vrijdag 3 juli 2026

Dante Alighieri en Nick Tosches, twee schrijvers, één film

Nick Tosches (°1949 - 2019†) staat bij mij hoog in aanzien. Ik besprak zijn Hellfire, ‘the best rock and roll biography ever written’, vertaalde twee van zijn gedichten en haalde hem drie keer naar Oostende, te beginnen met Op voorhand weet je ’t nooit. Beklijft hij ook als een boek van hem verfilmd wordt? [Op de Filmstill: de schrijver op zoek naar geldgewin heeft geen pen ter hand, maar een revolver.]

HET VERHAAL IS ambitieus: confronteer twee schrijvers uit een totaal verschillend tijdvak met elkaar. Nick Tosches (2019†) doet het in zijn boek ‘In the Hand of Dante’ en regisseur Julian Schnabel doet het hem na in de gelijknamige filmNick Tosches (in de film gespeeld door Oscar Isaak) fungeert zelf als de hedendaagse schrijver en zijn middeleeuwse tegenhanger is de Florentijn Dante Alighieri (eveneens gespeeld door Oscar Isaak). Tosches is in dat verhaal een doorgewinterd kenner van Dantes Divina CommediaHij wordt door maffiabaas Joe Black (John Malcovich) gerecruteerd om het verloren gewaande, maar in Sicilië nu toch opgedoken manuscript van de Divina te verifiëren en naar hem toe te brengen. Wise guy Louie (Gerard Butler, die in de middeleeuwse delen ook de rol van paus Bonifacio speelt) staat hem daarbij terzijde. Als ze in de missie slagen zal overmatige rijkom hun deel worden. 
In het filmverhaal wisselen middeleeuwen en heden elkaar telkens af. De Divina is een poëtisch verslag van een spirituele reis, de filmbeelden zijn daarom in kleur. De reis die de hedendaagse schrijver onderneemt daarentegen is van een vulgair materialisme: zwart/wit. 
Nick Tosches heeft een cynische kijk op het hedendaagse schrijverschap. Dat leerde ik al in de inleiding van The Nick Tosches Reader. Dat boek start met een citaat: “Now, Mr. Faulkner,” she said, “what were you thinking of when you wrote that?” “Money,” he replied. Tosches citeert die woorden ook in de beginscène van de film. ’t Is dat ze ertoe doen. Het najagen van geld is ook wat de hedendaagse schrijver in de film daadwerkelijk doet, hij gaat op zoek naar het manuscript dat hem rijkdom moet bezorgen. Hoe anders gaat het er bij de middeleeuwse schrijver Dante aan toe die goddelijke inspiratie nastreeft.
Beide schrijvers slagen in hun ambitie. Dante laat een middeleeuws meesterwerk na. Nick Tosches slaagt erin het manuscript te bemachtigen. Meedogenloos schakelt hij onderweg elkeen uit die hem in de weg staat (iets wat hij als kind al eens gedaan heeft, leert een tussenscène waarbij we de jonge Nick in gesprek zien met nonkel Al Pacino, overduidelijk ook een maffia wise guy.) Tosches duikt onder (waardoor hij zich als schrijver doodverklaart) en eindigt incognito als rijkaard op een paradijselijk eiland, samen met zijn geliefde secretaresse Giulietta (Gal Gadot) die in de middeleeuwse filmdelen ook al Gemma Donati was, echtgenote van Dante. Terwijl we genieten van de idyllische slotbeelden, zingt Nick Cave zijn mooie Into My Arms. Hoe schoon! 
Maar die slotbeelden, eind goed, al goed, zo met z'n tweetjes op een eiland, met dat Cave-liedje als ferme schep slagroom bovenop… is dat ook niet erg kitcherig? We zien twee dingen tegelijk: we zien de cynische visie van Nick — 't gaat om 't geld — en we zien tegelijk de kritiek erop.

Regisseur: Julian Schnabel
Scenario Jilien Schnabel en Louise Kugelberg
Gebaseerd op In the Hand of Dante (Nick Tosches)
Geestige bijrollen voor Al Pacino, John Malcovich, Martin Scorsese…
150 minuten
Engels
USA, Italië 
De film is nu ook te zien op Netflix.

donderdag 2 juli 2026

Negen babyboomers van de wiskundeklas

Van links naar rechts: Daniël Gunst, Flor Vandekerckhove, Freddy Buffel, Hugo Vandenbussche, Jean-Pierre Casier, Wilfried Laforce, Jozef Passchyn, Paul Joye en Roger Passchyn.

