maandag 17 augustus 2026

Surrealisme-light is als… een leugentje om bestwil

Surrealisme op de Oostendse Oosteroever (Dit surrealistische beeld werd me geleverd door Lina Volga uit Moskou.)

IK WEET NOG altijd niet goed wat het is, maar ik heb al lang een naam: surrealisme-light. Met die naam betreed ik de bewogen geschiedenis van het surrealisme. Hoe lang probeer ik dat light al te definiëren? In 2020 dacht ik er al over na: Op weg naar Croatan. Al in 2012 is er een twijfelachtig voorbeeld: Hoe de nar aan zijn einde kwam. Onderweg ontmoet ik mensen die zich van dat surrealisme afbakenen en zich imaginair-realist noemen, poëtisch realist of magisch-realist. Wat het niet eenvoudiger maakt.
Via Absolument Surréaliste leer ik Lina Volga (°) kennen. Van haar leen ik een beeld waarmee ik goed kan aantonen welk surrealisme ik niet ambieer. Stel dat ik met de wagen over de Oostendse Baelskaai rij. Plots ben ik daar getuige van de botsing van twee vliegende schotels. Bijna deel ik in de brokken. Het levert een puur surrealistisch beeld op, dat wel beklijft, maar toch niet het soort verhaal is dat ik wil vertellen. Het is me  surrealistisch. Vraag blijft: wat wil ik dan wel?
Ik werk aan een mini-essay over dichter James Tate. Ook die Amerikaan wordt surrealist genoemd. Zijn prozagedichten zijn veelal grappig. Charles Simic zegt over Tates poëzie: ‘If Tate is a Surrealist, he belongs to that native strain to which Mark Twain, Buster Keaton, and W. C. Fields also belong.’ (°°°) Da’s evenmin de grapjasserij die ik met mijn surrealisme-light beoog, maar ik ben wel fan van die Tate. Wie De Laatste Vuurtorenwachter volgt, weet dat ik al lang op zoek ben naar meer essays over Tates werk. Tevergeefs… Tot ik een telefoontje kreeg van de zusters Lingier die in Bredene hotel Helvetia uitbaatten. (°°°°) ‘Ken je ‘On James Tate’, een bundel essays geredigeerd door Brian Henry?’ vroegen ze me en ze gingen meteen door: ‘Dat staat vol essays over James Tate en ook met besprekingen van zijn bundels.’ Dat moet ge me geen twee keer zeggen. En zo komt het dat ge me al op het terras van de Lafayette met die James Tate hebt kunnen aantreffen. (°°°°°) Wel, zo'n imaginair telefoontje van die (al lang overleden) zusters en zo'n imaginaire ontmoeting met die (ook al overleden) dichter, dát is de milde vorm van surrealisme die ik nastreef. Ge zoudt het ook realisme-plus kunnen noemen en misschien ook wel ‘een leugentje om bestwil’.
Flor Vandekerckhove

(°) Omdat ik vandaag een beeld van haar gebruik, probeer ik fatsoenlijkheidshalve Lina te contacteren, vooral om te vragen of ik dat wel mag doen, haar beeld gebruiken. En floep, daar vergrendelt ze meteen haar FB-profiel. Heeft het ermee te maken dat ze in Moskou woont? Is ’t omdat ze een Russin is? Heeft het de oorlog in Oekraïne te maken? Geraak ik verwikkeld in een internationaal politiek kluwen als ik dat beeld zonder haar expliciete toestemming gebruik?
(°°) Charles Simic (1938-2023). The metaphysician in the dark. 198 p. University of Michigan Press. 2003. 
(°°°) On James Tate. Edited by Brian Henry. 190 p. Uitg. The University of Michigan Press. 2004. 
(°°°°) Hiernaast zie je me in de gelagzaal van hotel Helvetia, Bredene, bladerend in de boeken die de zusters Lingier me aanbevelen. Ook dat is surrealisme-light.
(°°°°°) Op dat caféterras hadden we het over een essay van Marjorie Perloff. ‘A Kind of Fluidity’: James Tate’s Variations on the Prose Poem. In On James Tate. Bobo Kool draaide speciaal voor ons platen.

zondag 16 augustus 2026

Nooit eerder was hier zoveel volk

Zonder eclipsbrilletje durf ik niet te kijken. 

