woensdag 10 juni 2026

Meisjes waarmee ik niet getrouwd ben (1)

Dit is deel 1 van een reeks 'Meisjes waarmee ik niet getrouwd ben.' Telkens exact honderd woorden, want 'in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister’. Als illustratie kies ik telkens een andere vintage foto van de Koninklijke Baan in Bredene. Mocht iemand me, bijvoorbeeld op basis van de achterliggende bebouwing, iets over het jaar van de foto meedelen, zou ik daar dankbaar om zijn.

IN DIE TIJD dacht ik dat ik met Nadine zou trouwen. We zouden samen in mijn ouderlijk huis wonen, in een appartementje, ingericht om zomertoeristen te ontvangen. Het appartement was al gemeubeld, wat ons goed uitkwam. We konden onze echtelijke dagen aan een tafel doorbrengen die daar al stond, water opgietend in een koffiekan die daar al was, drinkend uit kopjes die daar al stonden. Misschien zou ik daar wel een pijp opsteken, maar dat wist ik nog niet goed. Wel wist ik dat ons huwelijk kinderloos zou blijven, want we waren zelf kinderen. Er zat logica in mijn toekomstperspectief. (Flor Vandekerckhove

Op 16 juni viert men wereldwijd Bloomsday, dé feestdag van de grote modernistische schrijver James Joyce. Dit jaar is het ook exact een eeuw geleden dat de familie Joyce uitgebreid vakantie vierde in Oostende. Het wordt meteen de vijfde editie van Bloomsday in Oostende, een feesteditie. Speciaal voor u doorkruisten zesentwintig schrijvers Oostende. De stad wordt bekeken door een zekere Bloem, hoofdpersonage dat deze schrijvers voor de gelegenheid in het leven roepen. Met bijdragen van Lieven Van Den Abeele, Britt Bakker, Dirk Beirens, Philippe Braem, Jeroen Cornilly, Seppe Decubber, Heleen Debruyne, Hans Depelchin, Ignaas Devisch, Kurt Van Eeghem, Rob van Essen, Jef Van Eynde, Eli Elise Hoopman, Sanne Huysmans, Geert Lernout, Vincent Van Meenen, Carmien Michels, Koen Peeters, Eric Rinckhout, Mark Schaevers, Helen Simpson, Els Snick, Lize Spit, Caro Van Thuyne, Hendrik Tratsaert, Xavier Tricot, Flor Vandekerckhove en Erik Vlaminck. 126 p.  
DW B 2026 | 2 Bloem in Oostende is te koop in de Oostende boekhandels Corman, De Witte Zee en Standaard Boekhandel. Of via de webshop van uitgever Pelckmans. 20 euro.

dinsdag 9 juni 2026

Met Dave Van Ronk en Victor Serge in ’t Keetje, Gent

De machinerie van de artificiële intelligentie maakt een acceptabele 'artist impression' van de legendarische bruine kroeg ’t Keetje in Gent. Van links naar rechts aan tafel: Dave Van RonkVictor Sergeik

