| Omdat de ervaring me leert dat ik meer volk naar de blog lok als ik er Oostende bij betrek, open ik met een thuisfoto van Oostendenaar James Ensor (°1860 - 1949†). Hij verkeert in een imaginaire ontmoeting met de Amerikaanse Grace Paley (°1922 - 2007†), de schrijfster waarom het mij te doen is. Ja, ’t is een truc, een eyecatcher. ’t Is ook meer. Het lokt vragen uit: Heeft Paley ooit van Ensor gehoord? Heeft zij ooit een schilderij van die man kunnen zien? Paley werd in 1922 geboren in de Bronx en woonde het grootste deel van haar leven in New York of omgeving. De Oostendenaar was daar niet onbekend. In 1951 toonde het Museum of Modern Art werk van Ensor. In 1980–1981 was daar zijn beroemde Intrede van Christus in Brussel te zien. Paley was toen 58. Dat Ensor in New York tentoongesteld werd, zegt uiteraard nog niet dat Grace Paley die tentoonstellingen bezocht. Dat ik de twee samenbreng is puur vrucht van mijn verbeelding (en werk van ChatGPT, maar mijn verbeelding was eerst.) |
‘Het valt te verwachten dat je woorden of namen vergeet,
en dat gebeurt ook.
Misschien kijk je daarbij naar het plafond.
Mensen vinden dat niet prettig.
Ze zeggen dan bijvoorbeeld: "Toe nou, je luistert niet."
Terwijl je eigenlijk juist probeert hun namen te herinneren.’
(Grace Paley)
GRACE PALEY (°1922 - 2007†) IS een van de auteurs die mij heeft leren schrijven. Een eerste keer loofde ik haar erom in 2015 en in 2017 kwam ik er nog eens op terug: Leren schrijven met Grace Paley (II). Nu lees ik haar Just As I Thought, een selectie artikels, verslagen en toespraken waarin ze terugblikt op haar gezinsleven, maatschappelijke engagement en schrijfpraktijk.
In ‘Upstaging Time’ (upstaging, zegt Google Translation, is ‘aandacht naar zich toetrekken’), een stukje uit 1989, heeft ze ’t over oud worden, onderwerp van deze reeks. Het korte stukje is overigens op zichzelf al een masterclass in leren schrijven. Ze is zevenenzestig en schrijft: ‘Een paar jaar geleden riep een jongetje, terwijl hij een bal naar een nog kleiner jongetje vlak bij mij gooide: ‘Hé, sukkel, zeg tegen die oude vrouw dat ze moet oppassen”.’
‘Wat? Welke vrouw? Oud? Ik ben niet ijdel of wereldvreemd. De afgelopen twintig jaar heeft mijn spiegel – terecht – een vrouw laten zien die ouder wordt, niet een vrouw die oud is. Dus maakte ik een paar van die gedachtesprongen die ik gewend ben te maken en begon ik te schrijven aan wat waarschijnlijk een verhaal zou worden. De eerste zin luidt: "Dat jaar waren alle jongens in mijn straat zevenenzestig”.’
‘Daarna had ik het druk en ik verlegde mijn aandacht – die toch al naar een nogal ongepolijst soort optimisme neigt – naar iets anders. Ook belde mijn zus me op en ze zei af en toe: "Kun je het geloven? Ik ben bijna achtenzeventig. En Vic loopt tegen de tachtig. Kun je het geloven?" Nee, ik kon het niet geloven, en dat gold ook voor iedereen die met hen sprak of hen zag. Ze zijn altijd zo'n vijftien jaar ouder dan ik geweest, en dat zijn ze nog steeds. Met zo'n zus en broer die me voorgaan, lijkt het onkies om oud te worden. Mijn veroudering (het ouder worden van de jongste) moet op hen vast vreselijk opdringerig overkomen.’ (…) ‘Ik pakte mijn werk weer op en kon de volgende zin schrijven van wat misschien ooit nog een verhaal zou worden: "Twee jaar later waren twee van de jongens overleden” (…).’
Flor Vandekerckhove⇲
In ‘Upstaging Time’ (upstaging, zegt Google Translation, is ‘aandacht naar zich toetrekken’), een stukje uit 1989, heeft ze ’t over oud worden, onderwerp van deze reeks. Het korte stukje is overigens op zichzelf al een masterclass in leren schrijven. Ze is zevenenzestig en schrijft: ‘Een paar jaar geleden riep een jongetje, terwijl hij een bal naar een nog kleiner jongetje vlak bij mij gooide: ‘Hé, sukkel, zeg tegen die oude vrouw dat ze moet oppassen”.’
‘Wat? Welke vrouw? Oud? Ik ben niet ijdel of wereldvreemd. De afgelopen twintig jaar heeft mijn spiegel – terecht – een vrouw laten zien die ouder wordt, niet een vrouw die oud is. Dus maakte ik een paar van die gedachtesprongen die ik gewend ben te maken en begon ik te schrijven aan wat waarschijnlijk een verhaal zou worden. De eerste zin luidt: "Dat jaar waren alle jongens in mijn straat zevenenzestig”.’
‘Daarna had ik het druk en ik verlegde mijn aandacht – die toch al naar een nogal ongepolijst soort optimisme neigt – naar iets anders. Ook belde mijn zus me op en ze zei af en toe: "Kun je het geloven? Ik ben bijna achtenzeventig. En Vic loopt tegen de tachtig. Kun je het geloven?" Nee, ik kon het niet geloven, en dat gold ook voor iedereen die met hen sprak of hen zag. Ze zijn altijd zo'n vijftien jaar ouder dan ik geweest, en dat zijn ze nog steeds. Met zo'n zus en broer die me voorgaan, lijkt het onkies om oud te worden. Mijn veroudering (het ouder worden van de jongste) moet op hen vast vreselijk opdringerig overkomen.’ (…) ‘Ik pakte mijn werk weer op en kon de volgende zin schrijven van wat misschien ooit nog een verhaal zou worden: "Twee jaar later waren twee van de jongens overleden” (…).’
Flor Vandekerckhove⇲
Dit is de achtste aflevering in een reeks ‘Oud worden voor beginners'. Wie vorige stukjes wil lezen, start hier en gaat vandaar terug tot het allereerste.]Grace Paley. Just As I thought. 1998. Farrar, Straus & Giroux. 332 p. Google vertaalde voor mij de citaten.