donderdag 4 juni 2026

Onmogelijke ontmoetingen

Bredene, leessalon in hotel Glibert. Ik denk 1911.

KENT U DE onzichtbare steden van Italo Calvino? ’t Is een van de weinige boeken die ik blijf lezen en herlezen. Het boek inspireert me ook, zoals in Grevelingen en de onzichtbare steden en Slapeloze nachten in Leonia. Sinds enige tijd uit die inspiratie zich ook in een reeks Onmogelijke ontmoetingen
Zoals Calvino in zijn boek onzichtbare steden beschrijft, zo toont De Laatste Vuurtorenwachter u een reeks onmogelijke ontmoetin-gen. Ik kondig de reeks nu pas aan, maar ’t spel is al een tijdje gaande. Op de Spinoladijk ontmoette ik zo al Gaston Duribreux. Met Karel Jonckheere wandelde ik de Baelskaai af. Ik zag Benoîte Groult in café Zeemansverlangen en ik zat ook al aan tafel met Ilja Leonard Pfeijffer in visserscafé Végeetje… Ik tel al vijftien soortgelijke ontmoetingen, allemaal onmogelijk.
De aankondiging van zo'n reeks moet plechtig zijn, vind ik. Daarom laat ik die plaatsgrijpen in hotel Glibert, een van de eerste hotels van Bredene. In dat hotel toef ik in de Salon de lecture. De ruimte achter me noemt men in die tijd graag de ‘Five O’Clock’, nu zou men wellicht tearoom zeggen. (Van beide plekken bestaan zwart/wit postkaarten.) In het leessalon grijpt binnenkort weer zo’n onmogelijke ontmoeting plaats. Ge kunt al een glimp van die mens opvangen. Hij zit op de achtergrond, voor het raam, leest een boek. Binnenkort haal ik hem vanachter dat tafeltje. Ge zult nogal opkijken als ge hem beter kunt zien.
Afsluiten doe ik met een mededeling waarmee cinema Cameo destijds nieuwe films aankondigde: kortelings op dit scherm. (Flor Vandekerckhove)       

Op 16 juni viert men wereldwijd Bloomsday, dé feestdag van de grote modernistische schrijver James Joyce. Dit jaar is het ook exact een eeuw geleden dat de familie Joyce uitgebreid vakantie vierde in Oostende. Het wordt meteen de vijfde editie van Bloomsday in Oostende, een feesteditie. Speciaal voor u doorkruisten zesentwintig schrijvers Oostende. De stad wordt bekeken door een zekere Bloem, hoofdpersonage dat deze schrijvers voor de gelegenheid in het leven roepen. 
DW B 2026 | 2 Bloem in Oostende is te koop in de Oostende boekhandels Corman, De Witte Zee en Standaard Boekhandel. Of via de webshop van uitgever Pelckmans. 20 euro.

 

woensdag 3 juni 2026

Paster Pype en zijn tijd

Henri Pype (de grijsharige, rechtopstaande man, achteraan in deze merkwaardige autobus) trok op latere leeftijd nog naar Lourdes. Hij kwam er doodziek van terug.

PASTER PYPE (°1854 - 1926†) IS een van de historische figuren van de Vlaamse visserij. Over die aalmoezenier werd al veel geschreven, onder meer door mezelf in Leven en werk van paster Pype (2014). Daar voegt Koenraad Verwaerde nu nog een levensbeschrijving aan toe. (°) Aanleiding is de honderdste verjaardag van Pype.
De brochure van Verwaerde is indrukwekkend, ook omwille van de vele foto’s en het uitgebreide notenapparaat. Het meeste wat hij over Pypes werk in de visserij vertelt, mag dank zij andere volkskundigen al bekend zijn, dat geldt veel minder voor het onderzoek dat Verwaerde voert met betrekking tot Pypes voorafgaande activiteiten: ‘(…) — zelden valt het licht op Henri Pypes vroege jaren. Die vormende periode blijft onbelicht (…) Wie Pype wil begrijpen, moet terugkeren naar die beginjaren — niet als randnotitie, maar als fundament. Naar het Klein Seminarie in Roeselare en het Groot Seminarie in Brugge (…) Naar Veurne, waar hij als jonge seminarist en diaken kort les gaf. En vooral naar Nieuwpoort (…) niet enkel in het onderwijs aan het Sint-Bernarduscollege, maar ook in het dagelijkse en maatschappelijke leven van de stad.’ Koenraad Verwaerde belicht deze voorafgaande perioden inderdaad voorbeeldig.
De auteur besteedt ook aandacht aan het klerikalisme, fenomeen dat paster Pype in zijn dadendrang leidt en hij bespreekt de historische wendingen die het uitzicht van dat klerikalisme mee bepalen: katholiek corporatisme, ultramontanisme, Rerum Novarum…, ingrepen en nuanceringen die alle tot doel hebben andere gezindheden te weren, ook uit de vissersgemeenschap. Iets wat in de visserij overigens voelbaar blijft tot lang na het overlijden van Pype, zoals ik het me herinner in De politieke perssprokkels van Dirk Demaeght, Open brief aan de visserijsector en Zwarter dan ooit.
Flor Vandekerckhove

