert als eerste: ‘‘De foto is inderdaad gemaakt op de speelplaats aan die boogvormige ruitjes. Daarachter lag de gang tussen het klooster en de meisjesklas van de vierde graad, rechts op de foto. Centraal zit Victor Lozie, de eerste pastoor van de toen nog jonge parochie Bredene-Duinen, gesticht in 1937. Het was pastoor Lozie die de huidige kerk liet bouwen. Ze was bijna afgewerkt toen WO II uitbrak. Na de oorlog volgde de afwerking. Ik heb als kleuter de vloer nog weten leggen. De kerk werd ingewijd op 30 september 1947. Lozie heeft het niet meer mogen meemaken, toen was Arnold De Bouvery al pastoor.’
Vervolgens maak ik er stukje van dat ervan uitgaat dat de jongen achter het nummer 6 inderdaad mijn vader is, Marcel Vandekerckhove. Omdat hij in 1922 geboren is en omdat ik mag veronderstellen dat hij zijn plechtige communie op zijn twaalfde doet, komt dat stukje hier in de blog terecht onder de titel: ‘Plechtige communicanten van 1934’.
Daarna proberen we nog een beetje naar namen te zoeken, maar zonder concrete resultaten. Tot wanneer Roland Vanloo er zich mee moeit: Volgens mij dateert de groepsfoto van 1944 ipv 1934, want ik herken met zekerheid enkele jongens: 3 is Gilbert Borny (°1932), 5 is mijn nonkel Georges Loontiens (°1932); 6 is Camiel Vandekerckhove (°1932) en 16 is Roger Bruyneel (°1933). Misschien is 15 wel René Poppe, maar dat ben ik niet zeker, en 11 zou wel eens Georges Rosseel kunnen zijn. Als we ervan uitgaan dat de plechtigheid op twaalfjarige leeftijd doorgaat dan dateert de foto in ’t geval van Borny uit 1944 (°1932 + 12 = 1944) of in ’t geval van Roger Bruyneel uit 1945 (°1933 + 12 = 1945). Lozie werd als pastoor van de St.Theresia parochie aangesteld op 7 januari 1937 om nadien, op 24 jan 1945, pastoor in Assebroek te worden. Het meest waarschijnlijke is bijgevolg dat de foto van 1944 dateert.’
Via Robert Bertens kwam Roland Vanloo ook nog te weten dat Omer Vyncke het nummer 4 is, Robert Colpaert 5 en André Vandenbussche 8. De engel rechts is Simonne Claeys, zus van de onlangs overleden Leon.

Flor Vandekerckhove



maandag 3 december 2018

’t Kan wreed waaien op de kaaien (slot)


[Onderstaande verhalen zijn de laatste drie van een hele reeks die ik herwerkt heb. De reeks vindt zijn oorsprong in ‘vissersverhalen’ die ik in 2015-16 schreef en waarmee ik, samen met accordeonist Noël Warmoes, rondgetoerd heb, in een programma van ‘Oude zeemansliederen en nieuwe vissersverhalen’. Die vissersverhalen schenken me inmiddels geen voldoening meer. Lang heb ik gezocht naar een manier om ze te herschrijven. Die heb ik uiteindelijk gevonden in wat in ’t Engels a drabble heet, een verhaal van exact honderd woorden, niet meer, niet minder. Ik heb nu 25 van die herwerkte ‘vissersverhalen’. Wat ik vervolgens ga doen is er een e-boekje van maken dat gratis via deze blog verdeeld wordt. (Flor Vandekerckhove)]


 Walter Hij was een beetje simpel, maar misschien kwam dat wel door de pillen. Die moest hij van de dokter nemen om zijn razernij onder controle te houden. Daar kon ik me niets bij voorstellen want Walter was een dikke sul. Ooit had hij in de vismijn gewerkt, zware arbeid die hij alleen maar volgehouden had door op tijd & stond een lijntje te snuiven. Hij werd ontslagen maar bleef snuiven, ook toen daar geen geld meer voor was. Zijn moeder bracht soep, maar Walter leefde niet van soep alleen. Hij werd drugskoerier. Soep & coke, het leven werd weer draaglijk.


