dinsdag 26 januari 2021

Janis Joplin en Amy Winehouse verenigd


Wat gebeurt er wanneer je de magie van Rina Ketty koppelt aan deze van Tino Rossi en daar een ferme scheut Dalida aan toevoegt? Wel, je krijgt dan een stukje surrealisme-light van de bovenste plank en de ontmoeting, ergens in de galaxie, van twee grote popzangeressen die u nooit eerder samen hebt gezien. 
Vormelijk beantwoordt het verhaal volledig aan de eisen van het provovers, nieuwe twijg aan de literaire boom, jonge tak op de grens van proza en poëzie. Wie er meer over wil weten, klikt hier. Ter promotie van deze literaire nieuwigheid organiseert De Laatste in februari ‘De Eerste Maand van het Provovers’. Gedurende die maand krijg je dagelijks post. Om de andere dag is dat een stuk dat telkens twee mooi ingekaderde provoverzen bevat. Eind februari zullen het er achtentwintig geweest zijn. De Maand van het Provovers wordt georganiseerd door het Provoverscomité. Naast De Laatste maken daar deel van uit: de gerante van De Weggeefwinkel, de loopjongen van De Lachende Visch, een Mad Man van het bureau Reclame is onze enige Kwaliteit en de tycoon van het filmhuis United Fucking North Sea Pictures Entertainment.  (fv)


 

wachten


allen hebben ze dit lied gezongen

dat het vergeefse wachten formuleert

allen dachten ze de stap te horen

van de geliefde die weerkeert

zoals Tino Rossi die bleef wachten

zonder iemand aan zijn zij

zo wachtte ook Rina Ketty

op een vrijer 

liggend op haar sprei

zoals de kerselaar op kersen wacht

en het vogelnest op ’t ei

zo heeft ook Dalida gewacht 

op een verandering van ’t tij


maar ’t eind van dit verhaal

had niemand toch verwacht

dat ’t Janis Joplin was die 

tegen Amy Winehouse zei

wachten is niet langer nodig

kom maar lekker hier bij bij


Flor Vandekerckhove

zondag 24 januari 2021

Kortelings op dit scherm: de Eerste Maand van het Provovers

Realisatie advertentie: Reclame Is Onze Enige Kwaliteit.



Februari wordt druk. In die maand krijgt ge elke dag post van De Laatste. Om de andere dag is dat wat ge gewoonlijk krijgt, in de tussenliggende dagen wordt dat telkens een blad met twee provoverzen. Waarom? Omdat februari uitgeroepen werd tot Maand van het Provovers, daarom!
Ik hoor u al uitroepen: provo wat? Dat komt doordat ge mijn uitleg terzake alweer vergeten zijt, gesteld dat ge die ooit gelezen hebt. Daarom zeg ik u, net als de verzetsheldin Michelle uit Allo Allo: Listen very carefully I shall say this only once: een provovers is een stukje proza dat aan zo’n welbepaalde strenge regels voldoet dat het wel poëzie lijkt. Die strenge regels heb ik zelf uitgevonden, ze hebben te maken met mijn zoektocht naar mijn eigen surrealisme-light, iets wat ik nog aan ’t uitdenken ben, en die regels staan hierNa een periode van twijfel zult ge toegeven dat het provovers een verrijking voor de letteren in ’t algemeen is en voor deze van de surrealisme-light in het bijzonder.
Opdat ge zoudt weten hoe die provoverzen u in februari, twee per twee, om de andere dag, dus 28 in totaal, gepresenteerd gaan worden, volgt heden al een voorbeeld, zodat ge in februari niet verwonderd zoudt uitroepen: ha, zo bedoelt ge!
Flor Vandekerckhove

Nieuw! Nu ook met Franse ondertitels. Wie ‘absurdist’ op youtube wil horen, klikt op www.youtube.com/watch?v=H52l_OU5wyw. Wie ‘accident’ op youtube wil horen, klikt op www.youtube.com/watch?v=IIVQsPc8o7A&t=9s.