(°) Koenraad Verwaerde. ‘Menère Herrie. Een rots in de branding. 1926-2026. Een eeuw later nog altijd vol betekenis.’ 26 p. Uitgave in eigen beheer, 2026. Meer weten? koenraad.verwaerde@telenet.be.

maandag 1 juni 2026

Het oorlogslied van de paardenstront


NOG ALTIJD BESTAAN er vragen waarop ’t internet geen antwoord biedt, zelfs niet als ge ’t aan ChatGPT vraagt, dat nochtans alwetend is. Mijn queeste betreft een lied met een West-Vlaamse tekst die als volgt luidt: 
En we gaan naar ’t froent
Achter pèèrdenstroent
en we gaan der vele rapen.
Het vers bestáát, dat weet ik zeker. ik denk dat het een studentenlied is, maar er is op ’t net geen studentencodex te vinden die ’t vermeldt. Is 't een soldatenlied? Een streeklied van bachten de kupe?
Of het meer strofen telt, weet ik niet. Wegens ‘froent’ en ‘pèèrdestroent’ denk ik dat het oorspronkelijk teruggaat tot de Eerste Wereldoorlog. Droogde men in oorlogstijd paardenstront - dat inderdaad stro bevat en daardoor ontvlambaar is -  om er ’t vuur mee op te poken?  Verzamelde men die paardenstront aan het front? Is die praktijk in een lied terechtgekomen? Zong men zich daarmee moed in, om de taak in oorlogsgebied uit te voeren? Weet gij er iets over? Hebt gij het ooit ergens horen zingen? Kent ge er de geschiedenis van? Kunt ge mij op een spoor zetten? Wilt ge het desgevallend meedelen, zodat we samen het internet verrijken met een antwoord op al de vragen omtrent dit vers? (Flor Vandekerckhove)      

Jan Lamote vindt op ’t internet alvast een bevestiging van het gebruik van paardenmest als brandstof: ‘Ja, paardenmest werd vroeger zeker als brandstof gebruikt. Door de geschiedenis heen was gedroogde dierlijke mest een van de belangrijkste energiebronnen voor de mens. Dit gebeurde vooral in gebieden waar weinig hout of andere brandstoffen (zoals turf of steenkool) beschikbaar waren. Al in de Middeleeuwen werd paardenmest in onze regio's verzameld en ingezet om vuur te stoken.’ Nu nog het lied. 
Christian Dochy vond op Le Chat Mistral het vreemde gegeven dat het vers deel uitmaakt van een Limburgs (!) soldatenlied ‘dat vaak mondeling is doorgegeven en in verschillende varianten bestaat. Het lied wordt soms gezongen in Limburgse kringen, met name tijdens feesten of herdenkingen, en heeft een humoristische of sarcastische toon over soldaten die op weg zijn naar het front.’ Limburgs? Is die Chat Mistral wel te vertrouwen? 
Annick Wittevrongel vond iets anders: 't zou een Antwerps lied zijn. Ook die uitleg strookt niet met het West-Vlaamse dialect. De koppeling van het vers aan "De sukkelaar" (of "Klucht van den bom") lijkt mij ook weinig overtuigend. 'Het oorlogslied van de paardenstront is geen bekend, officieel historisch strijdlied. De term verwijst in werkelijkheid naar een humoristisch, volks cabaret- en soldatenliedje uit de regio Antwerpen, genaamd "De sukkelaar" (of "Klucht van den bom"). Het liedje is teruggevonden in oude Antwerpse liedjesschriften (onder meer opgeschreven in de schriften van volkszanger Eugenius Koopman in de Stijfselrui). Het werd overgedragen via de mond-tot-mondreclame en gezongen in lokale theaters en volkscafés. De tekst stamt uit de periode van de Wereldoorlogen en spot met de bombardementen, de miserie en de chaos van het dagelijks leven in die tijd. De link met paardenstront is ontleend aan een specifieke, hilarische strofe waarin de verteller opschept over de ontberingen en het straatbeeld. De tekst luidt (in Antwerps dialect): Als ik den eersten dag in mijnen kelder lag...Een bom viel op mijn huis,...Met slijk, paardenstront, hé, zo'n heel klad / Dan dacht ik bij mijn eigen:'k Wou dat ik ook zo'n kletskop had. De soldaat of "sukkelaar" beschrijft hoe zijn huis door een granaat of bom wordt geraakt. De inslag gooit modder en paardenstront door de lucht. In plaats van te klagen over de vernieling, focust hij zich op het absurde detail van de ravage en de hoop op een gelijkaardige chaos bij de vijand.'
Freddy en Willy Versluys herinneren zich dat hun vader het voor hen zong. Albert Declercq herinnert het zich van zijn grootouders. Die drie respondenten zijn West-Vlamingen. Weinig kans dat hier uit Limburg of Antwerpen is komen aanspoelen.