VANDAAG LARDEER IK mijn post met een citaat van singer-songwriter Dave Van Ronk en een van romancier Victor Serge. Een lang citaat en een kort. Beiden zeggen ze iets over het ambacht van de schrijver.
‘(…) De kunstenaar graaft altijd naar zijn materiaal in het onderbewuste, in het voorbewuste, in de intuïtie, in een lyrisch innerlijk leven dat moeilijk te definiëren is; hij weet niet met zekerheid waar hij naartoe gaat of wat hij creëert. Als de personages van de schrijver werkelijk leven, functioneren ze zelfstandig, tot een punt waarop ze hun auteur uiteindelijk verrassen; en soms is hij behoorlijk in de war als hem gevraagd wordt ze te classificeren in termen van moraliteit of maatschappelijk nut. Dostojevski, Gorki en Balzac brachten allen met liefde criminelen tot leven die politiekers liefdeloos zouden afschieten.’ (Victor Serge)
‘’t Is niet omdat je een meubelmaker bent en links, dat je linkse kasten moet maken.’ (Dave Van Ronk)
Over beiden schreef ik eerder al in De Laatste Vuurtorenwachter: ‘Wat vond Dave Van Ronk ervan? en ‘De eenzaamheid van Victor Serge’. Tijdens deze imaginaire ontmoeting treffen we elkaar in ’t Keetje, de al lang gesloten Gentse bruine kroeg. Dat ik daar drie linkse kerels aan tafel zet, is niet uit de lucht gegrepen. Kroegbaas Eddy Tange (†2009) vertelde erover in De Morgen: ‘Maoïsten, provo's, trotskisten, socialisten, ze kwamen allemaal bij mij.’
Op 16 juni viert men wereldwijd Bloomsday, dé feestdag van de grote modernistische schrijver James Joyce. Dit jaar is het ook exact een eeuw geleden dat de familie Joyce uitgebreid vakantie vierde in Oostende. Het wordt meteen de vijfde editie van Bloomsday in Oostende, een feesteditie. Speciaal voor u doorkruisten zesentwintig schrijvers Oostende. De stad wordt bekeken door een zekere Bloem, hoofdpersonage dat deze schrijvers voor de gelegenheid in het leven roepen. Met bijdragen van Lieven Van Den Abeele, Britt Bakker, Dirk Beirens, Philippe Braem, Jeroen Cornilly, Seppe Decubber, Heleen Debruyne, Hans Depelchin, Ignaas Devisch, Kurt Van Eeghem, Rob van Essen, Jef Van Eynde, Eli Elise Hoopman, Sanne Huysmans, Geert Lernout, Vincent Van Meenen, Carmien Michels, Koen Peeters, Eric Rinckhout, Mark Schaevers, Helen Simpson, Els Snick, Lize Spit, Caro Van Thuyne, Hendrik Tratsaert, Xavier Tricot, Flor Vandekerckhove en Erik Vlaminck. 126 p. 
DW B 2026 | 2 Bloem in Oostende is te koop in de Oostende boekhandels Corman, De Witte Zee en Standaard Boekhandel. Of via de webshop van uitgever Pelckmans. 20 euro.


maandag 8 juni 2026

Hendrik Conscience vaart ter visserij (en voegt nadien het woord bij de daad)

Op het Maritiem Plein, Oosteroever Oostende, zien we de imaginaire ontmoeting tussen De Laatste Vuurtorenwachter en Hendrik Conscience. Ze hebben het over de vissersroman die Conscience in 1861 publiceert: Bella Stock. Het boek is ook vandaag nog te koop in een dure facsimile-herdruk van het origineel. Voor wie tijd & goesting heeft, is het ook gratis op 't net te lezen: Hendrik Conscience. Volledige werken 5. Bella Stock(1912).

IN 1830 VECHT Hendrik Conscience aan de Belgische kant tegen de Hollanders. Aan zijn zij vecht ook Pierre Smagghe, visser uit Adinkerke. In 1859 zoekt Conscience zijn ouwe wapenbroeder op en twee jaar later is er de roman Bella Stock met als ondertitel Tafereelen uit het leven der Vlaemsche visschers. De tekeningen zijn van Edward Dujardin. Visser Stock lijkt sprekend op Consciences maat Smagghe en de heldin uit het boek is geïnspireerd door diens dochter Bella. Conscience zegt daar later zelf over: ‘Om dit werk te schrijven, heeft uw dienaar meermalen het Adinkerkse strand bezocht en de eenvoudige zeden der vissers doorgrond, hunne gewoonten nagespeurd, met hen verkeerd en gegeten, is hij met hen in zee geweest nacht en dag, en heeft hij dus geen moeite gespaard om de natuur en de mensen der Vlaamse zeekust te leren kennen (…)’ (Flor Vandekerckhove