15 augustus WOLKEN DEMPEN HITTEGOLF, wind waait warmte weg. Uit het raam roep ik Jonathan de meeuw toe, ki ki ki, wat wil zeggen: ge moet wachten. Naast de lavabo de radio. DE MIS! Godver, zeg ik, de mis, ’t is zondag. Die had ik niet zien aankomen. Vlug inspecteer ik de voorraadkast. Brood, cacaopoeder, melk, choco, peren van de boom. Daar komt een mens als ik de zondag wel mee door. Ik voeder Jonathan en roep Polleke naar binnen. Dan zie ik het: ’t is niet zondag, ’t is zaterdag, ’t is 15 augustus, ’t is hoogdag. Lidl twee dagen dicht! Omdat ik liever niet twee dagen alleen brood, cacao, melk en choco eet, begeef ik me met een lang gat naar Albert Heyn. Onderweg valt me de massa op. Er is zoveel volk dat wijlen onze Marcel gezegd zou hebben dat er nooit voorheen zoveel volk geweest is. Wel, er is nooit zoveel volk geweest. Ook in Albert Heyn is nooit zoveel volk geweest. Dat is een vermoeden, ik ga er anders nooit. Daar word ik nu voor gestraft. Ik vind mijn weg niet tussen winkelrekken, winkelende medemensen, werkend winkelpersoneel. Dan maar Delhaize. Ook daar is nooit voorheen zoveel volk geweest en ook daar vind ik mijn draai niet. Ik haast me naar de Colruyt die om 12 uur sluit. Al de winkelkarren bezet, al de kassa’s open. Nooit voorheen is daar zoveel volk geweest. Doordat ik in die Colruyt goed mijn weg ken, koop ik in een vloeiende beweging genoeg om ’t weekend door te komen. Plotsklaps en onverwachts eist al dat winkelen zijn tol, mijn hoofd tolt van al die wemelende mensen, van al dat weg en weer lopen tussen winkels waar nooit voorheen zoveel volk was. Om deze stresserende zaterdagmorgen nog verder aan te kunnen moet ik Hic et nunc alleen zijn, helemaal alleen. In mijn hoofd draai ik een knop om, waardoor ik me plots met mijn boodschappentassen op een verlaten strekdam bevind, ik weet niet welke, ik weet niet waar. Daar word ik verblind door een hel licht. Zonder eclipsbrilletje durf ik niet te kijken. Spijtig, anders was ik getuige geweest van Maria’s Hemelvaart die, zoals ge weet, op 15 augustus geschiedt, iets wat ik compleet vergeten was. 
Flor Vandekerckhove

De X-files van Bredene is een e-boekje dat De Lachende Visch al in 2017 uitgaf. Het verzamelt enkele handpalmverhalen die ik eerder in De Laatste Vuurtorenwachter gepubliceerd had. Al deze verhalen hebben twee zaken gemeen. Ten eerste behoren ze tot het genre dat fantasy heet (of het is een parodie op dat genre, dat kan ook) en ten tweede spelen ze zich af in Bredene, waar ik mijn jeugd doorbracht en waar ik op mijn oude dag weer gaan wonen ben. Het wordt buiten de markt verdeeld en is derhalve niet in de handel te koop. Wie het hebben wil, kan ernaar vragen, het is gratis. Mail naar liefkemores@telenet.be en vermeld X-files (Alleen in pdf verkrijgbaar).

