vrijdag 13 maart 2026

Herinneringen aan de drukkerij

Noël, uitbater van drukkerij De Smet op de Hendrik Baelskaai, Oostoeroever Oostende. Hij toont een historische personeelsfoto van de drukkerij van Pros Vandenberghe.


NAAST AL DE indrukwekkende, nieuwe hoogbouw op de Oostendse Baelskaai staat daar ook nog een en ander overeind dat aan vroeger herinnert, tijd waarin de visserij op zichzelf volstond om op de Oosteroever - en ver daarbuiten - een hele sector draaiend te houden. Visserskroeg The Sailor is zo’n restant dat trouwens nog steeds in goede doen is. Dat is ook de daarnaast gelegen drukkerij De Smet. Noël nam die drukkerij over nadat Martine Vandenberghe de boeken had neergelegd. in 1988-89 heb ik er gewerkt en ook toen ik niet langer aan een drukpers stond, kwam ik er nog lang over de vloer met kopij voor Het Visserijblad.
Die drukkerij draagt veel Oostendse geschiedenis in zich. Niet alleen Het Visserijblad werd er gedrukt, dat was ook zo voor Het Nieuwsblad van de Kust, weekblad dat de concurrentie met De Zeewacht aanging en Vandeweek, reclameblad waarin Tips-uitgever Norbert Haeck de stiel leerde. Sociaal-liberaal Henri Degraeve bracht er kopij binnen voor De Kustbode. Camiel Devos liet er De Vlaamse Jager drukken en er was ook een Blankenbergs reclameblad, De Nieuwe Heraut, uitgegeven door het rechtse woelwater Bernard Callens. Soms stonden al die uitgevers er samen in het opmaakkot, ik herinner me de jongenssfeer van mannen die een tijdschriftje maken. 
Die jongenssfeer voelde ik ook elders in Oostende. Je had weekblad Tijdingen van de familie Lievens, daar zorgde een meisje voor de jongenssfeer. Ook was er wekelijks Le Courrier du Littoral, krant met een sterke overlijdensrubriek. Weet iemand nog waar Herman Moerman zijn Duinhelm liet drukken? (En hoe zag dat blaadje er eigenlijk uit?) Wie heeft nog een exemplaar liggen van Jan Olsens (linksflamingante?) Het Penoen? Beeld ik me die jongenssfeer alleen maar in? Niet helemaal toch, wat blijkt uit een foto waarop ik Henri Degrave zie staan, journalist Edward Lauwers, cinemauitbater Pierre Vanhakendover, journalist John Hermans, de toen nog jonge Herman Moerman en Michel Bailly, journalist van de Courrier du Littoral. Ge moet maar eens klikken op Wat ik van Herman Moerman geleerd heb, ge zult zien: de guitigheid stroomt van de groepsfoto.
Flor Vandekerckhove

Wij, met zand in onze schoenen is een memoir, waarin ik in 25 bladzijden terugdenk aan de weg die Luc Martinsen en ik afgelegd hebben, sinds onze eerste ontmoeting in 1988. Ik schreef dat boekje als een symfonie, een muziekstuk in drie delen, dat na het tweede deel onderbroken wordt door een interludium en afsluit met een coda. In de beste traditie van De Weggeefwinkel is ook Wij, met zand in onze schoenen gratis. U hoeft er alleen om te vragen. Mocht u interesse hebben, mail naar liefkemores@telenet.be↗︎. (Vermeld 'Zand' en zeg 'pdf' of 'epub'.)

donderdag 12 maart 2026

Hoe zwart was Ivo Michiels?

 Rechts: Sigrid Bousset, auteur van Wat ik haar niet vertelde. ‘Ik’ uit de titel is Ivo Michiels (inzet).


