zondag 12 juli 2026

Over het anarchisme van Henry Miller

In Oostende neem ik Henry Miller en John Burnside mee naar La Jamaïque. Gastheer is Giuseppe ‘Mario’ Omenetto, links in beeld, bekend Italiaans-Belgische figuur uit het Oostendse uitgaansleven. In de tweede helft van de 20e eeuw was Mario de bekende barman en gastheer van de iconische bar & kunstgalerij op de Oosthelling van het Kursaal.
Door zo'n 
imaginaire ontmoeting krijgt de post een milde surrealistische toets, iets wat ik wel meer nastreef in mijn zoektocht naar een wankelbaar surrealisme-light.

'ON HENRY MILLER: Or, How to Be an Anarchist' wordt door de uitgever aangekondigd als ‘Een boeiende uitnodiging om Henry Miller opnieuw te ontdekken - en te leren hoe zijn anarchistische gevoeligheid ons kan helpen ontsnappen aan de “nachtmerrie van airconditioning” van de moderne wereld.’ (°) De ‘nachtmerrie van airconditioning’! Echt iets om te lezen in deze tijden van opeenvolgende hittegolven. 
Henry Miller anarchist? Miller zelf omarmde dat wel. Toen een interviewer hem vroeg of hij zo genoemd kon worden, antwoordde hij: ‘Dat is precies wat ik ben. Dat ben ik al heel mijn leven. Zonder ergens bij te horen, weet je, zonder me ergens aan te binden.’ 
John Burnsides intentie is niet om óver Miller te schrijven, maar ‘after Miller’. Hij wil ‘een Miller-achtig boek’ creëren, door op Millers manier uit te weiden over Millers oeuvre. Resultaat is een vrije tocht doorheen diens oeuvre & leven, springend van Millers jaar in Griekenland naar zijn sombere vijfde huwelijk met de Japanse muzikante Hoki Tokuda
Burnside is van mening dat je over/voor het heden moet schrijven. Wie schrijft moet lezers aanmoedigen, zegt hij, om belangrijke keuzes voor verandering te maken. Anders is het werk slechts vluchtig vermaak. Hij koppelt Miller daarom aan de hedendaagse milieucrisis.
Daardoor vestigt 
Burnside de aandacht op een mij eerder nooit opgevallen kwaliteit van Miller: ‘Hij kon een meesterlijke natuurschrijver zijn, wanneer hij vond dat de gelegenheid dat vereiste [...], zoals in verschillende passages van De Kolos van Maroussi, waar we een glimp opvangen van de briljante natuurschrijver die Miller had kunnen worden, als hij ervoor had gekozen dat pad te volgen.’ 
Het is wel duidelijk dat Burnside zelf door Miller beïnvloed werd. Dat is bij mij trouwens niet anders, al ligt die beïnvloeding ver in het verleden van mijn jeugd. Bijvoorbeeld in zo’n passage die ik in Tropic of Cancer aanstip: 'Het is bijna etenstijd en de mensen strompelen terug naar hun kamers met die vermoeide, neerslachtige uitstraling die bij het eerlijk verdienen van de kost hoort.’ En een beetje verder: ‘Het zouden evengoed gekken kunnen zijn.’ Ik heb daar in mijn apenjaren niet naast gelezen. In Twee slechte vrienden beaam ik dat: ‘Als werkgevers er nooit in geslaagd zijn van mij een rendabele arbeidskracht te maken, komt dat door de Henry uit Millers boeken. Als die Henry al een job had, was dat toch maar om zich ervan af te maken.’
Nog eentje uit Trophic of Cancer, omdat het boek hier nu toch open ligt: ‘Zoals ik al zei, de dag begon glorieus. Pas vanochtend werd ik me weer bewust van dit fysieke Parijs waarvan ik me wekenlang niet bewust was geweest. Misschien komt het doordat het boek in mij is gaan groeien. Ik draag het overal met me mee. Ik loop door de straten, hoogzwanger, en de politie begeleidt me over de straat. Vrouwen staan ​​op om me hun zitplaats aan te bieden. Niemand die me nog onbeleefd aanstoot. Ik ben zwanger. Ik waggel onhandig, mijn grote buik drukt tegen het gewicht van de wereld.’
Flor Vandekerckhove

(°) John Burnside. On Henry Miller: Or, How to Be an Anarchist. In de serie Writers on Writers. 2018. Uitg. Princeton University Press  208 p. Al de vertalingen in deze post zijn ’t werk van Google Translation. Zo ook deze uit Henry Millers Trophic of Cancer dat op verschillende plekken van ’t internet gratis te lezen/downloaden valt, bijvoorbeeld hier.

zaterdag 11 juli 2026

Hoe zat dat ook alweer met Lisieux?