Op 16 juni viert men wereldwijd Bloomsday, dé feestdag van de grote modernistische schrijver James Joyce. Dit jaar is het ook exact een eeuw geleden dat de familie Joyce uitgebreid vakantie vierde in Oostende. Het wordt meteen de vijfde editie van Bloomsday in Oostende, een feesteditie. Speciaal voor u doorkruisten zesentwintig schrijvers Oostende. De stad wordt bekeken door een zekere Bloem, hoofdpersonage dat deze schrijvers voor de gelegenheid in het leven roepen. Met bijdragen van Lieven Van Den Abeele, Britt Bakker, Dirk Beirens, Philippe Braem, Jeroen Cornilly, Seppe Decubber, Heleen Debruyne, Hans Depelchin, Ignaas Devisch, Kurt Van Eeghem, Rob van Essen, Jef Van Eynde, Eli Elise Hoopman, Sanne Huysmans, Geert Lernout, Vincent Van Meenen, Carmien Michels, Koen Peeters, Eric Rinckhout, Mark Schaevers, Helen Simpson, Els Snick, Lize Spit, Caro Van Thuyne, Hendrik Tratsaert, Xavier Tricot, Flor Vandekerckhove en Erik Vlaminck. 126 p. 
DW B 2026 | 2 Bloem in Oostende is te koop in de Oostende boekhandels Corman, De Witte Zee en Standaard Boekhandel. Of via de webshop van uitgever Pelckmans. 20 euro.

zondag 7 juni 2026

Een imaginaire ontmoeting met A.L. Snijders

De Imaginaire ontmoeting van De Laatste Vuurtorenwachter met A.L. Snijders (2021†) grijpt plaats in de Nederlandse Achterhoek.

VANDAAG, 7 JUNI, is het vijf jaar geleden dat A.L. Snijders overleden is. Mooiere dood is haast niet voor te stellen, hij stierf schielijk aan zijn schrijftafel. Ik herdenk hem, als mijn leermeester, door hem toe te voegen aan mijn reeks Imaginaire ontmoetingen. Die ontmoeting grijpt plaats in Klein Dochteren waar hij - Peter Cornelis Müller, °1937 - 2021†) - in een oude boerderij woont.
Daar zie ik A.L. Snijders aan het werk. Niet alleen aan dat bureau trouwens, ook hout klievend, ramen schilderend, werkend aan/met z’n kleine tractor… Niet dat ik daar geweest ben hoor, ik ga, 
zoals je weet, nergens heen. Dat ik hem daar zie, komt door de reportage die kunstenaar Joost Conijn over hem maakt: A.L. Snijders Een Handige Dromer.
Ik voel meteen verwantschap, ook omdat ik in die tijd een buitenhuisje aan ’t verbouwen ben. Elke avond, na een lange werkdag, cement in het haar, mortel onder de nagels, neem ik, naast het haardvuur, enkele van A.L. Snijders verhalen tot mij en telkens weer roep ik uit: ZO HOORT HET! Dat heeft Snijders in 2010 zelf ook al gezegd: ‘Zo wil ik schrijven heb ik bedacht toen ik de e-mail ontdekte. Dat was laat, ik ben altijd met alles laat geweest. Ik schreef gewoon, mijn columns in Het Parool en de regionale kranten zijn gewoon geschreven. Toen ik een computer kreeg en ontdekte dat je een bericht binnen een seconde naar Patagonië kon sturen, heb ik de inhoud van het bericht aangepast. Als de reis heel kort is, moet de inhoud ook heel kort zijn. Congruentie. De volgende stap was ook logisch, een kort bericht moet een andere vorm hebben dan een lang bericht. Mijn stijl veranderde, ik merkte dat je hersens veel sneller en inventiever zijn dan de geschreven taal. Je hebt aan een half woord genoeg.’ 
Liefhebbers van dikke boeken doen daar meewarig over. In een literair tijdschriftje werd ik er een ‘navolger’ om genoemd, whatever. Wat Snijders daar zegt, geldt in een overtreffende trap voor mij, iemand die voor lezers schrijft die surfen, scrollen en swipen. Mijn verhalen werden op den duur nog korter: 100 woorden, drie zinnen, oneliners, zodat ze voorbijrazende lezers bij en passant in literatuur vatten.
Op de vensterbank, naast mij, ligt altijd een van A.L. Snijders' bundels. Hij laat me nooit in de steek. Ik sla de bundel willekeurig open en lees: Toen ons gesprek ten einde was, zei ik gewoon ‘tot ziens’.
Flor Vandekerckhove

Op 16 juni viert men wereldwijd Bloomsday, dé feestdag van de grote modernistische schrijver James Joyce. Dit jaar is het ook exact een eeuw geleden dat de familie Joyce uitgebreid vakantie vierde in Oostende. Het wordt meteen de vijfde editie van Bloomsday in Oostende, een feesteditie. Speciaal voor u doorkruisten zesentwintig schrijvers Oostende. De stad wordt bekeken door een zekere Bloem, hoofdpersonage dat deze schrijvers voor de gelegenheid in het leven roepen. 
DW B 2026 | 2 Bloem in Oostende is te koop in de Oostende boekhandels Corman, De Witte Zee en Standaard Boekhandel. Of via de webshop van uitgever Pelckmans. 20 euro.



zaterdag 6 juni 2026

1936 in Bredene

Gisela en Egon Erwin Kisch voor hotel d’Anvers in Bredene, waar ze in 1936 verbleven. ((Illustratie gerealiseerd met behulp van artificiële intelligentie.) 