Nadat het leven me van stad naar stad had gebracht, van werk naar werk en van vrouw naar vrouw, streek ik in Bredene neer, waar ik ook mijn jeugd had doorgebracht. Daar startte ik een schrijfproject dat onderzocht hoe het anderen vergaan was. Ik delfde sporen van schoolmakkers op, jongens waarmee ik tijdens m’n tienerjaren de schoolbanken in een Oostends college deelde. 
Had het iets te betekenen, het leven van die babyboomers in de sixties? Ik schreef er een boekje over, Tienerklanken, zo genoemd naar een TV-programma dat in die tijd voor ons gemaakt werd. Dat boekje is nu beschikbaar.
Tienerklanken is een e-boek (117 pagina’s in pdf of epub naar keuze), uitgegeven door De Lachende Visch en gratis verspreid door De Weggeefwinkel. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be en het boekje valt vandaag nog in je mailbox. GRATIS! (Vermeld: ‘Tienerklanken’ en zeg epub of pdf.) 

zondag 31 mei 2026

De Française Benoîte Groult weet wel waarom

Om mijn stelling kracht bij te zetten, laat ik Benoîte Groult mijn oud-stamcafé op de Opex opzoeken, café Zeemansverlangen. (°) (Illustratie tot stand gekomen met behulp van artificiële intelligentie.)

ER IS EEN tijd geweest waarin Oostende zowel volks als chic was. Dat het de twee was, bepaalde zelfs de identiteit van de stad. Daar kan veel voor, tegen en over gezegd & geschreven worden, maar dit staat vast: het bracht indrukwekkende kunst & literatuur voort. Ik postte er in 2015 een mini-essay over: Maskers, winkeliers en kosmopolieten.
Aan de vuurtoren ontplooit zich momenteel soortgelijke situatie. De toevloed van nieuwe residenten op de Oosteroever enerzijds en de oude bewoning op de Opex anderzijds maakt de vuurtorenwijk zowel volks als verwant aan de beau monde. De geschiedenis van Oostende leert ons dat het een vruchtbare voedingsboden voor literatuur & kunst is.
Benôite Groult (°1920 - 2016†) is het daarmee eens. In 1988 publiceert ze Zout op mijn huid (Les vaisseaux du coeur). (°°) De roman vertelt over de liefde tussen een Parijse intellectuele uit de beau monde en een visser zoals er op de Opex duizenden geleefd hebben: ‘En met de onbuigzaamheid die toen de plaats innam van mijn persoonlijkheid kon ik hem zijn gebrek aan cultuur niet vergeven, zijn gewoonte om de haverklap te vloeken, zijn voorkeur voor bedrukte jacks en voor sandalen waarbij hij sokken droeg, zijn sarcastische glimlach bij abstracte schilderijen die hij de dag ervoor in het museum in enkele zinnen die blijk gaven van een boosaardig gezond verstand had afgekraakt; noch zijn duidelijke voorliefde voor Rina Ketty, Tino Rossi en Maurice Chevalier, precies die zangers die ik niet kon uitstaan en die ik op mijn beurt in een paar besliste zinnen met de grond gelijk had gemaakt! Ik vergaf hem niet dat hij het brood in zijn handen sneed en zijn vlees van tevoren op zijn bord, noch dat hij een beperkte woordenschat had die twijfels opriep over zijn denkvermogen.’ De tegenstelling tussen die twee heeft hoe dan een grote liefde bewerkstelligd èn een literair meesterwerk gecreëerd.
Is dat vissersvolk dan zo speciaal? Daarvan lijkt toch ook Georges Perros (°1923 - 1978†) overtuigd. Hij ruilt Parijs voor Douarnenez. In Une vie ordinaire vertelt hij waarom en ook over zijn band met Île de Sain, Bretoens eiland dat zo sterk met de visserij verbonden is. (°°°)
Flor Vandekerckhove