zaterdag 23 januari 2021

Herinneringen aan Jean-Paul Dellaert

— Links Leo Tasseyns, rechts: Jean-Paul — Pol — Dellaert (†) (foto Roy Verhaeghe) —



Traag! Ik ben veel te traag. Da’s een gedachte die me overvalt wanneer hij in 2017 overlijdt. 2017 is immers ook het jaar waarin ik beslis om generatiegenoten op te zoeken, hun vragend: wat had dat nu eigenlijk te betekenen, ons leven, onze generatie. Ik maak een lijstje: Wilfried Laforce vooraan, hem herinner ik me als een loper die weigert in de pas te lopen. Daarna een rist namen die ik inmiddels stuk voor stuk afgewerkt heb, allemaal mensen die een stukje van de puzzel leggen. Allemaal, behalve één. Die heeft op die lijst geen naam, er staat: ‘muzikant met sik’. 
In onze tienerjaren zie ik hem al eens op school, daarna zie ik hem overdag al eens op straat, overnacht zie ik hem al eens op scène. Een collegejongen die in de popscene belandt, zo zijn er niet veel, daarom staat hij op mijn lijstje, hij kan me iets leren.
Al schrijvend gaan trage mensen als ik op zoek naar de verloren tijd. Waardoor ik de ‘muzikant met sik’ nu toch nog kan bevragen. Meer dan drie jaar na diens overlijden. Maar eerst moet ik ’s mans naam zien te weten te komen. Ik spreek enkele kroegtijgers aan en nog dezelfde dag verneem ik van Dirk Bos dat mijn muzikant met sik Jean-Paul — Pol — Dellaert heet. Meer: Bos stuurt me een knipsel waarin ik lees dat Dellaert bij de Broadway Jazz Gang gespeeld heeft, bij Sir James Company, The White Formation, The Bunch (opvolger van The Swallows)…
In mijn herinneringen ziet Pol er onverstoorbaar uit. Ik zie hem onverstoorbaar de Oostendse straten dwarsen, in kroegen leest hij onverstoorbaar de krant. Op podia werkt hij onverstoorbaar de setlist af. Hij straalt de rustige zelfzekerheid uit van iemand die zijn plaats kent. Dat maakt indruk op me (zelf ben ik een leven lang naar mijn plaats op zoek geweest.)
Op 21 maart 2017 staat er in HLN een in memoriam. Aan het woord is cafébaas Pascal 'Passe' Devriendt van de Twilight: ‘Pol had zijn vaste stoel aan de toog. (…) Zelfs wanneer we loeiharde metal in het café opzetten en iedereen stond te headbangen, bleef Pol rustig aan de toog zijn krant lezen. En tijdens onze oudejaarsfeestjes haalden we alle stoelen weg, maar één kruk aan de bar bleef staan. Die van Pol, zodat hij zijn vaste plek kon innemen.’
Het beeld past perfect bij mijn herinnering. Een mens met een vaste plek! Zo ken ik er nog. In een taverne van de Oostendse glazenstraat was er een tafel voorbehouden aan een vriendengroepje dat zich ‘de senaat’ noemde: Walter Debrock, Tony van restaurant Lusitania en nog iemand. Ik denk dat er zelfs naamplaatjes op de ruglening stonden. Mannen met een vaste plaats!
Nooit is er een kroeg geweest waar ik mijn vaste plaats had. Wel bijna. In die tijd baat wijlen Guido Houben in de Oostendse Langestraat café Regisseur uit. Hij moet me iets vragen. Of ik niet regelmatig mijn tijd in zijn etablissement wil doorbrengen. Op een vaste plek (!) voor ’t raam. Daar moet ik dan, zegt Guido, alleen maar een boek zitten lezen. Volgens Guido zal dat volk trekken, en zo vindt hij ook, voor mij is dat maar een kleine moeite. Neen, ik ben er niet op ingegaan.  
Flor Vandekerckhove


In die tijd: geen
AVONDKLOK


www.youtube.com/watch?v=Brq8l7YIrSc

donderdag 21 januari 2021

Hebt u DÁT al eens meegemaakt?


