vrijdag 25 september 2026

’Schrijven is een eenzame bezigheid.’ — Wat het is om schrijver te zijn (2)

De Laatste Vuurtorenwachter bevindt zich op zijn zolderkamer. Achter het dakvenster ziet hij Lange Nelle onder een nooit eerder geziene hoek. Is ’t daardoor dat Annie Dillard zo parmantig bij hem komt binnenwandelen?

'In zijn kamertje peinst de schrijver diep 
over zaken die tot dan toe bij niemand zijn opgekomen. 
Hij merkt dat hij geheel nieuwe technieken 
ten dienste van zijn ambacht uitvindt.’ 
(Annie Dillard)

IN EEN HUIS, waar niemand is, arriveert een telegram. Binnen verstijven de dingen in hun vlucht. Een valies beseft dat het ter bestemming aangekomen is. We bevinden ons in een gedicht van James Tate.
Volgen drie strofen die alle op stilstand, verstening en onbeweeglijkheid wijzen: reis wordt uitgesteld, voetbrug kleeft aan de voeten, een verlaten station. Woorden die vallen zijn '
verstijven', 'bevriezen', 'versmelten', 'haperen'… Wat niet belet dat er omwille van de huiselijkheid een kitten van doen is. En zo geschiedt: een katje dringt het huis binnen en verstilt op zijn beurt met het interieur… Waarna het slotvers volgt dat Google voor me vertaalt: 
Een kind met zijn verjaardagstelescoop
heeft dit alles waargenomen. Het vertelt het aan niemand,
het gaat niemand iets aan. Maar niets wordt vergeten.
Slechts gekleed in vloeiende tussenstukken is hij onaantastbaar,
met kleine pasjes lopend naar de inwijding van het huis
dat ongetwijfeld ’t zijne is.
Het gedicht, ‘Nobody’s Business’, van James Tate, kan je hier in zijn geheel lezen, zelfs beluisteren. (°) En dit is wat Tate er zelf over zegt: ’Schrijven is een eenzame bezigheid. De schrijver die een fictie creëert, vangt flitsen op van het zelf dat die fictie schept, hij komt tot zelfbewustzijn. Wat hij schrijft mag vol leven zijn, maar wat hij over zichzelf te zien krijgt is melancholisch. In “Nobody’s Business” is het ogenschijnlijk lege huis gevuld met objecten die door de tijd zweven. Je weet niet wie de waarnemer is, maar aan het einde zien we hem als een klein kind met een verjaardagstelescoop, dat zijn toekomstig lot erkent: alleen zijn. (…) Hij beseft dat hij niet binnen de gangbare maatschappelijke orde zal leven wanneer hij door het leven vaart. Wat hij ziet suggereert (…) de erkenning van een toekomst die van de kunstenaar een buitenstaander maakt.’ (°°)
Terwijl ik dit aan ’t schrijven ben, komt de op 15 september overleden Annie Dillard in mijn deurgat staan. In ‘Een schrijversleven’ zegt zij ’t zelfde, maar in proza: ‘Het hoeft niemand te verbazen dat het leven van de schrijver – voor zover je daarvan kunt spreken – zo kleurloos is dat het in de buurt komt van zintuigelijke deprivatie. Veel schrijvers doen weinig anders dan in kleine kamertjes de echte wereld oproepen. Dat verklaart waarom zoveel boeken de jeugd van de auteur beschrijven. De jeugdjaren van de auteur zouden wel eens zijn enige authentieke ervaringen kunnen zijn. Schrijvers lezen biografieën en omringen zich met andere schrijvers, om zichzelf willens en wetens het bespottelijke idee aan te praten dat men zijn tijd in het ondermaanse redelijk besteedt door zijn leven te slijten in een kamertje met vellen papier als enige gezelschap. In zijn kametje peinst de schrijver diep over zaken die tot dan toe bij niemand zijn opgekomen. Hij merkt dat hij geheel nieuwe technieken ten dienste van zijn ambacht uitvindt.’ (°°°)
Flor Vandekerckhove⇲

[Dit is het tweede deel van een serie over Wat het is om schrijver te zijn. Morgen volgt het derde deel.  Het eerste werd gisteren gepost. Klik het aan, lees over De leerjongen van Ernest Hemingway.]