IN DE AANKONDIGING van mijn Tienerklanken staat wat ik ermee op 't oog had: ‘Nadat het leven me van stad naar stad gebracht had, van werk naar werk en van vrouw naar vrouw, streek ik moegestreden in Bredene neer. Daar startte ik een schrijfproject dat onderzocht hoe het er bij anderen aan toegegaan was.’ Tot die anderen behoorden ook klasmakkers waarmee ik een klas in het college van Oostende had gedeeld. Ik spoorde er acht op — Wilfried LaforceJean-Pierre CasierFreddy BuffelRoger PasschynDaniël GunstJozef Passchyn, Paul Joye, Hugo Vandenbussche — en vroeg hen op de man af: hoe is het er bij jou aan toegegaan?
We zijn allemaal van 1949-50, we zijn van de geboortegolf na de Tweede Wereldoorlog, we zijn babyboomers. Op FB zegt ene Ashen Imanka daarover: ‘Wij werden geboren toen de littekens van de Tweede Wereldoorlog nog zichtbaar waren. Gezinnen bouwden hun leven opnieuw op na jaren van onzekerheid.’ In onze families waren we veelal de eersten die een middelbare school bezochten, de eersten ook die daarna hoger onderwijs konden genieten. ‘Onze jeugd’, vervolgt Ashen Imanka, ‘speelde zich af op een manier die voor jongere generaties vandaag bijna onvoorstelbaar lijkt. Alleen dat al: onze schriften stonden vol zorgvuldig met de hand geschreven notities die van krijtborden werden overgenomen.’ Wat ons aan Noël Berquin laat denken, leraar Nederlands die eerst het bord volschreef en daarna zijn krant las.
Zegt die Ashen Imanka ook: ‘Muziek werd een van de belangrijkste soundtracks van onze jeugd. De jaren zestig kwamen als een golf van kleur, vrijheid en verandering. We zagen de cultuur verschuiven onder invloed van elektrische gitaren en stemmen die de moed hadden de wereld in vraag te stellen.’ Veel van die jeugdcultuur is ons in die wiskundeklas voorbijgegaan, zo hebben die gesprekken me geleerd. We waren geen rockers, geen mods, geen hippies, we waren collegejongens, ons haar was kortgeknipt, ons gelaat was fris en er moest gestudeerd worden. De kleren die we droegen waren deze die moeder voor ons placht klaar te leggen. Als we al zongen, was het rond het kampvuur van de jeugdbeweging: We shall overcome. Maar ik moet me hoeden voor veralgemeningen. Een vragenrondje in Houtekiet en de klassenstrijd leerde me vooral dit: zoveel mensen, zoveel meningen.
Weinig eenstemmigheid is er in de beroepsloopbaan die voor de negen volgde. Ik tel twee leraars, drie middenkaders, drie commerçanten en maar één burgerlijk ingenieur. Dat laatste heeft principaal Carron wellicht verdroten. Ook waar: velen zijn tot lang na schooltijd blijven leren. ‘Levenslang leren’ is wel degelijk iets van onze generatie (ik leer zelfs nog altijd schrijven.) Ook zie ik veel sociaal engagement, betrokkenheid in georganiseerde vrijetijdsbesteding en wat ik ook zie is een brede politieke waaier.
Flor Vandekerckhove

Wij, met zand in onze schoenen is een memoir (25 bladzijden), waarin ik terugdenk aan de weg die kunstschilder Luc Martinsen en ik afgelegd hebben sinds onze eerste ontmoeting in 1988. Ik schreef dat boekje als een symfonie, een muziekstuk in drie delen, dat na het tweede deel onderbroken wordt door een interludium en afsluit met een coda. In de beste traditie van De Weggeefwinkel is ook Wij, met zand in onze schoenen gratis. U hoeft er alleen om te vragen. Mocht u interesse hebben, mail naar liefkemores@telenet.be. (Vermeld 'Zand' en zeg 'pdf' of ‘epub'.)