HET IS NIET voor ’t eerst dat ik een boek van Sigrid Bousset tot mij neem. Eerder las ik al haar gesprekken met Ivo Michiels. (°) Dat boek leidde me naar de schrijver zelve en de combinatie Sigrid-Ivo vond ook al zijn weg naar twee blogposts: De Laatste in gesprek met Ivo Michiels en Schrijver, ik vraag het je: ‘Waar gaan we naartoe?
Weer bevind ik me bij Bousset, nu in een boek dat, blijkens de titel, vervolg is van het eerste. Nu gaat het over Wat ik haar niet vertelde. (°°) En dat is nogal wat. Zo verwittigt ons al de flaptekst van Tom Lanoye: ‘Wie wil begrijpen wat zich achter de regels van Michiels’ avontuurlijke teksten verborgen hield, móet dit boek lezen.’
Ik bevind me op bladzijde 61 en ik heb al ferm veel notities en markeringen achtergelaten, strepen en omgeplooide hoekjes. Daar stoot ik nu op dit citaat, woorden van Ivo Michiels. Hij schrijft ze in een Vlaams-nationalistisch tijdschrift, in 1947, dat hij volgens Wikipedia mee heeft opgericht. Hij was toen al wegens collaboratie geïnterneerd geworden en inmiddels weer op vrije voeten: 
‘Geholpen door de belangstelling van de bezetter voor onze culturele waarden, naast de romantisch-heroïsche klank van de oostfront-strijd, richtte heel hun wezen zich op de verovering van het edele, het schone, het grootse, vooral het grootse. Eindelijk zouden zij aan hun heerlijke dromen een daadwerkelijke gestalte kunnen geven. En in die zin blijft de houding van deze jongeren ten overstaan van de rassentheorie bijvoorbeeld, dan ook te verstaan. Wat zij hiervan oppervlakkig konden aanvoelen was niets anders dan een gevoel voor schoonheid, nu alle misselijke en verderfelijke invloeden uit het volk zouden geweerd worden. De middelen die daartoe moesten worden aangewend, konden op hun naïef en uiteraard nog onbesmet gemoed, niet inwerken. Alleen het eindresultaat hield voor hen zijn verbindende glans. … Daar bleef de geest van de collaborerende jeugd steeds zuiver en ideologisch voldragen.’ (°°°) 
Ik lees en herlees: ‘onze culturele waarden’, ‘de romantisch-heroïsche klank van de oostfront-strijd’, ‘misselijke en verderfelijke invloeden uit het volk zouden geweerd worden’, ‘zuiver en ideologisch voldragen’. Een misselijk makende oefening in close reading
Ik wil niet op het boek vooruitlopen, ik moet nog zien of en hoe het denken van Ivo Michiels zich al dan niet ontwikkelt. Eerst wil ik iets anders kwijt. Ik ben niet van de generatie van Ivo Michiels (°1923 - 2012†), ik ben van een volgende, maar ik herken de katholieke dorpssfeer die Bousset in haar boek uittekent, Ik herken de beklemming ervan en ik herken de lokroep die het Vlaams-nationalisme daar laat horen. Die woorden van Ivo Michiels lezend, mag ik me gelukkig prijzen dat Mei 68 op mijn pad gekomen is. Goed begrijpend waaraan ik ontsnapt ben, zeg ik ook vandaag nog loud & clear: Ja, ik ben een soixante-huitard. Zo. Dat moest er eerst even uit. Nu verder lezen.


(°) Sigrid Bousset. Meer dan ik me herinner. Gesprekken met Ivo Michiels. 2011. De Bezige Bij, A’dam. 270 p.

(°°) Sigrid Bousset. Wat ik haar niet vertelde. 2025. A’dam. De Bezige Bij. 480 p.

(°°°) Ivo Michiels. ‘Hedendaagse jeugdproblemen (i)’. Golfslag, jaargang II, 5, 1947. (Ik citeer uit Bousset.)

woensdag 11 maart 2026

Een apotheker en zijn straffe toebak

De kop van de Duinenstraat in Bredene. De winkelgevel van de apotheek (vooraan links op de foto) is veranderd, maar tot vandaag valt aan de vitrines te zien dat daar een apotheek geweest is. (Op de foto wijzen tal van publiciteitsborden erop dat er in de winkel ook een fotoafdeling was, de twee zaken werden binnen gescheiden door een poortje.)