(°) James Tates gedicht Nobody’s Business staat in de bundel Constant Defender (1983), maar moet al vroeger bekend zijn, gesteld dat de info betreffend het jaar van het interview waaruit ik citeer correct is. 
(°°) Interview (1982) met Richard Jackson in James Tate. The Route as Briefed. 167 p. In de reeks Poets on Poetry. Ann Arbour. The University of Michigan Press. 1999.
(°°°) Annie Dillard. Een schrijversleven: Essays. Vertaling Henny Corver. 2022. Atlas Contact. 120 p.

donderdag 24 september 2026

De leerjongen van Ernest Hemingway – Wat het is om schrijver te zijn (1)

Links: Hemingway en Samuelson (rechts) vissend in Key West. Rechts: Hemingway pronkt met een geviste blauwe marlijn, terwijl Samuelson (helemaal links) hem bewondert.

IN 1934 TROK de 22-jarige Arnold Samuelson op pad om Ernest Hemingway te ontmoeten. Hij liftte als zwerver op een kolenwagon mee naar Key West. Vervolgens bleef hij bijna een jaar bij Hemingway en werd er diens protegé. Samuelson noteerde ’t allemaal in een manuscript dat pas na zijn dood weergevonden werd en uitgegeven. (°)
Hemingway gaf hem een indrukwekkende leeslijst en massa’s goede raad. Ik beperk me tot eentje: ‘Concurreer nooit met levende schrijvers. Je weet niet of ze goed zijn of niet. Concurreer met de overleden schrijvers waarvan je weet dat ze goed zijn. Als je hen dan kunt overtreffen, weet je dat je goed bezig bent. Je zou al het goede werk moeten hebben gelezen, zodat je weet wat er al is gedaan, want als je een verhaal hebt dat lijkt op een verhaal dat iemand anders heeft geschreven, is het jouwe niet goed, tenzij je een beter verhaal kunt schrijven. In elke kunstvorm mag je alles stelen als je het maar kunt verbeteren, maar de neiging moet altijd omhoog gaan in plaats van omlaag. En imiteer nooit iemand. Stijl is niets meer dan de onhandigheid waarmee een schrijver een feit verwoordt. Als je een eigen stijl hebt, heb je geluk, maar als je probeert te schrijven zoals iemand anders, zul je de onhandigheid van die andere schrijver hebben, evenals die van jezelf.’ (°°)
Flor Vandekerckhove⇲

(°) Arnold Samuelson. With Hemingway: A Year in Key West and Cuba. 1984. Uitg. Random House Inc. 183 p. (°°) Google vertaalde het citaat.

woensdag 23 september 2026

Over Irving en Louis Stettner, een tweeling

Irving (vooraan) en Louis, de Stettner-tweeling tijdens een imaginaire ontmoeting in Le Châtelet Oostende.