woensdag 1 juli 2026

Ilja Leonard Pfeijffer over het schrijversvak

Deze post is een test. Ik wil onderzoeken hoeveel mensen hier komen kijken, zonder dat ik er one way or another 'Oostende' aan koppel, zoals ik wel doe in Over de pretentie van Ilja Leonard Pfeijffer en ook over de mijne. En zonder dat ik er gewag over maak op Facebookgroepen van Bredene en Oostende. Ik wil onderzoeken of dit mijn vermoeden bevestigt, dat zegt dat hier nauwelijks mensen naar zullen kijken. Want dit is wat ik denk: niemand prijst me om mijn spetterende literaire stijl. Niemand roemt mijn spitsvondige, literaire benadering van de surfende, swipende en scrollende medemens. Ik ga gebukt onder het imago van een die over Bredene en Oostende schrijft. Soortement heimatschrijver. 

DE JOOST ZWAGERMAN Lezing is niet zomaar een lezing, ’t is een gebeurtenis waarop jong talent een kans krijgt, kunst getoond wordt en muziek gespeeld. Altijd op de verjaardag van de overleden naamgever.  Voor wat 2025 betreft is het ook Pfeijffer die zijn stuk voorleest: Eerder was er al zo’n lezing in 2022 en een in 2024. De lezing die Ilja Leonard Pfeijffer in 2025 verzorgt is inmiddels in een boekje gepubliceerd. (°)
Pfeijffer roept schrijvers, uitgevers en lezers op tot plichtsbesef. ‘We dienen (…) ons bewust te zijn van de verantwoordelijkheid die wij (…) dragen (…).’ Literatuur heeft immers een belangrijke functie. ‘Het is de schatkamer waarin ligt opgetast wat ons tot mensen maakt.’ Daarvan moeten zich bewust zijn ‘niet alleen de bibliotheken maar ook de uitgeverijen, het hele literaire bedrijf en nadrukkelijk ook de lezers (…)’ Zij allen zijn ‘de schatbewaarders van dit archief van menselijkheid.’ En verder: ‘De schrijvers van nu hebben de taak om dat archief up to date te houden en aan te vullen met hun eigen particuliere ervaringen, hetgeen voorwaar geen geringe verantwoordelijkheid impliceert.’ ’t Is iets wat ik alleen maar kan beamen. Vandaar ook de ondertitel van De Laatste Vuurtorenwachter: ‘Deze vuurtoren belicht de verdwijnende wereld van een babyboomer/soixantehuitard’.
Vervolgens legt Ilja Leonard Pfeijffer een connectie tussen 
de schrijfpraktijk en zijn hobby (‘In het kader van mijn onverwerkte verleden als beoefenaar van aikido (…) ben ik onlangs in de leer gegaan om samoerai te worden. (…)’). Ik onthoud: ‘‘Een schrijver heeft er jarenlang elke dag van het krieken van de ochtend tot ver na zonsondergang geconcentreerd aan zitten werken, terwijl hij of zij elke alinea, elke zin, elk woord en elke lettergreep duizend maal duizend maal heeft gewogen, overdacht en heroverwogen.’ Dit is ook mijn ervaring. Alleen begrijp ik niet waar Ilja Leonard Pfeijffer dan ook nog eens tijd, energie en goesting haalt om de publieke figuur te zijn die hij inmiddels geworden is. Het heeft, denk ik, met het hogepriesterschap te maken dat hij zich daarbij toedicht, maar dat heb ik al gefileerd in Over de pretentie van Ilja Leonard Pfeijffer en ook over de mijne'.

(°) Ilja Leonard Pfeijffer. De toekomst van de literatuur. 2026. De Arbeiderspers A’dam/A’pen. 34 p. De tekst is deze van de Joost Zwagerman Lezing 2025. 

dinsdag 30 juni 2026

Leren van meester Blomme, Bob Dylan, Auden, Edgar Allan Poe en al de anderen

In een Imaginaire ontmoeting staat Bob Dylan in de Oostendse Langestraat (straat gezien vanaf de Vlaanderenstraat richting Monacoplein.) Links, dancing Venus en cinema's Capitole en wat verder Corso. De tijd valt te traceren: in de Capitole, zie ik, speelt Cleopatra, film uit 1963. Volgens de machinerie van de artificiële intelligentie was ik in die tijd uitbater van de tabakwinkel op de hoek. (De achtergrondfoto is van de Bredense fotograaf Kamiel Lootiens.)