zaterdag 15 augustus 2026

Kurt Cobain ontmoet William S. Burroughs


ER IS ALTIJD connectie geweest tussen de beat poets en rock ’n roll. Er is Royston Ellis die de brug legde tussen beat en The Beatles. Allen Ginsberg werkte met Paul McCartney aan de opname van de Skelettenballade. Ginsberg deed dat graag, met rockers het podium delen, zo ook met The Clash. Hij nam deel aan Dylans Rolling Thunder Revue en daar tekende ook Anne Waldman present, een van de schaarse beat-vrouwen. Naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van Ginsbergs The Fall of America zetten twintig R&R-muzikanten elk afzonderlijk een stukje uit de poëziebundel op muziek
Williams S. Burroughs is een apart geval. Zijn’ cut-up techniek werd door tal van R&R-songwriters overgenomen, ik postte er een lijstje van: Songwriters en de cut-up. Er bestaat een historisch document uit 1978 waarin Frank Zappa uit Burroughs Naked Lunch voorleest. Burroughs werkte in 1988-90 samen met Tom Waits (muziek), Robert Wilson (tekeningen) en Gus Van Sant (film) aan The Black Rider. Al die tijd bleef hij een teruggetrokken leven ambiëren. 
Dat teruggetrokken leven werd danig op de proef gesteld nadat David Cronenberg in 1991 zijn Naked Lunch verfilmd had. Burroughs kreeg af te rekenen met de negatieve kant van de roem. Fans hingen onaangekondigd aan z’n deurbel. Beroemdheden kwamen langs: Chris Stein van Blondie, Patti Smith die wel iets wilde beginnen met de ouwe, de members van Sonic Youth… De beroemdste bezoeker was Kurt Cobain, fan van Burroughs. Ze hadden samen al een plaat gemaakt: ‘De samenwerking was Cobains idee. Burroughs had natuurlijk geen idee wie Cobain was, hij had nog nooit van Nirvana gehoord. Bill nam op 25 september 1992 thuis een tekst op met de titel "The Priest They Called Him", die hij naar Cobain in Seattle stuurde. Cobain voegde daar (…) een gitaarbegeleiding aan toe met een aantrekkelijk, psychedelisch sound. Het resultaat was een extended play, een van Cobains meest obscure opnames. Cobain was verheugd en schreef in zijn dagboek: "Ik heb samengewerkt met een van mijn enige idolen, William Burroughs, en ik voel me geweldig.”’ (°) (°°) Burroughs bedankte beleefd om op te treden in een promotievideo voor de plaat. In oktober 1993 mocht Cobain op bezoek komen. Burroughs zei daar later over: ‘Er is iets mis met die jongen: hij fronst zonder enige reden.’ Over de ontmoeting zei hij verder nog: ‘Cobain was erg verlegen, heel beleefd en genoot er duidelijk van dat ik niet onder de indruk was toen ik hem ontmoette. Er was iets aan hem, fragiel en innemend verloren.(…)’ Cobain van zijn kant zei: ‘Ik denk niet dat hij ooit beweerd heeft een rock-’n-roll-liefhebber te zijn, weet je wel. Maar hij heeft me via zijn boeken en interviews veel geleerd waar ik hem erg dankbaar voor ben. Ik herinner me dat hij in een interview zei: “Die rock-'n-roll-kids zouden hun gitaren gewoon moeten weggooien en naar iets met echte soul moeten luisteren, zoals Leadbelly.” Ik had nog nooit van Leadbelly gehoord, dus kocht ik een paar platen en nu blijkt hij mijn absolute favoriete artiest aller tijden te zijn. Ik ben er dol op, meer dan op welke rock-'n-roll die ik ooit heb gehoord.’ (°°°)
Flor Vandekerckhove


(°) Google Translation vertaalde voor mij de citaten. Ze komen uit Barry Miles William S. Burroughs: A life. 737 p. Uitg. Weidenfeld & Nicolson. 2014. 

vrijdag 14 augustus 2026

Drie Oostendse cinemazalen, drie vertellingen

Van links naar rechts: Capitole, Cameo, Cine Opex.


RECHTOVER MIJN OUDERLIJKE woning was er Café du Littoral, in de zomer pension, in de winter volkscafé en lokaal van veloclub de Duinensprinters. Verlangend keek ik uit naar de filmaffiches die wekelijks aan het raam gehangen werden. Veel kans dat het een cowboyfilm was, veel kans dat we die film gingen zien. Ik herinner me de Oostendse cinemazalen uit mijn kindertijd. Wij gingen er op zondagmiddagen heen, papa, mama, ik. Tal van die Oostendse cinemaherinneringen vonden al hun weg naar deze blog. Je kunt die stukjes weer oproepen door ze aan te klikken. (Flor Vandekerckhove)

1. Ook sluiswachter Pascal Deckmyn heeft herinneringen aan de Oostendse cinema’s. In De Laatste Vuurtorenwachter heb ik ze verzameld onder ‘De Oostendse vissers en de cinema.



 

 

2. Met de Hillman naar de cinema? 't Was een onzekere kwestie. Start hij of start hij niet? Lees het verhaal, klik op Met de Hillman naar de Cameo.