WAAROM DOE IK het? Waarom concentreert mijn schrijven zich op een obscure Amerikaanse auteur als Guillermo O’Joyce (°1941)? Hij staat niet eens in de Wikipedia, zo obscuur is hij. In zijn essays (°) blijft mijn nieuwe ooglens deze keer ook nog haken aan ene Irving Stettner (°1922 - 2004†), weer zo’n obscuur geval. Ook daar wil ik per se over schrijven. Waarom eigenlijk?
Moeizaam viste ik uit wat die Irving bij leven & welzijn schreef, dichtte en schilderde. Verrassend was het tijdschriftje dat hij uitgaf. Dat onderzoek bracht ons naar een plek ‘waar de gaspitten verstopt zitten met overgelopen erwtensoep.’
Onderweg stootte ik op nog een Stettner: Louis de fotograaf, in 2016 gestorven en… op dezelfde dag geboren als Irving. Een tweelingbroer! Fotograaf Louis Stettner is bekend. Waar Wikipedia ’t bestaan van Irving negeert, daar toont ’t internet overdadig veel foto’s van Louis. Zijn werk wordt nu beheerd door een ‘estate’, zie ik, ohlala.
Weet je wat? Ik haal de tweeling naar Oostende, de armoelijder en de welvarende. Ik lok die twee naar Le Châtelet, waar ik hen in een imaginaire ontmoeting aan de toog zet. Met AI is dat allemaal mogelijk. Mocht je je evenwel afvragen waaróm ik dat doe, hen daar plaatsen, weet dat het antwoord is: omdat ik kan. Is dat trouwens ook niet het antwoord op de openingsvraag van dit mini-essay? Waarom doe ik het? Antwoord: omdat ik kan. In Een schrijversleven (°°) zegt Annie Dillard het zo: ‘De schrijver bestudeert literatuur, niet de wereld. (…) Hij zoekt de randen op. Daar zindert het. (…).’ Tot eenzelfde antwoord komt de schilder die zichzelf bevraagt – waarom schilder ik zo'n banaal voorwerp als pakweg een koffiekan? 'Hij zoekt de randen op. Daar zindert het. (…).’
(°) ‘kiss me, I’m still alive: on irving stettner’ in O’Joyce, Guillermo. 'Miller, Bukowski and Their Enemies: Essays on Contemporary Culture.' 160 p. Pinter & Martin, 2011.
(°°) Annie Dillard. 'Een schrijversleven.' 2022. Uitg. Atlas Contact. 120 p.

dinsdag 22 september 2026

Schilderkunst, WC-papier en karnemelkpap

Drie schilderijen van Gustave Van de Woestyne. Van links naar rechts: De blinde papeter (1928); De papeter (met rode trui, 1911); Een tweede papeter uit 1911. 

OP ’T WC lees ik een brief van Delphine Lecompte aan schilder Gustave van de Woestyne. Ze vertelt hem over een postkaart die ze lang geleden toegestuurd kreeg, ‘Op de kunstkaart stond een verarmde en vereenzaamde imbeciele boer met een kom pap en een lepel pap afgebeeld.’ Waarna Delphine Gustaves schilderij uitputtend beschrijft. (°)
Dan zie ik dat de rol WC-papier opgebruikt is. Terwijl ik een nieuwe aanbreng, herinner ik me dat Arjette mij ooit geleerd heeft hoe je dat moet doen, papier op de rolhouder aanbrengen. Dat was toen nieuw in mijn familie. Mijn peepee is altijd Het Volk blijven gebruiken, dat hij in stukken scheurde en aan de haak hing. Doordat ik Arjettes lering vergeten ben, twijfel ik. Rol je ’t papier op de rolhouder naar voor af of langs achter? 
Doordat Delphine het schilderij uitvoerig beschrijft, kan ik de beeltenis googelen. Zodoende kom ik te weten dat het werk De blinde papeter (1928) heet. Pap-eter hé, niet pa-peter. 
Ook ik ben lang papeter geweest. Ik ging flessen karnemelkpap halen bij Devooght op ’t Sas. Ik voegde er altijd ietwat suiker aan toe (stevia bestond nog niet) en een toefje nootmuskaat. Die culinaire gewoonte heb ik opgegeven toen Devooght zijn winkel sloot. Nu is daar een Spar.
’t Is goed dat Delphine de zee op de achtergrond van De blinde papeter opmerkt: ‘Die zee onthutste me, waarom was die daar. Dit was toch het platteland waar de zee niet kwam?’ Misschien is die zee symbolisch, ik zeg maar iets.
De brief gaat verder op de manier die we van Delphine gewoon zijn. Tot ze een tweede papeter van Gustave ontdekt, weer een boer met pap: ‘maar frontaal deze keer, met een stuk droog brood bij zijn kin en een heidens ei naast de kom pap.’ De beschrijving stopt met: ‘Hij had een scheve neus en hij droeg een rood hemd, maar dat rode hemd, daar zou ik pas later achter komen.’ Ik lees de brief tot ’t einde, maar kom niet te weten wanneer en hoe Delphine achter dat rode hemd komt.
Hoe plaats je op correcte wijze een WC-rol op de houder? Even overweeg ik om ’t aan ChatGPT te vragen, maar dan denk ik aan al de elektriciteit die zo’n antwoord vergt en aan de massa’s water waarmee die servers daar gekoeld worden.
Flor Vandekerckhove⇲

