zaterdag 16 oktober 2021

Een woordje Occitaans

De église Sainte-Marie vlak buiten Malegoude. Rechts wijs ik het dichtgemetselde raampje aan dat de gotische oorsprong van het bouwwerk verraadt.


12 oktober — Katharen! Mocht ik er per se iets over willen vertellen, moet ik het nu doen, Fangeaux↗︎ was er een bolwerk van. Maar waarom zou ik dat doen? U leest er alles over in de Wikipedia. Wie waren ze, wat dreef hen en waarom werden ze door de katholieken uitgemoord: hier↗︎ worden zo’n vragen beantwoord. Waardoor ik me meteen naar Malegoude↗︎ kan begeven, waar Tania’s dagtocht vandaag eindigt en morgen weer begint. Daar parkeer ik de camionette op ’t graspleintje naast de église Sainte-Marie die ouder is dan ze eruitziet. Achteraan bevindt zich een dichtgemetseld raampje dat de gotische oorsprong verraadt. Zelf geeft het me de kans om u voor het eerst in mijn blogcarrière iets in ’t Occitaans mee te geven: 
Malagoda apareis dins los textes en 1207. Passada dels senhors occitans a la famille de Levis, es balada a l’abadiá de Bolbona. La cabeç de glissa Santa Maria se restaca a l’art romanica (sègles XI e XII): forma semicircolare, esteri rapòrt a la nou, vòltas en cool de forn, fenèstra pichona ara murada. (‘Malegoude verschijnt in 1207 in teksten. Het kwam van Occitaanse heersers van de Lévis familie in handen van de abdij van Boulbonne (1391). Het kopeinde (? La cabeç, Fr.: chevet) is een restant van romaanse architectuur (11de-12de eeuw).
Occitaans↗︎ was in die tijd alhier de algemeen gebruikte volkstaal. ‘La
— Lo Gat Furiós —
langue d’oc’ werd intussen door het Frans (langue d’oïl↗︎) verdrongen. Buiten de steden hoor je nog wel Occitaans spreken. Gemeentenamen en Straatnaamborden zijn in de streek tweetalig, en in Toulouse 
bijvoorbeeld zijn de spraakberichten van de metro dat ook. Een enkele keer meldt een sticker op een deur trots dat men daar nog het Occitaans beheerst. Ik heb op zo'n deur aangeklopt en gevraagd wat het Occitaans voor Le Chat Fâché is, De Boze kat, en na enig nadenken zei men vol overtuiging: Lo Gat Furiós. Ik ga mijn vakantiehuisje zo noemen, wat zegt ge daarvan!
Flor Vandekerckhove

vrijdag 15 oktober 2021

Opspelend geweten in Arzens

Links: op de Promenade van Arzens maak ik kennis met een 95-jarige inwoner. Midden: beneden aan het standbeeld groet ik de soldaat die de overwinningspalm torst. Rechts: de soldaat heeft een groot Dupont & Dupond-gehalte.


11 oktober — Blij dat ik Carcassonne↗︎ achter me laat: veel te druk, teveel volk, teveel verkeer, te luid, te jachtig. Blij dat ik in Arzens↗︎ halthoud, waar de easy going me beter ligt. Terwijl ik daar op Tania wacht, wier Grote Route er passeert, maak ik kennis met een oude Fransman (95) die het niet helemaal vertrouwt. Maak ik misbruik van die man om een foto van ons samen te schieten? Mijn geweten speelt op, iets waar ik in mijn jonge jaren nooit veel last van had. (Het geweten groeit blijkbaar naarmate je zelf krimpt.) Ik verzeker de man dat ik zijn naam niet zal vernoemen laat ons zeggen dat hij Jacques Anquetil heet. Waarna mijn aandacht naar het standbeeld naast onze bank verschuift: Arzens à ses glorieux anfants morts pour la France. Terwijl ik de strijdvaardig afgebeelde militair theatraal groet, neemt het wantrouwen van Jacques Anquetil nog toe. Wat ik ook opmerk is dat de militair een groot Jansen & Jansens-gehalte↗︎ heeft. Mijn Frans schiet tekort, waardoor ik gelukkig niet in de verleiding kom om Jacques Anquetil te vragen of ook hij vindt dat de militair op Dupont lijkt. Of op Dupond.
Flor Vandekerckhove

donderdag 14 oktober 2021

Francis Bacon in de Languedoc

Boven, de picknickplek waar ik dit stukje schrijf. Onder: Three Studies at the Base of a Crucifixion, werk van Bacon uit 1944.



