zaterdag 22 augustus 2026

Wat moet een mens daar nu nog van geloven?

In een reeks korte posts breng ik de nieuwe bewoners van de Oostendse Oosteroever in contact met sagen die met het verleden van hun wijk van doen hebben. Roeschaard! Osschaert! ConcordiaFramassons!

‘Ich bin immer so froh! Weiter bin ich nichts.’
Motto dat Godfried Bomans 
aan zijn eerste boek gaf, 
Pieter Bas.

AAN DE KUST circuleren tal van verhalen betreffende kwaadaardige geesten die over het leven op zee heersen: Roeschaard, Osschaert, Concordia… Soms betreft het succesrijke kapiteins die een pakt met de duivel sloten om veel vis te vangen: framassons. ’t Is ook waar dat Osschaert voor 99 jaar naar zee verwenst werd. t Is daarenboven waar dat hij daar een vermaarde zeeschuimer geworden is die de zee leegvist. Op de Oostendse Oosteroever wordt zijn naam omfloerst door een nevel van spookverhalen over schepen die, gejaagd door de winst, rondwaren, aangevuurd door vervloekte kapiteins die duizend jaar ongrijpbaar blijven. (Flor Vandekerckhove)  

Nadat het leven me van stad naar stad had gebracht, van werk naar werk en van vrouw naar vrouw, streek ik in Bredene neer, waar ik ook mijn jeugd had doorgebracht. Daar startte ik een schrijfproject dat onderzocht hoe het anderen vergaan was. Ik delfde sporen van schoolmakkers op, jongens waarmee ik tijdens m’n tienerjaren de schoolbanken in een Oostends college deelde. 
Had het iets te betekenen, het leven van die babyboomers in de sixties? Ik schreef er een boekje over, Tienerklanken, zo genoemd naar een TV-programma dat in die tijd voor ons gemaakt werd. Dat boekje is nu beschikbaar.
Tienerklanken is een e-boek (117 pagina’s in pdf of epub naar keuze), uitgegeven door De Lachende Visch en gratis verspreid door De Weggeefwinkel. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be en het boekje valt vandaag nog in je mailbox. GRATIS! (Vermeld: ‘Tienerklanken’ en zeg epub of pdf.)

vrijdag 21 augustus 2026

Reizen langsheen venijnbomen

Venijnboom op het kerkhof van Saint-Philbert-sur-Orne.

HET WAS ME in Le Bô al opgevallen en ik zag het ook in Saint-Philbert-sur-Orne: op oude kerkhoven in Normandië staat een indrukwekkende taxusboom, gevaarte met het afschrikwekkende synoniem venijnboom. Ze zien er oud uit, die venijnbomen, en dat zijn ze ook, soms meer dan duizend jaar. Galliërs en Kelten — alle Galliërs zijn Kelten, maar niet elke Kelt is een Galliër — beschouwden de taxus als heilig, de boom verbond de wereld van de levenden met die van de doden. Daarom ook staan ze op kerkhoven. Later nam de kerk zo’n plekken over.
Ik onthoud enkele plaatsen waar in Normandië nog zo'n beroemde venijnbomen staan, misschien passeer ik daar nog wel. ’t Zijn telkens exemplaren waarrond straffe vertellingen leven. (°) 
Dit is wat men er in 1842 over zei in Le Language Des Fleurs: ‘Er is iets in planten dat ons aantrekt, fascineert of afstoot. De taxus is voor alle volkeren het symbool van droefheid: een stam zonder bast, een somber groen bladerdak, waartegen een rode vrucht, die op bloeddruppels lijkt, een schril contrast vormt; alles eraan waarschuwt de reiziger om zich af te wenden van zijn gevaarlijke schaduw.(…) Als we melancholisch zijn, roept de wilg ons met zacht gefluister; als we verliefd zijn, biedt de mirte ons haar bloemen aan; als we rijk zijn, geeft de kastanjeboom ons zijn weelderige schaduw; als we verdrietig zijn, komt de taxus zich aanbieden en lijkt te zeggen: ontvlucht het verdriet, het verwoest het hart zoals ik het land verwoest dat mij voedt; verdriet is even gevaarlijk voor de mens als mijn schaduw voor reizigers.’
Flor Vandekerckhove