Onderstaand handpalmverhaal beantwoordt volledig aan de eisen van het provovers, nieuwe twijg aan de literaire boom, jonge tak op de grens van proza en poëzie. Wie er meer over wil weten, klikt hierHet provovers is jong en onbekend. Ik ben er de bedenker van, alsook de enige beoefenaar. Ter promotie organiseert De Laatste in februari ‘De Eerste Maand van het Provovers’. Gedurende die maand krijgt u niet, zoals gewoonlijk, om de andere dag post, maar dagelijks. Om de andere dag is dat een stuk dat telkens twee mooi ingekaderde provoverzen bevat. Eind februari zullen het er achtentwintig geweest zijn. Als dát u niet overtuigt, weet ik het ook niet meer. Het is overigens niet de bedoeling dat er epigonen komen, integendeel zelfs, de eerste die zich aan navolging waagt, wordt door het partijdige provoverscomité geschrapt, en dat op zo’n drastische manier dat zelfs André Breton er niet goed van zou zijn. Naast De Laatste maken nog deel uit van het provoverscomité: de gerante van De Weggeefwinkel, de loopjongen van De Lachende Visch, een Mad Man van het bureau Reclame is onze enige Kwaliteit en de tycoon van het filmhuis United Fucking North Sea Pictures Entertainment.  (fv)




soep


vlak nadat ik de zeven laatste woorden 

van Jezus Christus gelezen had

Eli Eli lema sabachtani

wat er eigenlijk maar vier zijn

sloeg ik het evangelie volgens Mattheus dicht 

waarna ik verzonken in gedachten de soep op ’t vuur zette

en zodra die kokend heet was 

goot ik hem 

nog steeds aan Jezus’ woorden denkend

in een kom

en nog terwijl de woorden tot me door aan ’t dringen waren

viel mijn linkeroog 

onverwachts en pijnloos 

waardoor ik het niet eens gezien had

in de soep

en daardoor komt het dat ik

samen met de soep mijn linkeroog 

heb opgeslorpt


Flor Vandekerckhove


Soep op youtube

Met ferm bewegende ogen

en Franstalige — oui, oui — ondertitels

 www.youtube.com/watch?v=yo-LTs2zrqA

dinsdag 19 januari 2021

Eric de Noorman, een Viking on the road

 Van links naar rechts: Het Laatste Nieuws publiceert de strip Eric de Noorman en geeft de verhalen achteraf in boekjes uit. — Midden: een bladzijde uit zo’n Noormanboekje. — Rechts: Playboy publiceert een parodie. Dat is dan geen tekststrip meer, maar een met tekstballonnen. Op dit prentje stelt de heldin zich alzo voor: ‘Ik ben de Gala en ik heb éen bruine tepel en één groene! Vraag niet waarom… Het is een mysterie!’



Voor hij zijn middagdutje aanvangt, bladert vader in Het Laatste Nieuws. Daarin staat Eric de Noorman, een tekststrip die hij me een enkele keer voorleest. Daarna slaapt hij in en, terwijl ik op de leuning blijf zitten, geniet ik een wijle na van de prentjes.
Bijna zeventig jaar later speur ik wereldwijde web af, in de hoop dat daar zo’n bladzijde met strip te vinden is. Ik vang bot, maar mij wordt wel meegedeeld dat Het Laatste Nieuws de strip ook in boekjes verzameld heeft. Het alles onthullende net toont me zelfs een blad uit zo’n boekje… Ja, zo moet het er ook in de krant uitgezien hebben: drie prentjes, waaronder een doorlopende tekst: ‘Grimmig staart hij naar de ongastvrije rotswand en als om de ernst van de toestand nog wat duidelijker tot uiting te laten komen, zegt de dwerg met een benepen stemmetje: Mij honger. Mij niet eten …’ Tevergeefs probeer ik me er vaders stem bij voor te stellen.
Eric de Noorman, strip van Hans G. Kresse, verschijnt in Het Laatste Nieuws voor het eerst op 4 juli 1946. Als de krant er in 1964 mee ophoudt, werden daarin 67 Noormanverhalen gepubliceerd. Intussen heeft Eric ook internationaal carrière gemaakt: publicaties in ’t Frans, Duits, Engels, Fins, Portugees, Spaans, Zweeds en Fries. Hij heeft het zelfs tot in Playboy geschopt, maar dat komt doordat Dick Matena er een voor dat mannenblad geschikte parodie van maakt. Ook daarvan plaats ik een prentje in hoofding.
Flor Vandekerckhove