10 oktober — Tania’s wandeling start vandaag vlak buiten Sallèles-Cabardès↗︎, 23 km te gaan, afspreken doen we in Carcassonne↗︎. Ik verdoe enkele uren op een allerbeminnelijkst picknickplekje, waar ik de lectuur van de biografie van Francis Bacon↗︎ aanvat. Het kan haast niet anders dan dat u daar eerstdaags meer over verneemt. Vanavond haal ik in Carcassonne (wifi!) de foto van diens Three Studies at the Base of a Crucifixion↗︎ (1944) van ’t net en voeg hem toe aan onderstaande passage. (Die nogal lang uitvalt, ’t komt doordat ik die tekst bewaard wil zien, ook nadat ik het boek aan de bib terugbezorg.)
Net als Aechylus hoopte Bacon vast te leggen wat niet uit te drukken is — om door te ver te gaan, krachtige, nog onuitgewerkte gevoelens bloot te leggen die achter de woorden of het goedgetrainde oog schuilgaan. Dan kon hij iets diepers raken, een of andere inwendige zenuw. (Hij koos er vaak voor niet de ogen van een figuur uit te drukken.) Bacon genoot van Stanfords actuele vertaling van regels in Aechylus omdat het toneelstuk de taal in zijn weergave vreemd verdraaide en verschoof tot een nieuwe, rauwe betekenis ontstond. Met name één regel deed Bacon deugd: ‘De stank van mensenbloed lacht me toe.’ Three Studies hebben die stank — en die lach. De figuren mogen zich dan aan de voet van een kruis hebben gezet, ze brengen niets smartelijks, droevigs of tragisch over. In plaats daarvan lijken ze verrukt van ‘de stank van mensenbloed’.
De centrale figuur, die de toeschouwer ‘toelacht’, had een speciale lading. Aan beide zijden konden de schepsels de fantasierijke uitvindingen zijn van een verwarde verbeelding zoals je die vindt bij Jeroen Bosch of in het Grand Guignol, het Parijse volkstheater met zijn macabere toneelstukken, en dan afgedaan als slechts monsters. Maar de figuur die in het midden verscheen, op de plaats waar op een drieluik gewoonlijk Christus staat, kwam grotesk bekend over, grijnzend en met grote tanden, als dat onaangename familielid op een familiebijeenkomst. Het verband over de kop was een briljante touch. Verband was een teken van offers brengen in een oorlog. Het stelpte het boek en sloot de wond. Het stond voor heling en heldendom. Wiens hart was niet overgelopen van sympathie bij het zien van een foto in Picture Post van een verminkte soldaat of een gewonde burger. Hier bedekte  het verband de ogen waardoor de aandacht van de toeschouwer gericht wordt op andere lichaamsdelen, vooral op de enorm kwaadaardige mond. Het verband is een blinddoek geworden die de ogen kon bedekken, maar niet de muil.
Links van de centrale figuur stond een op een oud wijf lijkende figuur, die ook wel op een gier leek. Ze zat op haar hurken en keek weg van de toeschouwer alsof ze iets verborg. Ze had hartvormige schouders en dunne botten als armen die wat op kippenvleugels leken, waar veren en vlees van afgerukt zijn. Ze kon wel op een ei zitten of op een stuk bloederig vlees. Rechts van de figuur in het midden stond een schepsel, huilend als een hond, met de voorpoten in een lapje stekelig gas. Zijn kop was bijna helemaal mond en die was naar boven gericht als een beker, om meer vreselijk voedsel vanuit de hemel te ontvangen. Alle zintuigen werden door deze schepsels geprikkeld. De toeschouwer kon de muskus bijna ruiken, het gehuil bijna horen, het rauwe vlees bijna voelen. Alle drie de schepsels hadden lange nekken die hun koppen verbonden met hun afstotelijk plompe lijven, en het was niet moeilijk je voor te stellen hoe voedsel of bloed door hun ingewanden stroomde; In Three Studies had Bacon (…) het dier in de mens gevonden en de mens in het dier. 
De drie figuren bevolken een merkwaardig lege omgeving. Twee staan in een ruimte met fragmenten die van oude meubels ouden kunnen zijn — wat over was, misschien van d Europese salon. De derde stond buiten het vertrek, maar op een stukje gras dat niet gastvrijer was dan de kamer of het meubilair; buiten de salon was ook weinig over. Achter de figuren waren nog een paar restjes te zien van verdwijnende geometrische lijnen die, omdat ze niets specifieks definiëren, een vage ruimte rondom de figuren oproepen die niet kon worden begrepen of tot de orde gebracht. De ruimte was gevuld met een buitengewoon gebrand-oranje licht, dat spookachtig gloeide, maar niet verlichte. Het was een kleur om het lusteloze, grijze, oorlogsmoeë Londen te schokken, waar in geen jaren een fel licht had gebrand, op de bomflitsen en de daaropvolgende branden na. John Russell zou deze beelden die Bacon op het punt stond tentoon te stellen later een keerpunt noemen: er was Engelse kunst vóór, en er was Engelse kunst na Three Studies for Figures at the Base of a Crucifixion. (p.270-271)
Francis Bacon schildert wel meer triptieken, ik postte er eerder↗︎ al iets over. ’t Is ook Bacon die me inspireert om zelf een aantal triptieken te schrijven, telkens bestaande uit drie provoverzen↗︎ die samen een triptiek vormen, zoals Wegwezen↗︎, verlucht met mooie beelden van Bennie Simoens↗︎.
Flor Vandekerckhove

