donderdag 23 januari 2020

Schrijven na de goelag (°)

Heel het oeuvre van de linkse communist Varlam Sjalamov draait rond zijn kampervaringen in de goelag. Waarbij de schrijver een veelzeggende parallel blootlegt tussen de misdadigers van gewoon recht die daar de lakens uitdelen en het stalinisme: 
“In 1938 toen er tussen de leiding en de criminelen een haast officieel ’concordaat’ bestond, toen de criminelen tot ’vrienden van het volk’ werden verklaard, vond de hoogste leiding in de criminelen een wapen in de strijd tegen de ’trotskisten’, tegen de ’vijanden van het volk’ . Er werden zelfs (…) politieke cursussen voor de criminelen georganiseerd, waar instructeurs van de culturele sectie vertelden van hun sympathie voor de ‘criminelen’ en van de verwachting van de machthebbers, en hun hulp inriepen bij de kwestie van de vernietiging van de ‘trotskisten’. 'Deze mensen zijn hierheen gestuurd om vernietigd te worden, het is uw taak hierbij te helpen’, dat zijn de exacte woorden van Sjarov, een inspecteur van de culturele afdeling van de mijn ’Partizaan’, uitgesproken tijdens zo’n cursus in de winter aan het begin van 1938. De criminelen stemden volmondig toe. En of! Dat redde hun leven, en maakte van hen ’nuttige’ leden van de maatschappij. In de persoon van de ’trotskisten’ ontmoetten ze de door hen zo gehate intelligentsia.” (Varlam Sjalamov in Berichten uit Kolyma, p. 676)
— Varlam Sjalamov (1907-1982) —
Zo’n kampervaringen, zegt Sjalamov, vragen om een literatuur die aan nieuwe eisen voldoet. (°°) De bellettrie heeft afgedaan, zegt hij, de memoires van de betrokkenen nemen er de plaats van in. De literaire antwoorden kunnen niet langer komen van een schrijver die de dingen als ‘toerist’ beleeft. Alleen wie participeert heeft recht van spreken: ‘De schrijver is geen waarnemer, hij maakt geen deel uit van het publiek, hij neemt echter deel aan het grote levensdrama, maar niet als schrijver, niet in de rol van schrijver.’  
Het gaat wel degelijk om literatuur en niet om rapporten, stelt Sjalamov. Vergelijk het, zegt hij, met een voetbalmatch. Het is niet spannend om naar een voetbalmatch te kijken als je de uitslag al weet. Het is alleen de moeite waard als je het moment zelf kunt beleven, en dat is wat een literair verhaal doet.
Dat nieuwe proza hecht, dixit Sjalamov, veel belang aan bondigheid. Hij is dan ook niet erg te spreken over het soort literatuur waarmee Solzjenitsyn de kampervaringen beschrijft. Dat is hem te wijdlopig en te moralistisch. Het verschil is niet zomaar een kwestie van stijl. Solzjenitsyn kan volgens Sjalamov de verschrikkingen van de kampen niet correct beschrijven omdat hij de Siberische mijnen van Kolyma niet heeft meegemaakt.
Varlam Sjalamov neemt afstand van de canon:
‘Na Hiroshima, na Auschwitz, na het ieder-voor-zich van de Serpentine in Kolyma, na de revoluties en oorlogen weigert het nieuwe proza iedere didactiek. De kunst heeft het recht niet tot vermanen. Niemand is meer bij machte en niemand heeft het recht om lessen uit te delen, wat voor lessen aan wie dan ook. De kunst maakt de mens niet beter, zij veredelt niet. De kunst is een middel om te leven, niet om het leven te leren kennen…’
En ook hier:
 Na de retoriek van de moralist Tolstoj en het razende gepreek van Dostojevski waren er oorlogen, revoluties, Hiroshima en concentratiekampen, aangiften, fusillades. De lariks verzette de maatstaven van de tijd, maakte het menselijk geheugen beschaamd, bracht het onvergetelijke in herinnering.’
In het verhaal De zaak van de juristen staat een anekdote die me aan een andere laat denken. Enkele gevangenen worden aangeklaagd omdat ze bij ‘iets’ betrokken zouden zijn. Ze weten niet waarvan ze beschuldigd worden, maar ze weten dat het er niet goed uit ziet. Voor een keer is het geluk aan hun zijde. De ondervrager wordt zelf gearresteerd, waardoor alle geplande verhoren geschrapt worden. Het is iets wat tijdens Stalins terreur wel meer gebeurd is. Het overkwam bijvoorbeeld ook de componist Dmitri Sjostakovitsj, daarover publiceerde ik eerder Op het nippertje.
Flor Vandekerckhove