(°) Delphine Lecompte. Beschermvrouwe van de verschoppelingen III. 2022. De bezige Bij, A'dam. 442 p.

maandag 21 september 2026

Op stap met de Vrouwengilde

Zeventig jaar geleden in zwart-wit, nu in kleur.


OP DE ACHTERKANT staat 15 mei 1957. Het is woensdag en 't is lekker warm voor de tijd van het jaar, dat laatste zie je aan de persoon die op de foto d’r overjas onder de arm neemt. Alzo waren de tijden: hond Lajka reist in november als eerste levend wezen in de ruimte; op dat moment roken Marc en ik onze eerste sigaret, althans in gedachten; de Europese Economische Gemeenschap (EEG) wordt in maart opgericht; een speelgoedbedrijf ontwerpt de eerste frisbee; de nieuwe mode ziet er zo uit. Voor de rest gebeurt ook dit: de Vrouwengilde van Bredene-Duinen gaat op reis naar de Watervallen van Coo. 
Op de foto, die ik vandaag laat inkleuren, staan Gerarda Casier (tweede van links), Leonie Depomper (derde van links, echtgenote Louis), in de deuropening Maria Maes (moeder van Jeannot en Albert Van Hille), centraal vooraan in mantelpak, de schoonzusters Alice Vandekerckhove en Henriette De Clercq (mijn moeder). Achter mijn moeder, waarschijnlijk Rachelle van de viswinkel. Derde van rechts: Blanche Vanloo, tweede van rechts en nauwelijks te zien: Alice Rosseel, echtgenote van George Cornelis, en helemaal rechts: Zoë Van Lyssebettens, mijn grootmoeder. (°) Je ziet dat we nog enkele namen zoeken.
Flor Vandekerckhove⇲

(°) Met dank aan Jeannot Van Hille voor het doorsturen van de namen.

In voettochten van 20 tot 30 kilometer wandelde Tania in 2020-21 omzeggens heel Vlaanderen af. Ik zette haar af waar ze vertrok en haalde haar op waar ze aankwam. Intussen zocht ik plekjes waar ik (over) kon schrijven. Dat leverde telkens een verhaal op, een impressie, een observatie, een vignet, een enkele keer ook een gedicht. 26 van die stukjes werden in 2021 verzameld in een boekje met als ondertitel ‘Een queeste naar Vlaamse identiteit’. Jan Loones leverde het voorwoord. Ook dit e-boekje (70 pagina's, veel foto's) van uitgeverij De Lachende Visch is gratis voor wie erom vraagt. Vragen doe je via liefkemores@telenet.be. (Vermeld ‘Langs Vlaamse wegen’. Alleen beschikbaar in pdf.)


zondag 20 september 2026

Meneer Delanghe en De Raider, jongens op leeftijd

In 1993, toen ik nog vrij van rimpels was, schreef en tekende ik Het Geheim van Geewee, een stripverhaal. 