woensdag 13 oktober 2021

De schone en het beest



Zaterdag 9 oktober. — Tania stapt van Pradelles-Cabardès↗︎ naar Villegly↗︎, terwijl ik mezelf ergens tussen die twee dorpen ophou. Gezeten in dit prachtige landschap hou ik u de DVD’s van The Hour (°) voor, verhaal dat zich in Britse TV-middens van de jaren vijftig afspeelt. Aanrader. Maar waarom vertel ik u iets over een op en top Brits verhaal, terwijl ik geniet van een door en door Frans landschap? Laat het me uitleggen.
Terwijl u en ik ons best doen om ’s nachts de slaap te vatten, zijn er anderen die pas dan tot leven komen. The Hour toont ons zo’n soort in de imaginaire Londense nachtclub El Paradis. Halfnaakte danseressen bewegen zich ritmisch tussen goedgeklede heren die zich aan champagne en oesters te buiten gaan. Socio-culturele vragen overvallen mijn gemoed: bestaat dat nog altijd, zo’n nachtelijke plekken waar lust & macht in vol ornaat samenkomen? Gaat het verschijnsel de strijd met me-too, woke en cancel culture aan? Waarna ik het nachtlampje uitknip.
’s Anderendaags loop ik door een bos. Om de passant te plezieren hangen her en der foto’s aan bomen, een mens vraagt zich af wie op zo’n idee komt. Een foto van Frank Horvat↗︎ trekt mijn aandacht: goedgeklede heer, halfnaakte vrouw. Hij straalt macht uit, zij roept lust op. Er is een onderschrift: Au Crazy Horse-1962. Die Crazy Horse↗︎ bestaat in Parijs nog steeds. Wat mijn vraag van voorgaande avond beantwoordt: nachtelijke plekken waar lust & macht in vol ornaat samenkomen, het bestaat wel degelijk nog altijd. Frank Horvat heeft het perfect weten vast te leggen.
Flor Vandekerckhove