(°) Veel van wat hierboven staat komt uit twee documenten. Ten eerste een masterproef: ‘Šalamov en Kolyma: een historische en een literaire benadering. De scriptie voor de masterproef Charlotte D’haeyere’. Je kunt die hier downloaden. Ook heb ik veel hulp gehad aan een essay van Jacq Vogelaar in het tijdschrift Raster #88, 1999: Bij de verhalen van Varlam Sjalamov en dat staat daar. Zelf heb ik eerder al twee stukjes deze auteur gepost: Varlam Sjalamov: straffer dan Solzjenitsyn en Met Virginia Woolf naar de goelag.
(°°) Misschien is dit wel de geschikte plaats om op te merken dat er ook andere kampgevangenen zijn die met dat probleem worstelen en er hun eigen oplossing aan geven. Jorge Semprún bijvoorbeeld, die op ’t einde van WO II in Buchenwald terechtkomt. Semprún zegt dat getuigenissen dan wel van vitaal belang mogen zijn voor historici, maar dat zo’n getuigenissen niet altijd exact betrouwbaar zijn en dat historici helaas nooit zo effectief zijn als romanschrijvers om de essentie van ervaring over te brengen. ‘Horror is zo repetitief,’ zegt hij, ‘en zonder literaire uitwerking kan men eenvoudigweg niet worden gehoord of begrepen.’ Daarom beweert hij: ‘De enige manier om horror voelbaar te maken is door een fictief oeuvre te construeren.’ (In the Paris Review, The Art of Fiction No. 192 / Issue 180, Spring 2007.)  
De beslissing van Semprún om fictie met geheugen te versmelten leidde tot een verhit debat in Frankrijk, waarbij critici hem ervan beschuldigden alle ooggetuigenverslagen ter discussie te stellen. De felste criticus van Semprún was Claude Lanzmann, regisseur van de epische documentaire Shoah, die beweert dat zijn eigen benadering - via directe getuigenissen - de enige legitieme methode is, en dat kunst en verbeelding geen rol kunnen spelen. Anderen vonden dat het onmogelijk was om onderscheid te maken tussen wat Semprún ervoer en wat hij uitvond: is Maurice Halbwachs, een bekende Franse socioloog, echt gestorven zoals het boek vertelt, in de armen van Semprún? Is Semprúns literaire techniek zelfverheerlijkend? En hoe dient het de geschiedenis?