(°) Toen ik er stamgast was, werd het café uitgebaat door Christiane. Dirk Verhaeghe heeft oudere herinneringen: 'Bij tjap en Eugenie. Magische momenten beleefd als kind! Met opa toertje koaie de zondag en cokka, chips of sjokola.' Het café bestaat al lang niet meer.
(°°) Benoîte Groult. Zout op mijn huid. 2019. Uitg. Meulenhoff. 240 p.

zaterdag 30 mei 2026

Bredene, 1935

Arthur Koestler en Egon Erwin Kisch voor pension L’Aurore in Bredene, hoek Kapel(le)- en Gentstraat. (Illustratie gerealiseerd met behulp van artificiële intelligentie.)

DE DUITSTALIGE TSECHOSLOWAAK Egon Erwin Kisch (°1885 - 1948†) is een van de bekendste journalisten van zijn tijd. Ik lees erover in Bericht uit Bredene, brochure van John Gheeraert. (°) Zijn bijnaam heeft Kisch te danken aan een bundel reportages: Der Rasende Reporter. Hij schrijft ook romans en toneelstukken. In 1933 wordt hij door de nazi’s gearresteerd. Na een verblijf in de Spandaugevangenis zet men hem het land uit. Hij vestigt zich met zijn toekomstige echtgenote Gisela (Giesl) in Parijs.
In de zomer van 1935 ontvlucht hij het hete Parijs en zoekt verpozing in Bredene. Het koppel verblijft in hotel l’Aurore, op de hoek van Kapel(le)straat en Gentstraat. Het Grand Hotel Cosmopolite bezet de andere straathoek. Koch werkt er aan een reportageboek. Gisela tikt het manuscript. Aan zijn moeder schrijft Kisch: ‘Ich bin am Meer, und wenn man auch nicht meer baden kann, so lässt man sich doch von der Sonne bescheinen, und die Wellen bringen eine schöne Luft mit.’ Het koppel blijft in Bredene tot eind september.
Kisch en Gisela krijgen er bezoek van Arthur Koestler die ook enige tijd in de Aurore verblijft. In een brief (25 augustus 1975) aan Gheeraert bevestigt Koestler: ‘Egon Erwin Kisch and his wife Giesl definitly stayed in Bredene most of the time I was there. (…) Irmgard Keun and Joseph Roth were frequent visitors (…)’ Ook Koestler gebruikt zijn tijd in de Aurore om te schrijven, ‘but the book was never finished.’
Voor de petite histoire nog dit. I
n mijn jeugd heb ik de Aurore goed gekend. Het restaurant op de benedenverdieping was klant van vaders kiekenwinkel. De uitbater-kok hield er in de sixties een praktijk van bestellingen op maat op na. Telkens een klant kip bestelde, belde hij op om die gebraden kip meteen te leveren. Meermaals gebeurde het dat ik pas terug thuis, al meteen rechtsomkeert mocht maken met weer één gebraden kip.
Flor Vandekerckhove
[Dit stukje krijgt een vervolg: Bredene, 1936.]