Zij legt de weg te voet af, ik zet haar dagelijks af op de plaats van vertrek en pik haar op waar ze aankomt, telkens een beetje verder. Waarmee ik me intussen bezighoud? Ik hou een dagboek bij. Telkens ’t internet het in deze wifi-arme bergen toelaat stuur ik u daar een bladzijde van door. Dag 1 heet Hildegard heeft het licht gezien↗︎; dag 2 titelt De vergeten missionarissen van Cabonèz↗︎; dag 3 heeft als titel 140 bangelijke meter↗︎. De rest volgt, zodra ik in deze bergen weer ergens wifi kan capteren.

dinsdag 12 oktober 2021

140 bangelijke meters

De passerelle in Mazamet. 140 meter lang, 70 meter hoog.



Vrijdag 8 oktober — Tania’s wandeling start in Mazamet↗︎. Zelf rij ik meteen door naar de passerelle↗︎ die daar het dal van de Arnette overspant: 140 meter lang, 70 meter hoog. De zelfontspanner vereeuwigt het moment waarop ik de traverse aanvat. Aan gene zijde wacht ik om de overtocht van Tania te fotograferen. Terwijl ik daar mijn pikkel installeer, leer ik uit de mond van menig wandelaar het Frans voor hoogtevrees kennen, woord dat daar meer dan enig ander te horen valt, vertige. Sommigen bijten door, anderen keren in angstzweet op hun stappen terug, Tania bijt door, zoals onderstaande fotoreportage toont, waarna ze haar tocht van 27 kilometer verderzet, over de Pic de Nore↗︎, 1211 meter hoog. Achteraf zegt ze: ‘Die 1211 meter waren bijlange zo erg niet als die 140 van de passerelle.’
Flor Vandekerckhove  

maandag 11 oktober 2021

De vergeten missionarissen van Cambonèz



Donderdag 7 oktober — Tania start haar wandeling vandaag in Cambounès↗︎, Cambonèz in ’t Occitaans. Daar maak ik gebruik van om er een wijl te blijven hangen. Zie me zitten op de bank, zwaaiend naar de zelfontspanner die het moment vereeuwigt. Naast me staat een Souvenir de mission 1870. Om mezelf een beetje interessant te maken, geef ik de indruk dat het me interesseert, ik vraag de schaarse passanten of ze me er meer over kunnen vertellen. De Cambounèzen blijken er wel gerust in te zijn: ja, ’t is iets van de katholieken, iets van de missies, iets van vroeger… Neen, ze weten niet of ’t nonnen of paters waren, noch waar ze heen trokken en of ze nog terugkwamen. De teneur is dat zij die ’t wisten inmiddels overleden zijn. Iemand zegt me dat ik interessante vragen stel, zelf ben ik daar niet van overtuigd. Mijn enquête afrondend vraag ik aan de uitbaatster van de Épi Chérie↗︎ om met mij op de foto te gaan, waarna ik een tekstbericht ontvang van mijn zoon Bert die me vanuit België laat weten: ‘Eigenlijk heeft een mens niet veel nodig. Hoe primitiever je leeft, hoe gelukkiger je kunt zijn; zeker als je de keuze tussen luxe en eenvoud hebt.’ En terwijl ik over die woorden nadenk, rij wil Cambonèz uit, het dorp dat z’n missionarissen van 1870 compleet vergeten is.
Flor Vandekerckhove

P.S.: Telkens ik in de gelegenheid ben om op 't internet te gaan, publiceer ik een stukje reisdagboek. In Carcassonne heb ik dat twee dagen kunnen doen. Nu gaan we weer de bergen is, geen wifi meer.

zondag 10 oktober 2021

Hildegard heeft het licht gezien

Links: In de jaren negentig verdwijnt de vinyldrager van de markt, waardoor massa’s ouderwets geachte LP’s in het Languedoc-huisje terechtkomen. Doordat vinyl in de 21ste eeuw weer hip wordt, keert menig plaat terug naar België, ook omdat de oude platendraaier het in de bergen begeven heeft. Gelukkig staat daar nog een combi radio-cassette-CD-speler, een erfstuk.