TOT DEGENEN DIE me het schrijfambacht bijgebracht hebben, behoren zowel meester Blomme als Bob Dylan. Van de eerste herinner ik me de instructie bij een opstel, Onze schoolreis. ‘Begin nu eens niet’, zei Albert Blomme, ‘met, ’s morgens smeerde moeder mijn boterhammen. En ook niet’, voegde hij eraan toe, ‘met, de autobus stond al klaar.’ Dat resoneert aardig, vind ik, met wat Bob Dylan hier in zijn Kronieken schrijft. Wanneer hij een lied over de arbeidersactivist Joe Hill ontdekt, zegt hij: Ik zou hem op een andere manier hebben vereeuwigd, meer als Casey Jones of Jesse James.’ Dylan: Je moet mensen een kant van zichzelf laten zien die ze nog niet kenden.’ Blomme en Dylan zeiden eigenlijk hetzelfde: wees origineel!
Met een leermeester als Bob Dylan ga ik graag op stap, vooral als hij me toont hoe hij ’t aan boord legt. Dat doet hij bijvoorbeeld in As I Went Out One Morning dat mee geïnspireerd werd door When I Walked Out One Evening van dichter W.H. Auden. Ik dacht: als Auden Dylan inspireert dan… en ik maakte een vrije vertaling van het gedicht in kwestie: ’Die avond op de Spinoladijk’. Woordkunstenaar Nancy Zwaenepoel declameert mijn vertaling. Ik doe nog iets. In Waarover de tafelrede gaat neem ik Auden en Dylan mee naar ’t strand van Bredene. Daar gaan we samen op zoek naar wat hen in song en gedicht scheidt en bindt.
Vertalen is trouwens een van de beste manieren om te leren wat poëzie is. Van Edgar Allan Poe vertaalde ik Annabel Lee. Ik ging ermee experimenteren en zo komt het dat er nu een YouTube-opname bestaat waarin u me niet alleen m’n vertaling hoort declameren, maar ook Bob Dylan hoort die het gedicht in 't oorspronkelijke Engels leest. Niet slecht toch, voor iemand als ik die nooit zijn kot verlaat. 
Nog iets. Op ’t net staat een filmpje waarin Bob Dylan een gedicht van J.T. Fields (1817-1881) declameert. Ook daar ging ik mee aan de haal. Ge kunt me mijn vertaling horen lezen, afgewisseld met Bob Dylan die het origineel doet: The Ballad of the Tempest/Het tempeest
In The greatest songwriting process of all time legt iemand ons uit hoe Bob Dylan het in zijn songwriting aan boord legt. Hij zegt dat het traditionele No More Auction Bloc naar Blowing in the Wind leidde, iets wat Dylan bevestigt. Daar hoeft het niet mee op te houden, vind ik. Bij mij leidt Dylans Blowing in the Wind weer verder, naar een extreem kort verhaal waarin we Dylans kapper leren kennen. Je kunt het beluisteren op Wind.
Dylans 115th dream is een satirisch en surrealistisch verhaal dat historische, literaire en narratieve verwijzingen door elkaar gooit, van de reizen van Columbus over Moby Dick tot de dag van heden. De song heeft me meer dan eens geïnspireerd. Eerst in een volgens mijn normen ietwat te lang uitgevallen Mijn leven als ontdekkingsreiziger  (2018). In 2022 herwerkte ik het tot iets wat veel korter en ook beter is: Absurd.
Flor Vandekerckhove

Velerlei maquis is een essay waarin ik een periode uit het het werk van Charles Baudelare, Paul van Ostaijen en Bob Dylan bekijk, meer bepaald de tijd waarin ze hun werk in het verborgene (het maquis uit de titel) produceerden. Zoals al de e-boeken van uitgeverij De Lachende Visch is ook dit essay van 32 bladzijden gratis voor wie erom vraagt. Er is een PDF-versie en het is ook beschikbaar in EPUB. Je kunt bestellen via liefkemores@telenet.be. De Weggeefwinkel zorgt ervoor dat het in je mailbox valt. (Vermeld titel en welke versie je verkiest, pdf of epub.)

maandag 29 juni 2026

Het pastafarisme leeft!