 Bekeerling — In 1618 werd de Nederlandse kaper Jan Janszoon door Barbarijse piraten gevangen genomen en in Algerije bekeerde hij zich tot de islam. Hij liet zich voortaan Murad Raïs noemen. Omstreeks 1623 vestigde hij zich in Salé. Kort na zijn komst verklaarden de Salestijnen zich onafhankelijk. De piratenrepubliek werd geregeerd door veertien zeerovers, met Raïs als president. Hij was gevreesd en rijk, maar werd uiteindelijk overwonnen. Hij kon evenwel ontsnappen en eindigde zijn leven als gouverneur van het fort in Oualidia, niet ver van Salé. We weten veel, maar we weten niet hoe Murad Raïs uiteindelijk aan zijn einde gekomen is.


 Vuurtorengevoel — Als kind sliep ik in een mansarde. Het laatste wat zich telkens op mijn netvlies vastlegde was het vuurtorenlicht dat een stukje van de muur bescheen. Daarna kon ik slapen. Zo’n vuurtorenlicht heeft inderdaad iets. Dat komt door wat Boudewijn Büch ‘het vuurtorengevoel’ noemt. Vuurtorens staan voor geborgenheid, voor licht in de duisternis, voor de zekerheid dat er een thuis(haven) is. Mensen worden erdoor aangetrokken. Het vuurtorenlicht toont de weg, biedt een houvast, schept een band, is baken. In tijden van vertwijfeling heb ik meermaals gedacht: zolang ik me op de vuurtoren richt, gaat mijn leven de juiste richting uit.

zaterdag 1 december 2018

Plechtige communicanten van 1934 ?

'Als deze foto zich in mijn familiearchief bevindt dan is dat wellicht omdat mijn vader daarop te zien is. En als hij op de foto staat, dan zou dat — ik gok — onder het nummer 6 kunnen zijn. 
Mijn vader is geboren in 1922. Doet hij zijn plechtige communie als hij 12 is? Dan dateert de foto van 1934. 
Heeft hij daarna nog enkele jaren op de Bredense schoolbanken doorgebracht, in de zevende en achtste studiejaren, een soort uitloopklassen voor kinderen die niet verder studeren, studiejaren met slechts enkele leerlingen? 't Zou kunnen, want wat ik over mijn vaders schooltijd weet is alleen deze anekdote. Op familiefeesten placht hij te zeggen dat hij de derde beste leerling van de klas was, de derde op… vier. Camille Versluys vernoemde hij, denk ik, als vierde. Dat laatste zeg ik onder voorbehoud. Al wat ervoor staat trouwens ook.'
Bovenstaande drie paragrafen zijn de enige die ik overhoud van een stuk dat hier eerst veel meer plaats innam. Het meeste wat in dat stuk stond hebben we moeten wissen, want inmiddels weten we met zekerheid dat de jongen onder het nummer 6 niet Marcel Vandekerckhove is, maar zijn jongere broer Camiel. Meer daarover vind je hier, en er wordt daar ook een groter beeld afgedrukt.

Flor Vandekerckhove

donderdag 29 november 2018

Eieren koken met Rick de Leeuw

— De Laatste Vuurtorenwachter en Rick de Leeuw (rechts). —   

De tijd van frikandellen, Bicki Burgers, bitterballen en Mexicano’s ligt voorgoed achter me. Slaatjes nemen de plaats van junkfood in en vitamines vervangen de verzadigde vetten. En als ik me eens goed wil laten gaan voeg ik er een hardgekookt ei aan toe.
U geeuwt en zegt: Wat een saai leven leidt die Laatste Vuurtorenwachter toch! Maar daarin vergist u zich deerlijk.
Gisteren haal ik zes eieren uit het doosje en er ontplooit zich een waar avontuur. Een van de eieren blijkt poreus te zijn. Als ik er met mijn duim over ga craqueleert de schaal. Ik ruik aan het ei, het is reukloos.
Intussen kookt het water. Voorzichtig voeg ik er de eieren aan toe, het gecraqueleerde als laatste. Vijf eieren blijven op de bodem liggen, het gehavende ei stijgt meteen naar de oppervlakte. Daardoor betrouw ik dat ei niet langer en ik beslis het weg te gooien. Terwijl het kokende water acht minuten lang zijn gang gaat, verlaat ik de keuken om het verdachte ei buiten aan de compost toe te vertrouwen.
Terugkerend van de composthoop passeer ik mijn laptop die me — ping! — meedeelt dat er een bericht binnenvalt. Luc Blomme:Ik hoorde daarnet op de radio een liedje van Peter van Laet van Mama’s Jasje: ‘De jacht is mooier dan de vangst.’ Heb ik nu een hint gegeven voor een volgend stuk proza?
Wel zeker, denk ik, maar Peter van Laet, Mama’s Jasje … Niets daarvan is me bekend. Ik googel De jacht is mooier dan de vangst en kom vreemd genoeg niet bij dat jasje terecht en evenmin bij die meneer Van Laet, maar, hier, bij een gelijknamige song van Rick de Leeuw en zijn wilde Tröckener Kecks.
Ik lees de eerste zinnen: De avond valt over de stad / Na een lange, hete dag / De wind brengt wat verkoeling / Maar er kookt iets in zijn bloed.
Die laatste zin laat me er gelukkig weer aan denken dat de eieren nog aan ’t koken zijn.