Zelf ging ik 

op situationistische wijze 

aan de haal met

een Amerikaanse strip

www.youtube.com/watch?v=FMsFc5ZO4lo


zondag 17 januari 2021

De vijfde strofe

— Links. In 2016 leg ik bloemen neer aan de Mur des Fédérés op het kerkhof Père-Lachaise in Parijs, plek waar tientallen communards gefusilleerd werden. Op de herdenkingsplaat: Aux morts de la commune 21-28 Mai 1871. — Midden: Jean-Baptiste Clément, dichter en tekstschrijver van Le temps des cerises. — 

Rechts: De karikatuur van Willette uit 1891, met daarop geschreven, de door hem bedachte vijfde strofe. —



Misschien ken jij het in de versie van Geike Arnaert en Bobbejaan Schoepen, zelf hoor ik het al langer zingen en dat voor ’t eerst in Lissabon, tijdens de nadagen van de Anjerrevolutie. Op het Rossio verzeil ik in een groep Fransen die ’t plots, zichtbaar ontroerd, en mede geïnspireerd door de rode wijn, aanheffen. Ook omdat ik in die tijd van toeten noch blazen weet, legt een tafelgenoot me uit dat Le temps des cerises met voorsprong het mooiste lied is dat men ter linkerzijde zingt. Het is direct verbonden met de Commune van Parijs (1871), zegt hij, en tekstdichter Jean-Baptiste Clément mag zich een echte communard noemen. 
Op de laatste dag van de strijd ontmoet die Clément op de barricaden Louise. De arbeidster komt er gewonden verzorgen. Hij draagt zijn gedicht Cerises (1866) aan haar op en het groeit uit tot een lied dat weemoedig aan de barricadentijd herinnert. Zeer geschikt om naar te luisteren nadat je Mélancholie de gauche gelezen hebt, over ‘de melancholie van Blanqui en van Louise Michel na de bloedige repressie van de Commune van Parijs; van Rosa Luxemburg die, in haar gevangenis van Wronke, mediteert over het bloedbad van de Grote Oorlog en de capitulatie van het Duitse socialisme; van Gramsci die na het mislukken van de Europese revoluties, in een fascistische gevangenis, opnieuw nadenkt over de verhouding tussen ‘stellingenoorlog’ en ‘bewegingsoorlog’; van Trotski tijdens zijn laatste ballingschap in Mexico, opgesloten achter de muren van een huis-bunker in Coyoacan: van Walter Benjamin die, verbannen in Parijs, de geschiedenis herwerkt vanuit het standpunt van de ‘geknechte voorouders’: van C.L.R. James die over Melville schrijft, op Ellis Island waar hij in quarantaine verblijft, als vijandelijke vreemdeling in de Verenigde Staten van het maccarthisme; van de Indonesische communisten die het grote bloedbad van 1965 overleven; van Che Guevara die er zich in de bergen van Bolivië bewust van wordt dat de Cubaanse weg in een impasse terechtgekomen is.’ 
Mij inspireert dat lied veel later tot een gedicht dat die melancholie aan een daadkrachtige meid koppelt. Ook omdat we een kameraad gekend hebben, Willy Goval, die in Cuba ging werken, daar verliefd werd en er bleef wonen, verplaats ik de gebeurtenissen van Parijs naar Havana. Tijdens die omvorming leer ik de strofen van het lied beter kennen. Daardoor verwondert het me dat Walter De Buck hier in zijn Gentse vertaling een mij onbekende vijfde strofe zingt. Ik ga ernaar op zoek en ontdek een verhaal.
Twintig jaar na de Commune is oud-communard Clément actief in de Parti ouvrier socialiste révolutionnaire. Daar kunnen ze in Frankrijk niet mee lachen en hij wordt gearresteerd. Zijn maat, Adolphe Willette, maakt er een cartoon van, ik plaats die rechts in bovenstaande fotomontage : we zien de vrijheid aan banden gelegd, de gendarmen nemen de mand kersen in beslag en het meisje wordt geketend. De tekenaar schrijft er enkele zelfbedachte verzen bij: de vijfde strofe van Le temps des cerises! In ’t Frans eindigt die strofe, vrij vertaald, erg wraakzuchtig: Maar wanneer de kersentijd weerkomt / zullen de kogels hen rond de oren fluiten. In ’t Gents van Walter De Buck gaat het er vreedzamer aan toe: En in die schaduw schrijft de dichter voort / aan de tekst van het lied dat je hier hebt gehoord. En wil het nu net dit zijn, wat ik hier aan 't doen ben.
Flor Vandekerckhove