OP DE VLUCHT voor de nazi’s komt er in 1935-36 bekend volk in Bredene logeren. De zomer van 1935 hebben Gisela en Egon Erwin Kisch al in Bredene doorgebracht en in juni 1936 komen ze terug. Deze keer verblijven ze in Hotel d’Anvers. John Gheeraert schrijft erover in Bericht uit Bredene. (°)
Op 22 juni laat Gisela haar moeder weten hoe draaglijk ’t leven in Bredene is: ‘We betalen dertig Belgische frank per persoon per dag, het eten is heel goed en het is ook genoeg, bij deze hitte voor mij zelfs te veel; koffie kost 1,50 fr. Tot 2,50 fr., al naargelang het café, en een pakje sigaretten, 25 stuks, 2,20 fr. En meer hebben we niet nodig, want we hebben geen gelegenheid tot “uitgaan”.’ In augustus 1936 schrijft Kisch aan zijn moeder: ‘Mensen schamen zich niet en het strand is prachtig. Ik heb hier heerlijk ontspannen, ik ben zo zwart als een neger.' Weer ontvangt het koppel bezoek, ook van Irmgard Keun en Joseph Roth, die in Oostende verblijven. Over haar bezoek aan Bredene schrijft Keun: ‘We zaten op het strand en dronken rosé, een wijn met de kleur van de zonsondergang, en lazen elkaar hardop voor uit onze manuscripten.’ Roth werkt in die tijd aan Das Falsche Gewicht (er wordt later een film van gemaakt) en Keun schrijft in Bredene aan Kind aller Länder.
Flor Vandekerckhove
Hier ging een stuk aan vooraf: Bredene, 1935

(°) John Gheeraert. Bericht uit Bredene. Vermaarde joodse emigranten in Vlaanderen. 53 p. Uitg. C. De Vries -Brouwers pvba, A’pen/A’dam. 1987. Ik zie dat er vandaag nog steeds veel boeken van EE Kisch te koop aangeboden worden, meestal Duits, een enkele keer ook Engels. Er is ook een biografie van de man beschikbaar, bijvoorbeeld bij Amazon.

Op 16 juni viert men wereldwijd Bloomsday, dé feestdag van de grote modernistische schrijver James Joyce. Dit jaar is het ook exact een eeuw geleden dat de familie Joyce uitgebreid vakantie vierde in Oostende. Het wordt meteen de vijfde editie van Bloomsday in Oostende, een feesteditie. Speciaal voor u doorkruisten zesentwintig schrijvers Oostende. De stad wordt bekeken door een zekere Bloem, hoofdpersonage dat deze schrijvers voor de gelegenheid in het leven roepen. 
DW B 2026 | 2 Bloem in Oostende is te koop in de Oostende boekhandels Corman, De Witte Zee en Standaard Boekhandel. Of via de webshop van uitgever Pelckmans. 20 euro.

vrijdag 5 juni 2026

Over de brug (deel 3 van een drieslag)

Op de ets, links, lees ik in de marge: ‘Voor Flor, uit respect en question de coeur.’ Onderaan staat in papier gegrift: ‘Ets. Proefdruk 1/1 De droom van Leopold II. De brug.’ Getekend Rodewinter. Bij de postkaart (rechts) staat: ‘Het eerste verkeer over “De Nieuwe Brug”. Dit bruggencomplex werd gebouwd onder impuls van Leopold II, tussen 1903 en 1905 (…). De bruggen waren het sluitstuk van de uitbreiding van de haven van Oostende. Tevens was het een ontsluitingsweg voor de kustbaan van De Panne naar Knokke. (…)’