16 juni 1938. In Bredene-aan-zee gaat een processie uit, ter ere van Theresia van Lisieux. Ik herken het meisje dat later mijn moeder zal worden, op de foto is ze vijftien. Henriette De Clercq loopt schuin voor de baldakijn met daaronder de gevierde heilige en kijkt in de lens. De stoet komt uit wat nu Hendrik Consciencelaan heet en nadert de Driftweg. Achter de processie is de nog steeds bestaande villa Duyn Rust herkenbaar. (De oorspronkelijke foto is zwart/wit. Hij werd vandaag bijgekleurd.)

NA DE WANDELING in Calvados rijden we naar huis. We mijden tolwegen en passeren oorden die we nooit eerder hebben opgemerkt. Zo ook Lisieux waar ons in de verte een imposante kathedraal opvalt. Lisieux ken ik, al weet ik niet meteen waardoor. Maria? Bovennatuurlijke verschijning? Wonderbaarlijke genezing? Etappe in de Tour de France? Ik denk dit, ik denk dat. Ik denk: zodra ik thuiskom doe ik navraag. Was Lisieux een uitstap van de vrouwengilde?
Wikipedia zet me op het goede spoor. Dat de naam van die stad zich in mijn hoofd verankerd heeft, komt door Theresia van Lisieux (°1873 - 1897†) patrones van parochie Bredene-Duinen. Hoe komt het dat zo’n parochieding nog in 't hoofd van een mens zit die ontdoopt is en al? Dat komt doordat mijn mama die parochie in 1938 mee vormgeeft. Daar bestaat fotografisch bewijs van. De foto heb ik als kind wellicht duizend keer bekeken en het verhaal is me wellicht honderd keer verteld. Zie hen daar lopen: Thérèse de Lisieux onder dat baldakijn, en schuin voor haar, mijn toekomstige mama die in de lens kijkt.
Over die Theresia weet ik voor de rest niet veel. Ik verneem dat ze in ’t klooster twee toneelstukken schrijft, telkens over Jeanne d'Arc, rol die ze ook zelf speelt. De toneelstukken worden mooi geduid op YouTube. Er bestaat ook een foto van Thérèse in de hoofdrol. Die foto werd in 1895 gemaakt door haar zuster Céline Martin
Net als Jeanne d’Arc heeft Thérèse veel van doen met Franse oorlogsvoering. In De onbekende heilige Theresia van Lisieux staan daar wree dingen over. Ik citeer een stukje: ‘In 1914, als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, verschijnt de heilige Theresia zo'n veertig keer op verschillende slagvelden, nu eens met een kruis in haar hand, dan weer met een sabel!  (…) Talloze relikwieën van de heilige die op wonderbaarlijke wijze geweerkogels tegenhielden als echte schilden en zo het leven redden van de soldaten die ze droegen, bevinden zich in haar klooster van Lisieux’.
Flor Vandekerckhove

Op de trappen van het heiligdom van Lisieux. Een imaginaire ontmoeting tussen twee toneelschrijvers. Links, zittend: Theresia van Lisieux als de geketende Jeanne D’Arc, rol die Thérèse zelf speelt in een van haar toneelstukken (La Mission de Jeanne d'Arc in 1894 en Le Triomphe de l'humilité in 1895)De foto bestaat echt en werd in 1895 gemaakt door Céline Martin, een van Thérèses zussen, eveneens kloosternon. Waarom ik boots draag, is mij niet duidelijk.

vrijdag 10 juli 2026

Le Bô in Frankrijk (zeer kort reisverhaal tijdens de hittegolf)

Links. Op ’t kerkhof staat een oude venijnboom die de aanwezigheid van Keltische zielen symboliseert. Rechts. Georges Moteley (1865-1923), schilder van De Orne bij Clécy (1901), olieverf op hout.