(°) La Haye-de-Routot (Eure, Normandië): Beroemd om zijn twee eeuwenoude taxussen op het kerkhof waarvan de holle stammen zijn ingericht als kleine kapelletjes (voor Sint-Anna en Lourdes). [*]
Estry (Calvados, Normandië): Heeft een historisch reusachtige taxus op het kerkhof bij de Notre-Dame-kerk met een stamomtrek van rond de 10 meter. [*]
Saint-Mards-de-Blacarville: Bekend om de eeuwenoude vrouwelijke taxus op het dorpskerkhof. [*

donderdag 20 augustus 2026

Droom 43 (Creosoteerwerf, Oostende)

Op de Oudenburgsesteenweg 87 in Oostende bevinden zich restanten van de Creosoteerwerf. De site ligt ingesloten tussen de spoorlijn (ten zuiden) en het kanaal Plassendale-Oostende (ten noorden). Daar werden ooit lantaarnpalen, dwarsliggers en staken ingeteerd. In 2012 en 2014 ging Johnny Verplancke de restanten fotograferen. Zijn reportage (vierenveertig foto’s) is hier te zien op Flickr.

MET DE NOG kleine kinderen ben ik aan ’t fietsen. De weg splitst zich. Mijn zoontje, dat daar nochtans maar een keer geweest is, kiest resoluut voor de rechterkant. Zelfverzekerd fietst hij weg. Ik herken de buurt als zo’n plek waar ik niet uit wegraak en word overmand door twijfel. Na lang treuzelen kies ik voor links, vermoedend dat de twee wegen een eind ver parallel lopen en dat ik mijn zoontje op ’t einde weerzie. Dat valt tegen. Mijn dochtertje en ik rijden ons vast in een ondoorgrondelijk kluwen en ’t wordt al donker. Daar staan twee mannen te kletsen.  Ruig volk. Ze gesticuleren, lachen gouden tanden bloot. Ze dragen kettingen en hebben zegelringen. Zigeuners, denk ik, die in dat onherbergzame gebied woonwagens hebben staan. Ik ben me bewust van onze kwetsbaarheid. Moet ik hen ontwijken? Een van de mannen ontfermt zich over een kitten, hij steekt zijn vinger in een kopje melk en laat het katje likken. Ik ben vertederd. Ik vraag hulp. Een van de mannen wijst naar een kleine vrachtwagen.: ‘Werp de fietsen er maar bij.’ Allemaal oud-ijzer. Ik besef dat dit de prijs is die ik voor de hulp betalen moet. Als pasmunt wordt me het kitten toegestopt. (Flor Vandekerckhove)

woensdag 19 augustus 2026

Meisjes die uit het zicht verdwijnen


MIJN NIEUWSTE BOEK is een memoir, ’t bevat herinneringen aan de tiener die ik geweest ben en het speelt zich grotendeels af in het college van Oostende. Tienerklanken start in 1960 en houdt op in 1969. 
Er komt uiteraard nogal wat pubergedrag in voor. Ook heb ik het uitvoerig over meisjes die me in die tijd onder ogen kwamen en daar ook weer uit verdwenen. Over dat verdwijnen van meisjes was ik in 1964 al verwittigd door The Renegades in een mooie versie van Cadillac. De song heeft weinig tekst, maar toch genoeg opdat een tienerjongen zou weten wat hem te wachten staat: She ain't never ever comin' back / Baby, baby, baby please, can't you see I'm on my bended knees? / Your heart's so cold that it's gonna freeze… In Tienerklanken rond ik dat stuk af met het provovers dat ik hieronder plaats.