(*) Enzo Traverso. Mélancolie de gauche. La force d’une tradition cachée (XIXe – XXIe siècle). Paris 2016. Editions La découverte.


De boerin uit West-Vlaanderen

en de kersentijd

www.youtube.com/watch?v=hHoYfTHKfic


vrijdag 15 januari 2021

Heil wrede meerderheid !



Jerome Rothenberg (°1931) dicht, vertaalt, geeft uit… In zijn vroege werk komt de inspiratie o.m. van James Joyce, dadaïsten, Ezra Pound… Rothenberg gaat daarna verder met het verkennen van primitieve en archaïsche poëzie, klankpoëzie, gevonden poëzie, visuele poëzie, samenwerkingen, zijn joodse erfgoed… In een interview verklaart Rothenberg dat hij zich aan het begin van zijn carrière als schrijver ongelooflijk geïsoleerd gevoeld heeft, vanwege de repressieve geest in de Verenigde Staten tijdens het McCarthyisme. ‘De opkomst van de Beats was tegelijkertijd het eerste publieke signaal dat we niet de enigen waren in onze wens naar een nieuwe revolutie-van-het-woord en een tweede ontwaken van een radicaal en ongebonden modernisme.’ Voor Rothenberg, en andere schrijvers als hij, is het in eigen handen nemen van hun publicaties dan het belangrijkste middel waarmee ze zich kunnen uiten, en het is dit besef dat hem ertoe heeft gebracht een eigen uitgeverij op te richten. (Flor Vandekerckhove)


woensdag 13 januari 2021

Heden roep ik uit: ‘Lang leve het Opvangcentrum voor Vogels en Wilde Dieren van Oostende!’

— Rechts: de meerkoet houdt zich schuil op mijn koertje. De pijl wijst naar zijn zere teen. —