dinsdag 21 januari 2020

Opdat lezers zouden begrijpen uit welke tijd ik stam


— Prof. Dr. L. Flam (rechts) voert een filosofisch gesprek 
met een van zijn volgelingen. (Eigen cartoon) —
In 1968 voltooi ik mijn laatste jaar in het college van Oostende en ik weet van toeten noch blazen. Zeker, de tv biedt een blik op de wereld, maar het kader waarin ik de dingen kan plaatsen is me te eng. Daar word ik me van bewust door Berquin, leraar Nederlands, die zich van zijn collega’s onderscheidt doordat hij tijdens de les uitgebreid de krant zit te lezen. Op die dag bericht die krant over gebeurtenissen die de geschiedenis ingaan als Mei 68. Als dat lesuur voorbij is laat Berquin zich vervangen door Plong, leraar wiskunde, en ik hoor die twee monkelen over een Parijse studenteneis om de examens niet langer te laten beoordelen door een prof, maar door een comité van studenten & arbeiders. Daar moeten de heren om lachen, maar ik denk: godver, wat the fuck is er in de wereld aan ‘t gebeuren? (Alhoewel ik wellicht niet lichtzinnig de naam van God uitspreek en evenmin what the fuck zeg omdat die uitdrukking nog niet tot ons gekomen is.)
Om de dingen in een ietwat breder kader te plaatsen begin ik op de tv naar de uitzendingen voor derden te kijken. Mijn ouders zijn dan naar bed en ik zit rustig in vaders zetel, (stiekem) een pilsje ter hand, naar bijvoorbeeld de uitzending van het Humanistisch Verbond te kijken. Daarin krijg ik meteen sympathie voor Jaap Kruithof die kettingrokend de hele boel afbrandt. Kruithof is daar een vaste waarde, maar soms heb ik pech en dan wordt het scherm ingenomen door een groep volgelingen van ene Flam. Van die gesprekken begrijp ik niets.
Ik maak een sprong voorwaarts in de tijd en je ziet me op een rommelmarkt voor vijf frank een oud boek verwerven dat Denken en existeren heet, geschreven door, jawel, Prof. Dr. L. Flam. (°) Dat maakt nu al vele jaren deel uit van mijn indrukwekkende collectie ongelezen boeken. En vandaag trek ik ermee naar het boekenruilkastje om het daar achter te laten, weliswaar niet voordat ik er een vluchtige blik in werp. Mijn oog valt op een van Flams stellingen die zegt:
‘De relatie van de vrouw tot de man is die van het geluk. Indien een vrouw er niet in slaagt een man gelukkig te maken, heeft ze als vrouw gefaald. Doorgaans heeft zelfs een vrouw die een man jarenlang ontmoedigde, tegenwerkte en ongelukkig maakte, een satanisch karakter, in elk geval is ze geviriliseerd. Veel vrouwen hebben grotendeels mannelijke neigingen, zonder daarom op te houden vrouw te zijn.’
En daar zitten die mannen dan een beetje op het scherm over te filosoferen, tot het weer eens tijd wordt om naar bed te gaan. Dat boek werd uitgegeven in 1964. Het citaat geeft u een idee uit welke tijd ik kom.
Flor Vandekerckhove


(°) Prof. Dr. L. Flam. Denken en existeren. 1964. Wereldbibliotheek NV A’dam/A’pen. 437 pp.



zondag 19 januari 2020

Ik Ben De Walrus Koe Koe Ke Sjoeb

— In afwachting dat Dimer Geedts er zijn pianomuziek aan toevoegt heb ik er al een voois op geplaatst: klik hier !  (Achtergrondfoto Yvan Mahieu)—   


Aan Tania

De Laatste Roodharige Punkster volgt een seminarie in Diksmuide en heeft
Daar ten behoeve van haar Laatste Vuurtorenwachter een hotelsuite
Gehuurd van waaruit ik nu mijn Laatste Vuurtorenlamp op een Franse tuin
Laat schijnen die symmetrisch en geschoren neerwaarts eindigt in de IJzer.

Acht uur lang beschijnt mijn Vuurtorenlamp in Diksmuide die Franse tuin
En acht uur lang gebeurt er niets en acht uur lang maak ik de bedenking dat
Een Engelse tuin dan toch te prefereren valt omdat ’s mensenhand daarin
Valselijk verdoezeld wordt met romantiek en asymmetrie en onevenwicht.

Truken uit de trukendoos die  in zo’n Engelse tuin dingen doen gebeuren
Wat niet gezegd kan worden van zo’n Franse in Diksmuide
Waarop ik al acht uur lang mijn Laatste Vuurtorenlamp laat schijnen
In de hoop dat ik iets ontwaar dat het verlichten/verdichten waard is.

Net voor ik teleurgesteld door wat niet komt de boeken dichtgooi en
Mijn Laatste Vuurtorenlamp wil uitknippen om hem op te bergen in
De vuurtorenkist die ik van zee naar Diksmuide heb meegesleurd
Zie ik hoe de IJzer plotsklaps een merkwaardige golfslag produceert.

Meteen richt ik er mijn lamp op en mijn Laatste Vuurtorenlicht schijnt nu
Ten volle op de plek waar de IJzer de Franse tuin onverwachts overspoelt
En ik zie tot mijn verbazing dat een dier zich uit het water worstelt waarin
Ik in mijn verwarring een Franse-tuinenzeehond meen te herkennen.

Maar dan zie ik dat het dier twee slagtanden heeft van een meter lang
En snorharen die mij aan deze van meneer Pheip doen denken en
Ik lieg niet als ik zeg dat ik nooit eerder in mijn leven zo’n groot waterdier
Gezien heb dat met vervaarlijk grote flippers recht op me afstevent.