Woensdag, 8 juli. — LE BÔ (°) KOMT van ‘bos’, ’boos’,‘bosc’. In Le Bô leven her en der Bô-bewoners, 117 in totaal. Geen van hen staat in de Wikipedia, geen der Bô-voorvaderen haalt de geschiedenis. ‘Vivons heureux, vivons cachés'
‘BÔ-n vivants’ zijn van alle tijden. Waar nu de kerk staat, stond in 1167 al een kapel. Het kerkhof is nog ouder. Daarvan getuigt een oude venijnboom die de aanwezigheid van Keltische zielen symboliseert.
Ik heb hier wel wat tijd te verdoen. (°°) En omdat hiermee wel alles over Le Bô gezegd is, haal ik er een oud gazetje bij: La Revue Illustrée du Calvados. In januari 1910 staat daarin een stuk over landschapsschilder Georges Moteley (1865-1923). Daar heet hij ‘een ware patriot’ te zijn, ‘een rasechte Normandiër, geboren in Calvados en lange tijd woonachtig in Caen.’ Nergens staat dat hij in Le Bô komt schilderen, maar dat doet hij wel zes kilometer hiervandaan, waar hij in 1901 De Orne bij Clécy op doek zet. Ik dacht: terwijl ik hier nu toch ben, draai ik de geschiedenis een 
licht surrealistische loer. In een imaginaire ontmoeting haal ik Georges Moteley naar Le Bô en vraag hem om een schilderijtje mee te brengen, zodat mijn lezerskorps, klein maar fijn, vervolgens de dag kan continueren, verrijkt door het aanschouwen van dees schoonheid in olieverf op hout.
(°) De Franse gemeente Le Bô ligt in het departement Calvados, in de regio Normandië, in het noordwesten van Frankrijk. De gemeente behoort tot het arrondissement Caen.
(°°) Tania wandelt op 8 juli langs de GR36, van Thury-Harcourt, Via St-Martin-de-Sallen, Clécy en de rochers de la Houle naar Le Vey.

dinsdag 7 juli 2026

De waarzegster van de Oostendse Slipwaykaai


DE SLIPWAYKAAI IS nu gemonopoliseerd door ’t VLIZ, maar ooit woonde daar een talentvolle waarzegster. Ze voorspelde dat sigaretten onbetaalbaar duur zouden worden, dat het klimaat zou veranderen en dat Russische vrouwen zich op ‘t internet aan Vlaamse mannen zouden presenteren in de hoop er een frank aan over te houden. Zo’n supervoorspeller was dat! Reders frequenteerden haar om te weten hoeveel hun schip bij thuiskomst zou besommen. Ze had geen glazen bol en ze legde geen tarotkaarten, ze las de toekomst in de ogen van een vers gevangen kabeljauw. Die moest ge zelf meebrengen, nadien at ze hem op. (Flor Vandekerckhove)   

 
Nadat het leven me van stad naar stad had gebracht, van werk naar werk en van vrouw naar vrouw, streek ik in Bredene neer, waar ik ook mijn jeugd had doorgebracht. Daar startte ik een schrijfproject dat onderzocht hoe het anderen vergaan was. Ik delfde sporen van schoolmakkers op, jongens waarmee ik tijdens m’n tienerjaren de schoolbanken in een Oostends college deelde. 
Had het iets te betekenen, het leven van die babyboomers in de sixties? Ik schreef er een boekje over, Tienerklanken, zo genoemd naar een TV-programma dat in die tijd voor ons gemaakt werd. Dat boekje is nu beschikbaar.
Tienerklanken is een e-boek (117 pagina’s in pdf of epub naar keuze), uitgegeven door De Lachende Visch en gratis verspreid door De Weggeefwinkel. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be en het boekje valt vandaag nog in je mailbox. GRATIS! (Vermeld: ‘Tienerklanken’ en zeg epub of pdf.)

maandag 6 juli 2026

Alles wat u altijd al over H.G. Wells wilde weten, maar nooit durfde te vragen (Wat een wonder is die digitale wereld toch!)