DE DRIESLAG STARTTE met Over de ouderdom. Tweede slag was Over de methode. Vandaag zet ik er met Over de brug een punt achter. Een was om een foto te doen, twee ging over een boek, drie betreft een ets.
In de indrukwekkende stapels mag ik kiezen. Ik hoor etser Roland De Winter zeggen: ‘De fakkels worden aangestoken en daar komen de koningen en koninginnen, de narren en de boeren, de minnaars en de verdoemden. Zij die gebukt gaan onder macht en zij die hem willen. De spelers en de verliezers, zij die denken dat ze gewonnen hebben, en diegenen die echt winnen.’ In een van de etsen die me passeren herken ik de tettenbrug. Ik word geboeid door de glazen koepel die zich rechts bevindt, een toevoeging die er surrealisme van maakt. De ets maakt deel uit van Les rêves inachevés, waarin Roland De Winter onvoltooide dromen van Leopold II bijeenbrengt. De Winter verwerkt die in zeven etsen die samen een fries van vier meter vormen. 
Ik verlaat huize De Winter-
Schelstraete, laat de tettenbrug links liggen en fiets naar huis via het Maria Hendrikapark, het bosje. Omdat deze drieslag de wetten van het ongewisse volgt en ook zo dient te eindigen, komt A.L. Snijders me onderweg goed van pas: ‘Zeven jaar geleden heb ik op dezelfde plek gezien dat een bosarbeider die in de top van een hoge boom aan het zagen was, na het karwei niet naar de aarde afdaalde, maar als een engel het luchtruim koos en op reusachtige vleugels omhoog vloog om als een stipje te verdwijnen. Mijn kleinzoon van vijf jaar was getuige, hij begreep mijn opwinding niet. (…) Hij is nu twaalf jaar. Ik vraag hem soms of we het werkelijk gezien hebben - om de stand van zaken in mijn hoofd te peilen. Hij blijft er laconiek onder, zelfs enigszins berustend. Ja, we hebben het gezien.’
Op 16 juni viert men wereldwijd Bloomsday, dé feestdag van de grote modernistische schrijver James Joyce. Dit jaar is het ook exact een eeuw geleden dat de familie Joyce uitgebreid vakantie vierde in Oostende. Het wordt meteen de vijfde editie van Bloomsday in Oostende, een feesteditie. Speciaal voor u doorkruisten zesentwintig schrijvers Oostende. De stad wordt bekeken door een zekere Bloem, hoofdpersonage dat deze schrijvers voor de gelegenheid in het leven roepen. 
DW B 2026 | 2 Bloem in Oostende is te koop in de Oostende boekhandels Corman, De Witte Zee en Standaard Boekhandel. Of via de webshop van uitgever Pelckmans. 20 euro.

donderdag 4 juni 2026

Imaginaire ontmoetingen

Bredene, leessalon in hotel Glibert. Ik denk 1911.

KENT U DE onzichtbare steden van Italo Calvino? ’t Is een van de weinige boeken die ik blijf lezen en herlezen. Het boek inspireert me ook, zoals in Grevelingen en de onzichtbare steden en Slapeloze nachten in Leonia. Sinds enige tijd uit die inspiratie zich ook in een reeks Imaginaire ontmoetingen
Zoals Calvino in zijn boek onzichtbare steden beschrijft, zo toont De Laatste Vuurtorenwachter u een reeks imaginaire ontmoetingen. Ik kondig de reeks nu pas aan, maar ’t spel is al een tijdje gaande. Op de Spinoladijk ontmoette ik zo al Gaston Duribreux en met Karel Jonckheere wandelde ik de Baelskaai af. Ik zag Benoîte Groult in café Zeemansverlangen en ik zat ook al aan tafel met Ilja Leonard Pfeijffer in visserscafé Végeetje… Ik tel al vijftien soortgelijke ontmoetingen, allemaal imaginair.
De aankondiging van zo'n reeks moet plechtig zijn, vind ik. Daarom laat ik die plaatsgrijpen in hotel Glibert, een van de eerste hotels van Bredene. Dat hotel bestaat niet meer en toch toef ik daar in de Salon de lecture. De ruimte achter me noemt men in die tijd graag de ‘Five O’Clock’, nu zou men wellicht tearoom zeggen. (Van beide plekken bestaan zwart/wit postkaarten.) In het leessalon grijpt binnenkort weer zo’n imaginaire ontmoeting plaats. Ge kunt al een glimp van die mens opvangen. Hij zit op de achtergrond, voor het raam, leest een boek. Binnenkort haal ik hem vanachter dat tafeltje. Ge zult nogal opkijken zodra ge hem beter kunt zien.
Afsluiten doe ik met een mededeling waarmee cinema Cameo destijds nieuwe films aankondigde: kortelings op dit scherm. (Flor Vandekerckhove)       