MET DIE TWEE heb ik destijds schoolbanken en kerkstoelen gedeeld. Daarna ben ik weggegaan: ‘There is only one good thing about small town / You know that you want to get out.’ Zij zijn gebleven. Toen ik in 1988, na twaalf stielen en dertien ongelukken, terugkwam, zocht ik hen weer op. In mijn stripverhaal uit 1993 – Het Geheim van Geewee — heetten ze nog De Directeur en Meester Knaken, maar nu noem ik hen De Raider en Meneer Delanghe, da’s beter vind ik.
Die twee zijn voor mij niet onbelangrijk geweest. De Raider hielp me in 1988 Het Visserijblad weer op te starten, Meneer Delanghe liet me in dat jaar Yvon Kermarrec kennen, met wie ik Vivaldi maakte. Beiden zijn daardoor mee bepalend geweest voor mijn ontluikend schrijverschap. Ik mag hen bijgevolg wel dankbaar zijn, die twee, maar dat ben ik niet. Dat komt doordat ik geen talent voor vriendschap heb. Ik zie hen zelfs nooit meer en dat komt door een vervaarlijk woekerend gebrek aan sociabiliteit waar ik in toenemende mate mee te kampen heb. Wel volg ik vanop afstand hun strapatsen. 
Beiden verrasten me niet weinig toen ze, de zeventig al voorbij, een splinternieuwe onderneming opstartten. Voor De Raider was dat in de horeca, Meneer Delanghe deed het in de kunsten. Als zeventigplussers ja. Ge voelt aan uw water dat hier iets niet klopt. Doordat ze na schoolbanken & kerkstoelen hier gebleven zijn, denken ze verkeerdelijk dat Oostende een kleine metropool is, waar hun project kans op slagen heeft. Dat is uiteraard een denkfout: Oostende is geen kleine metropool, 't is zelfs geen stad, ’t is een halve stad, dat weet iedereen, de andere helft is water. Slagen hoort niet bij Oostende. Iedereen zegt het, kijk maar naar Facebook. 
Voor zover ik dat kan zien is Meneer Delanghe er in de kunsten trouwens alweer mee opgehouden. De Raider daarentegen doet in zijn boite naarstig voort. Dat komt, zei Wolf me onlangs, doordat hij daar een jongensdroom mee realiseert. In de tijd van schoolbanken & kerkstoelen droomde hij al van het uitbaten van een klein pensionnetje, ergens, soortement Villla des Roses. Zo valt het uiteindelijk toch nog te begrijpen, vind ik.
Flor Vandekerckhove⇲

Nadat het leven me van stad naar stad had gebracht, van werk naar werk en van vrouw naar vrouw, streek ik in Bredene neer, waar ik ook mijn jeugd had doorgebracht. Daar startte ik een schrijfproject dat onderzocht hoe het anderen vergaan was. Ik delfde sporen van schoolmakkers op, jongens waarmee ik tijdens m’n tienerjaren de schoolbanken in een Oostends college deelde. 
Had het iets te betekenen, het leven van die babyboomers in de sixties? Ik schreef er een boekje over, Tienerklanken, zo genoemd naar een TV-programma dat in die tijd voor ons gemaakt werd. 
Tienerklanken is een e-boek (117 pagina’s in pdf of epub naar keuze), uitgegeven door De Lachende Visch en gratis verspreid door De Weggeefwinkel. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be en het boekje valt vandaag nog in je mailbox. GRATIS! (Vermeld: ‘Tienerklanken’ en zeg epub of pdf.)

zaterdag 19 september 2026

Déjà vu met nieuwe ooglens

's Avonds, na de oogoperatie, vraag ik me af of mijn maatschappijvisie erdoor veranderen zal.

‘Het valt te verwachten dat je woorden of namen vergeet, 
en dat gebeurt ook. 
Misschien kijk je daarbij naar het plafond. 
Mensen vinden dat niet prettig. 
Ze zeggen dan bijvoorbeeld: 
"Toe nou, je luistert niet." 
Terwijl je eigenlijk juist probeert hun namen te herinneren.’ 
(Grace Paley over 'ouder worden'.)