zoals Françoise uit mijn leven verdwijnt
zo verdwijnt eerder het meisje uit mijn straat
en daarvoor ook al het meisje uit mijn familie
en ’t eerst van al het meisje uit Charleroi
heel even komt een meisje uit Leuven
op mijn onopgemaakte mansardebed liggen
en er is ook een meisje dat me in ’t passeren
een tongzoen draait
en die meteen daarna in een tent verdwijnt
die nadien niet meer te vinden is
er is een meisje waarmee ik afspreek
en verder niets
er zijn meisjes 
wat me nog ’t meest van al bezwaart
met wie ik nooit heb afgesproken
Nadat het leven me van stad naar stad had gebracht, van werk naar werk en van vrouw naar vrouw, streek ik moegestreden in Bredene neer, waar ik ook mijn jeugd had doorgebracht. Daar startte ik een schrijfproject dat onderzocht hoe het anderen vergaan was. Ik delfde sporen van schoolmakkers op, jongens waarmee ik tijdens m’n tienerjaren de schoolbanken in een Oostends college deelde. 
Had het iets te betekenen, het leven van die babyboomers in de sixties? Ik schreef er een boekje over, Tienerklanken, zo genoemd naar een TV-programma dat in die tijd voor ons gemaakt werd. Dat boekje is nu beschikbaar.
Tienerklanken is een e-boek (117 pagina’s in pdf of epub naar keuze), uitgegeven door De Lachende Visch en gratis verspreid door De Weggeefwinkel. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be en het boekje valt vandaag nog in je mailbox. GRATIS! (Vermeld: ‘Tienerklanken’ en zeg epub of pdf.) 

maandag 17 augustus 2026

Surrealisme-light is als… een leugentje om bestwil

Surrealisme op de Oostendse Oosteroever (Dit surrealistische beeld werd me geleverd door Lina Volga uit Moskou.)

IK WEET NOG altijd niet goed wat het is, toch heb ik er al lang een naam voor: surrealisme-light. Met die naam betreed ik de bewogen geschiedenis van het surrealisme. Hoe lang al probeer ik dat light te definiëren? In 2020 dacht ik er al over na: Op weg naar Croatan. Zelfs in 2012 is er al een twijfelachtig voorbeeld: Hoe de nar aan zijn einde kwam. Onderweg ontmoet ik mensen die zich van dat surrealisme afbakenen en zich imaginair-realist noemen, poëtisch realist of magisch-realist. Wat het voor mij niet eenvoudiger maakt.
Via Absolument Surréaliste leer ik Lina Volga (°) kennen. Van haar leen ik een beeld waarmee ik goed kan aantonen welk surrealisme ik niet ambieer. Stel dat ik met de wagen over de Oostendse Baelskaai rij. Plots ben ik daar getuige van de botsing van twee vliegende schotels. Bijna deel ik in de brokken. Het levert een puur surrealistisch beeld op, dat wel beklijft, maar toch niet het soort verhaal is dat ik wil vertellen. Het is me  surrealistisch. Vraag blijft: wat wil ik dan wel?
Ik werk aan een mini-essay over dichter James Tate. Ook die Amerikaan wordt surrealist genoemd. Zijn prozagedichten zijn veelal grappig. Charles Simic zegt over Tates poëzie: ‘If Tate is a Surrealist, he belongs to that native strain to which Mark Twain, Buster Keaton, and W. C. Fields also belong.’ (°°°) Da’s evenmin de grapjasserij die ik met mijn surrealisme-light beoog, maar ik ben wel fan van die Tate. Wie De Laatste Vuurtorenwachter volgt, weet dat ik al lang op zoek ben naar meer essays over Tates werk. Tevergeefs… Tot ik een telefoontje kreeg van de zusters Lingier die in Bredene hotel Helvetia uitbaatten. (°°°°) ‘Ken je ‘On James Tate’, een bundel essays geredigeerd door Brian Henry?’ vroegen ze me en ze gingen meteen door: ‘Dat staat vol essays over James Tate en ook met besprekingen van zijn bundels.’ Dat moet ge me geen twee keer zeggen. En zo komt het dat ge me al op het terras van de Lafayette met die James Tate hebt kunnen aantreffen. (°°°°°) Wel, zo'n imaginair telefoontje van die (al lang overleden) zusters en zo'n imaginaire ontmoeting met die (ook al overleden) dichter, dát is de milde vorm van surrealisme die ik nastreef. Ge zoudt het ook realisme-plus kunnen noemen en misschien ook wel ‘een leugentje om bestwil’.
Flor Vandekerckhove