Terwijl ik Polleke-de-kat naar binnen riep, viel mijn oog op een beest dat zich op ‘t koertje verscholen hield. Ik dacht: misschien is ’t wat aan ’t rusten. Toen het daar ’s middags nog zat, maakte ik me zorgen en wat ik ook maakte was een foto. Die stuurde ik naar mijn ouwe maat Norbert, vogelkenner, die me antwoordde: ‘’t Is een meerkoet, met een gezwollen teen nog wel’ en toen zag ik het ook: zo'n dikke teen! ’s Avonds zat de meerkoet er nog, ik kon alleen maar hopen dat Polleke-de-kat het beest die nacht met rust zou laten. Dat lukte wonderwel, maar de teen bleef zwellen en de vogel bleef zitten. Ook de dag erna en de dag na de dag erna. Toen gaf Tania me bevel om het dier te kooien zodat ze het sofort naar het Oostendse Opvangcentrum voor Vogels en Wilde Dieren (VOC) kon brengen. Omdat Tania geen tegenspraak duldt, deed ik dat meteen. Op 3 december werd mijn meerkoet in dat VOC geregistreerd als het 5995ste dier dat er in 2020 werd aangeboden. Laat het getal maar eens goed tot je doordringen: 5995 !
Gisteren viel volgend bericht in mijn mailbox: ’In het Opvangcentrum hebben we jouw dier de nodige zorgen gegeven om het de beste kans op een nieuw leven in de natuur te bieden. We zijn steeds verheugd wanneer we de patiënt zijn vrijheid terug kunnen geven en vinden het uiteraard jammer wanneer een dier het niet haalt of ingeslapen moet worden’, waarna heuglijk nieuws volgt: ‘Op 18/12/2020 werd jouw dier uitgeschreven met als eindresultaat: In vrijheid’.
Nu vraag ik je: is dat niet schoon? Is ’t niet prachtig dat er alhier zo’n instelling bestaat? Begrijp je dat ik daar nu enige ruchtbaarheid wil aan geven, uitroepend: ‘Lang leve het Opvangcentrum voor Vogels en Wilde Dieren van Oostende!’ En begrijp je dat ik nu meer dan anders het zwerk afspeur? Daarjuist zag ik in gedachten mijn meerkoet overvliegen, hij zwaaide en daardoor zag ik goed dat zijn teen helemaal genezen was.
Flor Vandekerckhove


En als toetje: 

De gevaarlijkste tramhalte

https://www.youtube.com/watch?v=8eDy3GcBlYg

maandag 11 januari 2021

‘Voor twintig frank kunt ge de mijnen zien.’



Ooit is die foto in mijn mailbox geworpen, het valt voor mij niet meer te achterhalen wanneer dat gebeurd is en wie 't gedaan heeft. ’t Zal wel een (oud-)Bredenaar zijn, ik herken er enkele op dat beeld. ’t Zou me niet verwonderen mocht blijken dat het allemáál Bredenaars zijn, we gaan dat straks proberen uitvissen. Er zijn nog dingen die ik niet weet. Ik weet niet in welk jaar de foto gemaakt werd en evenmin welke organisatie die mensen daar heeft heengebracht. Wel herinner ik me dat er in mijn jeugdjaren inderdaad bezoeken aan ondergrondse koolmijnen georganiseerd werden, ik herinner me bijvoorbeeld een leraar aardrijkskunde die in de klas zei: ‘Voor twintig frank kunt ge de mijnen zien.’ Daar dankten we dus feestelijk voor.
Ik tel 86 mensen. Ze staan tussen twee autobussen die hen daar wellicht naartoe gebracht hebben. Ze poseren voor een luifel waarop André Dumont geschreven staat. Die André ligt aan de basis van de ontdekking van het Kempense steenkoolbekken. Rechts van zijn naam, op de achtergrond, zie ik de iconische gevel van de Steenkoolmijn van Waterschei
En nu de namen. Hieronder verdeel ik de foto in drie gelijke stukken en op elk van die figuurtjes kleef ik een nummer. Wat ik vervolgens ga doen is wachten op uw reacties. De namen die u me laat kennen, plaats ik hieronder in rood, voorafgegaan door het corresponderende nummer. Hopelijk wordt het een lange lijst.

