DIT WAARGEBEURDE VERHAAL speelt zich af aan 't begin van 1963. Ik ben dertien jaar, net als Rosie, mijn jongste kleindochter die vandaag dertien wordt. Van die tijd ben ik veel vergeten, maar een en ander weet ik nog. Het vriest beenhard. Het is, zegt men, de hardste winter van de eeuw. Die winter is niet alleen erg hard, hij duurt ook erg lang. Op sommige plaatsen vriest het drie maand lang. ‘t Begint al in november en duren doet het tot in maart. Op Nieuwjaarsdag 1963 krijg ik van mijn ouders – Arjette en onze Marcel – een trainingspak cadeau.
Met mama en papa ga ik naar ’t strand om daar naar de zee kijken. Zij in hun zondagse kleren, ik in mijn trainingspak. We zijn daar niet alleen, iedereen komt kijken. En wat we op dat strand te zien krijgen is waarlijk… ongezien. De zee is sneeuwwit, zover je kijken kunt. Dat wit is zo fel dat het pijn aan d’ ogen doet. Een dikke, licht deinende ijslaag bedekt de branding. Een bevroren zee, dat vergeet een mens niet.
Met mama en papa ga ik naar ’t strand om daar naar de zee kijken. Zij in hun zondagse kleren, ik in mijn trainingspak. We zijn daar niet alleen, iedereen komt kijken. En wat we op dat strand te zien krijgen is waarlijk… ongezien. De zee is sneeuwwit, zover je kijken kunt. Dat wit is zo fel dat het pijn aan d’ ogen doet. Een dikke, licht deinende ijslaag bedekt de branding. Een bevroren zee, dat vergeet een mens niet.
Ook het vervolg van die dag herinner ik me levendig. We komen thuis van de uitstap en ik word plotsklaps ziek. Toen ik dertien was, kreeg ik niet alleen een trainingspak, ik kreeg ook de griep.