HEDEN GEDRAAG IK me als soortement onzichtbare man die zich in de beslotenheid zijner woning afvraagt wie H.G. Wells is. Die auteur schrijft in 1897 De onzichtbare man, boek dat veelbelovend opent met: ‘De vreemdeling kwam op een winterse dag, begin februari, door een snijdende wind en striemende sneeuw, de laatste sneeuwval van het jaar, over de heuvels (…)’ Wie in zo'n weer van over de heuvels komt, heeft gewis een goed verhaal op zak.
De originele versie van het boek valt op veel plekken zomaar van het internet te plukken. Er zijn ook luisterversies: die mens hier doet er 5:10 over. En er zijn films, veel films, daarover had ik het al in een post met een titel die ge alleen kunt begrijpen als ge de moeite doet om het stuk te lezen: De non-binaire onzichtbare mens van de Napoleonlaan.
Wie was die H.G. Wells? Er is een BBC-docu uit 2016, gemaakt ter gelegenheid van 's mans 150e verjaardag. Daarin onderzoekt Dominic Sandbrook ‘hoe een slaperig hoekje van het land de inspiratie vormde voor enkele van de meest fantastische ideeën in de sciencefiction.’ Dieper delven doe ik door hier The World of H.G. Wells (1915) van ’t net te halen, bijeengeschreven door Van Wyck Brooks. Mocht ik er dan nog niet genoeg van hebben, is daar ook nog dat boek over H.G. Wells (1915) van J.D. Beresford
Al wat ik hierboven arceer kunt ge gratis van ’t net halen. Wat een wonder is die digitale wereld toch! Ik laat Google nog even de slotzinnen van The Invisible Man vertalen: ‘Zo vervalt hij in een droom, de onsterfelijke, wonderlijke droom van zijn leven. En (…) niemand weet dat die boeken daar zijn (…) En niemand anders zal er iets van weten tot hij sterft.’ Waarna ik me weer zichtbaar maak door me, een appel etend, in volle hittegolf, op de zonovergoten straat te begeven.
Flor Vandekerckhove

H.G. Wells. The Invisible Man (Annotated): The Complete 1897 Novel of Griffin, the Sussex Village of Iping, and the Reign of Terror, with a Substantial Original Introduction. 89 cent! Meer erover staat hier.
 
Velerlei maquis is een essay waarin ik een welbepaalde periode uit het het werk van Charles Baudelare, Paul van Ostaijen en Bob Dylan bekijk, meer bepaald de tijd waarin ze hun werk in het verborgene (het maquis uit de titel) produceerden. Zoals al de e-boeken van uitgeverij De Lachende Visch is ook dit essay van 32 bladzijden gratis voor wie erom vraagt. Er is een PDF-versie en het is ook beschikbaar in EPUB. Je kunt bestellen via liefkemores@telenet.be. De Weggeefwinkel zorgt ervoor dat het in je mailbox valt. (Vermeld titel en welke versie je verkiest, pdf of epub.)

zondag 5 juli 2026

Meisjes waarmee ik niet getrouwd ben (5)

Deze post maakt deel uit van een reeks Meisjes waarmee ik niet getrouwd ben. Telkens exact honderd woorden, want 'In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister’, zoals Goethe al zei. Als illustratie plaats ik telkens een andere, vintage foto van de Koninklijke Baan in Bredene. 

KUSSEN DEED IK voor het eerst met een meisje wier naam ik vergeten ben. We zaten in een autowrak op vaders erf. Vooraan zaten twee tongzoenende pubers en wij zaten hen achterin te imiteren. Ik dacht er niet aan om met dat meisje te trouwen. Daar stond dat kussen los van (iets wat me later nog wel overkomen is). Dat zoenen vond ik trouwens maar niets. En al helemaal nadat ik na zo'n lange, goed geïmiteerde kus de ogen weer opende en ik mijn moeder door het zijraampje van de auto zag turen. Toen was de pret er helemaal af. (Flor Vandekerckhove)