3. De reis rond de wereld in 80 dagen, zag ik, in 1958, denk ik, in de Capitole. Sweet memories. Kijk met me mee, klik hier.


donderdag 13 augustus 2026

Op zoek naar een gedeukt medaillon in Lisieux

Ik zoek hier, ik zoek daar, ik zoek overal.

6 augustus 2026 — WE ZIJN ER al eens in een boog omheen gereden, maar nu houden we er halt. In Lisieux gaan we de confrontatie aan met Theresia van Lisieux die daar inderdaad overvloedig present tekent. We passeren een versleten bisschoppelijk paleis, bezoeken een oude kathedraal en een nieuwe basiliek. Theresia alom. 
Pastoor neemt achter glas de biecht af en gaat daarna iets eten, vrouw gaat in extase en vervolgt daarna haar weg, kaars flikkert hevig en dooft plots uit terwijl ik erop sta te kijken, zijaltaren, zijaltaren, zijaltaren en elk zijaltaar heeft zijn verhaal, in de nok een duif die denkt dat hij een heilige geest is, Tania koopt magneetjes om aan de frigo te hangen, foto’s van Theresia, woorden van Theresia, woorden over Theresia. Ik verneem dat niet alleen Theresia heilig is maar ook haar ouders, ik denk na over wat het is een schapulier te zijn, in een doorzichtige bokaal laten schijnbaar normale mensen gebedjes vallen die ze op daarvoor beschikbaar papiertjes schrijven, de hittegolf eist ook bij mij een tol, 
een kerkstoel begint uit zichzelf te bewegen, ik ga zitten op de stoel die gelukkig ophoudt te bewegen, na enkele tellen kan ik er weer tegen en vervolg ik mijn weg doorheen deze wondere wereld.
Ik vind helaas niet wat ik zoek. Daar kan Theresia niets aan doen, het is mijn fout. Had ik me beter voorbereid dan was ik meteen naar het plaatselijke carmelietenklooster getrokken, want, lees ik hier: ‘Talloze relikwieën van de heilige die op wonderbaarlijke wijze geweerkogels tegenhielden als echte schilden en zo het leven redden van de soldaten die ze droegen, bevinden zich in haar klooster van Lisieux.’ In het kloostermemoriaal had ik wellicht wel zo’n gedeukt medaillon kunnen bekijken, onmiskenbaar bewijs dat er een kogel op is afgeketst. 
Zo’n gedeukt medaillon is inderdaad wat ik per se wil zien, ik weet niet waarom. Op ’t internet zoek ik achteraf nog even tussen de diverse ex-voto’s. Er zijn helmen, kogels, granaatscherven, epauletten en onderscheidingen (zoals het Croix de Guerre) die soldaten naar de nonnen sturen. Geen gedeukt medaillon. Ik surf verder naar het kloosterarchief en vind deze brief van een korporaal die in mei 1917 schrijft: ‘Een revolverkogel doorboorde mijn jas, mijn notitieboekje, mijn portemonnee en zelfs mijn vest, precies boven mijn hart. Maar de kogel kaatste af zonder mijn shirt te raken dankzij het kleine medaillon van zuster Thérèse, dat daar als schild diende. Het was 's ochtends, bij daglicht, dat ik het opmerkte, en op dat moment boog ik diep voor mijn lieve Thérèse. (…)’
Flor Vandekerckhove

Je weet dat ik graag een genre uittest, een vorm onderzoek: drabble, rijmloos kwatrijn, verhalen van nauwelijks een alinea lang, oneliners, mini-assay… Zo experimenteer ik ook met proza in versvorm, provovers, het omgekeerde als ’t ware van een prozagedicht. Zo’n experiment met provovers is Het huis, allegorisch, roman, extreem kort, gothic. De Lachende Visch publiceerde de provovers-versie in 2021 en sindsdien staat het boek in de etalage van De Weggeefwinkel. Het e-boek is gratis voor wie erom vraagt. Mail naar liefkemores@telenet.be. Schrijf HET HUIS en zeg of je EPUB dan wel PDF wenst.

woensdag 12 augustus 2026

Wat hebben The Ventures met Frédéric Chopin te maken?