Pastafari — OP DE KUSTTRAM ontmoette ik een aanhanger van het pastafarisme. Hij uitte zich door een vergiet omgekeerd op 't hoofd te zetten. Nadat ik hem goed gekeken had, verzonk ik in gemijmer. Zou hij zich op die wijze in ’t zwembad mogen aanbieden? Moet hij hij zijn vergiet aan de schoolpoort achterlaten? Wordt hij bij sollicitaties gediscrimineerd? Kan zo iemand als beleggingadviseur voor de bank werken? Zou u zich laten opereren door een steengoede pastafarianist of verkiest u een chirurg die er al eens naast snijdt? Thuis hing ik mijn baret op en daarna ging ik zoeken in de keukenkast.
Flor Vandekerckhove⇲   

Pastafari is een verhaal van exact honderd woorden. In 2019 verzamelde ik er alzo negenennegentig in een boekje. Delphine Lecompte schreef het voorwoord. In de beste tradities van uitgeverij De Lachende Visch is ook dat e-boekje (in dit geval alleen in pdf) gratis verkrijgbaar voor wie erom vraagt. Doe het via liefkemores@telenet.be, vermeld 99, en het valt vandaag nog in je mailbox.

zondag 28 juni 2026

Meisjes waarmee ik niet getrouwd ben (4)

Dit is onderdeel van een reeks Meisjes waarmee ik niet getrouwd ben. Telkens exact honderd woorden, want 'In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister’, zoals Johann Wolfgang von Goethe al zei. Als illustratie plaats ik telkens een andere, vintage foto van de Koninklijke Baan in Bredene. Mocht iemand me, op basis van de automodellen, een tijd suggereren, zou ik daar dankbaar om zijn.

IN EEN DOOS bewaarde ik een fotootje van Vera. Dat had ik gekregen van iemand die verschrikkelijk veel puisten had. Ik begreep niet hoe iemand met zoveel puisten de foto van zo’n mooi meisje op zak kon hebben. De foto paste beter bij mij. Sindsdien had ik een geheim. Ik bewaarde dat geheim in een geheime doos op een geheime plek. Op geheime momenten bekeek ik heimelijk het fotootje en vroeg me af of ik met Vera zou trouwen. Ik dacht van niet, want Vera ging naar een verkeerde school. Daar tegenover stond dat ik toch maar die foto had. (Flor Vandekerckhove)

Dit is een verhaal van exact honderd woorden. In 2019 verzamelde ik er alzo negenennegentig in een boekje. Delphine Lecompte schreef het voorwoord. In de beste tradities van uitgeverij De Lachende Visch is ook dat e-boekje (in dit geval alleen in pdf) gratis verkrijgbaar voor wie erom vraagt. Doe het via liefkemores@telenet.be, vermeld 99, en het valt vandaag nog in je mailbox.

zaterdag 27 juni 2026

Wat een gezelschap

        Op de eerste rij, van links naar rechts: Michel de Montaigne, Karl Marx, Georges Perec.

TWEE DIE JE anders nooit eens samen ziet. Ten eerste Michel de Montaigne: ‘Wie de waarheid treft, kan net zo dwaas overkomen als wie ernaast zit, wat voor ons telt is niet wat iemand zegt, maar hoe hij het zegt.’ Twee is Karl Marx: ‘Wat van mij is, is de vorm, dat is mijn geestelijke eigenheid. Le style c’est l’homme. Montaigne en Marx, samen op weg. En op de trein komen ze godbetert Georges Perec tegen, met zijn contraintes die ‘een soort directe toegang tot het onbewuste zijn, veel sterker dan welk automatisch schrijven ook, veel sterker dan wanneer je uitgaat van de woordbetekenis. Het feit dat je woorden produceert via die zeef, via dat filter. Wat daar doorheen komt…’
Flor Vandekerckhove

De digitale wereld ontdek ik pas op late leeftijd. Mijn fascinatie en mijn schrik voor die wereld verpak ik in deze allegorie, ook een superkorte gothic roman. Slechts 17 bladzijden, helemaal in provoverzen. Net als alle e-boeken van uitgeverij De Lachende Visch is ook Het huis (2019) gratis beschikbaar voor elkeen die erom vraagt. Doe het via liefkemores.be en de eerste Vlaamse Vlaamse horror in provoverzen valt meteen in je mailbox. (Vermeld Het huis en zeg ook of je pdf dan wel epub wilt.) 

vrijdag 26 juni 2026

Hugo Vandenbussche, de jongen die per fiets van Gistel kwam

In juni 1968 nemen ze afscheid van ’t college in Oostende en in juni 2026 ontmoeten ze elkaar in Gent. Op tafel plaats ik een foto: Hugo Vandenbussche (°1950) als voorzitter van de Gentse tak van de Vlaamse wijngilde, zijn kompanen instruerend over de fles die ze soldaat maken.

