![]() |
| ‘Op de Boulevard van Iseghem woonde vroeger een viswuuf en z’had zij haar ziele aan de duivel verkocht.’ (Vertrekpunt van bovenstaande imaginaire ontmoeting is een postkaart uit 1923.) |
Niet alleen geleerden verkopen hun ziel. Ook bluesmuzikant Robert Johnson deed het en er bestaat een toneelstuk (en een film) over violist Paganini die ’t zelfde doet. In Oostende zijn het vooral vissers die zoiets doen. Daarvan getuigen elf mensen in de onvolprezen Vlaamse Volksverhalenbank. Zo is er deze toch erg gedetailleerde getuigenis die in 1958 werd opgetekend: ‘Mijn nonkel Henri had z’n ziele verkocht aan den duivel. Wè z’hebben dat zo dikwijls verteld. D’r kwam dan altijd een boot langs zij varen en dat er duivels aan boord waren! Zovele! En ze kwamen zo dikwijls langs als z’ under korre smeten. ’t Was vis in en d’ andere die d’r nevens vaarden vangden niks. Dat was de duivel die daartussen zat, zeien ze.’ Er is meer dan één visser die zo’n duivelspact aanging, en altijd zijn er wonderbare visvangsten mee gemoeid. Er is ook een variante die zich afspeelt op wat nu de Oosteroever heet: Hoe je framasson wordt…
Zo’n pact sluiten loopt altijd slecht af. Ten lange leste komt Mephistopheles, zoals afgesproken, je ziel halen. Dat is ook wat Oostendenaar Charlie Vanmale moest meemaken: ‘Ze vertelden wê, e zekere Charlie van Male. Da was e vint en j’aa zen ziele verkocht an den düvel. Ze zaait dat, weet je wê. Enne ja, onz’in zèè waren, die vent koste nooit allèène de wacht optrekken. “Want”, Zeiten, “on’k ollèène de wacht optrekken”,”’t kommen ossan bootjes tegen ’t schip.” Mo den deen die bie em stoent ’n zaag da nie. En op e zekere kèèr awo, ter was e schip niewo, en j’aad an boord gelopen. Enne ze kwamen an boord geroeid mê de boot en met de menschen der in. En d’r mocht gin èèn an boord komen, want dat was den düvel die achter de ziele kwam. Dat is waar gebeurd.’
Soms loopt het al mis van bij de start. Dat is wat deze visverkoopster overkomen is: ‘Op de Boulevard van Iseghem woonde daar vroeger een viswijf en z’had zij haar ziele aan de duivel verkocht. En z’ is ter haast zot van geworden, al die duivels kwamen altijd achter haar en als ze aan haar viskarre stond begost ze ineens te roepen en te tieren: ze zijn daar weer. En niemand zag etwa. Dat waren die duivels he, maar ze koste zij dat maar allene zien.’
Flor Vandekerckhove⇲
