Op het podium: The Ventures. In het publiek, verenigd in een imaginaire ontmoeting, van links naar rechts, Marlies De MunckDimitri SjostakovitsjFrédéric Chopin en Hanns Eisler.

DAARTOE AANGEVUURD DOOR muziekfilosofe Marlies De Munck, postte ik anderhalf jaar geleden een stukje over muziek. Dat cirkelde rond de vraag of muziek al dan niet uitsluitend naar zichzelf verwijst. Vertrekken deed De Munck van een discussie tussen Frédéric Chopin en George Sand. Ze haalde er Sjostakovitsj en Stalin bij en ook Hanns Eisler en het Committee on un-American activities. Allemaal zeer interessant. Zelf haalde ik Composing for the Films’ van ’t net, waarin ook iets staat dat goed in die Chopin-Sand-discussie past. Ik herlees mijn post uit februari 2025 en constateer dat ik er nog altijd tevreden over mag zijn, iets wat zelden voorkomt, meestal storen me in zo’n geval de onvolmaaktheden. 
Aanleiding voor dat stukje was een boek dat de muziekfilosofe geschreven had, ’Waarom Chopin de regen niet wilde horen’ (°) Dat boekje had ik toen niet gelezen, ik lees het nu voor ’t eerst. Neen, ’t is niet altijd nodig om een boek te lezen om er iets zinnigs over te vertellen, kijk maar naar dit Pleidooi voor het half lezen.
Moet ik, nu ik ’t essay eindelijk gelezen heb, iets aan die post toevoegen? Inmiddels wetend dat de discussie bij Pythagoras en Plato aanvangt en voorlopig eindigt bij Marlies zelve? Liever neem ik de vlucht voorwaarts en begin aan het tweede deel van haar boek: ‘De vlucht van de nachtegaal, Een filosofisch pleidooi voor de muzikant.’ Deze keer komt mijn post er pas na 't lezen, want zo kan het uiteraard ook. 
Vergenoeg u in afwachting met het highbrow 'Rond muziek hangt een mysterie'⇲. Luister/kijk daarna naar een very lowbrow praktijkvoorbeeld, met name de instrumentale muziek van dit olijke popgroepje dat zich tijdens ’t optreden afvraagt waar de plaats van de drummer is, vooraan, achteraan, tussenin: The Ventures met Walk, Don't Run
.
(°) Marlies De Munck. Waarom Chopin de regen niet wilde horen (en andere vragen uit de filosofie van de muziek) (2017, 2de, gewijzigde editie 2023). Uitg. Letterwerk. 120 p. 

dinsdag 11 augustus 2026

Mansarde

Links zie je hoe het zou zijn mocht ik op hoge leeftijd door een dakvenster naar meisjes kijken die beneden passeren. Dakramen zijn nu groter dan toen, in die tijd kon je er alleen maar met je hoofd door. (En sigaretten roken doe ik ook niet meer.) De groene pijl wijst naar mijn slaapkamer onder ’t dak, een mansarde, Rechts: 1968. Huizen in de Duinenstraat van Bredene. Alleen het eerste huis van deze rij bestaat nog, het huis met de witte erker. Daar is nu op de benedenverdieping een tattooshop. De andere gebouwen werden gesloopt. Waar het uithangbord LAITERIE hangt en daarnaast, waar metselaars een dak aanbrengen, staat nu flatgebouw Duett.

elke zondagmiddag trek ik me terug 
op mijn mansarde
waar ik heimelijk een sigaret opsteek
terwijl ik vanuit het dakvenster
over de straat uitkijk
en terwijl de rook het zwerk opzoekt
waar zoals je weet 
de meeuwen schreeuwen
luister ik naar de jukebox
van ’t café rechtover de deur
waar Will Tura over een meisje zingt
van zeventien
dat nog met haar teddybeer slaapt
dan stapt mijn nicht Nadine voorbij
ze ziet me niet
maar ik haar wel
haar tred is anders
zoals ze daar nu stapt
hoe doet ze het en waarom
twee vragen 
die sindsdien mijn zondagen kleuren