ZE VRAAGT ME onzeker of ik het ben: ‘Jij bent toch Flor hé?’ Ik knik en delf diep in de krochten van mijn geheugen. We kennen elkaar, da’s zeker, maar wie is ze? Ik kijk naar ’t plafond. De blik op mijn verleden lijdt evenzeer aan cataract als de ooglens die ik gisteren in deze kliniek liet vervangen. Ze lijkt op Mieke, maar die woont te ver om in Oostende nieuwe ogen af te halen. Ze ziet mijn verwarring en zegt dat ze Frieda is. Ik zwijg. Is Frieda dan niet overleden? Zoals dat ook na een oogoperatie gaat, zo reconstrueert het zicht op mijn verleden zich hier nu traag maar gestaag. Frieda is niet overleden, uiteraard niet, ze zit naast me. Zo komt er stilaan voldoende zichtbaarheid om een gesprek aan te kunnen. De laatste keer dat ik het met Frieda deed – een gesprek aangaan – was dertig jaar geleden. Ik zat toen aan ’t venster van een restaurant en in ’t passeren zag ze me zitten. Ze kwam binnen. Ik vroeg: ‘Hoe gaat het met de echtgenoot.’ Ze antwoordde: ‘Hij is een groep toeristen aan ’t gidsen.’ Om het gesprek op gang te trekken, vraag ik haar nu hetzelfde: ‘Hoe gaat het met de echtgenoot.’ Ze antwoordt: ‘Hij is een groep toeristen aan ’t gidsen.’ Mijn eerste déjà vu met de nieuwe ooglens!
Flor Vandekerckhove⇲

De tekstkroes is als een beker waarin ik al mijn creativiteit gooi. Daar mengt mijn imaginatie zich met die van u, lezer, hopend dat er zodoende goud van komt. De tekstkroes is een e-boek, 337 pagina’s, in 2026 uitgegeven door De Lachende Visch. De distributie gebeurt via De Weggeefwinkel. Het e-boek is gratis voor wie erom vraagt. Vermeld ‘Tekstkroes’ en zeg of u pdf dan wel epub verkiest. Doe het via liefkemores@telenet.be en het boek valt vandaag nog in uw e-box.


vrijdag 18 september 2026

Zo begon het voor Grace Paley – Oud worden voor beginners (8)

Omdat de ervaring me leert dat ik meer volk naar de blog lok als ik er Oostende bij betrek, open ik met een thuisfoto van Oostendenaar James Ensor (°1860 - 1949†). Hij verkeert in een imaginaire ontmoeting met de Amerikaanse Grace Paley (°1922 - 2007†), de schrijfster waarom het mij te doen is. Ja, ’t is een truc, een eyecatcher. ’t Is ook meer. Het lokt vragen uit: heeft Paley ooit van Ensor gehoord? Heeft zij ooit een schilderij van die man kunnen zien? Paley werd in 1922 geboren in de Bronx en woonde het grootste deel van haar leven in New York of omgeving. De Oostendenaar was daar niet onbekend. In 1951 toonde het Museum of Modern Art werk van Ensor. In 1980–1981 was daar zijn beroemde Intrede van Christus in Brussel te zien. Paley was toen 58. Dat Ensor in New York tentoongesteld werd, zegt uiteraard nog niet dat Grace Paley die tentoonstellingen bezocht. Dat ik de twee samenbreng is puur vrucht van mijn verbeelding (en werk van ChatGPT, maar mijn verbeelding was eerst.)

