| Links: Bij landhuis Daerupt in Deinze poseert auteur Cyriel Buysse met zijn stiefdochters in de Minerva. Rechts: De imaginaire ontmoeting met Cyriel Buysse in de leeszaal van hotel Glibert in Bredene. Rechts, bij het raam, ben ik ’s mans biografie aan ’t lezen: Het leven, niets dan het leven: Cyriel Buysse en zijn tijd. (J. van Parys. 2008. Uitg. Atlas. 992 p.) |
En nu iets helemaal anders. Wie van mijn generatie is, kent Het gezin van Paemel, toneelstuk uit 1903 van Cyriel Buysse (°1859 - 1932†). Doordat er twee keer een televisiefilm van gemaakt wordt (1963 en 1978), hebben we het, denk ik, allemaal op tv gezien. Of in de cinema, want in 1986 is er ook een gelijknamige bioscoopfilm.
Wat weet ik nog van Buysse? Ik weet dat hij In 1908 een Minerva koopt, befaamd Belgisch automerk, goed voor een topsnelheid van 80 kilometer per uur. Daarmee maakt hij reisjes en die laten sporen na in reisverhalen, zoals De vroolijke tocht (1911). Ik citeer een stukje: ‘De groote, gróóte gave van de auto is, dat men er mee komt in plaatsen, waar men anders nooit aan denken zou. Wie zal zich de moeite getroosten drie kwart van een dag in een kruipend locaal-treintje te verboemelen om ergens een streek of stadje te bezoeken, waar misschien wel een aardig, pittoresk gezicht, maar misschien ook een saaie teleurstelling wacht? De auto vindt die plekjes op zijn weg; zij komen vanzelf naar hem toe; en, vindt hij ze niet aardig, hij hoeft er niet te blijven, niet te wachten op een of ander tragen, problematischen spoortrein: een draaitje aan den slinger en weg is hij, naar betere oorden.’
Heeft Cyriel Buysse met die Minerva in 1911 Bredene bezocht? In ’s mans biografie vind ik niets wat daarop wijst. Dat ik desondanks schrijf dat hij in le salon de lecture van hotel Glibert present tekent, komt doordat Buysse deel uitmaakt van een verhaal. In mijn geval komen daar al eens imaginaire ontmoetingen in voor. Ze geven er een mild surrealistisch karakter aan, iets wat ik bewust nastreef. Sommige van die ontmoetingen situeer ik in Gent, andere in Oostende en deze keer is ‘t in Bredene.
Flor Vandekerckhove⇲
In voettochten van 20 tot 30 kilometer wandelde Tania in 2020-21 rond heel Vlaanderen. Ik zette haar af waar ze vertrok en haalde haar op waar ze aankwam. Intussen zocht ik plekjes waar ik (over) kon schrijven. Dat leverde telkens een verhaal op, een impressie, een observatie, een vignet, een enkele keer ook een gedicht. 26 van die stukjes werden in 2021 verzameld in een boekje met als ondertitel ‘Een queeste naar Vlaamse identiteit’. Jan Loones leverde het voorwoord. Ook dit e-boekje (70 pagina's, veel foto's) van uitgeverij De Lachende Visch is gratis voor wie erom vraagt. Vragen doe je via liefkemores@telenet.be. (Vermeld ‘Langs Vlaamse wegen’. Alleen beschikbaar in pdf.)