GAUW! is het eerste boekje dat ik schreef nadat ik eind 2013 besloten had alleen nog digitaal te publiceren. Het verhaal, waarin ik over mijn kindertijd vertel, verscheen als e-boekje in 2014. Gaandeweg leerde ik meer over elektronisch schrijven. Het verhaal werd daardoor korter en beter. Ik voegde er links aan toe, waardoor lezers nu ook naar liedjes uit die tijd kunnen luisteren. Op den duur herschreef ik zelfs het verhaal. Het experiment komt nu tegemoet aan de verwachtingen van internetlezers: kort, eenvoudig, geschikt voor wie, zoals ik, een korte spanningsboog heeft… Zoals alle e-boeken van Uitgeverij De Lachende Visch is ook deze vijfde editie van GAUW! gratis voor wie erom vraagt. Doe het via liefkemores@telenet.be en de meiden van De Weggeefwinkel zorgen ervoor dat het boekje meteen in je mailbox valt.

zaterdag 4 juli 2026

De non-binaire onzichtbare mens van de Napoleonlaan

Baelskaai Oostende, op het terras van O.666. Van links naar rechts: H.G. WellsDavid McCallumElisabeth Moss en De Laatste Vuurtorenwachter.

ZE HADDEN DE woorden goed onthouden: ‘Daar waar het vuurtorenlicht het gebouw klieft, ontwerpt de architect een volledig transparante verdieping, met transparante meubels, zodat de lichtstraal landinwaarts niet onderbroken wordt.’ 
‘Gaan we doen’, zeiden de projectontwikkelaars: ‘Al wat we nog niet hebben is een transparante bewoner’ en ze citeerden Perec: ‘Wat je als schrijver moet doen, is de bewoner van dat transparante appartement tot leven brengen. Dát, Laatste Vuurtorenwachter, dat is literatuur.’ Ik had geen verweer, het was letterlijk wat ik geschreven had in Een literaire bestemming voor een ongewis stuk Napoleonlaan.
Met gemengde gevoelens verliet ik het verkoopkantoor. Hoe kon ik mijn woorden in zo’n korte blogpost waarmaken? Ik speurde ’t net af en kwam bij H.G. Wells terecht die in 1897 De onzichtbare man geschreven had, een klassieker. In 1933 was er een gelijknamige film. En nadien hield het niet meer op: The Invisible Man Returns (1940); The Invisible Woman (1940); Invisible Agent (1942); The Invisible Man's Revenge (1944); Abbott and Costello Meet the Invisible Man (1951). In 1975 was er een televisiereeks en in 2020 weer een film. Die laatste is nu nog te zien op Netflix. Allemaal geïnspireerd door Wells’ verhaal.
Ik dacht: ik breng heel die bende samen en kijk wat er gebeurt. En zo komt het dat we daar samen op het terras van de O.666 zitten: H.G. Wells waarmee het allemaal begonnen is, David McCallum die de onzichtbare man in 1975 op de televisie vertolkte en Elisabeth Moss die in de recente film (2020) aan de onzichtbare man probeert te ontsnappen. Niet te zien op de foto, wegens onzichtbaar, is onze gezamenlijk bedachte up-to-date versie van de onzichtbare: een non-binaire onzichtbare mens. Koud kunstje voor een schrijver als ik die het wankelmoedige surrealisme-light nastreeft. 
Flor Vandekerckhove

[Deze post heeft een vervolgstukje, volledig gewijd aan H.G. Wells, auteur van The Invisible Man: klik hier♐︎.]

H.G. Wells. The Invisible Man (Annotated): The Complete 1897 Novel of Griffin, the Sussex Village of Iping, and the Reign of Terror, with a Substantial Original Introduction. Meer erover staat hier.
 