Flor Vandekerckhove


[Marie-Claire De Bourderé: ‘Ik denk 1968 of '69. Mijn pa, Fernand (nr 72) werkte toen als chauffeur bij Royal Tours (later Jet Air, nu Tui). Meester Gerard Van Laere (71 of 84) van de Don Bosco school op ’t Sas organiseerde dergelijke reisjes als begeleider en gids.'] [Bij Bert Tas (33) luidt het als volgt: Deze daguitstap zal en kan ik niet vergeten. 1 november 1969 hadden wij deze uitstap naar de koolmijnen van Waterschei en maakte ik kennis met mijn schatje Colette Vandecasteele (19). Dus het was een heuglijke dag. De daguitstap werd door de Schelpe en Davidsfonds Bredene-Sas georganiseerd. Gerard Vanlaere (toen collega van Colette) was de grote bezieler van deze daguitstappen naar de koolmijn en op deze dag was dit voor de 50ste keer. Ik herinner me nog dat we na het bezoek een grote receptie hadden in het toenmalige casino (A. Dumon?) en als ik me niet vergis zelfs met een eten.]
1  Romain Cardon; 2 Monique Van Parijs; 3 Marcel Derdeyn; 4 Monique Schaut (?); 6 Monique Hendrickx; 7 Johan Brauwers; 9 Paul Vangeluwe; 10 Jeanine Huys; 11 Willy Dekeyzer; 12 Maria Stemgee; 15 Liliane Vangheluwe; 16 Roland Vanmassenhove; 17 Frieda Clicteur; 18 Marina Bruynooghe; 19 Colette Vandecasteele; 20 Lucienne Schram; 21 Erik Poppe; 22 Jan Vangeluwe; 23 Willy Versluys; 24 Anne-Marie Boury; 25 Jacques Croos; 26 Honoré Pitteljon;  27 Rudy Mestdagh; 28 Hugo Jonckheere; 29 Raymonde Schram; 30 Hugo Pauwels; 32 Paul Poppe; 33 Bert Tas; 34 Roland Meysman; 37 Marc Loy; 40 Christine Vandecasteele; 42 Willy Vandenbussche; 53 Michel Vansteene54 Lliliane Mortier; 55 Gerard Vanlaere (?, iemand zegt t'Jack de buschauffeur, of Tjaak of Jaake); 60 Remi Vansteene; 63 José Mortier; 65 Oscar Debeuckelaere: 66 Maria De Reviere; 70 echtgenote Vanlaere; 72 Fernand De Bourderé (buschauffeur); 73 Rose-Marie Billaut; 75 Etienne Gilliaert; 78 Simonne Pille; (71 of 84) Gerard Van Laere; 82. Hector Vansteenkiste; (83. Jerome Depoorter?); 



zaterdag 9 januari 2021

Gevonden poëzie



Je weet wat een readymade is, een objet trouvé, een voorwerp dat uit zijn context gehaald wordt en daardoor, zonder dat het voor de rest verandert, tot kunstvoorwerp promoveert. De pissijn van de dadaïst Marcel Duchamp is er een eerste en onovertrefbaar voorbeeld van. Ook in de poëzie maakt men van readymades gebruik, daar noemt men het gevonden poëzie. Paul van Ostaijen heeft het gedaan, ook K. Schippers, Jules Deelder, Armando, Cornelis Bastiaan Vaandrager, C. Buddingh' en Peter Holvoet-Hanssen. En nu ook ik. Onderstaand provovers is gevonden poëzie. Ik vind het in De Standaard van 26 december. Net zoals Duchamp de pissijn uit zijn context, in een museale omgeving plaatst, zo giet ik het krantenbericht woordelijk in de mal van het provovers: et voilà un poème trouvé. Ten bewijze plaats ik het knipsel in hoofding. 


readymade


de 64-jarige Russische historicus en
internationaal bekende Napoleon-deskundige 
Oleg Sokolov 
is veroordeeld tot
twaalf en een half jaar strafkamp 
Sokolov had een studente vermoord 
en in stukken gesneden
toen hij de lichaamsdelen 
in de rivier Moika wilde laten verdwijnen 
viel hij 
dronken 
zelf in het water
hij moest gered worden door omstanders
de wetenschapper 
van de Staatsuniversiteit van Sint-Petersburg 
bekende de feiten
zijn advocaat overweegt in beroep te gaan tegen het vonnis
Oleg Sokolov trad meermaals in Napoleon-kostuum op 
en speelde historische veldslagen na
Sokolov zei dat hij gestraft wilde worden 
voor wat er gebeurd was
Flor Vandekerckhove


readymade op youtube

www.youtube.com/watch?v=KdLjdVbh3dc