Geoefend als ik ben trek ik bliksemsnel De Laatste Vuurtorenlamp uit
Het snoer waardoor de Franse tuin in Diksmuide en ook de IJzer
In een duister komen te staan van het type waarvan men terecht
Zegt dat het het soort duister is waarin echt van alles kan gebeuren.

En dit is wat mij daar in die suite van dat hotel in Diksmuide overkomt
Aan het raam dat uitkijkt op een Franse tuin die symmetrisch neerwaarts
Eindigt in de IJzer waaruit ik zojuist een dier heb zien komen waarin
Ik eerst ten onrechte een Franse-tuinenzeehond meende te herkennen.

We staan oog in oog met elkaar dat beest van wel drie meter lang met
Slagtanden van een meter en ik met alleen maar mijn gedoofde lamp en
‘t Mag pikkedonker zijn toch weten we dat we oog in oog staan en alleen
Gescheiden worden door dubbel glas weliswaar maar toch alleen maar glas.

Dan hoor ik hoe het beest met zijn slagtanden van een meter lang
Zachtjes klop klop tik klop op het vensterraam tikt in een ritme dat me
Niet onbekend is maar dat ik gezien de spanning die de situatie oproept
Niet thuis kan brengen hoezeer mijn hersenen dat ook proberen.

En dat beest van drie meter lang met slagtanden van welhaast
Een meter en een snor zoals meneer Pheip en flippers waarmee hij
Snel beweegt blijkt een extreem lieflijke stem te hebben waarmee hij
Zachtjes neuriënd tot me zegt Ik Ben De Walrus Koe Koe Ke Sjoeb.


Flor Vandekerckhove




— U kunt er waarlijk ook naar luisteren: klik hier !  —   

vrijdag 17 januari 2020

Mond op mond


Een vrouw met een opvallend rode mantel zijgt plotsklaps ineen. Miss Piggy stapt over haar heen, maar ik niet. Ik begin meteen te beademen, mond op mond, exact zoals ik het Humphrey Bogart met Ingrid Bergman in Casablanca zien doen heb. Miss Piggy sist kwaad: ‘We gaan onze trein missen’, maar ik doe gewoon voort. ‘Gij godverdomse geilaard’, roept Miss Piggy nu luid, ‘denkt ge dat ik jullie niet doorheb?’ Intussen staan wel tien, twintig mensen om ons heen, die met minachting naar Miss Piggy kijken en mij aanmoedigen om ermee door te gaan. Uiteindelijk begint de vrouw in ’t rood weer te bewegen. Iedereen haalt opgelucht adem en elkeen stapt verder, zo ook Miss Piggy en ik. We halen nog net de trein. Heel de treinreis door blijft Miss Piggy mokken en heel de tijd denk ik aan de vrouw met de rode mantel die me getongzoend heeft ten teken dat de beademing mocht ophouden. Zo komen we, miss Piggy en ik, elk verzonken in onze eigen gedachten, eindelijk ter bestemming aan. Op het perron vervoegen we de stroom passagiers richting uitgang. In de massa merk ik meteen de vrouw met de rode mantel weer op. Ze kijkt zoekend om zich heen. We naderen en wanneer ik vlak achter haar loop zijgt ze plotsklaps ineen. Miss Piggy stapt over haar heen, maar ik niet.

Flor Vandekerckhove



Mail erom, met de titel: liefkemores@telenet.be



dinsdag 14 januari 2020

Naar de matinee achter de wolken

— Zelf ga ik kijken naar de matinee voor 65-plussers, ben ik ’s avonds op tijd weer thuis, dat hebben mensen van mijn leeftijd graag. —