Velerlei maquis is een essay waarin ik een welbepaalde periode uit het het werk van Charles Baudelare, Paul van Ostaijen en Bob Dylan bekijk, meer bepaald de tijd waarin ze hun werk in het verborgene (het maquis uit de titel) produceerden. Zoals al de e-boeken van uitgeverij De Lachende Visch is ook dit essay van 32 bladzijden gratis voor wie erom vraagt. Er is een PDF-versie en het is ook beschikbaar in EPUB. Je kunt bestellen via liefkemores@telenet.be. De Weggeefwinkel zorgt ervoor dat het in je mailbox valt. (Vermeld titel en welke versie je verkiest, pdf of epub.)

vrijdag 3 juli 2026

Dante Alighieri en Nick Tosches, twee schrijvers, één film

Nick Tosches (°1949 - 2019†) staat bij mij hoog in aanzien. Ik besprak zijn Hellfire, ‘the best rock and roll biography ever written’, vertaalde twee van zijn gedichten en haalde hem drie keer naar Oostende, te beginnen met Op voorhand weet je ’t nooit. Beklijft hij ook als een boek van hem verfilmd wordt? [Op de Filmstill: de schrijver op zoek naar geldgewin heeft geen pen ter hand, maar een revolver.]

HET VERHAAL IS ambitieus: confronteer twee schrijvers uit een totaal verschillend tijdvak met elkaar. Nick Tosches (2019†) doet het in zijn boek ‘In the Hand of Dante’ en regisseur Julian Schnabel doet het hem na in de gelijknamige filmNick Tosches (in de film gespeeld door Oscar Isaak) fungeert zelf als de hedendaagse schrijver en zijn middeleeuwse tegenhanger is de Florentijn Dante Alighieri (eveneens gespeeld door Oscar Isaak). Tosches is in dat verhaal een doorgewinterd kenner van Dantes Divina CommediaHij wordt door maffiabaas Joe Black (John Malcovich) gerecruteerd om het verloren gewaande, maar in Sicilië nu toch opgedoken manuscript van de Divina te verifiëren en naar hem toe te brengen. Wise guy Louie (Gerard Butler, die in de middeleeuwse delen ook de rol van paus Bonifacio speelt) staat hem daarbij terzijde. Als ze in de missie slagen zal overmatige rijkom hun deel worden. 
In het filmverhaal wisselen middeleeuwen en heden elkaar telkens af. De Divina is een poëtisch verslag van een spirituele reis, de filmbeelden zijn daarom in kleur. De reis die de hedendaagse schrijver onderneemt daarentegen is van een vulgair materialisme: zwart/wit. 
Nick Tosches heeft een cynische kijk op het hedendaagse schrijverschap. Dat leerde ik al in de inleiding van The Nick Tosches Reader. Dat boek start met een citaat: “Now, Mr. Faulkner,” she said, “what were you thinking of when you wrote that?” “Money,” he replied. Tosches citeert die woorden ook in de beginscène van de film. ’t Is dat ze ertoe doen. Het najagen van geld is ook wat de hedendaagse schrijver in de film daadwerkelijk doet, hij gaat op zoek naar het manuscript dat hem rijkdom moet bezorgen. Hoe anders gaat het er bij de middeleeuwse schrijver Dante aan toe die goddelijke inspiratie nastreeft.
Beide schrijvers slagen in hun ambitie. Dante laat een middeleeuws meesterwerk na. Nick Tosches slaagt erin het manuscript te bemachtigen. Meedogenloos schakelt hij onderweg elkeen uit die hem in de weg staat (iets wat hij als kind al eens gedaan heeft, leert een tussenscène waarbij we de jonge Nick in gesprek zien met nonkel Al Pacino, overduidelijk ook een maffia wise guy.) Tosches duikt onder (waardoor hij zich als schrijver doodverklaart) en eindigt incognito als rijkaard op een paradijselijk eiland, samen met zijn geliefde secretaresse Giulietta (Gal Gadot) die in de middeleeuwse filmdelen ook al Gemma Donati was, echtgenote van Dante. Terwijl we genieten van de idyllische slotbeelden, zingt Nick Cave zijn mooie Into My Arms. Hoe schoon! 
Maar die slotbeelden, eind goed, al goed, zo met z'n tweetjes op een eiland, met dat Cave-liedje als ferme schep slagroom bovenop… is dat ook niet erg kitcherig? We zien twee dingen tegelijk: we zien de cynische visie van Nick — 't gaat om 't geld — en we zien tegelijk de kritiek erop.