Op 't einde van 2020 ontwikkelde ik een 'eenvoudige manier van schrijven' die geheel de mijne is. Mansarde is op die manier geschreven. Mij kwam het toen ook toe de nieuwigheid een naam te geven, alsmede de vereisten ervan in steen te beitelen: proza in de vorm van een vers, afgekort provovers (mv. provoverzen? de beoefenaar ervan: een provoversaal?) Dat provovers werd door mij geijkt in vier geboden. (1) het provovers telt exact honderd woorden, titel niet inbegrepen; (2) de titel van het provovers bestaat uit één woord; (3) leestekens ontbreken, alsook kapitalen (behalve als het een eigennaam betreft); (4) de vorm van het provovers kenmerkt zich door lijnafbrekingen, dermate georganiseerd dat ze het lezen faciliteren. Visueel maken die lijnafbrekingen er een vrij vers van — een proza+ — dat de lezer kan savoureren als ware ’t eenvoudige poëzie van het soort dat een spreker gemakkelijk parlando ten gehore brengt. 
Wie in de blog het label ‘provovers’ aanklikt, krijgt tientallen voorbeelden te zien. De nieuwe vorm vond ook al een weg in GAUW!, verhaal van mijn kinderjaren, dat ik op die manier herschreef. In Tienerklanken, het verhaal van mijn collegejaren, schreef ik enkele hoofdstukjes in provovers. Bij uitgeverij De Lachende Visch verscheen in 2023  Gesprekken met Polleke, vijftig dergelijke provoverzen in een boekje. Zoals alle e-boeken van De Lachende Visch is ook Gesprekken met Polleke gratis. Mail erom (vermeld de titel en zeg of je ’t in pdf of epub wilt hebben): liefkemores@telenet.be.

zondag 9 augustus 2026

Surrealisme-light op het terras van de Lafayette

Op het terras van de Lafayette zie ik in een imaginaire ontmoeting de Amerikaanse dichter James Tate (°1943 - 2015†). 

EEN MENS VRAAGT het zich af. Waarom verliet de Amerikaanse dichter James Tate (°1943 - 2015†) de poëzie met lijnafbrekingen, iets waarmee hij nochtans succes oogstte? Waarom ging hij volop voor prozagedichten
Dat Charles Baudelaire zoiets in de negentiende eeuw deed, valt gemakkelijk te begrijpen, zegt ook Marjorie Perloff (°): ‘Baudelaire wilde af van het knellende karkas van opgelegde versvormen. Maar in het Amerika van na de Tweede Wereldoorlog was poëzie niet langer aan die strenge vormregels gebonden, het vers was vrij. Waarom was dat voor Tate niet genoeg?’ 
James Tate geeft zelf een reden: ‘Het prozagedicht heeft zijn eigen verleidingsmechanismen. Om te beginnen de bedrieglijk eenvoudige verpakking: de alinea. Mensen vluchten over het algemeen niet weg wanneer ze een alinea of ​​twee tegenkomen. De alinea zegt als het ware: ik neem niet veel van je tijd in beslag en ik sta er niet om bekend dat ik geheimzinnig, onbegrijpelijk, pretentieus of hoogdravend zou zijn. Kom binnen... En wanneer er aan het einde van een prozagedicht een epifanie of een soort aha-moment is bereikt, is dat bijzonder bevredigend. Je kijkt ernaar en je zegt: "Hé, ik dacht dat ik gewoon een alinea of ​​twee aan het lezen was, maar jeetje, ik denk dat ik een glimp van de eeuwigheid heb opgevangen."’ Verder zegt Perloff daar nog over: ‘Ondanks de nonchalante, geestige toon, plaatst deze uitspraak Tate in het rijtje van Baudelaire en zijn Franse opvolgers in een verlangen om te choqueren en te verrassen. (…).’ 
Dat ik tijdens een van de hittegolven met zo’n saaie dingen bezig ben, vind ik reden genoeg om er een imaginaire ontmoeting van te maken. Et voilà: op het terras van de Lafayette ontmoet ik zowaar de dichter in kwestie. Wat dit mini-essay in de richting van het surrealisme-light stuurt, iets wat ik ook ambieer. Da’s goed. Maar kijk, meteen uit zich ook het probleem waarmee ik terzake worstel: 'T IS ALGAUW TEVEEL! Dat teveel uit zich wanneer Bobo Kool zijn draaitafel pal in ’t midden van ’t deurgat plaatst. Geen mens die nog binnenkan. Om het weer goed te maken, zegt hij: ‘Ik ga muziek draaien die goed past bij de poëzie van James Tate.’ En hij legt Swordfishtrombones op. 
Flor Vandekerckhove