Het heeft z’n charmes: je groeit op in een dorp, daarna woon je zo’n beetje overal en op hoge leeftijd keer je weer naar dat dorp. Dan zie je hoeveel er veranderd is en je ziet ook wat hetzelfde blijft. Je loopt oude bekenden tegen ’t lijf, makkers waarmee je de schoolbanken gedeeld hebt en die je daarna uit het oog verloren bent, en je ziet waarmee ze zich onledig houden.
— Bert Tas en Erik Poppe in 1959.
Bert (onderaan) zingt 61 jaar later nog altijd.
Erik (bovenaan) acteert vandaag nog steeds. —
Bert Tas en ik hebben met elkaar gemeen dat we als knaap een engelenstem hebben. Ik herinner me dat we, tien-, elfjarig als we zijn, samen in de nachtmis van kerstdag, pal naast het orgel ­— ereplaats! — in duo Adeste fideles zingen. Voor mij is dat meteen het eindpunt van mijn zangcarrière, niet zo voor Bert! Terug in Bredene zie ik dat hij tot vandaag in koren zingt. En in kerken, want ’t is bij Tas zoals bij Guido Gezelle: ‘(…) dat kruiske, ’t is geschreven / diep mij in den kop gebleven (…)’
Met de schoolmakkers van weleer zet ik mijn eerste stappen op de planken. Voorstellingen zijn er n.a.v. het naamfeest van de pastoor. Of als steun aan een vereniging die De vrienden van Lourdes heet en die tot mijn verwondering nog altijd bestaat. Van ’t verschot heb ik die Vrienden in een nieuw gedicht verwerkt: Klaagzang aan boord van de never-ending-tourbus. Wie dat leest zal zien dat ik, atheïst en al, nog altijd sporen van dat katholicisme draag.
Dat doet Erik Poppe nog iets meer dan ik. Samen hebben we onze eerste stappen op de planken gezet, en wel als De Zingende Vrienden van Lourdes. De naam is onzeker, maar het optreden niet, daar is fotografisch bewijs van en dat staat hier. Erik, die — dat is al bij de start duidelijk — meer acteurstalent heeft dan ik, staat nog altijd op de planken. Neen, niet bij Boontje, want dat is een ‘Progressieve Toneelkring’, maar bij De Klisse die aan ‘de toneelzaal van de paster’ ontspruit. Veranderd is wel dat de voorstellingen nu in het Staf Versluyscentrum doorgaan. Poppe heeft daar nu een rol in Achter de wolken. (°) Zelf ga ik kijken naar de zondagmiddagvoorstelling voor 65-plussers, dan ben ik ’s avonds op tijd weer thuis, dat hebben mensen van mijn leeftijd graag. Lang leve de traditie van de matinee!
Flor Vandekerckhove


(°) Achter de wolken. Toneel De Klisse. Staf Versluyscentrum Bredene. Auteur Michael De Cock; regie Karl Leroy; acteurs An Maes en Erik Poppe. Vrijdag 7 en zaterdag 8 februari, 20 u. 9 €. — Zondagmiddag 9 februari, 14.30 u: 65+: 7 €.




maandag 13 januari 2020

Is ’t een verhaal? Is ’t een gedicht?