Regisseur: Julian Schnabel
Scenario Jilien Schnabel en Louise Kugelberg
Gebaseerd op In the Hand of Dante (Nick Tosches)
Geestige bijrollen voor Al Pacino, John Malcovich, Martin Scorsese…
150 minuten
Engels
USA, Italië 
De film is nu ook te zien op Netflix.

donderdag 2 juli 2026

Negen babyboomers van de wiskundeklas

Van links naar rechts: Daniël Gunst, Flor Vandekerckhove, Freddy Buffel, Hugo Vandenbussche, Jean-Pierre Casier, Wilfried Laforce, Jozef Passchyn, Paul Joye en Roger Passchyn.

IN DE AANKONDIGING van mijn Tienerklanken staat wat ik ermee op 't oog had: ‘Nadat het leven me van stad naar stad gebracht had, van werk naar werk en van vrouw naar vrouw, streek ik moegestreden in Bredene neer. Daar startte ik een schrijfproject dat onderzocht hoe het er bij anderen aan toegegaan was.’ Tot die anderen behoorden ook klasmakkers waarmee ik een klas in het college van Oostende had gedeeld. Ik spoorde er acht op — Wilfried LaforceJean-Pierre CasierFreddy BuffelRoger PasschynDaniël GunstJozef Passchyn, Paul Joye, Hugo Vandenbussche — en vroeg hen op de man af: hoe is het er bij jou aan toegegaan?
We zijn allemaal van 1949-50, we zijn van de geboortegolf na de Tweede Wereldoorlog, we zijn babyboomers. Op FB zegt ene Ashen Imanka daarover: ‘Wij werden geboren toen de littekens van de Tweede Wereldoorlog nog zichtbaar waren. Gezinnen bouwden hun leven opnieuw op na jaren van onzekerheid.’ In onze families waren we veelal de eersten die een middelbare school bezochten, de eersten ook die daarna hoger onderwijs konden genieten. ‘Onze jeugd’, vervolgt Ashen Imanka, ‘speelde zich af op een manier die voor jongere generaties vandaag bijna onvoorstelbaar lijkt. Alleen dat al: onze schriften stonden vol zorgvuldig met de hand geschreven notities die van krijtborden werden overgenomen.’ Wat ons aan Noël Berquin laat denken, leraar Nederlands die eerst het bord volschreef en daarna zijn krant las.
Zegt die Ashen Imanka ook: ‘Muziek werd een van de belangrijkste soundtracks van onze jeugd. De jaren zestig kwamen als een golf van kleur, vrijheid en verandering. We zagen de cultuur verschuiven onder invloed van elektrische gitaren en stemmen die de moed hadden de wereld in vraag te stellen.’ Veel van die jeugdcultuur is ons in die wiskundeklas voorbijgegaan, zo hebben die gesprekken me geleerd. We waren geen rockers, geen mods, geen hippies, we waren collegejongens, ons haar was kortgeknipt, ons gelaat was fris en er moest gestudeerd worden. De kleren die we droegen waren deze die moeder voor ons placht klaar te leggen. Als we al zongen, was het rond het kampvuur van de jeugdbeweging: We shall overcome. Maar ik moet me hoeden voor veralgemeningen. Een vragenrondje in Houtekiet en de klassenstrijd leerde me vooral dit: zoveel mensen, zoveel meningen.
Weinig eenstemmigheid is er in de beroepsloopbaan die voor de negen volgde. Ik tel twee leraars, drie middenkaders, drie commerçanten en maar één burgerlijk ingenieur. Dat laatste heeft principaal Carron wellicht verdroten. Ook waar: velen zijn tot lang na schooltijd blijven leren. ‘Levenslang leren’ is wel degelijk iets van onze generatie (ik leer zelfs nog altijd schrijven.) Ook zie ik veel sociaal engagement, betrokkenheid in georganiseerde vrijetijdsbesteding en wat ik ook zie is een brede politieke waaier.
Flor Vandekerckhove