(°)  Marjorie Perloff. ‘A Kind of Fluidity’: James Tate’s Variations on the Prose Poem. In On James Tate. Edited by Brian Henry. 190 p. Uitg. The Universiy of Michigan Press. 2004. De citaten liet ik vertalen door Google Translation.

zaterdag 8 augustus 2026

Johan Tahon in De Panne, tussen herinnering en materie


ALLE HOGE DUINEN van De Panne hadden destijds een naam, eindigend op hill. Kykhill was daar een van. De verklaring van het woord laat zich raden: op de hoge duintop konden vissersvrouwen diep in zee kijken, hopend op terugkerende vissersvaartuigen waarop hun man, als ’t goed ging, present tekende. 
in 1886 vereeuwigt 
Pierre Loti zo’n vissersvrouw in zijn Pêcheur d’Islande. (°) Zijn Bretoense Gaud staat sindsdien symbool voor alle vissersvrouwen die naar de thuiskomst van hun man uitkijken. Verliefd als ze is, wacht Loti’s Gaud, uitkijkend over zee, op de terugkeer van haar Yann, maar: ‘Hij is nooit meer teruggekomen. Op een nacht in augustus had hij daar, voor de kust van het donkere IJsland, te midden van een groot lawaai van woede zijn huwelijk met de zee gevierd, met de zee die ooit ook zijn voedster was geweest; zij was het die hem had gewiegd, die van hem een grote en sterke tiener had gemaakt - en vervolgens had ze hem, in zijn verbazingwekkende mannelijkheid, alleen voor zichzelf teruggenomen. (…) Hij, die zich Gaud, zijn vleselijke vrouw, herinnerde, had zichzelf in een gigantisch gevecht tegen deze grafbruid verdedigd. Tot het moment dat hij zichzelf in de steek liet, zijn armen open om haar te ontvangen, met een diepe kreet als een brullende stier, zijn mond al gevuld met water; armen open, uitgestrekt en voor altijd verstijfd.’
In mijn roman Amandine (°°) breng ik een ode aan Pierre Loti, door op zijn Bretoense heldin Gaud te wijzen: ‘Ook later, in de moderne IJslandvisserij, wanneer de traverse niet meer onder zeil gebeurt, wanneer stoomturbines en nog later dieselmotoren het schip voortjagen, blijven vissers in IJsland achter, ook tijdens de XXste eeuw gebeurt dat. Niet alleen in de XIXde eeuw staan vrouwen, zoals de Bretoense Gaud, op het duin te wachten op hun visser die niet terugkomt. Talrijk zijn ook in de XXste eeuw de Vlaamse Maria’s die de einder afspeuren, tegen beter weten in, wachtend op iemand die nooit meer komen zal.’
Johan Tahon voegt nu zijn verbeelding toe aan de iconische Gaud van Loti, daarmee bevestigend dat kunstenaars voortbouwen op een geschiedenis die hen ver voorafgaat. De bronzen sculptuur die Tahon op die duin plaatst, heet Kykhill, net als de duin zelf. In het geval van Tahon is ‘geschiedenis die hem ver voorafgaat’ bovendien een familiekwestie. Johans overgrootvader is een van de vissers die in 1943 omkomen bij het vergaan van de N.141 De Zee. De band van kunstenaar en visserij gaat nog verder terug in de tijd en wel tot bij IJslandvaarder Engelbertus Tahon (°1867) die met nog twee andere Tahons vermeld wordt in Onze IJslandvaarders, het meesterwerk van Johan Depotter. Geen wonder dat een getuige van de vernissage (°°°) spreekt over ‘(…) een originele en warme opening. Tahon begon zelf met het zingen van een oud visserslied, afgewisseld met persoonlijke en diepgaande bedenkingen. Daarna bracht Helmut Lotti – een goede vriend van Johan en peter van één van zijn kinderen – eveneens een visserslied. Dat gaf meteen de juiste toon aan het evenement.’ 
Dat Johan Tahon fan van Sonic Youth en Amenra is, weet ik al sinds Hoe muziek, taal en beeld elkaar aanraken. Dat vissersliederen en Helmut Lotti (die wel meer samenwerkt met beeldend kunstenaars) hem niet te min zijn, verneem ik nu voor ’t eerst.
Flor Vandekerckhove