Flor Vandekerckhove

dinsdag 27 november 2018

The best of


 — In de Gentse Bar Mirwaar signeert Delphine Lecompte mijn exemplaar van haar nieuwe boek. —

Woensdag 21 november. Ik ben getuige van een unieke boekpresentatie. Uniek, want het betreft Nederlandstalige gedichten verzameld onder een Engelse titel! (°) Dat mag inderdaad du jamais vu zijn maar, zo voeg ik er meteen aan toe, toch onvoldoende om me uit mijn zetel weg te halen. 
Dat ik hier nu toch ben komt doordat de dichteres me destijds een gelukkig moment bezorgd heeft. Ik spreek dan over de voltooid verleden tijd waarin ik als uitgever van Het Visserijblad door het leven ga. Via de onvolprezen Peter Holvoet-Hanssen schenkt Lecompte ons twee gedichten die nauw bij de bekommernissen van dat armlastige blad aansluiten. (°°)
Over die bekommernissen ga ‘k niet meer uitweiden, want gedane zaken nemen geen keer, maar ze werden toen wel met verve ter hand genomen door merkwaardige figuren als Jo Clauwaert — In Peters universum de flitsmatroos —, door de geridderde Noordzeevisser Marnix Verleene — Peter zei geriederde — en die keer dus ook door Delphine Lecompte.
Het ene gedicht heet Een scheep in een fles en het andere De onderwaterlasser stort zijn hart uit. Die onderwaterlasser wil ik al lang eens vragen of hij nog contact heeft met de spookmatroos uit dat gedicht, die de last torst eeuwig jong te blijven, een verschrikkelijke gedachte, vind ik.
Daarom monster ik die avond met aandacht het talrijk opgekomen publiek. Ik ontwaar lankmoedige dichters die de lof van Delphine zingen, ik zie hoe een sponzenverkoper Mauro Pawlowski te woord staat en ik vang een glimp op van de oude kruisboogschutter. Ook hoor ik hoe Delphines veel belaagde moeder de liefdesbetuiging van haar dochter kordaat afbreekt: Stop maar, dat volstaat wel!
De onderwaterlasser valt helaas nergens te bekennen, maar terwijl ik me na afloop een weg door het heerlijk autoluwe Gent baan, gebeurt wel dit:
Tijdens de schemering verschijnt de spookmatroos  
Ik wenk hem
Hij gebaart met zijn overgebleven vingerkoten
Dat hij andere katjes te geselen heeft
En verdwijnt dan gezwind in zijn eeuwig glanzende muiterijklamotten.
Wat valt er na zo'n verdwijning in muiterijklamotten eigenlijk nog te zeggen? Ongetwijfeld dit: je moet The Best Of Delphine Lecompte lezen, want Delphine Lecompte is the best there is!
Flor Vandekerckhove

(°) Delphine Lecompte. The Best Of Delphine Lecompte. 2018. Uitg. De bezige bij. 126 pp. 19,99 €. 
(°°) Gepubliceerd in Uit de bibliotheek van Neptunus, een rubriek van Peter Holvoet-Hanssen. In Het Visserijblad van 7 juni 2013, p. 14. — Het fragment onderaan komt uit Delphines gedicht ‘Een scheep in een fles’.