Dinsdag 5 oktober — Zoals ik dat al sinds 1992↗︎ regelmatig doe, vertoef ik ook nu weer in Vabre↗︎. Een uitzonderlijke passage deze keer: Tania stapt in fases van daar tot in Montségur↗︎. ’s Morgens zet ik haar af, ’s avonds haal ik haar op, elke dag een beetje verder. Intussen hou ik me in het huisje onledig: geen internet. Ik pook het vuur op en pik blindelings een CD uit de stapel: The Music of Hildegard von Bingen. Nooit eerder beluisterd. 
Er zit een boekje bij, waarin staat dat Hildegard uit een adellijke familie stamt. Het ziekelijke kind komt in een nonnenklooster terecht, waarvan ze uiteindelijk de abdis wordt. Daar ziet ze op wonderlijke wijze ‘het licht’. Tegelijk ontvangst ze de gave om ‘de boeken’ te verstaan. De paus erkent haar gave. Ze schrijft brieven en boeken over visioenen, doet aan voorspellingen, schrijft een toneelstuk, doet aan geneeskunde. Voor haar nonnen componeert ze liturgische liederen. Daar ben ik nu naar aan ’t luisteren.
Haar energie is indrukwekkend, zeker voor iemand die ziekelijk is. Na elke periode die haar aan bed kluistert, krijgt ze een boost. Tegelijk gaat ze de confrontatie aan met gezagsdragers die niet zuiver in de leer zijn. Ze is al in de zeventig wanneer ze de kerk frontaal uitdaagt. Op het kerkhof van haar klooster — gewijde grond — begraaft ze een jonge revolutionair. Mag niet, de man was geëxcommuniceerd. Zij en haar nonnen worden gestraft: hun wordt de mis ontzegd. Hildegard plooit niet en enkele maanden voor haar dood geeft de kerk haar de rechten weer. In 1179 sterft ze, 81 jaar oud. Op het moment van haar overlijden doorklieft een lichtstraal haar kamer, aldus ene Tom Hoving die de tekst van het CD-boekje schrijft.
’s Avonds, nadat ik Tania in Cambounès↗︎ opgehaald heb, waar haar eerste dagtocht eindigt, zet ik de CD nog eens op en, godver, de schijf is nog niet halverwege als ook wij het licht zien, net als Hildegard ja. En net als Mia (°), een klein millennium na Hildegard. 
Flor Vandekerckhove


(°) Mia op www.youtube.com/watch?v=0gxI4Qb_x_o.

zondag 3 oktober 2021

Herinneringen aan Expo 58

27 september 2021 — ’s Morgens zet ik Tania af op onvervalst Vlaamse bodem, tussen de maïsvelden van Brussegem-Merchtem. Op die plek vertrekt haar wandeling. ’s Avonds wacht ik haar op aan het Atomium in de hoofdstad. Ge ziet: onderweg heb ik me een beetje opgekleed, wegens Brussel.


 
De laatste keer dat ik zo dicht bij het Atomium↗︎ stond, was in 1958, het jaar van Expo 58↗︎, ik was negen, ik herinner me de schoolreis. Ik herinner me het Nederlandse paviljoen, waarin een indrukwekkende golfslagmachine een flink pak water tussen twee stalen deuren over en weer klotst; ik herinner me de Spoetnik↗︎ in het Russische paviljoen. Van het speelpark herinner ik me een kraam met autootjes die je zelf mag besturen en die een parcours met hoogteverschillen afleggen. (Ik herinner me dat ik al mijn geld aan die ritten verdaan heb.) Het Atomium herinner ik me niet, toch niet van tijdens die schoolreis, maar dat ik ernaast gekeken heb is onmogelijk. De daaropvolgende jaren bleef Expo 58 ons danig bezighouden, ook omdat er een brood naar genoemd werd, het sponsachtige Expobrood↗︎ dat ik gelukkig niet meer moet eten. De chocolade Dessert 58↗︎ daarentegen is een blijver. Ik kijk nog even in de Wikipedia↗︎ of er nog iets is wat ik me uit 1958 herinner, neen niets. Die chocola daarentegen herinner ik me als de dag van gisteren (hier roept iemand: ‘Dat komt wellicht doordat je gisteren nog zo’n reep soldaat gemaakt hebt.’)                            [206]
Flor Vandekerckhove