Op 16 juni viert men wereldwijd Bloomsday, dé feestdag van de grote modernistische schrijver James Joyce. Dit jaar is het ook exact een eeuw geleden dat de familie Joyce uitgebreid vakantie vierde in Oostende. Het wordt meteen de vijfde editie van Bloomsday in Oostende, een feesteditie. Speciaal voor u doorkruisten zesentwintig schrijvers Oostende. De stad wordt bekeken door een zekere Bloem, hoofdpersonage dat deze schrijvers voor de gelegenheid in het leven roepen. 
DW B 2026 | 2 Bloem in Oostende is te koop in de Oostende boekhandels Corman, De Witte Zee en Standaard Boekhandel. Of via de webshop van uitgever Pelckmans. 20 euro.

 

woensdag 3 juni 2026

Paster Pype en zijn tijd

Henri Pype (de grijsharige, rechtopstaande man, achteraan in deze merkwaardige autobus) trok op latere leeftijd nog naar Lourdes. Hij kwam er doodziek van terug.

PASTER PYPE (°1854 - 1926†) IS een van de historische figuren van de Vlaamse visserij. Over die aalmoezenier werd al veel geschreven, onder meer door mezelf in Leven en werk van paster Pype (2014). Daar voegt Koenraad Verwaerde nu nog een levensbeschrijving aan toe. (°) Aanleiding is de honderdste verjaardag van Pype.
De brochure van Verwaerde is indrukwekkend, ook omwille van de vele foto’s en het uitgebreide notenapparaat. Het meeste wat hij over Pypes werk in de visserij vertelt, mag dank zij andere volkskundigen al bekend zijn, dat geldt veel minder voor het onderzoek dat Verwaerde voert met betrekking tot Pypes voorafgaande activiteiten: ‘(…) — zelden valt het licht op Henri Pypes vroege jaren. Die vormende periode blijft onbelicht (…) Wie Pype wil begrijpen, moet terugkeren naar die beginjaren — niet als randnotitie, maar als fundament. Naar het Klein Seminarie in Roeselare en het Groot Seminarie in Brugge (…) Naar Veurne, waar hij als jonge seminarist en diaken kort les gaf. En vooral naar Nieuwpoort (…) niet enkel in het onderwijs aan het Sint-Bernarduscollege, maar ook in het dagelijkse en maatschappelijke leven van de stad.’ Koenraad Verwaerde belicht deze voorafgaande perioden inderdaad voorbeeldig.
De auteur besteedt ook aandacht aan het klerikalisme, fenomeen dat paster Pype in zijn dadendrang leidt en hij bespreekt de historische wendingen die het uitzicht van dat klerikalisme mee bepalen: katholiek corporatisme, ultramontanisme, Rerum Novarum…, ingrepen en nuanceringen die alle tot doel hebben andere gezindheden te weren, ook uit de vissersgemeenschap. Iets wat in de visserij overigens voelbaar blijft tot lang na het overlijden van Pype, zoals ik het me herinner in De politieke perssprokkels van Dirk Demaeght, Open brief aan de visserijsector en Zwarter dan ooit.
Flor Vandekerckhove

(°) Koenraad Verwaerde. ‘Menère Herrie. Een rots in de branding. 1926-2026. Een eeuw later nog altijd vol betekenis.’ 26 p. Uitgave in eigen beheer, 2026. Meer weten? koenraad.verwaerde@telenet.be.