(°) Omdat ik vandaag een beeld van haar gebruik, probeer ik Lina te contacteren, vooral om te vragen of ik dat wel mag doen, haar beeld gebruiken. En floep, daar vergrendelt ze haar FB-profiel. Heeft het ermee te maken dat ze in Moskou woont? Is ’t omdat ze een Russin is? Heeft het met de oorlog in Oekraïne te maken? Geraak ik verwikkeld in een internationaal politiek kluwen als ik dat beeld zonder haar expliciete toestemming gebruik?
(°°) Charles Simic (1938-2023). The metaphysician in the dark. 198 p. University of Michigan Press. 2003. 
(°°°) On James Tate. Edited by Brian Henry. 190 p. Uitg. The University of Michigan Press. 2004. 
(°°°°) Hiernaast zie je me in de gelagzaal van het allang afgebroken hotel Helvetia, Bredene, bladerend in de boeken die de zusters Lingier me aanbevelen. Ook dat is surrealisme-light.
(°°°°°) Op dat caféterras hadden we het over een essay van Marjorie Perloff. ‘A Kind of Fluidity’: James Tate’s Variations on the Prose Poem. In On James Tate. Bobo Kool draaide speciaal voor ons platen.

zondag 16 augustus 2026

Nooit eerder was hier zoveel volk

Zonder eclipsbrilletje durf ik niet te kijken. 

15 augustus WOLKEN DEMPEN DE zoveelste hittegolf, wind waait warmte weg. Uit het raam roep ik Jonathan de meeuw toe, ki ki ki, wat wil zeggen: ge moet wachten. Naast de lavabo de radio. DE MIS! Godver, zeg ik, de mis, ’t is zondag. Die had ik niet zien aankomen. Vlug inspecteer ik de voorraadkast. Brood, cacaopoeder, melk, choco, peren van de boom. Daar komt een mens als ik de zondag wel mee door. Ik voeder Jonathan en roep Polleke naar binnen. Dan zie ik het: ’t is niet zondag, ’t is zaterdag, ’t is 15 augustus, ’t is hoogdag. Lidl twee dagen dicht! Omdat ik liever niet twee dagen alleen brood, cacao, melk en choco eet, begeef ik me met een lang gat naar Albert Heyn. Onderweg valt me de massa op. Er is zoveel volk dat wijlen onze Marcel gezegd zou hebben dat er nooit voorheen zoveel volk geweest is. Wel, er is nooit zoveel volk geweest. Ook in Albert Heyn is nooit zoveel volk geweest. Dat is een vermoeden, ik ga er anders nooit. Daar word ik nu voor gestraft. Ik vind mijn weg niet tussen winkelrekken, winkelende medemensen en werkend winkelpersoneel. Dan maar Delhaize. Ook daar is nooit voorheen zoveel volk geweest en ook daar vind ik mijn draai niet. Ik haast me naar de Colruyt die om 12 uur sluit. Al de winkelkarren bezet, al de kassa’s open. Nooit voorheen is daar zoveel volk geweest. Doordat ik in die Colruyt goed mijn weg ken, koop ik in een vloeiende beweging genoeg om ’t weekend door te komen. Plotsklaps alsmede onverwachts eist al dat winkelen zijn tol, mijn hoofd tolt van al die wemelende mensen, van al dat weg en weer lopen tussen winkels waar nooit voorheen zoveel volk was. Om deze stresserende zaterdagmorgen nog verder aan te kunnen moet ik Hic et nunc alleen zijn, helemaal alleen. In mijn hoofd draai ik een knop om, waardoor ik me plots met mijn boodschappentassen op een verlaten strekdam bevind, ik weet niet welke, ik weet niet waar. Daar word ik verblind door een hel licht. Zonder eclipsbrilletje durf ik niet te kijken. Spijtig, anders was ik getuige geweest van Maria’s Hemelvaart die, zoals ge weet, op 15 augustus geschiedt, iets wat ik compleet vergeten was. 
Flor Vandekerckhove