Wij, met zand in onze schoenen is een memoir (25 bladzijden), waarin ik terugdenk aan de weg die kunstschilder Luc Martinsen en ik afgelegd hebben sinds onze eerste ontmoeting in 1988. Ik schreef dat boekje als een symfonie, een muziekstuk in drie delen, dat na het tweede deel onderbroken wordt door een interludium en afsluit met een coda. In de beste traditie van De Weggeefwinkel is ook Wij, met zand in onze schoenen gratis. U hoeft er alleen om te vragen. Mocht u interesse hebben, mail naar liefkemores@telenet.be. (Vermeld 'Zand' en zeg 'pdf' of ‘epub'.)

woensdag 1 juli 2026

Ilja Leonard Pfeijffer over het schrijversvak

Deze post is een test. Ik wil onderzoeken hoeveel mensen hier komen kijken, zonder dat ik er one way or another 'Oostende' aan koppel, zoals ik wel doe in Over de pretentie van Ilja Leonard Pfeijffer en ook over de mijne. En zonder dat ik er gewag over maak op Facebookgroepen van Bredene en Oostende. Ik wil onderzoeken of dit mijn vermoeden bevestigt, dat zegt dat hier nauwelijks mensen naar zullen kijken. Want dit is wat ik denk: niemand prijst me om mijn spetterende literaire stijl. Niemand roemt mijn spitsvondige, literaire benadering van de surfende, swipende en scrollende medemens. Ik ga gebukt onder het imago van een die over Bredene en Oostende schrijft. Soortement heimatschrijver. 

DE JOOST ZWAGERMAN Lezing is niet zomaar een lezing, ’t is een gebeurtenis waarop jong talent een kans krijgt, kunst getoond wordt en muziek gespeeld. Altijd op de verjaardag van de overleden naamgever.  Voor wat 2025 betreft is het ook Pfeijffer die zijn stuk voorleest: Eerder was er al zo’n lezing in 2022 en een in 2024. De lezing die Ilja Leonard Pfeijffer in 2025 verzorgt is inmiddels in een boekje gepubliceerd. (°)
Pfeijffer roept schrijvers, uitgevers en lezers op tot plichtsbesef. ‘We dienen (…) ons bewust te zijn van de verantwoordelijkheid die wij (…) dragen (…).’ Literatuur heeft immers een belangrijke functie. ‘Het is de schatkamer waarin ligt opgetast wat ons tot mensen maakt.’ Daarvan moeten zich bewust zijn ‘niet alleen de bibliotheken maar ook de uitgeverijen, het hele literaire bedrijf en nadrukkelijk ook de lezers (…)’ Zij allen zijn ‘de schatbewaarders van dit archief van menselijkheid.’ En verder: ‘De schrijvers van nu hebben de taak om dat archief up to date te houden en aan te vullen met hun eigen particuliere ervaringen, hetgeen voorwaar geen geringe verantwoordelijkheid impliceert.’ ’t Is iets wat ik alleen maar kan beamen. Vandaar ook de ondertitel van De Laatste Vuurtorenwachter: ‘Deze vuurtoren belicht de verdwijnende wereld van een babyboomer/soixantehuitard’.
Vervolgens legt Ilja Leonard Pfeijffer een connectie tussen 
de schrijfpraktijk en zijn hobby (‘In het kader van mijn onverwerkte verleden als beoefenaar van aikido (…) ben ik onlangs in de leer gegaan om samoerai te worden. (…)’). Ik onthoud: ‘‘Een schrijver heeft er jarenlang elke dag van het krieken van de ochtend tot ver na zonsondergang geconcentreerd aan zitten werken, terwijl hij of zij elke alinea, elke zin, elk woord en elke lettergreep duizend maal duizend maal heeft gewogen, overdacht en heroverwogen.’ Dit is ook mijn ervaring. Alleen begrijp ik niet waar Ilja Leonard Pfeijffer dan ook nog eens tijd, energie en goesting haalt om de publieke figuur te zijn die hij inmiddels geworden is. Het heeft, denk ik, met het hogepriesterschap te maken dat hij zich daarbij toedicht, maar dat heb ik al gefileerd in Over de pretentie van Ilja Leonard Pfeijffer en ook over de mijne'.

(°) Ilja Leonard Pfeijffer. De toekomst van de literatuur. 2026. De Arbeiderspers A’dam/A’pen. 34 p. De tekst is deze van de Joost Zwagerman Lezing 2025.