GRACE PALEY (°1922 - 2007†) IS een van de auteurs die mij heeft leren schrijven. Een eerste keer loofde ik haar erom in 2015 en in 2017 kwam ik er nog eens op terug: Leren schrijven met Grace Paley (II). Nu lees ik haar Just As I Thought, een selectie artikels, verslagen en toespraken waarin ze terugblikt op haar gezinsleven, maatschappelijke engagement en schrijfpraktijk. 
In ‘Upstaging Time’ (upstaging, zegt Google Translation, is ‘aandacht naar zich toetrekken’), een stukje uit 1989, heeft ze ’t over oud worden, onderwerp van deze reeks. Het korte stukje is overigens op zichzelf al een masterclass in leren schrijven. Ze is zevenenzestig en schrijft: ‘Een paar jaar geleden riep een jongetje, terwijl hij een bal naar een nog kleiner jongetje vlak bij mij gooide: ‘Hé, sukkel, zeg tegen die oude vrouw dat ze moet oppassen”.’
‘Wat? Welke vrouw? Oud? Ik ben niet ijdel of wereldvreemd. De afgelopen twintig jaar heeft mijn spiegel – terecht – een vrouw laten zien die ouder wordt, niet een vrouw die oud is. Dus maakte ik een paar van die gedachtesprongen die ik gewend ben te maken en begon ik te schrijven aan wat waarschijnlijk een verhaal zou worden. De eerste zin luidt: "Dat jaar waren alle jongens in mijn straat zevenenzestig”.’
‘Daarna had ik het druk en ik verlegde mijn aandacht – die toch al naar een nogal ongepolijst soort optimisme neigt – naar iets anders. Ook belde mijn zus me op en ze zei af en toe: "Kun je het geloven? Ik ben bijna achtenzeventig. En Vic loopt tegen de tachtig. Kun je het geloven?" Nee, ik kon het niet geloven, en dat gold ook voor iedereen die met hen sprak of hen zag. Ze zijn altijd zo'n vijftien jaar ouder dan ik geweest, en dat zijn ze nog steeds. Met zo'n zus en broer die me voorgaan, lijkt het onkies om oud te worden. Mijn veroudering (het ouder worden van de jongste) moet op hen vast vreselijk opdringerig overkomen.’ (…) ‘Ik pakte mijn werk weer op en kon de volgende zin schrijven van wat misschien ooit nog een verhaal zou worden: "Twee jaar later waren twee van de jongens overleden” (…).’
Flor Vandekerckhove⇲

Dit is de achtste aflevering in een reeks ‘Oud worden voor beginners'. Wie vorige stukjes wil lezen, start hier en gaat vandaar, post na post, terug tot het allereerste.]
Grace Paley. Just As I thought. 1998. Farrar, Straus & Giroux. 332 p. Google vertaalde voor mij de citaten.

donderdag 17 september 2026

Avonturen in een Frans postkantoor

Rechts: Charlotte Moorman, terwijl ze in 1965, in New York, ’26’1.1499 for a String Player’ van John Cage uitvoert.

OP WOENSDAG 8 juli had u me in Frankrijk kunnen aantreffen, in het postkantoor van de fusiegemeente Thury-Harcourt-le-HOM. (°) Daar ging ik de Franse postrekening liquideren die ik eertijds aanwendde om belastingen, taksen, toelagen & toeslagen, bijdragen, achterstallen, verzekeringen, afdrachten, rekeningen, supplementen, contributies, voorafnames, tegemoetkomingen en openbare dienstverleningen te betalen die aan mijn buitenhuisje in Frankrijk vasthingen. Dat huisje had ik intussen verkocht, de postrekening was overbodig geworden. 
De postbediende deed moeilijk, maar ik zei dat ik haar niet verstond, wat waar was. Met een zucht, zoals alleen Franse postbedienden die slaken, zwierde ze mijn door Google vertaalde brief in een juten zak, bestemd voor het hoofdkwartier der Franse posterijen. In Bordeaux, denk ik. Ik moest geen tember plakken. 
Heel de tijd had ik staan denken aan wie ze me liet denken en toen ze onze woordenstrijd had opgegeven, wist ik het wel zeker. Ze leek als twee druppels water op Charlotte Moorman, toen die in 1965, in New York, samen met Nam Juni Paik, ’26’1.1499 for a String Player’ van John Cage uitvoerde. Voor ik het postkantoor verliet, wilde ik haar nog vragen of ze cello speelde, maar ik kon op het Franse woord niet komen. Violoncelle, maar nu is het te laat.
Flor Vandekerckhove⇲

(°) Tania wandelde die dag langs de GR36, van Thury-Harcourt, via St-Martin-de-Sallen, Clécy en de rochers de la Houle, naar Le Vey. ’t Is een streek die ze daar niet zonder reden Suisse Normande noemen en ’t was die dag verschrikkelijk heet. 