— James Tate en Delphine Lecompte —

Delphine Lecompte en James Tate mogen heel andere poëten zijn, het zijn wel mijn lievelingsdichters; Lecompte mijn Vlaamse en James Tate mijn Amerikaan. Buiten mijn voorkeur hebben ze nog iets gemeen, ze hebben elk hun eigen surrealisme ontwikkeld. Dat van Delphine heb ikzelf blootgelegd, mag ik wel zeggen, in Delphine Lecomptes surrealistisch naturalisme, waarin de dichteres me gelijk geeft: En die term surrealistisch naturalisme klopt als een bus: heel goed gezien, heel slim!’ Over het surrealisme van James Tate heb ik ook al iets geschreven, en wel hier.
Lecompte en Tate hebben een stijl die nauwelijks met elkaar te vergelijken valt, maar beiden zijn verhalende dichters. In Exit Magazine nuanceert Lecompte: Ik schrijf soms verhalen. Dat lukt wel, maar het is een andere manier van werken. (…) Ik houd net van de vrijheid die poëzie me biedt. Er mogen ongeloofwaardige dingen gebeuren, er is ruimte voor anarchie en ontregeling, (…) Gedichten mogen grillig, inconsequent, afwijkend en onbegrijpelijk zijn. (…)’ 
Toch lees ik Lecomptes gedichten veelal als een verhaal.  Lama en bermuda (°) is er zo een. Het start met een masturberende ezeldrijvervrouw die daarbij aan de liederlijkheid van New York denkt. Intussen bedrijven de ezeldrijver en de dichteres elders de liefde. De ezeldrijver komt klaar in dichteres’ mond. Weer thuis geven de echtelieden elkaar een zoen: ‘Ze kust hem op de mond, hij smaakt naar New York’. Da’s een mooi afgerond verhaal hé.
Het is de vorm die er een gedicht van maakt: lijnafbrekingen, beelden, wilde vergelijkingen en sprongen, conceptueel rijm… Inhoudelijk geeft die vorm aan de lezer alles wat ik in mijn samenvatting weglaat en waarvoor K.L. Poll een mooie metafoor bedacht heeft: Het principe van de omweg. (°°) Zo’n omweg verschilt danig van het advies dat Hilary Mantel aan prozaschrijvers meegeeft: ‘(…) Schrap minstens een derde van elke pagina die je schrijft. Probeer geen uitzinnige opsmuk in je zinnen te persen. Denk goed na wat je precies wilt zeggen. Zet het zo krachtig en direct mogelijk op papier.’ Niets van dat alles bij Lecompte. Als de prozaschrijver een voetganger is, dan is de dichter een tjoolder.
Hier in the Paris Review staat over James Tate: [O]m welke reden ook, veranderde hij zijn stijl. In zijn volgende vijf boeken vestigde Tate zich in een volledig verhalende modus, ergens tussen een kort verhaal dat bereid was op elk moment zijn plot te verlaten en een prozagedicht. (…)’
Op de achterflap van Tates laatste bundel (°°°) lees ik: ‘Mijn persoonlijke theorie is dat hij in
zijn late verhalende poëzie al de aanvaarde betekenaars van vrije poëzie uit de tekst weghaalde om te zien wat er overbleef nadat alle dingen die ons gewoonlijk vertellen dat we poëzie lezen verdwenen zijn. (…). En wat overblijft, wat is dat dan?  ‘Ik denk dat die kern een informele maar toch halsbrekende, absolute bereidheid is om de geest te volgen waar hij ook gaat.’ Het principe van de omweg!
In Tates prozagedicht ‘Partners’ bevinden we ons in een soort literair kantoor. Jane kaffert Craig uit omdat hij iets langs China rondstuurt om het thuis te krijgen. Craig verdedigt zich: ‘China seemed like the shortest way, and, beside, there’s no tariff there’ Argumenten die alleen in dichtersoren rationeel klinken. Het wordt persoonlijk en de twee schelden elkaar uit voor al wat lelijk is: Jane (proza) versus Craig (poëzie)! De baas ontslaat beiden omdat er op die manier niet gewerkt wordt. Craig en Jane staan op straat en verklaren elkaar daar de liefde: buiten de gevestigde orde verenigen proza en poëzie zich. En in de prozagedichten van James Tate gebeurt dat ook werkelijk. Wat Tate schrijft volgt waarlijk het principe van de omweg en hij weet het desondanks meesterlijk kort te houden.
Flor Vandekerckhove

(°) Lama en Bermuda staat in Delphine Lecompte. Vrolijke verwoesting. Gedichten. 2019. Uitg. De Bezige Bij A'dam. 160 pp.
(°°) K.L. Poll. Het principe van de omweg. 1980. Meulenhoff A’dam. 182 pp. 
(°°°) James Tate. The Government Lake. Last poems. 2019. Uitg. Ecc, a imprint of HarpersCollins Publishers New York.




zaterdag 11 januari 2020

De man die sneller schijt dan zijn schaduw

— Een merkwaardige ontmoeting in Oostende. Van links naar rechts: James Ensor, August Van Yper aka Guustje, Karl Lagerfeld. —

De man die sneller schijt dan zijn schaduw

Terwijl ik met de kustram weer op zoek naar inspiratie ga kijk ik eens goed
Rond en daardoor valt het me op dat de mens die naast me op de bank zit
Niemand minder dan Karl Lagerfeld is of toch iemand die daar zeer goed
Op gelijkt en er ook helemaal de maniertjes van heeft ohlala je weet wel.

Ik trek mijn stoute schoenen aan want ik weet dat Karl Lagerfeld een soort
Vlaams spreekt wat hij van James Joyce geleerd heeft en dat het bijgevolg
Heel goed mogelijk is dat hij mij verstaat en ik vraag hem op de man af of
Het waar is dat hij met zijn kat zou trouwen mocht het wettelijk toegelaten zijn.