De X-files van Bredene is een e-boekje dat De Lachende Visch al in 2017 uitgaf. Het verzamelt enkele handpalmverhalen die ik eerder in De Laatste Vuurtorenwachter gepubliceerd had. Al deze verhalen hebben twee zaken gemeen. Ten eerste behoren ze tot het genre dat fantasy heet (of het is een parodie op dat genre, dat kan ook) en ten tweede spelen ze zich af in Bredene, waar ik mijn jeugd doorbracht en waar ik op mijn oude dag weer gaan wonen ben. Het wordt buiten de markt verdeeld en is derhalve niet in de handel te koop. Wie het hebben wil, kan ernaar vragen, het is gratis. Mail naar liefkemores@telenet.be en vermeld X-files (Alleen in pdf verkrijgbaar).

zaterdag 15 augustus 2026

Kurt Cobain ontmoet William S. Burroughs


ER IS ALTIJD connectie geweest tussen de beat poets en rock ’n roll. Er is Royston Ellis die de brug legde tussen beat en The Beatles. Allen Ginsberg werkte met Paul McCartney aan de opname van de Skelettenballade. Ginsberg deed dat graag, met rockers het podium delen, zo ook met The Clash. Hij nam deel aan Dylans Rolling Thunder Revue en daar tekende ook Anne Waldman present, een van de schaarse beat-vrouwen. Naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van Ginsbergs The Fall of America zetten twintig R&R-muzikanten elk afzonderlijk een stukje uit de poëziebundel op muziek
Williams S. Burroughs is een apart geval. Zijn’ cut-up techniek werd door tal van R&R-songwriters overgenomen, ik postte er een lijstje van: Songwriters en de cut-up. Er bestaat een historisch document uit 1978 waarin Frank Zappa uit Burroughs Naked Lunch voorleest. Burroughs werkte in 1988-90 samen met Tom Waits (muziek), Robert Wilson (tekeningen) en Gus Van Sant (film) aan The Black Rider. Al die tijd bleef hij een teruggetrokken leven ambiëren. 
Dat teruggetrokken leven werd danig op de proef gesteld nadat David Cronenberg in 1991 zijn Naked Lunch verfilmd had. Burroughs kreeg af te rekenen met de negatieve kant van de roem. Fans hingen onaangekondigd aan z’n deurbel. Beroemdheden kwamen langs: Chris Stein van Blondie, Patti Smith die wel iets wilde beginnen met de ouwe, de members van Sonic Youth… De beroemdste bezoeker was Kurt Cobain, fan van Burroughs. Ze hadden samen al een plaat gemaakt: ‘De samenwerking was Cobains idee. Burroughs had natuurlijk geen idee wie Cobain was, hij had nog nooit van Nirvana gehoord. Bill nam op 25 september 1992 thuis een tekst op met de titel "The Priest They Called Him", die hij naar Cobain in Seattle stuurde. Cobain voegde daar (…) een gitaarbegeleiding aan toe met een aantrekkelijk, psychedelisch sound. Het resultaat was een extended play, een van Cobains meest obscure opnames. Cobain was verheugd en schreef in zijn dagboek: "Ik heb samengewerkt met een van mijn enige idolen, William Burroughs, en ik voel me geweldig.”’ (°) (°°) Burroughs bedankte beleefd om op te treden in een promotievideo voor de plaat. In oktober 1993 mocht Cobain op bezoek komen. Burroughs zei daar later over: ‘Er is iets mis met die jongen: hij fronst zonder enige reden.’ Over de ontmoeting zei hij verder nog: ‘Cobain was erg verlegen, heel beleefd en genoot er duidelijk van dat ik niet onder de indruk was toen ik hem ontmoette. Er was iets aan hem, fragiel en innemend verloren.(…)’ Cobain van zijn kant zei: ‘Ik denk niet dat hij ooit beweerd heeft een rock-’n-roll-liefhebber te zijn, weet je wel. Maar hij heeft me via zijn boeken en interviews veel geleerd waar ik hem erg dankbaar voor ben. Ik herinner me dat hij in een interview zei: “Die rock-'n-roll-kids zouden hun gitaren gewoon moeten weggooien en naar iets met echte soul moeten luisteren, zoals Leadbelly.” Ik had nog nooit van Leadbelly gehoord, dus kocht ik een paar platen en nu blijkt hij mijn absolute favoriete artiest aller tijden te zijn. Ik ben er dol op, meer dan op welke rock-'n-roll die ik ooit heb gehoord.’ (°°°)
Flor Vandekerckhove


(°) Google Translation vertaalde voor mij de citaten. Ze komen uit Barry Miles William S. Burroughs: A life. 737 p. Uitg. Weidenfeld & Nicolson. 2014. 

vrijdag 14 augustus 2026

Drie Oostendse cinemazalen, drie vertellingen

Van links naar rechts: Capitole, Cameo, Cine Opex.