Uitgeverij De Lachende Visch publiceerde in 2025 Vanaf de vuurtoren, bundel met vijftig korte essays waarvan ik zelf zeg: ‘Kort zijn ze zeker, maar zijn het ook essays?’ Zoals alle e-boeken van uitgeverij De Lachende Visch is ook Vanaf de vuurtoren (120 bladzijden) gratis voor elkeen die erom vraagt, ’t is een gift van de schrijver aan zijn lezers. Die gift is niet belangeloos, een schrijver heeft lezers nodig om het werk af te maken. Zo’n boek is als een kroes waarin ik woorden meng, hopend dat u ze leest en dat er literair goudstof achterblijft. 
De bundel (e-boek, pdf of epub naar keuze) ligt hoe dan ook klaar in De Weggeefwinkel. Vraag het meteen via liefkemores@telenet.be (vermeld de titel, zeg pdf of epub) en het boek ligt binnenkort in uw mailbox.

woensdag 16 september 2026

Ondergronds gaan met Rob Tas

Rob Tas, Marijke Van Hulle en Flor Vandekerckhove. Op de achtergrond: catacomben van Rome

‘OF HET IETS is waarover jij hebt nagedacht, denk ik niet – ik vraag 't mezelf zelfs niet af – maar weet dat de Catacomben van Rome géén geheime schuiloorden van christenen waren. Het waren begraafplaatsen.’  ‘t Zijn zinnen die Rob Tas — nummer 10 op de klasfoto van 1966 —  uitspreekt, terwijl hij bij mij thuis aan tafel zit. Ik vraag Marijke en Rob of ik hen met koffie kan plezieren. Waarop Tas antwoordt: ‘Sommige muren van die catacomben tonen afbeeldingen, aangebracht ter nagedachtenis van christenen die daar begraven liggen.’ 
Rob Tas, die u via deze blog al kent als een geleerde, geëngageerde christenmens, zegt zo’n dingen omdat hij daar een indruk-wekkende studie aan gewijd heeft. (°) Met hem betreden we de onderaardse ruimten waar de eerste christenen 
tekens achterlieten met bescheiden penseelstreken. Wat hem in die catacomben meteen opvalt is dat Christus er als een jonge herder wordt afgebeeld, jong en vitaal. Wat een verschil met wat er later van gemaakt wordt, een majestueuze heerser. Hij haalt expliciet het beroemde Lam Gods van de gebroeders Van Eyck aan, waarop God prominent als heerser te zien valt. Zegt Tas in zijn studie: ‘Dit hoeft niet verkeerd te zijn, maar we moeten ons wel de vraag stellen hoe God zich in de Schriften ‘voorstelde’ en/of ‘openbaarde’. 
Hij gaat er diep op in, zo diep dat de lezer beseft dat Tas iets achter de hand houdt, dat kan niet anders. Juist de afwezigheid van machtsvertoon maakt de beelden in de catacomben bruikbaar voor wat hij te zeggen heeft. Is er een boodschap voor de kerk waartoe hij behoort? ‘Voor de hedendaagse kerk (…) vormen de catacomben daarom geen afgesloten verleden, maar een uitnodiging. Ze leren dat zichtbaarheid niet hoeft samen te vallen met macht. (…) Ze nodigen uit om ruimte te scheppen in plaats van ruimte in te nemen; om te verwijzen in plaats van te beheersen; om te getuigen zonder zichzelf tot norm te verheffen.’ Of de schrijver er iets mee bereikt, denk ik niet, maar 't is wel mooi geformuleerd.
Zo wordt het weer eens tijd om op te stappen. Samen heffen we ten afscheid nog ‘Sans la nommer’ aan, een lied van Georges Moustaki. Wanneer Rob en Marijke de deur uit zijn, vraag ik me af hoe het komt dat ik die twee zo graag zie.
Flor Vandekerckhove⇲

(°) Rob Tas. Een verkenning van de Joods-christelijke beeldtaal in de Catacomben van Rome. 262 p. Meer info roberttas@hotmail.com.