zondag 25 november 2018

Van het ene rusthuis naar het andere


Op de foto, in wijzerzin, startend bovenaan links, alles onder voorbehoud: 
Alice Vandekerckhove, Hélène Devriendt, Josée Boncket, het kindje is 
Jenny Vandekerckhove, het vijfde personage is Elsa Devriendt.
 Ik zoek nog een jaartal.
Van mijn almaar toenemende lichamelijk verval heb ik u eerder al op de hoogte gebracht. Daar hebt u, schuddebuikend van het lachen, vernomen hoe mijn joggingschoenen nu in ‘t kot kobbenetten staan te vergaren.
In plaats daarvan ga ik wandelen, zoals het oude mensen betaamt. Ik heb verschillende parcours: naar de bib in Oostende via de overzet (6,5 kilometer); terugkeren via ’t bosje: 7,2 km.; naar ’t hotel van mijn vriendin in De Haan: 5,3; tot Zwarte Kiezel (8,560), molen Hubert (10,910), tramstation Blankenberge: 17 km.
Bij voorkeur wandel ik met een doel, bijvoorbeeld: rust- en verzorgingstehuis Jacky Maes. Daarvoor maak ik een lange omweg. Op ‘t einde van die tocht bezoek ik mensen die nog ouder zijn dan ik; mijn wekelijkse goede daad. Op die omweg passeer ik telkens Westerhauwe, een ander rusthuis, want mijn gemeente heeft er verschillende. (Bredene: zijn duinen, zijn naaktstrand, zijn rusthuizen.) Daar resideert tante Alice. 
In dat Westerhauwe heb ik tante Alice nooit bezocht, eerst omdat zij tal van kinderen heeft die dat al doen, later omdat men zegt dat ze me toch niet meer zal herkennen, en in beide gevallen omdat ik niet zo’n familiemens ben. Maar nu ik daar regelmatig passeer begint er iets te knagen, in toenemende mate nog wel. ’t Gelijkt op op een hongertje, in combine met een beetje stress, gelardeerd met een vleugje lichte kater. Nooit eerder meegemaakt, toch niet tijdens ‘t wandelen. Opeens valt mijn frank: Godver, zeg ik, ’t zal mijn geweten zijn! 
Overmand door wroeging heb ik nu ook tante Alice in mijn wandeldoelen opgenomen. Ik moet nog uitrekenen hoeveel kilometer dat over en weer bedraagt.
En kijk, een halve dag later kan ik u dit al meedelen. Het is met schroom dat ik haar kamer betreed, want ik zie mijn familie eigenlijk alleenlijk nog op begrafenissen (als men niet vergeet me uit te nodigen, want ook dat gebeurt). En in tegenstelling tot wat je uit al het voorgaande zou vermoeden, hebben we daar een goed gesprek gehad, tante Alice en ik. Over vroeger uiteraard. Over pension ’t West; over Jenny C. in dat andere rusthuis; over nonkel Miel en tant’ Uche; over Fernand B. die ik van zijn zoon niet meer mag bezoeken; over Georgette Vandekerckhove waarvan Alice nog weet dat die als kind in Oudenburg woonde; over moeder Zoë en hoe streng die was, iets wat we ons beiden goed herinneren. Over hoe Alice als kind op ’t strand een ezel begeleidt die met toeristenkindjes rondrijdt en hoe dat naadloos overgaat op de strandcabines die zij daar vele tientallen jaren later verhuurt. Tante Alice mag dan veel vergeten zijn, maar dat laatste wist ze nog goed. Wel was het al uit mijn eigen geheugen ontsnapt.

Flor Vandekerckhove

donderdag 22 november 2018

Knausgård ontmoet Anna Karenina in het schildersatelier


'Ik zat in mijn atelier naar een schilderij 
te kijken en rookte een sigaret, toen ineens, 
misschien door de rook, 
de afbeelding begon te bewegen. 
En vanuit het schilderij hoorde ik 
een wind blazen.' (David Lynch)