(°) John Gheeraert. Bericht uit Bredene. Vermaarde joodse emigranten in Vlaanderen. 53 p. Uitg. C. De Vries -Brouwers pvba, A’pen/A’dam. 1987. 
Ik zie dat er vandaag nog steeds veel boeken van EE Kisch te koop aangeboden worden, meestal Duits, een enkele keer Engels en Frans. Er is ook een biografie van de man beschikbaar: kijk bijvoorbeeld hier bij Amazon.

vrijdag 29 mei 2026

Tien gedichten die ik vertaal en declameer

Op het strand breng ik rond het kampvuur dichters samen wier poëzie ik vertaald heb. Van links naar rechts: Ian Campbell (met gitaar). Bovenste rij: Brendan BehanCharles BukowskiFlorence ShawFranz Wright, De Laatste Vuurtorenwachter, Siegfried SassoonGabriel RosenstockWilliam BlakeNaast het vuur, met zonnebril: John Cooper Clarke. Iemand stuurde zijn kat. (Illustratie gerealiseerd met behulp van artificiële intelligentie.)


1. WERP DE TEERLING is mijn vertaling van ‘Roll the Dice’, tekst van Charles Bukowski. In de video hoor je de stem van Bono die de tekst in ’t Engels declameert, afwisselend met mijn Nederlandse vertaling die ik zelf voorlees. Werp de teerling.

 

2. TIME TO BURRY Heroes is een tweetalig - Iers en Engels - gedicht dat de Ierse dichter Gabriel Rosenstock↗︎ schreef, ’t is een tanka. Ik maakte er een Nederlandse vertaling van en behield de tankastructuur: Tijd om helden te begraven.


3. IN THE OLD Man laat de Schotse folksinger Ian Campbell. een mens aan het woord die het allemaal meegemaakt heeft. Zijn vader trekt ten strijde tegen de Boeren in Zuid-Afrika, zelf gaat hij de Groote Oorlog in en uiteindelijk moet hij het nog meemaken dat zijn kleinzoon naar Vietnam trekt. Ik vertaalde Campbells tekst in De oude man.

4. ’IK WIL DE jouwe zijn’ is een vertaling die ik maakte van het gedicht ‘I wanna be yours’ van John Cooper Clarke. Hij declameert zijn gedicht en tussendoor lees ik mijn vertaling. I wanna be yours


5. THE LAUGHING HEART. ‘Het lachende hart’ is een vertaling die ik maakte van ‘The Laughing Heart’ van Charles Bukowski. Op de film hoor je Tom Waits die de tekst in ’t Engels declameert, afwisselend met mijn stem die de Nederlandse vertaling voorleest.: The Laughing heart⇲.


6. DE TIEGER IS de vertaling die ik maakte van het gedicht The Tyger van William Blake. Patti Smith zingt het origineel, ik lees mijn vertaling. Op het einde speelt Mark Allen een instrumentale cover van Wild Horses van The Rolling Stones: De tieger.


7. DE OUDE TRIANGEL is een vertaling die ik maakte van ‘The Auld Triangle’. Toen ik die maakte schreef ik de song toe aan Brendan Behan.  In De Laatste Vuurtorenwachter ben ik later op zoek gegaan naar de ware herkomst:  'Op zoek naar de ware auteur van The Auld Triangel'. Inmiddels weet ik dat Brendan het lied van de straat opgeraapt heeft. In deze video hoort u me de door mij gemaakte Nederlandse vertaling declameren, de cellomuziek is van Patrick Dexter: De oude triangel.

8 HET PEYOTEJOURNAAL breekt af is een vertaling die ik maakte van ‘The Peyote journal breaks off’, gedicht van Franz Wright. U hoort mij eerst de vertaling declameren, daarna volgt Wright die zijn gedicht voorleest. De muziek is van David Sylvian. Muziek en declamatie van Franz Wright staan op de plaat ‘There’s a light that enters houses with no otter house in sight’: Het peyotejournaal breekt af.

9. MAGIE VAN FABIOLA is een vrije vertaling — een herschrijving — die ik maakte van ‘Magie of Meghan’ van Dry Cleaning. Hier en daar hoor je de muziek van dat nummer: Magie van Fabiola.


