![]() |
| Inzet: Tekening van Francisque Poulbot (1879-1946). Waterverf en inkt. Vraagt de ene titi: ‘Heb je een hoed gevonden’. Antwoordt de andere: ‘Gevonden, hoezo? Denk je dat ik 't geld niet heb heb om mijn kleren te kopen?’ |
Deze voor mijn doen lange openingsparagraaf dient om een kort stuk over een tweedeverblijver in te leiden; niet een van Bredene, maar een van Colomby-sur-Thaon , Normandisch dorp van 417 inwoners. Daar bezat Francisque Poulbot bij leven en welzijn een huis. Hij was niet van daar, hij woonde er niet, hij was van Parijs en had in Colomby-sur-Thaon een tweede verblijf. Waarom ook niet, ’t is niet erg ver van Parijs en ’t is aan zee. Of hij daarmee de woonprijzen omhoog dreef, weet ik niet, evenmin weet ik of hij deelnam aan het wijkleven en ik weet ook niet of hij Franse francs bij de plaatselijke middenstand spendeerde, als die er al was. Wel weet ik dat deze Francisque de enige personaliteit is die met het dorp in verband gebracht wordt. Bekendheid verwierf Poulbot met zijn tekeningen van Parijse straatjochies, in het Parijse slang ‘titi’s’. (°) Hij produceerde succesrijke cartoons die zowel in de pers als in de galeries een afzet vonden, soortement Kama dus.
Flor Vandekerckhove⇲
‘Titi parisien” is een bekende Parijse slanguitdrukking voor een ‘Parijse jongen', brutaal, vindingrijk en ondeugend kind, straatloper met een diepgaande kennis van Parijs en zijn straten, wiens archetype het personage Gavroche is in Victor Hugo’s roman Les Misérables. Bij uitbreiding is een ‘titi’ een volwassene uit de Parijse arbeidersklasse. ‘Titi’ wordt ook geassocieerd met het specifieke accent van het Parijse dialect dat steeds meer verdwijnt, behalve onder bepaalde arbeiders in de Parijse voorsteden.