maandag 1 juni 2026

Het oorlogslied van de paardenstront


NOG ALTIJD BESTAAN er vragen waarop ’t internet geen antwoord biedt, zelfs niet als ge ’t aan ChatGPT vraagt, dat nochtans alwetend is. Mijn queeste betreft een lied met een West-Vlaamse tekst die als volgt luidt: 
En we gaan naar ’t froent
Achter pèèrdenstroent
en we gaan der vele rapen.
Het vers bestáát, dat weet ik zeker. ik denk dat het een studentenlied is, maar er is op ’t net geen studentencodex te vinden die ’t vermeldt. Is 't een soldatenlied? Een streeklied van bachten de kupe?
Of het meer strofen telt, weet ik niet. Wegens ‘froent’ en ‘pèèrdestroent’ denk ik dat het oorspronkelijk teruggaat tot de Eerste Wereldoorlog. Droogde men in oorlogstijd paardenstront - dat inderdaad stro bevat en daardoor ontvlambaar is -  om er ’t vuur mee op te poken?  Verzamelde men die paardenstront aan het front? Is die praktijk in een lied terechtgekomen? Zong men zich daarmee moed in, om de taak in oorlogsgebied uit te voeren? Weet gij er iets over? Hebt gij het ooit ergens horen zingen? Kent ge er de geschiedenis van? Kunt ge mij op een spoor zetten? Wilt ge het desgevallend meedelen, zodat we samen het internet verrijken met een antwoord op al de vragen omtrent dit vers? (Flor Vandekerckhove)      

Jan Lamote vindt op ’t internet alvast een bevestiging van het gebruik van paardenmest als brandstof: ‘Ja, paardenmest werd vroeger zeker als brandstof gebruikt. Door de geschiedenis heen was gedroogde dierlijke mest een van de belangrijkste energiebronnen voor de mens. Dit gebeurde vooral in gebieden waar weinig hout of andere brandstoffen (zoals turf of steenkool) beschikbaar waren. Al in de Middeleeuwen werd paardenmest in onze regio's verzameld en ingezet om vuur te stoken.’ Nu nog het lied. 
Christian Dochy vond op Le Chat Mistral het vreemde gegeven dat het vers deel uitmaakt van een Limburgs (!) soldatenlied ‘dat vaak mondeling is doorgegeven en in verschillende varianten bestaat. Het lied wordt soms gezongen in Limburgse kringen, met name tijdens feesten of herdenkingen, en heeft een humoristische of sarcastische toon over soldaten die op weg zijn naar het front.’ Limburgs? Is die Chat Mistral wel te vertrouwen? 
Annick Wittevrongel vond iets anders: 't zou een Antwerps lied zijn. Ook die uitleg strookt niet met het West-Vlaamse dialect. De koppeling van het vers aan "De sukkelaar" (of "Klucht van den bom") lijkt mij ook weinig overtuigend. 'Het oorlogslied van de paardenstront is geen bekend, officieel historisch strijdlied. De term verwijst in werkelijkheid naar een humoristisch, volks cabaret- en soldatenliedje uit de regio Antwerpen, genaamd "De sukkelaar" (of "Klucht van den bom"). Het liedje is teruggevonden in oude Antwerpse liedjesschriften (onder meer opgeschreven in de schriften van volkszanger Eugenius Koopman in de Stijfselrui). Het werd overgedragen via de mond-tot-mondreclame en gezongen in lokale theaters en volkscafés. De tekst stamt uit de periode van de Wereldoorlogen en spot met de bombardementen, de miserie en de chaos van het dagelijks leven in die tijd. De link met paardenstront is ontleend aan een specifieke, hilarische strofe waarin de verteller opschept over de ontberingen en het straatbeeld. De tekst luidt (in Antwerps dialect): Als ik den eersten dag in mijnen kelder lag...Een bom viel op mijn huis,...Met slijk, paardenstront, hé, zo'n heel klad / Dan dacht ik bij mijn eigen:'k Wou dat ik ook zo'n kletskop had. De soldaat of "sukkelaar" beschrijft hoe zijn huis door een granaat of bom wordt geraakt. De inslag gooit modder en paardenstront door de lucht. In plaats van te klagen over de vernieling, focust hij zich op het absurde detail van de ravage en de hoop op een gelijkaardige chaos bij de vijand.'
Freddy en Willy Versluys herinneren zich dat hun vader het voor hen zong. Albert Declercq herinnert het zich van zijn grootouders. Die drie respondenten zijn West-Vlamingen. Weinig kans dat hier uit Limburg of Antwerpen is komen aanspoelen.