WAT EEN MERKWAARDIGE man was dat toch. In de apotheek bewoog hij zich achter een hoge, donkerbruin geverniste toonbank, met alleen in ’t midden een smalle mogelijkheid tot communicatie. Dat de man Franstalig was, Nederlandsonkundig zelfs, verkleinde de afstand niet, au contraire. Boezemde hij me schrik in of was het ontzag? Doktersbriefjes zorgden er hoe dan ook voor dat ik me er als kind met een ‘merci’ vanaf kon maken. 
Doordat ik uit een tijd stam waarin omzeggens alle mannen tabak rookten, rookte ook de apotheker. Door die smalle opening in de toonbank zag ik hem met poeders en pillen in de weer, terwijl hij achteloos een Gitane opstak, een gele sigaret, met sigarettenblaadjes gemaakt van maïspapier. Dat gele papier kwam, vermoedde ik in mijn kinderlijke naïviteit, de gezondheid ten goede. Was er in de wijk nog iemand die zo’n Gitanes rookte? Veel later heb ik het zelf geprobeerd, Gitanes maïs, maar dat was niet vol te houden, wegens veel te straffe toebak.
Flor Vandekerckhove

In 2017 publiceerde De Lachende Visch een boekje van veertig bladzijden, met als titel De X-files van Bredene. Het boekje verzamelt handpalmverhalen die ik eerder in De Laatste Vuurtorenwachter gepubliceerd had. Her en der werden details aangepast, de titels werden verkort tot een woord. 
Al deze verhalen hebben twee zaken gemeen. Ten eerste behoren ze tot het genre dat fantasy heet (of het is een parodie op dat genre, dat kan ook) en ten tweede spelen ze zich af in Bredene, de plek waar ik mijn jeugd doorbracht en waar ik op mijn oude dag weer gaan wonen ben. In de beste traditie van De Weggeefwinkel is ook dit e-boek (in dit geval alleen pdf) gratis verkrijgbaar voor wie erom vraagt. Doe het via liefkemores@telenet.be (vermeld X-files) en het boekje valt meteen in je e-box.

dinsdag 10 maart 2026

Oneliner van mijn schoenen

Van Gogh schilderde tijdens zijn Parijse periode verschillende stillevens van schoenen (rechts) of laarzen (midden). Het schilderij links werd later gemaakt, in Arles, en toont een eenmalige terugkeer naar het motief. Hier heeft Van Gogh de schoenen in een specifieke ruimtelijke context geplaatst: de rode tegelvloer van het Gele Huis. We kunnen niet alleen de omgeving identificeren, maar wellicht ook de eigenaar van de schoenen. Er is gesuggereerd dat dit "stilleven van oude boerenschoenen" die van Patience Escalier zou kunnen zijn, wiens portret Van Gogh rond dezelfde tijd, nazomer van 1888, schilderde.

als ik er nog niet lang in stond zou ik niet graag in mijn schoenen staan


MIJN ONELINERS (altijd 17 lettergrepen, geen kapitalen, geen leestekens) en driezinnenverhalen zijn experimenten in het maken van extreem korte verhalen. In het e-boekje 2HONDERD 3ZINNENVERHALEN & 1LINERS verzamel ik er zo 200. Het boekje heeft als bijkomende plus dat je elke titel kunt aanklikken, de link leidt je dan naar een video waarin het verhaal geïllustreerd wordt en ook te horen/zien valt, 200 YouTube-producties in totaal. EN DAT ALLES IN 1 BOEKJE ! Zoals alle digitale publicaties (pdf en EPUB) van De Lachende Visch is ook 2HONDERD 3ZINNENVERHALEN & 1LINERS gratis. Mail erom en je bestelling wordt meteen aangepakt door de juffrouwen van De Weggeefwinkel. (Vermeld de titel: in dit geval ‘200’, dan begrijp ik het wel.): liefkemores@telenet.be.