Het zal nu een wijle stil zijn bij

DE LAATSTE VUURTORENWACHTER.

Hij bevindt zich in

HET LAND VAN DE KATHAREN

waar internet schaars is.

En dit is wat onderweg geschiedde:

www.youtube.com/watch?v=6VqkAaQ0k4I

zaterdag 2 oktober 2021

Sylvia Plath, dichteres die de sixties niet mocht meemaken



20 september — De Grote Route volgend, stapt Tania dwars door Vlaanderen. Vandaag wacht ik haar op in — leert me het straatnaambord — Hof te Lovegem, nu Predikstoel, vroeger eigendom van abdij Grimbergen. Zie mij hier zitten, tussen de maïs, terwijl ik de biografie van Sylvia Plath aan ’t lezen ben. ’t Is mooi weer, indian summer, en omwille van al wat hiervoor staat prijs ik me gelukkig. Iets wat Sylvia Plath↗︎ aan het begin van de jaren zestig niet kan zeggen: haar man↗︎ is ervandoor, de verwarming is stuk, het is de koudste winter van de eeuw↗︎, de literaire doorbraak wil maar niet komen, de psyche hapert als immer. Ik citeer een paragraaf op bladzijde 1077, het gaat over de pillen die ze neemt.
Zowel Parnate als Nardil zijn monoamine-oxidatieremmers (MAO-remmers) — een ‘pepmiddel’ (onderdeel van de amfetaminefamilie) — die slapeloosheid kunnen veroorzaken. Beide werden gebruikt in geval van ernstige, therapieresistente depressie. Bovendien leed Sylvia aan een ademhalingsstoornis en gebruikte codeïne, die in die tijd zonder recept verkrijgbaar was. () Ze nam ook een slaappil die zowel barbituraat bevatte als een amfetamine () en een medicatie voor koortsaanvallen. Dus gebruike Plath eind februari twee amfetamines (), een opiaat (), een barbituraat, zowel als een onbekend medicijn voor haar ademhalingsstoornis. De wisselwerking van deze medicijnen zou op zich al haar depressie en angsten aanzienlijk hebben kunnen verergeren; en ze was net begonnen met een antidepressivum, dat in het begin angsten en zelfmoordgedachten kan versterken. Alsof deze medicijnencocktail niet al erg genoeg was, kon het antidepressivum ernstige bijwerkingen hebben in combinatie met fenylpropanolamine, indertijd in Engeland een veelvoorkomend ingrediënt in medicijnen tegen verkoudheid of de griep. Het kon ook acute bloeddrukverhoging veroorzaken als je het combineerde met bepaalde kazen, gist en rode wijn.
De dichteres, die later een plaats tussen de allergrootsten van de eeuw verwerft, maakt er op 11 februari 1963 een einde aan:
Ze stopte de spleten rond de deur en het raam van de keuken dicht met theedoeken en kleren, en plakte alles af met tape. Ze draaide de gaspitten open, ging op de grond liggen met haar hoofd op een gevouwen doek op de klep van de oven.
Vlak voor die dramatische passage staan in de biografie twee merkwaardige zinnen:
Aan de andere kant van Regent’s Park zouden The Beatles om tien uur ’s morgens in de Abbey Road Studios aan de opname van hun eerste album Please, Please Me werken. De ochtend van 11 februari 1963 was de geboorte van de jaren zestig.
Waarmee de biografe suggereert dat Plath de hoop opgeeft krek op de geboortedag van wat wellicht het meest hoopvolle decennium van de eeuw zal worden. Hadden de sixties haar kunnen redden? Wie zal ’t zeggen?! [Wat zeker is: ze hebben mij gered, zie me hier zitten tussen de maïs, wat een leven!]
Flor Vandekerckhove