Nadat het leven me van stad naar stad had gebracht, van werk naar werk en van vrouw naar vrouw, streek ik in Bredene neer, waar ik ook mijn jeugd had doorgebracht. Daar startte ik een schrijfproject dat onderzocht hoe het anderen vergaan was. Ik delfde sporen van schoolmakkers op, jongens waarmee ik tijdens m’n tienerjaren de schoolbanken in een Oostends college deelde. 
Had het iets te betekenen, het leven van die babyboomers in de sixties? Ik schreef er een boekje over, Tienerklanken, zo genoemd naar een TV-programma dat in die tijd voor ons gemaakt werd. Dat boekje is nu beschikbaar.
Tienerklanken is een e-boek (117 pagina’s in pdf of epub naar keuze), uitgegeven door De Lachende Visch en gratis verspreid door De Weggeefwinkel. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be en het boekje valt vandaag nog in je mailbox. GRATIS! (Vermeld: ‘Tienerklanken’ en zeg epub of pdf.) 

zondag 31 mei 2026

De Française Benoîte Groult weet wel waarom

Om mijn stelling kracht bij te zetten, laat ik Benoîte Groult mijn oud-stamcafé op de Opex opzoeken, café Zeemansverlangen. (°) (Illustratie tot stand gekomen met behulp van artificiële intelligentie.)

ER IS EEN tijd geweest waarin Oostende zowel volks als chic was. Dat het de twee was, bepaalde zelfs de identiteit van de stad. Daar kan veel voor, tegen en over gezegd & geschreven worden, maar dit staat vast: het bracht indrukwekkende kunst & literatuur voort. Ik postte er in 2015 een mini-essay over: Maskers, winkeliers en kosmopolieten.
Aan de vuurtoren ontplooit zich momenteel soortgelijke situatie. De toevloed van nieuwe residenten op de Oosteroever enerzijds en de oude bewoning op de Opex anderzijds maakt de vuurtorenwijk zowel volks als verwant aan de beau monde. De geschiedenis van Oostende leert ons dat het een vruchtbare voedingsboden voor literatuur & kunst is.
Benôite Groult (°1920 - 2016†) is het daarmee eens. In 1988 publiceert ze Zout op mijn huid (Les vaisseaux du coeur). (°°) De roman vertelt over de liefde tussen een Parijse intellectuele uit de beau monde en een visser zoals er op de Opex duizenden geleefd hebben: ‘En met de onbuigzaamheid die toen de plaats innam van mijn persoonlijkheid kon ik hem zijn gebrek aan cultuur niet vergeven, zijn gewoonte om de haverklap te vloeken, zijn voorkeur voor bedrukte jacks en voor sandalen waarbij hij sokken droeg, zijn sarcastische glimlach bij abstracte schilderijen die hij de dag ervoor in het museum in enkele zinnen die blijk gaven van een boosaardig gezond verstand had afgekraakt; noch zijn duidelijke voorliefde voor Rina Ketty, Tino Rossi en Maurice Chevalier, precies die zangers die ik niet kon uitstaan en die ik op mijn beurt in een paar besliste zinnen met de grond gelijk had gemaakt! Ik vergaf hem niet dat hij het brood in zijn handen sneed en zijn vlees van tevoren op zijn bord, noch dat hij een beperkte woordenschat had die twijfels opriep over zijn denkvermogen.’ De tegenstelling tussen die twee heeft hoe dan een grote liefde bewerkstelligd èn een literair meesterwerk gecreëerd.
Is dat vissersvolk dan zo speciaal? Daarvan lijkt toch ook Georges Perros (°1923 - 1978†) overtuigd. Hij ruilt Parijs voor Douarnenez. In Une vie ordinaire vertelt hij waarom en ook over zijn band met Île de Sain, Bretoens eiland dat zo sterk met de visserij verbonden is. (°°°)
Flor Vandekerckhove


(°) Toen ik er stamgast was, werd het café uitgebaat door Christiane. Dirk Verhaeghe heeft oudere herinneringen: 'Bij tjap en Eugenie. Magische momenten beleefd als kind! Met opa toertje koaie de zondag en cokka, chips of sjokola.' Het café bestaat al lang niet meer.
(°°) Benoîte Groult. Zout op mijn huid. 2019. Uitg. Meulenhoff. 240 p.