maandag 9 maart 2026

De doorbraak van Kathelijn Vervarcke


KATHELIJN VERVARCKE gunt hobbyisme geen kans. Ze bereidt een boek grondig voor, pluist archieven uit, bezoekt locaties, werkt aan een doorwrocht plan. Ze overlegt geduldig met de uitgever en levert een gaaf product af dat ze achteraf enthousiast promoot. En ze is geëngageerd. In Literatuur en de rafelranden… zegt ze: ‘Ik heb de pretentie om vergeten figuren, zoals De tekenaar van het Verzet uit de rafelranden van de geschiedenis te vissen, omdat ik hoop dat ze een bron van inspiratie vormen voor wie zich nog inzet voor een wereld waarin iedereen meetelt.’ 
Een boek van Vervarcke staat niet op zichzelf. Het zoekt zijn weg naar een geleide wandeling, naar het klaslokaal en naar het toneel. Bij dat toneel betrekt Vervarcke haar leerlingen. Bij de wandeling betrekt ze haar toneel. Met De Dakbroeders nodigt ze auteurs uit voor een debat over literatuur: ‘(…) uitgangspunt vormt de populariteit van collaboratieliteratuur tegenover de moeizame strijd van de verzetsverhalen. Dit breiden we uit naar andere genres: de aantrekkingskracht van vunzige moorden, ontrouwridders of landveroveraars. Waarom eren we het junkieverdriet van Jotie 't Hooft op koffiekopjes, kussenslopen en posters en zijn we dichter-verzetsstrijder Kamiel Top vergeten?’ 
Al wat hierboven staat, vind je ook weer in en om Het alsjeblieftmeisje, doorbraakroman van Kathelijn Vervarcke. Zeventien hoofdstukken, onderverdeeld in drie delen. In het openingsdeel en in het slot verneem je van alwetende verteller Vervarcke hoe het protagoniste Julie Catrysse na de oorlog vergaat. Blijkt dat de liefde overwint, want zo wil de auteur het: ‘Ja, we leven in dystopische tijden en ik wil met mijn liefdesromans een antigifcentrum vormen. De kenner van mijn oeuvre weet dat al mijn boeken in de diepte liefdesromans zijn. Liefde is sterker dan haat, dat is de centrale boodschap in al mijn boeken en toneelstukken.’ Daar tegenover staat het middendeel waarin Julie zelf aan ’t woord is. Dat deel verhaalt het leven zoals het voor Julie is, kind op de Oostendse Vuurtorenwijk; ze vertelt hoe ze tijdens de Eerste Wereldoorlog om den brode in de prostitutie terechtkomt. Ze is vijftien, zestien jaar, krijgt kroost, krijgt syfilis… Dat oorlogsleven stopt op het moment dat Vervarcke de mooie openingszinnen van het boek neerpent: ‘Het was al na middernacht toen de Duitse soldaten ons samen met het laatste geplunderde vee naar het station dreven. Wij, meisjes van de Oosteroever stapten zwijgend tussen de dorre uiers die geen enkele belofte van melk meer in zich droegen.’ Chapeau! Julie Catrysse gaat mee met het terugtrekkende Duitse leger, en zo doen het ook vele tientallen, zelfs honderden andere vrouwen. 
Uiteraard lees ik zo’n verhaal ook met mijn eigen, schuivende opvattingen over literatuur, wat mijn kritiek kadert en relativeert. Vervarcke is, vind ik, te belerend, ze wil haar boodschap overbrengen. Ze wil, zoals ze zelf zegt, tonen hoe de liefde overwint, ze wil onderwijzen. Nadat ik Het alsjeblieftmeisje had dichtgeklapt, dacht ik meteen: het middendeel had volstaan. Dat deel was op zichzelf sterk genoeg geweest. Het toont op overtuigende wijze echte mensen die ‘lijdend voorwerp’ van oorlog zijn. Een Duitse soldaat is het front meer dan beu en vraagt om Julies diensten. Hij was: ‘(…) op zoek naar een syfilishoer om hem te besmetten.' Maar, zegt u, waren er dan geen andere manieren om van het front weg te blijven? Welzeker: '
Zijn kameraad had zijn druiper te koop aangeboden. Hij had de etter goed ingewreven maar op een of andere manier had dit niet gewerkt, in tegenstelling tot zijn andere twee vrienden bij wie de gekochte etter een flinke druiper had opgeleverd. Daardoor konden ze niet terug naar het front.' Zo kwam hij uit bij de syfilishoer: '(…) De extra inkomsten waren meer dan welkom (…)’.  À la guerre comme à la guerre.