Er ontwikkelt zich een gesprek tussen ons dat niet alleen over katten gaat
Maar tevens over oud worden en het leven & de dood en over de scabreuze
Poëzie en kleptomanie van ’s lands grootste dichteres want het is echt wel
Wonderbaarlijk waarover die mens allemaal kan meepraten en ik ook.

Zo rijden we welgemutst de tramhalte Weg naar vismijn voorbij en verder naar
Oostende Station en ik zeg tegen Karl of dan toch tegen iemand die daar zeer
Goed op gelijkt dat het op dezelfde tram is dat ik leren dichten heb op ’t ritme
Van de cadans van de wielen over ‘t spoor en Karl zegt dat hij dat wel weet.

‘Ik weet het,’ zegt hij, ‘want in de hel sta jij bekend als de dichter die sneller
Dicht dan zijn schaduw’ wat mij danig verwondert want dat Karl Lagerfeld in
De hel woont is iets wat ik niet weet alhoewel hij natuurlijk altijd In ‘t zwart
Gekleed gaat net als Geeraard de Duivel uit het Gentse duivelssteen.

Wat ik evenmin weet is of ’t gepast is om op dat onderwerp door te gaan maar
Karl Lagerfeld of toch iemand die daar zeer goed op gelijkt redt zelf het
Gesprek en zegt dat veel van mijn kennissen daar soortgelijke namen torsen
In afwachting dat ze op hun beurt voor eeuwig in het vuur gaan zengen.

Omdat ik dat onderwerp liever ver van me weg houd en omdat de tram
Halte Koninginnelaan nadert waar ik af wil stappen omdat de bib daar
Is vraag ik aan Karl Lagerfeld of dan toch aan iemand die daar goed op gelijkt
Of ook hij daar vóór zijn hellevaart al onder soortgelijke naam bekend was.

Zijn sardonische lach doorklieft het gewelf van het tramvoertuig want de kust
Wordt bediend door oude brol van het soort dat met een doorkliefbaar gewelf
Uitgerust is en net voordat zijn lach in het multiversum opgenomen wordt
Meen ik er de stem in te herkennen van een mij bekende Oostendenaar.

Zelf word ik uit het voertuig geslingerd tot vlak voor de ingang van de bib wat
Me goed uitkomt en ik zie de fel gehavende tram voorbij ijlen met aan boord
Nog maar één passagier en dat is Guustje de huisknecht van James Ensor
Die in de muilenwinkel van zijn baas een Lagerfeldmasker had ontvreemd.

En die met luide stemme naar me roept: ‘Er is een coiffeur die sneller snijdt
dan zijn schaduw en een coureur die sneller rijdt dan zijn schaduw en een
Hellehond die sneller bijt en …’ Woordenvloed die onderbroken wordt door
Een bliksemschicht die het alreeds gekliefde tramgewelf nog eens doorklieft.

Ik had het moeten weten want dit is Oostende zoals het is en da’s een stad
Van narren en grappenmakers en maskers en muilen en een plek waar niets
Is wat het is en terwijl Guustje met de kusttram weer ter helle vaart maakt hij
Een trechter rond zijn mond om me zijn laatste woorden toe te schreeuwen.

Vliegensvlug haal ik het notitieboekje uit mijn legertas en mijn met groene
Inkt gevulde dichterspen houd ik klaar om er Guustjes laatste woorden mee te 
Noteren die als volgt blijken te luiden dubbelpunt ‘En zelf sta ik van in ’t begin
Der tijden in de hel bekend als de man die sneller schijt dan zijn schaduw.’

Nu beginnen luid te luiden de klokken van de stad als om me erop te wijzen
Dat ik de tram genomen heb om inspiratie op te doen en dat ik zoveel haltes
Verder nog altijd niets gevonden heb dat het verdichten waard is maar ah
Het is zoals het is en zelf weet je ook wel dat de ene dag de andere niet is.


Flor Vandekerckhove 


— De man die sneller schijt dan zijn schaduw is het titelgedicht van de gelijknamige bundel. Daarin staan ook tientallen andere gedichten van Flor Vandekerckhove. U kunt het e-boekje gratis in uw mailbox krijgen. Mail naar Mail naar liefkemores@telenet.be en de bundel wordt u per kerende toegestuurd.

Mail naar liefkemores@telenet.be en de bundel wordt u per kerende toegestuurd.