(°) Pierre Loti. Pêcheur d’Islande. 1967. Editions Livre de poche - 253 p. Oorspronkelijk 1886. De vertaling uit mijn Frans boekje heb ik aan Google Translation overgelaten.
(°°) Flor Vandekerckhove. Amandine. Roman (2012). 2de uitgave, e-boek, 231 p. Uitgeverij De Lachende Visch. 2023. Het e-boek is gratis en wordt per kerende e-mail opgestuurd naar elkeen die erom vraagt. Mail naar liefkemores@telenet.be en vermeld de titel: AMANDINE en zeg of je pdf dan wel epub wenst.
(°°°) Johan Tahon. Het beeld Kykhill maakt deel uit van de solotentoonstelling Wat de Zee Bewaart in Cultuurhuis De Scharbiellie in De Panne. Nog tot 27 september 2026. De expo (€ 5) toont sculpturen in brons, klei en gips en herdenkt de tragische ondergang van vissersschip 'De Zee' in 1943. Er wordt ook een video vertoond waarin Johan Tahon over zijn vissersfamilie spreekt.

vrijdag 7 augustus 2026

Moord in Saint-Philbert-sur-Orne

 Inzet: is dit het graf waarnaar ik op zoek ben?

’T IS AL enige tijd dat we in Normandië de loop van de Orne volgen, Tania wandelend, ik rijdend. Vandaag houd ik me op in Saint-Philbert-sur-Orne, landbouwdorp met 111 inwoners. Ooit zijn het er meer geweest, maar dan alleen doordat mensen vroeger meer kinderen kweekten. ’t Is zo te zien geen dorp dat leegloopt, er staat geen huis te koop, woningen getuigen van enige welstand, voordeuren staan uitnodigend open, er is een bureau de tourisme, het kerkje (°) werd gerenoveerd.
’t Is naar dat kerkje dat ik me begeef, meer bepaald naar het ernaast liggende kerkhof. Omwille van de licht surrealistische toets die ik dit reisverhaal wil meegeven, ga ik op zoek naar een zerk dat in mijn kraam past. Ik zie er die van de jaren 1800 dateren. Veel van die oude zerken liggen er verwaarloosd bij, namen door de tijd gewist. Bordjes: ‘Cette concession réputée en état d’abandon fait l’objet d’une procédure de reprise. Prière de s’adresser à la mairie.’ (Deze concessie, die zich in een staat van verval bevindt, kan worden teruggevorderd. Neem contact op met het gemeentehuis.)
Een van die oude graven is misschien wel dat van de moeder van Adèle-Héloïse Belleau. Zij komt daar op 8 februari 1852 om ’t leven, 70 jaar oud. 0p die dag krijgt ze bezoek van haar 44-jarige dochter, Adèle-Héloïse, die van 24 kilometer ver komt gelopen om geld te schooien. Moeder weigert, wetend dat het toch maar is om ’t aan alcohol te spenderen. Dochter snijdt moeder de keel over. Ze verwondt ook de dienstmeid, Anne Mérel. Die dochter mocht overigens al geen contact meer met haar moeder hebben, sinds een poging tot wurging en diverse diefstallenOp 19 juni van hetzelfde jaar verzamelen zich in de vroege ochtend drieduizend mensen, voornamelijk vrouwen lees ik, op de Place du Marché aux Bestiaux in Alençon, om daar getuige te zijn van de onthoofding met de guillotine van Adèle-Héloïse Belleau. Het feit staat bekend als de laatste vrouw die in de streek van de Orne geëxecuteerd wordt.


(°) Het was Willem de Veroveraar die de kerk van Saint-Philbert schonk aan de monniken van de Abbaye aux Hommes in Caen. Het oudste deel van het gebouw dateert uit deze periode. De kerk werd vervolgens vergroot en verbouwd in de 12e en 13e eeuw, en waarschijnlijk nogmaals in de 18e eeuw. Monniken behielden het patronaat over de kerk, evenals over andere bezittingen (molens, land en bossen), en het recht van lagere rechtspraak tot 1554, toen de grond werd toegekend aan de familie Vassy.