Kathelijn Vervarcke. Het alsjeblieftmeisje. 2025. Uitgeverij Lannoo. 242 p.

zondag 8 maart 2026

Hoe is ’t om veertien jaar te zijn?



EEN VAN MIJN kleindochters verjaart vandaag, Lou (°2012) wordt veertien. Ik probeer het me weer voor te stellen: hoe was het voor mij om veertien jaar te zijn? Het lukt me niet zo goed. Ik ga op zoek naar een foto van mezelf in 1963, jaar waarin ik veertien was. Er bestaat zo’n foto van mij op ’t strand. Ik sta aan de rand van een bevroren zee, ijs zover je kijken kunt, want in 1963 maakten we onze koudste winter ooit mee. Die foto vind ik helaas niet weer. Er is nog een foto. Daarop zit ik als veertienjarige op de fiets. Wazig beeld, daar kan ik hier niets mee aanvangen.
Veertienjarigen? Op ’t net vind ik een foto van op straat voetballende knapen. Die jongens zijn nog geen veertien. Wat denk je, Lou, die slungel aan de bal, is die al veertien jaar? Zagen veertienjarigen er in mijn tijd jonger uit dan nu? Ik vind ook zo’n straatbeeld met meisjes. Wat denk je, Lou, dat meisje dat daar de show steelt, is zij veertien? Feit: beide foto’s dateren uit een tijd waarin kinderen als ik de straat opzochten. Wij, veertienjarigen, waren straatlopers. Die zie ik hier nu niet meer. En ’s zondags droegen we 
zondagse kleren. Daar kon je op straat echt niets mee aanvangen, dat weet ik nog goed.

zaterdag 7 maart 2026

Wat een mens!

Conrad Detrez in 1981. (Foto Claude Truong-Ngoc) 

WAT EEN LEVEN! Wat een mens! Wat een tijd! Toen Conrad Detrez (°1937 - 1985†) stierf, was hij niet eens achtenveertig geworden. Maar welk hallucinant leven had hij al niet geleid! Zoon van een Franstalige beenhouwer in een dorpje dat toen nog Limburgs was en later aan Wallonië gehecht werd; seminarist die net op tijd aan het priesterschap kon ontsnappen; lekenhelper in de sloppenwijken van Rio; gezochte guerrillero die een schijnexecutie moest ondergaan; bevriend met Régis Debray; journalist voor o.m. Le Monde; verkerend in de 'betere kringen' van Parijs; eindigend als Frans diplomaat in Nicaragua ten tijde van de sandinisten. 
Peter Daerden schreef de biografie van deze mens, boek dat tegelijk de geschiedenis weergeeft van een recente, maar wel afgesloten tijd. (°) In de biografie — een der beste die ik in dat genre ooit gelezen heb — heet Conrad Detrez: ‘(…) een volhardend restant van een uitdovende, aan belang verliezende generatie.’ Als ik zijn leven met een politieke term mag samenvatten: een tiermondist
Zijn tijd overlapt gedeeltelijk de onze en ik herken in het boek veel van wat ons toen ook begeesterde: namen van Latijns-Amerikaanse revolutionairen, organisaties die toentertijd school maakten, termen als ‘guevarisme’ en ‘foquismo’… Detrez had er de korte bloeitijd van beleefd.
Schrijver was hij ook. L’Herbe à brûler (1977) was een internationale bestseller en Detrez won er in 1978 de prestigieuze Prix Renaudot mee. Het boek werd in ’t Nederlands vertaald als Dor gras, ik heb het nooit gelezen, probeer het te vinden. Amazon heeft Dor gras niet liggen, De Slegte evenmin. Openbare Bib Oostende: noppes. De tijd van Conrad Detrez is duidelijk voorbij.
Flor Vandekerckhove

(°) Peter Daerden: Revolutie in Rio. Conrad Detrez tussen God en guerrilla, samba en saudade, TZARA, Antwerpen 2023, 408 p.

vrijdag 6 maart 2026

Aan mij kleeft een restant van reputatie

Vertellend het publiek opzwepen (been there, done that.)

