| Links: James Tate (°1943-2015†) |
[Dit is het slotstuk van een serie over Wat het is om schrijver te zijn. Het eerste deel werd drie dagen geleden gepost: De leerjongen van Ernest Hemingway⇲. Het tweede deel postte ik eergisteren: Schrijven is een eenzame bezigheid⇲. Gisteren plaatste ik het derde deel, een vergelijking tussen schrijven en schilderen⇲.]
EEN INTELLECTUEEL IS iemand die nadenkt over wat het betekent een intellectueel te zijn. ’t Is schertsend bedoeld, maar het is ook waar. Net zo onderzoekt de kunstenaar, kunst makend, wat het is kunstenaar te zijn en zo onderzoekt de schrijver, schrijvend, wat het is schrijver te zijn.
Haruki Murakami en Richard Brautigan in Oostende is een verhaal, maar ’t is ook een stuk waarin ik, schrijvend, nadenk over schrijverschap, meer bepaald over ’t míjne. Dat doe ik ook in Surrealisme-light op het terras van de Lafayette. Daar haal ik er de Amerikaanse dichter James Tate bij, die al dichtend onderzocht heeft wat het voor hem betekent dichter te zijn. Hij vond een eigen, interessante weg in wat een recensente omschreef als ‘A Kind of Fluidity’. (°)
James Tate vat zijn zoektocht op indrukwekkende wijze samen in What It Is. ChatGPT zegt ervan dat het ‘een gedicht’ is: ‘Het gedicht is een aangrijpend, surrealistisch en confronterend stuk dat het diepe contrast onderzoekt tussen gewone, ogenschijnlijk praktische mensen en de kwellende zoektocht naar kunst. De tekst zet alledaagse activiteiten tegenover het angstaanjagende, isolerende besef van wat het betekent om dichter te zijn.’ In The Boston Review staat dan weer dat het een verhaal is: ‘Het Beckett-achtige microverhaal "What It Is" bevat misschien wel de sleutel tot al het werk van Tate: verrassing, zowel met taal als met zichzelf (…)’
What It Is staat in de bundel The Route as Briefed (°°). We bevinden ons in een doorsnee, ietwat surrealistisch aandoend gezin. Moeder breit pull, dochter Polly prutst aan pop, hond denkt er ’t zijne van, vader trekt zich op zolder terug om er ongestoord over zijn dichterschap na te denken: ‘Ik was bezig een taal te ontwikkelen die echt van mijzelf was; een taal die zich niet langer bekommerde om anderen, die niet langer op zoek was naar gemeenschappelijke grond. Ik was het anker aan het doorsnijden.’ Op dat moment komt de dochter hem storen en vraagt wanneer hij weer naar beneden komt. Nog probeert de dichter het isolement in stand te houden: ‘Pas als ik heel, heel oud ben. Ik moet eerst wijzer worden voordat ik naar beneden kan komen, en ik vrees dat dat nog heel lang gaat duren (…)‘ Hij voegt er nog aan toe: ‘Je zult zien dat het de moeite loont.’ De dochter heeft daar geen oren naar: ‘I think you know something already.’ Waarmee het verhaal eindigt.
Op zolder zegt de dichter dat hij, op z’n eentje, in isolement, een eigen taal ontwikkelt, maar in de praktijk, toont ons de tekst, is het resultaat iets tussen hem en zijn dochter: ‘Als ik in zulke buien ben, hoef ik Polly niet uit te leggen wat ik wil. Ze glijdt gewoon met me mee over de bodem, papa-rog en zijn dochter, verdrietig, liefdevol, mooi – wat het ook is, ze glijdt met me mee.’ Waaruit blijkt dat literatuur door twee mensen gemaakt wordt: de mens die schrijft en de mens die leest. Schrijven is een gemeenschapsding, ondanks het isolement waarin de schrijver – in deze tekst is dat de zolder – zijn ding doet,.
(°) Marjorie Perloff. ‘A Kind of Fluidity’: James Tate’s Variations on the Prose Poem. In On James Tate. Edited by Brian Henry. 190 p. Uitg. The Universiy of Michigan Press. 2004.(°°) James Tate. ‘What It Is’ (1995), in The Route as Briefed. 1999. In de reeks Poets on Poetry. Uitg. University of Michigan Press. 167 p.