RECHTOVER MIJN OUDERLIJKE woning was er Café du Littoral, in de zomer pension, in de winter volkscafé en lokaal van veloclub de Duinensprinters. Verlangend keek ik uit naar de filmaffiches die wekelijks aan het raam gehangen werden. Veel kans dat het een cowboyfilm was, veel kans dat we die film gingen zien. Ik herinner me de Oostendse cinemazalen uit mijn kindertijd. Wij gingen er op zondagmiddagen heen, papa, mama, ik. Tal van die Oostendse cinemaherinneringen vonden al hun weg naar deze blog. Je kunt die stukjes weer oproepen door ze aan te klikken. (Flor Vandekerckhove)

1. Ook sluiswachter Pascal Deckmyn heeft herinneringen aan de Oostendse cinema’s. In De Laatste Vuurtorenwachter heb ik ze verzameld onder ‘De Oostendse vissers en de cinema.



 

 

2. Met de Hillman naar de cinema? 't Was een onzekere kwestie. Start hij of start hij niet? Lees het verhaal, klik op Met de Hillman naar de Cameo.





3. De reis rond de wereld in 80 dagen, zag ik, in 1958, denk ik, in de Capitole. Sweet memories. Kijk met me mee, klik hier.


donderdag 13 augustus 2026

Op zoek naar een gedeukt medaillon in Lisieux

Ik zoek hier, ik zoek daar, ik zoek overal.

6 augustus 2026 — WE ZIJN ER al eens in een boog omheen gereden, maar nu houden we er halt. In Lisieux gaan we de confrontatie aan met Theresia van Lisieux die daar inderdaad overvloedig present tekent. We passeren een versleten bisschoppelijk paleis, bezoeken een oude kathedraal en een nieuwe basiliek. Theresia alom. 
Pastoor neemt achter glas de biecht af en gaat daarna iets eten, vrouw gaat in extase en vervolgt daarna haar weg, kaars flikkert hevig en dooft plots uit terwijl ik erop sta te kijken, zijaltaren, zijaltaren, zijaltaren en elk zijaltaar heeft zijn verhaal, in de nok een duif die denkt dat hij een heilige geest is, Tania koopt magneetjes om aan de frigo te hangen, foto’s van Theresia, woorden van Theresia, woorden over Theresia. Ik verneem dat niet alleen Theresia heilig is maar ook haar ouders, ik denk na over wat het is een schapulier te zijn, in een doorzichtige bokaal laten schijnbaar normale mensen gebedjes vallen die ze op daarvoor beschikbaar papiertjes schrijven, de hittegolf eist ook bij mij een tol, 
een kerkstoel begint uit zichzelf te bewegen, ik ga zitten op de stoel die gelukkig ophoudt te bewegen, na enkele tellen kan ik er weer tegen en vervolg ik mijn weg doorheen deze wondere wereld.
Ik vind helaas niet wat ik zoek. Daar kan Theresia niets aan doen, het is mijn fout. Had ik me beter voorbereid dan was ik meteen naar het plaatselijke carmelietenklooster getrokken, want, lees ik hier: ‘Talloze relikwieën van de heilige die op wonderbaarlijke wijze geweerkogels tegenhielden als echte schilden en zo het leven redden van de soldaten die ze droegen, bevinden zich in haar klooster van Lisieux.’ In het kloostermemoriaal had ik wellicht wel zo’n gedeukt medaillon kunnen bekijken, onmiskenbaar bewijs dat er een kogel op is afgeketst. 
Zo’n gedeukt medaillon is inderdaad wat ik per se wil zien, ik weet niet waarom. Op ’t internet zoek ik achteraf nog even tussen de diverse ex-voto’s. Er zijn helmen, kogels, granaatscherven, epauletten en onderscheidingen (zoals het Croix de Guerre) die soldaten naar de nonnen sturen. Geen gedeukt medaillon. Ik surf verder naar het kloosterarchief en vind deze brief van een korporaal die in mei 1917 schrijft: ‘Een revolverkogel doorboorde mijn jas, mijn notitieboekje, mijn portemonnee en zelfs mijn vest, precies boven mijn hart. Maar de kogel kaatste af zonder mijn shirt te raken dankzij het kleine medaillon van zuster Thérèse, dat daar als schild diende. Het was 's ochtends, bij daglicht, dat ik het opmerkte, en op dat moment boog ik diep voor mijn lieve Thérèse. (…)’
Flor Vandekerckhove