BUITEN GENT-ST.-PIETERS kom ik in de volle zon van de hittegolf terecht. Honden blaffen, kinderen jengelen, meisjes dragen korte rokjes, man speelt accordeon, ouderen zoeken vergeefs naar schaduw. Met oud-klasmakker Hugo Vandenbussche (°1950) kies ik voor een terras aan gene zijde van het Koningin Maria Hendrikaplein. We zitten ongeveer op de plek waar eertijds cine Rex was. We herinneren ons die zaal. (Ik herinner me daar La classe operaia va in paradiso.) Hugo heeft ooit aan de achterkant van dat gebouw gewoond, ook daaraan heb ik vage herinneringen. Nu woont hij met Ingrid Van Middelem in Gentbrugge. Kinderen, kleinkinderen, pensioen.
Lager middelbaar volgde hij in zijn thuisstad Gistel. Hugo Vandenbussche kwam pas halverwege de moderne humaniora in Oostende aan. Traject Gistel - Oostende deed hij dagelijks al fietsend, ‘s winters was er de bus. In 't college van Oostende verwierf hij gauw een sleutelpositie: Mijn beste herinneringen heb ik aan het winkeltje van studiemeester Pulle, waar we een echt verdienmodel konden opzetten. Eric Laga en ik mochten de studiezaal verlaten om te tellen, voorraad te checken, bestellingen te maken. Wat we intussen ook deden was een sigaretje roken en onze winst, ook die van studiemeester Louis ‘Pulle’ Duhem, berekenen.’
Hugo kwam bij ons in de wiskundeklas terecht. Dat viel tegen. ‘Met wiskundeleraar Roger ‘Plong’ Ramon is mijn wiskundekennis niet echt meer toegenomen. Die mens deed echt geen enkele inspanning om zijn lessen voor te bereiden. Er waren nog zo’n vakken waarvoor we geen leraars pur sang hadden.’ Goede herinneringen heeft hij wel aan turnleraar Piet Bultiauw, tekenleraar Jan ‘Pietje potlood’ De Groot en fysicaleraar André ‘Spakke’ Vandekerckhove. Van zijn klasgenoten herinnert hij zich vooral Jef Passchyn die hem terzijde stond in de wiskunde, daar waar Plong hem eerder in de weg stond. 
Die collegejaren eindigen in juni 1968. Daarna volgt Hugo studies verpleegkunde, eerst in Oostende, daarna in Brugge. Volgt een beroepsloopbaan die ik ronduit carrière mag noemen. En ook wel een voorbeeld van levenslang leren. Hij wordt gedragstherapeut, werkt in de verslavingszorg, leidt groepstherapieën, wordt coach in kinderdagcentra, leidt mensen op in mediatie en sociale vaardigheden, wordt in Gent aan de univ lector in het centrum voor huisartsgeneeskunde en rondt die carrière af als algemeen directeur van woonzorgcentrum Leiehome. Ik stap er een beetje met zevenmijlslaarzen overheen, maar wie op LinkedIn terecht kan, ziet daar het indrukwekkende geheel.
Als voorzitter van de Gentse tak van de Vlaamse wijngilde is er ook een druk sociaal leven geweest. Hij heeft wijngroepsreizen geleid en het clubblad geredigeerd. 
Wanneer we elkaar in Gent ontmoeten is hij pas terug uit de Vercors waar hij ging stappen: ‘Wandelen is echt mijn ding.’ Hij spreek van wandeldagen met afstanden van dertig, vijfendertig kilometer en over duizeligmakende hoogtemeters; dingen die ik mezelf niet meer zie doen, gesteld dat ik ze ooit gedaan zou hebben.
Flor Vandekerckhove