10. ’ZELFMOORD IN DE loopgraven’ is mijn vertaling van een gedicht van de Brit Siegfried Sassoon. In 1917 protesteerde hij met zijn Soldier’s Declaration tegen het verderzetten van de oorlog. Waarop men hem naar de psychiatrie afvoerde. De tekeningen in het filmpje zijn van Jacques Tardi. Bij ’t declameren begeleid ik mezelf op de strumstick: Zelfmoord in de loopgraven.

donderdag 28 mei 2026

Over de methode (deel 2 van een drieslag)

In de Madridstaat van Oostende staan drie mannen. Ze zoeken er naar vervlogen tijden en meer bepaald naar een café dat in de herinnering 'Chez Paul' heet. De drie staan voor de gevel van wat ooit hotel Mon Rêve was, zoals een tipgever me meldt: 'Mijn grootouders hielden het hotel open in de jaren 50-60 en 70 . Een heel andere, leuke tijd toen. Het hotel had ingangen in de Lange- en de Madridstraat.' Een andere tipgever meldt dat daar later wel degelijk een 'Taverne Paul' geweest is.

Taverne Paul (BVBA) laat inderdaad een spoor na op ’t internet: Madridstraat 18. (oprichting BVBA: 1983).


Van links naar rechts: Koen PeetersHugo BrutinKoen Broucke. 

HERINNER JIJ JE die keer dat ik het huis uit moest, omwille van een foto, een boek en een ets? De ervaring resulteerde in een drieslag waarvan Over de ouderdom al gepost werd en het derde deel - Over de brug - nog komend is. Over de methode is nummer twee.
Bij Corman haal ik het boek. (°) Daarin lees ik het verhaal van de expo die Koen Broucke in Gent organiseert. In dat boek roept het ene beeld een ander op, zoals ‘t ene woord het andere en de ene mens weer iemand anders. Onderweg laat dat bij Broucke schilderkunstige sporen na en die toont hij in de tentoonstelling. ’t Is een methode die ervoor zorgt dat toeval kansloos is.
De methode komt me bekend voor. Heeft Koen Peeters die niet prijsgegeven in zijn Kamer in Oostende? Dat is een boek waarin Broucke trouwens prominent aanwezig is. (°°) Bij Peeters heet die werkwijze perspectivisme. 
Van de weeromstuit pas ik op mijn beurt dat perspectivisme toe in deze drieslag, in een barbaarse variant weliswaar, haastig surfend over ’t internet, onderweg plukkend wat bruikbaar is en weer verder scrollend. Zodoende stoot ik op een FB-post van Broucke, 6 mei: ‘Wij delen hier graag de mooie impressie (…) die we ontvingen van Hugo Brutin, de nestor van de Belgische kunstkritiek.’ Ha!, denk ik meteen, Hugo Brutin komt ook voor in Peeters’ Kamer in Oostende. Ik haal het boek weer uit de kast en vind meteen het stuk waarin Brutin, samen met Peeters en Broucke, op zoek gaat naar een café waar Hugo destijds met dichter Paul Snoek placht te pintelieren. In Kamer in Oostende sluit die passage af met een droom. Brutin: ‘Een maand na zijn dood hoorde ik iemand binnenkomen in mijn kamer. Paul Snoek stond aan het voeteneind van mijn bed. Hij had zijn blauwe visserstrui aan, die stond in een vreemde punt vooruit. Hij stelde me gerust: “Hugo, je moet er niet mee inzitten. Het is allemaal in orde.” Hij was gekomen om me dat te zeggen.’ 
Flor Vandekerckhove

(°) Koen Broucke (beeld), Annick Lesage (tekst), Wouter Deprez (voorwoord) en Doreen Gaublomme (inleiding). De kun­ste­naar die detec­ti­ve wil­de zijn. 2026. Uitgeverij Artha. 192 p. 150 ill. Hier staat meer.
(°°) Koen Peeters. Kamer in Oostende. 2019. De Bezige Bij, A’dam. 271 p.

woensdag 27 mei 2026

Guido Gezelle: ‘Laat tot ’s werelds ende mij lopen langs uw waterbaar’

De Laatste Vuurtorenwachter en Guido Gezelle (°1830 - 1899†) ontmoeten elkaar op de Baelskaai in Oostende. (Illustratie gerealiseerd met behulp van artificiële intelligentie.)