Je weet dat ik graag een genre uittest, een vorm onderzoek: drabble, rijmloos kwatrijn, verhalen van nauwelijks een alinea lang, oneliners, mini-assay… Zo experimenteer ik ook met proza in versvorm, provovers, het omgekeerde als ’t ware van een prozagedicht. Zo’n experiment met provovers is Het huis, allegorisch, roman, extreem kort, gothic. De Lachende Visch publiceerde de provovers-versie in 2021 en sindsdien staat het boek in de etalage van De Weggeefwinkel. Het e-boek is gratis voor wie erom vraagt. Mail naar liefkemores@telenet.be. Schrijf HET HUIS en zeg of je EPUB dan wel PDF wenst.

woensdag 12 augustus 2026

Wat hebben The Ventures met Frédéric Chopin te maken?

Op het podium: The Ventures. In het publiek, verenigd in een imaginaire ontmoeting, van links naar rechts, Marlies De MunckDimitri SjostakovitsjFrédéric Chopin en Hanns Eisler.

DAARTOE AANGEVUURD DOOR cultuurfilosofe Marlies De Munck, postte ik anderhalf jaar geleden een stukje over muziek. Dat cirkelde rond de vraag of muziek al dan niet uitsluitend naar zichzelf verwijst. Vertrekken deed De Munck van een discussie tussen Frédéric Chopin en George Sand. Ze haalde er Sjostakovitsj en Stalin bij en ook Hanns Eisler en het Committee on un-American activities. Allemaal zeer interessant. Zelf haalde ik Composing for the Films’ van ’t net, waarin ook iets staat dat goed in die Chopin-Sand-discussie past. Ik herlees mijn post uit februari 2025 en constateer dat ik er nog altijd tevreden over mag zijn, iets wat zelden voorkomt, meestal storen me in zo’n geval de onvolmaaktheden. 
Aanleiding voor dat stukje was een boek dat de muziekfilosofe geschreven had, ’Waarom Chopin de regen niet wilde horen’ (°) Dat boekje had ik toen niet gelezen, ik lees het nu voor ’t eerst. Neen, ’t is niet altijd nodig om een boek te lezen om er iets zinnigs over te vertellen, kijk maar naar dit Pleidooi voor het half lezen.
Moet ik, nu ik ’t essay eindelijk gelezen heb, iets aan die post toevoegen? Inmiddels wetend dat de discussie bij Pythagoras en Plato aanvangt en voorlopig eindigt bij Marlies zelve? Liever neem ik de vlucht voorwaarts en begin aan het tweede deel van haar boek: ‘De vlucht van de nachtegaal, Een filosofisch pleidooi voor de muzikant.’ Deze keer komt mijn post er pas na 't lezen, want zo kan het uiteraard ook. 
Vergenoeg u in afwachting met het highbrow 'Rond muziek hangt een mysterie'⇲. Luister/kijk daarna naar een very lowbrow praktijkvoorbeeld, met name de instrumentale muziek van dit olijke popgroepje dat zich tijdens ’t optreden afvraagt waar de plaats van de drummer is, vooraan, achteraan, tussenin: The Ventures met Walk, Don't Run
.
(°) Marlies De Munck. Waarom Chopin de regen niet wilde horen (en andere vragen uit de filosofie van de muziek) (2017, 2de, gewijzigde editie 2023). Uitg. Letterwerk. 120 p.