HET GROOT KOOR van KleinVerhaal viert in juni de release van een plaat met zelfgeschreven en zelf gecomponeerde vissers-liederen. Ze zoeken iemand die het publiek die avond vooraf opzweept — zo staat het er letterlijk — en komen daarvoor bij mij terecht. ’t Is waar dat ik dat kan, een publiek opzwepen, ik heb het vroeger menig keer gedaan. Dat er terzake nog een zweem van reputatie aan mij kleeft, wist ik echter niet. 
Omdat het gebeuren in Oostduinkerke doorgaat, plek die ik vooral omwille van Jan Loones genegen ben, neigde ik op hun bede in te gaan, maar Tania raadt het me af. Ze weet hoe ik ineen zit en daardoor moet ik haar gelijk geven, dus beslis ik om het toch niet te doen. (Zo heeft ze me ook afgeraden nog langer daken te beklimmen, waardoor ik inmiddels mijn huisje in Frankrijk verkocht heb.)
Daarbij komt dat ik een solitaire vorm van schrijverschap nastreef. Een schrijver als ik blijft in zijn kot. Ik ga nergens heen, al wat ik moet doen is goed (leren) schrijven. Ik sta daar niet alleen in. (°) Ook dichter Michel Bartosik (°1948 - 2008†) nochtans intens participerend aan het jolige genootschap Pink Poets, is die mening toegedaan: ‘Bartosik is de enige van de Pink Poets die zijn lidmaatschap achteraf betreurde (…). Literatuur werkt volgens hem niet in groep: “Een schrijver moet begrijpen dat hij alleen is”.’ (°°) Ook de Amerikaan Russell Edson is 'onze' mening toegedaan: ‘Omdat ik een beetje een kluizenaar ben, heb ik mezelf nooit als marginaal of mainstream beschouwd, ik ben gewoon blij dat ik schrijf. (…) In plaats van te socialiseren kweek ik liever paddenstoelen in de grot van mijn gedachten en communiceer met vleermuizen die in mijn gepersonaliseerde klokkentoren wonen.’ (°°°) Hebben we gelijk, Edson, Bartosik en ik? Ja en neen, want ook dit zegt Russell Edson: ‘Helaas is poëzie nu een sociale club. Je moet niet alleen schrijven, je moet ook een sociaal wezen zijn. Het sociale deel is waarschijnlijk het belangrijkste. Wie een prettig persoon is, hoeft zelfs niet echt goed te schrijven om een schrijfcarrière te hebben.’ Maar goed, een prettig persoon ben ik niet en ik moet, onprettig als ik ben, me vooral niet prettig willen voordoen, dat levert alleen maar stress op. Tania heeft dat goed gezien.
Flor Vandekerckhove

(°) ’t Is bijvoorbeeld onderwerp van debat tussen Henry Miller en George Orwell
(°°) Geciteerd in de biografie van Patrick Conrad, op p. 234. (Uit een interview met Bartosik in Van de Plas. ‘Een Antwerps artistiek genootschap: schijn en werkelijkheid’, p.95-102.)
(°°°) Mark Tursi in An Interview with Russell Edson

Velerlei maquis is een essay waarin een periode uit het het werk van Charles Baudelare, Paul van Ostaijen en Bob Dylan belicht wordt, meer bepaald de tijd waarin ze hun werk in het verborgene (het maquis uit de titel) produceerden. Zoals al de e-boeken van uitgeverij De Lachende Visch is ook dit essay gratis voor wie erom vraagt. Er is een PDF-versie en het is ook beschikbaar in EPUB. Je kunt bestellen via liefkemores@telenet.be. De Weggeefwinkel zorgt ervoor dat het in je mailbox valt. (Vermeld titel en zeg welke versie je verkiest, pdf of epub.)


donderdag 5 maart 2026

Een droom, naverteld in exact honderd woorden (Scheepswerf Beliard)

Johnny Verplancke fotografeert al dan niet geklasseerd erfgoed in de staat waarin het zich bevindt. Zijn indrukwekkende collectie (bijna 4000 foto’s) staat hier op flickr. In 2012 maakte hij een reeks foto’s over de restanten van Scheepswerf Beliard in Oostende. 