OP 6 DECEMBER 1896 verschijnt voor ’t eerst De Zeewacht. Voor dat ‘katholiek, volksgezind weekblad voor burger en werkman’ schrijft Guido Gezelle meteen een nieuwjaarsgroet: ‘Och, Zeetje van Oostende’. Uitgever Alphonse Elleboudt publiceert het gedicht op 3 januari 1897. Dat had ik nooit geweten, ware het niet dat Willy Muylaert er in Het Visserijblad van 1 januari 1997 een artikel over publiceert. Om dat stuk te lezen hoeft u niet eens de deur uit. Googel [PDF] gezelle en de zee. Klik en - floep! - daar verschijnt op uw scherm: Guido Gezelle, Paster Pype en de Oostendse visserij. Met gedicht en al. (Flor Vandekerckhove

Wij, met zand in onze schoenen is een memoir (25 bladzijden), waarin ik terugdenk aan de weg die kunstschilder Luc Martinsen en ik afgelegd hebben sinds onze eerste ontmoeting in 1988. Ik schreef dat boekje als een symfonie, een muziekstuk in drie delen, dat na het tweede deel onderbroken wordt door een interludium en afsluit met een coda. In de beste traditie van De Weggeefwinkel is ook Wij, met zand in onze schoenen gratis. U hoeft er alleen om te vragen. Mocht u interesse hebben, mail naar liefkemores@telenet.be↗︎. (Vermeld 'Zand' en zeg 'pdf' of 'epub'.)

dinsdag 26 mei 2026

Over de pretentie van Ilja Leonard Pfeijffer en ook over de mijne

Ilja Leonard Pfeijffer en De Laatste Vuurtorenwachter ontmoeten elkaar in de Oostendse visserskroeg ’t Vegeetje. Waardin Marie is getuige. (Illustratie gerealiseerd met behulp van artificiële intelligentie.)


EEN VAN DE allereerste posts in deze blog ging over loftsocialisten. ’t was de recensie van een boek over de ‘gauche caviar’ en de auteur maakte er een positieve balans van op. Hij noteerde ook het verdwijnen ervan en riep de ‘champagne left’ op om terug te keren: links heeft u nodig!
Telkens ik iets over/van Ilja Leonard Pfeijffer lees, denk ik: de loftsocialisten zijn terug! Deze in welstand levende auteur beweegt zich in het centrum van de bourgeoisie, waar hij zich links opstelt. Zo wijst hij de burgerij erop ‘dat de literatuur geen branche is voor winstmaximalisatie (…).’ Daar denkt de nieuwe eigenaar van de prestigieuze uitgeverij Grasset wellicht anders over.
Schrijvers, zegt Pfeijffer, ’leveren het magische product dat van jachtigheid, oppervlakkigheid en afleiding geneest en dat mensen in staat stelt om zich van consumenten te transformeren in lezers en om zodoende langdurig de vergeten weldaad te ervaren van aandacht.’ En in het slotwoord zegt hij ’t nog eens: schrijvers weten dat zij ‘de hogepriesters zijn van de aandacht.’ (°)
Als Pfeijffer al ergens een hogepriester van is, dan is ’t van de boekenverkoop. Commercieel succesvol als hij is, wordt hij omgeven door aura. Om hem heen straalt het aureool van mercantiel succes. Telkens de hogepriester zich naar de markt begeeft, zet zich een apparaat in werking van correctoren, redacteurs, producenten, omslagontwerpers, managers, verkooppromotoren, agenten, recensenten, reclamejongens, foreign rights officers, campagnestrategen, distributeurs, fans… een hofhouding die de verkoop naar grote hoogten stuwt. Daarin onderscheidt Pfeijffer zich niet van bijvoorbeeld pulpschrijfster Nora Roberts. Beiden produceren ze marchandise die voldoet aan een behoefte van escapisme, beiden presenteren ze een product dat consumenten belooft een wijl te ontsnappen aan het ‘multitasken’, aan ‘de bewust verslavend algoritmen van de sociale media’, ze beloven ‘een manier om onze mobiele telefoons uit te schakelen’, ze leiden lezers even weg van de wereld ‘van views, clicks en likes’. (°°) 
Mij enthousiasmeert de maatschappelijke pretentie van Ilja Leonard Pfeijffer niet. Wil je ontsnappen aan de wereld van views, clicks en likes, stap dan een wijle door de branding. ’t Is gezonder dan lezen en ’t kost niets. Ik kan je verzekeren dat je al wadend een en al aandacht wordt.
Wel bewonder ik Pfeijffers literaire pretentie. Over 'het boek' zegt hij: ‘Een schrijver heeft er jarenlang elke dag van het krieken van de ochtend tot ver na zonsondergang geconcentreerd aan zitten werken, terwijl hij of zij elke alinea, elke zin, elk woord en elke lettergreep duizend maal duizend maal heeft gewogen, overdacht en heroverwogen.’  Zo hoort het inderdaad, dat is wat de schrijver onderscheidt van de schrijvelaar. En waarom doet de schrijver dat? Om ons te verrassen met woorden. Ja, dat vat de taak van de literaire schrijver goed samen: Verrassen Met Woorden.
Schrijverspretentie heb ik ook - zonder pretentie hoef je er zelfs niet aan te beginnen. Wat ikzelf in mijn praktijk wil aantonen is dat literatuur ook gedijt op de plek waar mensen scrollen, swipen en surfen, op de plek van de kapitalistische ontaarding zoals ze is. Vindt u het pretentieus dat ik me durf te meten aan Pfeijffer? Wat dacht u anders van deze? Mijn pretentie voedt zich aan deze van Bob Dylan die, dixit Allen Ginsberg, de artistieke uitdaging aanging om te zien of er in de jukebox plaats kon zijn voor grote kunst, en hij bewees dat het kon.’ Dylan in de jukebox, ik in de blog.
Flor Vandekerckhove