Nadat het leven me van stad naar stad had gebracht, van werk naar werk en van vrouw naar vrouw, streek ik in Bredene neer, waar ik ook mijn jeugd had doorgebracht. Daar startte ik een schrijfproject dat onderzocht hoe het anderen vergaan was. Ik delfde sporen van schoolmakkers op, jongens waarmee ik tijdens m’n tienerjaren de schoolbanken in een Oostends college deelde. Dit gesprek met Hugo Vandenbussche maakt er deel van uit. Eerder postte ik al soortgelijke stukken met Wilfried LaforceJean-Pierre Casier, Freddy BuffelDaniël GunstRoger PasschynJozef Passchyn en Paul Joye.
Had het iets te betekenen, het leven van die babyboomers in de sixties? Ik schreef er een boekje over, Tienerklanken, zo genoemd naar een TV-programma dat in die tijd voor ons gemaakt werd. Tienerklanken is een e-boek (117 pagina’s in pdf of epub naar keuze), uitgegeven door De Lachende Visch en gratis verspreid door De Weggeefwinkel. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be en het boekje valt vandaag nog in je mailbox. GRATIS! (Vermeld: ‘Tienerklanken’ en zeg epub of pdf.)

donderdag 25 juni 2026

Busstop waar geen bus stopt

‘Niemand ziet de bussen ooit langsrijden, 
behalve als hij zelf op een bus staat te wachten,
of als hij iemand bij een bus gaat ophalen.’
Georges Perec


Busstop — VIA ’T RAAM van mijn woning kijk ik uit op de busstop waar de bus nooit stopt. Nooit wacht iemand er op de bus die nooit komt. Nooit stapt iemand van de bus die daar nooit stopt. Toch kijk ik elke ochtend, bij ’t opentrekken van de draperieën, of er niet iemand staat te wachten op de bus die daar nooit stopt of omgekeerd, of iemand van de bus stapt die er nooit stopt. ’s Avonds doe ik ’t weer, bij ’t sluiten van de draperieën, kijken of iemand instapt op of afstapt van de bus die er nooit stopt. (Flor Vandekerckhove

De tekstkroes is als een beker waarin ik al mijn creativiteit gooi. Daar mengt mijn imaginatie zich met die van u, lezer, hopend dat er zodoende goud van komt. De tekstkroes is een e-boek, 337 pagina’s, in 2026 uitgegeven door De Lachende Visch. De distributie gebeurt via De Weggeefwinkel. Het e-boek is gratis voor wie erom vraagt. Vermeld ‘Tekstkroes’ en zeg of u pdf dan wel epub verkiest. Doe het via liefkemores@telenet.be en het boek valt vandaag nog in uw e-box.

woensdag 24 juni 2026

Scheepsberichten

Een imaginaire ontmoeting in Oostende. De Amerikaanse schrijfster Edna Annie Proulx heeft het over de teloorgang van de visserij in Newfoundland. Zeer herkenbaar voor Oostendenaars. Inzet: het huis op de hoek van de Baelskaai, waar ik woonde toen ik Proulx’ The Shipping News (1993) aan ’t lezen was.

DE TELOORGANG VAN de visserij was evengoed zichtbaar in Oostende als in Newfoundland waar Annie Proulx (°1935) haar roman The Shipping News (1993) situeert. Terwijl ik dat boek in 1995 aan ’t lezen was, beleefde ik een indrukwekkende déjà vu: ‘En de visserij zakte in, de visserij zakte totaal in, veertig jaar opgegaan in rook, omdat die klootzakken in de Canadese regering elk land ter wereld visrechten gaven, terwijl ze ons met hun regels uit de markt drukten. Die gore buitenlandse treilers. Daar is alle vis in verdwenen.’ Het was een manier van redeneren die ik ook op de Baelskaai hoorde, maar hier waren de klootzakken deze van de Europese Unie en waren het Hollanders die de zee leegvisten. Herkenbaar was ook de kritiek op de maatregelen die genomen werden: ‘Jezus! Denk je dat je alles gehad hebt, krijg je dit! Die toewijzing van visquota alsof het rijen aardappels zijn die je kunt opgraven. Als er geen vis is, valt er ook niets toe te wijzen en niets te vangen; als je niets vangt is er ook niets te verwerken of te verschepen, en dan is er voor niemand nog een droge boterham te verdienen. Geen hond die hun achterlijke regels nog begrijpt.’ (Flor Vandekerckhove)

Edna Annie Proulx. Scheepsberichten. Vertaling Regina Willemse. 1998. Uitgeverij De Geus. 399 p. Oorspronkelijk verschenen als The Shipping News (1993). Er werd ook een film (2001) van gemaakt met Kevin Spacey, Lulianne Moore, Judi Dench en Cate Blanchet.