Elke bouwvakker weet het: de onderbouw bepaalt de bovenbouw. Dat is zo evident dat je ’t mag veralgemenen: de economie (onderbouw) bepaalt het geestelijk leven (bovenbouw); wat je doet (onder) bepaalt wat je denkt (boven); persvrijheid (boven) is het voorrecht van degenen die een pers (onder) hebben.
Kunst & literatuur steunen evengoed op zo’n onderbouw en ze worden er dan ook door bepaald. Maar ook dit is waar: kunst voortbrengen is nog iets anders dan een gebouw neerzetten. Terwijl de schrijver als ‘t ware zijn huis aan ’t metselen is gebeurt er iets wat in de bouw paniek zou veroorzaken: ‘De personages maken zich los van hun schepper, voeren hun eigen leven, tot de uiterste consequenties van hun aangeboren aard en de dialectiek van hun levensontwikkeling, van hun wereldbeschouwelijke strijd, verloopt in een heel andere richting dan de publicist zich ten doel stelde. De dichterlijke juiste vraagstelling wint het van de politieke bedoeling, van de sociale reactie van de schrijver.’ (°) Het citaat komt van een criticus die het over de personages van Dostojevski heeft.
Nu moet je je voorstellen dat een bouwvakker iets soortgelijks meemaakt en dat de stenen opeens een eigen leven gaan leiden. Paniek! — want het gebouw dreigt daardoor heel anders te worden dan wat er op ‘t plan staat. Wat in de bouw absoluut vermeden wordt is juist datgene waar kunst naar streeft.
In een boek (°°), waarin  Karl Ove Knausgard het oeuvre van Edvard Munch ontleedt, gaat hij in op wat die criticus de dichterlijke juiste vraagstelling noemt. [E]r moet altijd een sluier van ideeën opzij worden geschoven  (…) om de wereld te kunnen zien zoals hij werkelijk is. En om dat te doen moet je in het bezit zijn van een andere taal dan de hedendaagse, aangezien de hedendaagse taal deel uitmaakt van wat bedekt of beschaduwt. Om die reden is originaliteit een van de eigenschappen die het hoogst worden gewaardeerd in de kunst. (…).’ En verder: De drijfkracht van alle kunst is een vorm van expressie te vinden die waar is (…) waarheid is iets wat je intuïtief aanvoelt, en het is ook in die intuïtie dat het artistieke zich voltrekt.’ Om zover te komen moet de kunstenaar ‘schrapen, schilderen, schrapen, schilderen, weggooien, opnieuw beginnen, zoeken, aftasten, schilderen, schrapen, tot het werk ‘antwoordt’ (…) Misschien gebeurt dat nooit, misschien gebeurt dat na tien jaar, misschien gebeurt dat na tien dagen.'
Beter kan het verschil met een bouwwerf niet uitgelegd worden, vind ik. Een metselaar die metselt, schraapt, weer metselt, weggooit, opnieuw begint, weer schraapt en wacht tot het gebouw antwoordt, zou het op de werf niet lang uitzingen.
Dat creatieve, intuïtieve proces werd eerder ook al door de trotskist Alexandr Voronski beschreven, die in de Sovjet-Unie van de jaren twintig in debat moest gaan met hardliners die van mening waren dat creatie, intuïtie en inspiratie ‘bourgeoisbegrippen’ waren. Voronski: ‘Intuïtieve waarheden zijn authentiek en onbetwistbaar; ze vereisen geen logische verificatie en kunnen vaak niet met logische middelen worden geverifieerd, juist omdat ze (…) zich onmiddellijk en onverwachts onthullen in ons bewustzijn (…) '  (°°°)
Hoe je daar als kunstenaar toe komt verwoordt Knausgård met ‘schrapen, schilderen, schrapen, schilderen, weggooien, opnieuw beginnen, zoeken, aftasten, schilderen, schrapen, tot het werk ‘antwoordt’ (…)’ Dat spoort wonderwel met het voorbeeld dat Voronski geeft. Dat haalt hij uit Anna Karenina van Leo Tolstoj. De heldin ontmoet een schilder op het ogenblik dat het met een tekening maar niet wil lukken. Hij heeft het blad al aan zijn kinderen gegeven en als hij het terug in handen krijgt is het vervuild met kaarsvet: ”Dat is het, dat is het!" mompelde hij, greep een potlood en begon snel te tekenen. Een der kaarsvetvlekken gaf een nieuw aspect aan zijn schets. Terwijl hij zo tekende (…)  was de schets geen vaag, dood ding meer, maar werd zij levendig en bezield. (…)’
Flor Vandekerckhove

(°) Geciteerd in Karel van het Reve. Sovjet-annexatie der klassieken. Bijdrage tot de geschiedenis der marxistische cultuurbeschouwing. (1954). Opgenomen in Verzameld werk, deel 1. A’dam. Uitgeverij G.A. van Oorschot. 2008. 
(°°) Karl Ove Knausgård. Zoveel verlangen op zo’n klein oppervlak. Een boek over de schilderijen van Edvard Munch. Vertaling: Sofie Maertens en Michiel Vanhee. A’dam 2018. Athenaeum — Polak & Van Gennep. 254 p.  
(°°°) Aleksandr K. Voronsky, Art as the Cognition of Life: Selected Writings, 1911–1936, trans. and ed. Frederick S. Choate (Mehring Books, 1998), 190 ps. Er bestaat een website met teksten van Voronski: http://sovlit.org/akv/index.html. Voronski over kunst’ staat ook op https://www.marxists.org/archive/voronsky/1920/art.htm.