[Aan dit stuk ging vooraf: Over de toekomst van de schrijverij⇲.]

(°) Ilja Leonard Pfeijffer. De toekomst van de literatuur. 2026. De Arbeiderspers A’dam/A’pen. 34 p. De tekst is deze van de Joost Zwagerman Lezing 2025. De citaten van Pfeiiffer komen uit die tekst. 
(°°) Nu moet ik me ook niet dommer voordoen dan ik ben. Ik weet ook wel dat Pfeijffer en Roberts een ander marktsegment bedienen. Ik ken het onderscheid tussen literatuur en lectuur. De stijl die de ene aanwendt zal de andere net ontwijken. Over dat onderscheid schreef ik lang geleden al Verwerp het cliché! Omhels het geheim!

maandag 25 mei 2026

Gesprek tussen mijn jonge en mijn oude zelf

In de Inkomhal van het Grand hôtel de l’Espérance van Bredene zitten mijn jonge en mijn oude zelf elk in een zeteltje.

‘JIJ BENT OUD’, had mijn jongere zelf me gezegd, ‘jij hebt makkelijk praten’. Mijn oudere zelf antwoordde: ‘Je hebt tijd genoeg, je hoeft nergens over in te zitten. Op ’t einde zal je weten dat je een zondagskind geweest bent en dat de goden je welgezind waren.’ Mijn jongere zelf vroeg: ‘Maar zou ik toch niet beter beenhouwer worden?’ Toen hoorden wij het muziekje van de ijscoman. We haastten ons naar buiten en kochten een hoorntje. Geen slagroom, dat doen we niet. We genoten van het ijsje en vergaten het gesprek verder te zetten. Anders had ik het hem wel even gezegd. (Flor Vandekerckhove) 

Nadat het leven me van stad naar stad had gebracht, van werk naar werk en van vrouw naar vrouw, streek ik in Bredene neer, waar ik ook mijn jeugd had doorgebracht. Daar startte ik een schrijfproject dat onderzocht hoe het anderen vergaan was. Ik delfde sporen van schoolmakkers op, jongens waarmee ik tijdens m’n tienerjaren de schoolbanken in een Oostends college deelde. 
Had het iets te betekenen, het leven van die babyboomers in de sixties? Ik schreef er een boekje over, Tienerklanken, zo genoemd naar een TV-programma dat in die tijd voor ons gemaakt werd. Dat boekje is nu beschikbaar.
Tienerklanken is een e-boek (117 pagina’s in pdf of epub naar keuze), uitgegeven door De Lachende Visch en gratis verspreid door De Weggeefwinkel. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be en het boekje valt vandaag nog in je mailbox. GRATIS! (Vermeld: ‘Tienerklanken’ en zeg epub of pdf.)