Heather Clark. Rode komeet. Het korte leven en de vlammende kunst van Sylvia Plath. Vertaald door Bart Gravendaal, Aad janssen, Marianne Palm, Nicole Seegers en Astrid Staartjes. 2020. Uitg. De Arbeiderspers A’dam/A’pen. 1343 pp.

vrijdag 1 oktober 2021

Momentum van het equilibrium



Dirk Roose maakte tweeëntwintig schilderijen rond het thema Evenwicht. Vervolgens maakte hij er een boek van, Equilibrium. Daarin werden de schilderijen opgenomen, naast teksten van tien schrijvers en kunstenaars uit Vlaanderen, Nederland, Duitsland en Zuid-Afrika. Zelf schreef ik er Momentum voor, een gedicht in kwatrijnen die als golfslagen op het strand aanlanden. 
Boek en schilderijen worden voorgesteld ten huize van de beeldhouwers Manon Huguenin en Henk Korthuis, Kennedylaan 23 in De Haan. Open tijdens de plaatselijke kunst- en poëzieroute, vrijdag 1 oktober (18 - 21 u.), zaterdag 2 en zondag 3 oktober 10 u - 18 uur en ook nog op 6, 9, 10 oktober, 14-18 uur. 
Hieronder presenteer ik Momentum en daaronder vindt u een versie op youtube, waar u me het gedicht hoort declameren, verlucht met schilderijen van Dirk Roose en — primeur! primeur! — ook met minimale pianomuziek van mezelf. (Flor Vandekerckhove)                                              [161]


Momentum


‘Let’s walz the rumba’ 

Fats Waller


Het ankertouw wordt losgegooid met aan boord de meester 

Magiër die de penselen schikt van klein naar groot en kleur

Stoffen van blauw naar rood terwijl de boot in volle vaart naar 

Verre vaarten vaart waar ’t witte blad al volop schrik vergaart


De pianotoetsen van laag naar hoog ontbloot en op klokslag

Twaalf raadpleegt men het orakel of slaat men een kruis wat 

Nog zelden voorkomt en nog minder scandeert men het woord

Waarmee Accursi zowel dada als mei 68 pleegt op te roepen


Er zijn nochtans mooie Nederlandse equivalenten voor merdre

Zoals verdrek van Du Perron en potverproep van Dolf Verspoor

Maar elke nar heeft thans zijn eigen woord ’t zij klein ’t zij groot

Voor wat het belangrijkste moment der schepping heet te zijn


Met name de oerknal waarin de opstand tegen ’t witte blad los

Barst wat niet minder dan een poging als die van alchemisten

Is die stalen van zink of kobalt met tin en lood omroeren en

Samen met toetsenman Fats Waller juichen Let’s walz the


Rumba wat aantoont hoezeer dat momentum nodig is en dat het

Alles in zich draagt wat volgt als ware de tovenaar een turnster 

Die op de punten van haar kunnen staat om een wereld op on

Gelijke balken om te turnen tot iets wat nooit eerder heeft bestaan


Waardoor de schilder altijd weer het kleine en het grote mengt en

Toont dat ‘t een niet zonder ’t ander kan en dat het spel van die twee

De dingen versterkt in breekbaarheid en dat de kunst erin bestaat

Op te houden vlak voor dat punt waarop ’t ene ’t ander’ schaadt


Flor Vandekerckhove


Momentum op youtube

met schilderijen van Dirk Roose

www.youtube.com/watch?v=Gvk0SmNhwZQ