Droom 39. — AAN DE ACHTERKANT had ik een hoge muur beklommen, klimpartij die ik destijds, toen ik nog onverschrokken was, menig keer gedaan had, en was zo, dank zij deze waaghalzerij, binnengeraakt, wat me deze keer, wegens mijn inmiddels bereikte hoge leeftijd, gevaarlijker dan vroeger leek, in die mate zelfs dat ik langs diezelfde muur niet meer naar beneden durfde en in het gebouw op zoek ging naar een uitgang, waarbij ik onverwachts in een bewoond deel terechtkwam, waar iemand die ik dacht te kennen, maar niet thuis kon wijzen, me een sleutel gaf en ik via een verdoken zijdeur buiten kon. (Flor Vandekerckhove)

In 1991 publiceerde uitgeverij Manga De smaak van zeewater, 172 bladzijden met verhalen die zich op de Oostendse Baelskaai afspelen. Dat boek is uiteraard al lang niet meer in de handel verkrijgbaar, wel kan het nog ontleend worden in de Oostendse openbare bibliotheek. Het boek verzamelt verhalen die kort zijn, maar toch nog veel langer dan de handpalmverhalen waarin ik me sinds 2014 specialiseer. Een aantal van die kaaiverhalen uit 1991 nam ik weer ter hand, herwerkte ze tot smoke-long stories, verhalen die helemaal gelezen zijn tegen de tijd dat je de peuk uitduwt, een plastische maar ongezonde omschrijving. Een ervan — over de kaaihoer die ik in 1989 leerde kennen — staat in Op de Oosteroever zijn de zeden niet veranderd; een ander — over een aankoop in De kurkenzak — staat in Over een tijd die nooit meer terugkomt. Een derde, over smederij Schockaert, heet Over mijn extreem korte carrière als scheepssmid. Een vierde heet Dansen in ’t Veegeetje. 

dinsdag 3 maart 2026

In een lange zin van exact honderd woorden, denkend aan de derde slager

Twee beenhouwerijen in Duinenstraat Bredene. Links de slagerij op de hoek van Duinenstraat en Prins Karellaan (Ik ben de naam van de beenhouwer vergeten, Stroobant? Het huis bestaat nog en staat momenteel te koop.) Rechts: beenhouwerij die in mijn kindertijd uitgebaat werd door Fernand Minne en zijn echtgenote Annoot. (Het huis bestaat niet meer. In de nieuwbouw bevindt zich nu op de benedenverdieping voedingswinkel P&P.)

SOMS, MEESTAL ROND vijf uur ’s ochtends, soms iets vroeger, soms iets later, wijl ik de slaap niet vatten kan en in volslagen duisternis naar ’t slaapkamerplafond lig te staren, ogen wijdopen, denk ik, met wild kloppend hart, na over de niet op te lossen vraag hoe het me zou vergaan zijn, mocht ik, zoals Onze Marcel dat ook wel wilde, beenhouwer-spekslager geworden zijn, een eerstgeborene die, na gedane studies in de slagersschool van Anderlecht, het heft (van het kapmes) ter hand neemt en de kiekenwinkel op kordate en spitsvondige wijze uitbouwt tot de derde slagerswinkel van de Duinenstraat. (Flor Vandekerckhove)

De papieren versie van de roman (2012) is al lang uitverkocht, maar uitgeverij De Lachende Visch stelt u ter vervanging de digitale AMANDINE voor, ‘de paint it black-editie’, zo genoemd omdat de illustraties uit de oorspronkelijke publicatie ontbreken en ook omdat de song met die naam een rol in het boek speelt. 33 hoofdstukken, 231 bladzijden, meer dan 63.000 woorden. AMANDINE vertelt het epos van de Oostendse visserij en hoe die geschiedenis het leven van de ik-figuur tot vandaag tekent. Zoals alle e-boeken van De Lachende Visch is ook AMANDINE gratis. Schrijf naar liefkemores@telenet.be(vermeld de titel, zeg of je epub of pdf wenst) en De Weggeefwinkel stuurt het boek meteen naar uw mailbox.