donderdag 13 augustus 2026

Op zoek naar een gedeukt medaillon in Lisieux

Ik zoek hier, ik zoek daar, ik zoek overal.

6 augustus 2026 — WE ZIJN ER al eens in een boog omheen gereden, maar nu houden we er halt. In Lisieux gaan we de confrontatie aan met Theresia van Lisieux die daar inderdaad overvloedig present tekent. We passeren een versleten bisschoppelijk paleis, bezoeken een oude kathedraal en een nieuwe basiliek. Theresia alom. 
Pastoor neemt achter glas de biecht af en gaat daarna iets eten, vrouw gaat in extase en vervolgt daarna haar weg, kaars flikkert hevig en dooft plots uit terwijl ik erop sta te kijken, zijaltaren, zijaltaren, zijaltaren en elk zijaltaar heeft zijn verhaal, in de nok een duif die denkt dat hij een heilige geest is, Tania koopt magneetjes om aan de frigo te hangen, foto’s van Theresia, woorden van Theresia, woorden over Theresia, ik verneem dat niet alleen Theresia heilig is maar ook haar ouders, ik denk na over wat het is een schapulier te zijn, in een doorzichtige bokaal laten schijnbaar normale mensen gebedjes vallen die ze op daarvoor beschikbaar papiertjes schrijven, een kerkstoel begint uit zichzelf te bewegen, de hittegolf eist ook bij mij een tol, ik ga zitten op de stoel die gelukkig ophoudt te bewegen, na enkele tellen kan ik er weer tegen en vervolg mijn weg doorheen deze wondere wereld.
Ik vind helaas niet wat ik zoek. Daar kan Theresia niets aan doen, het is mijn fout. Had ik me beter voorbereid dan was ik meteen naar het plaatselijke carmelietenklooster getrokken, want, lees ik hier: ‘Talloze relikwieën van de heilige die op wonderbaarlijke wijze geweerkogels tegenhielden als echte schilden en zo het leven redden van de soldaten die ze droegen, bevinden zich in haar klooster van Lisieux.’ In het kloostermemoriaal had ik wellicht wel zo’n gedeukt medaillon kunnen bekijken, onmiskenbaar bewijs dat er een kogel op is afgeketst. 
Zo’n gedeukt medaillon is inderdaad wat ik per se wil zien, ik weet niet waarom. Op ’t internet zoek ik achteraf nog even tussen de diverse ex-voto’s. Er zijn helmen, kogels, granaatscherven, epauletten en onderscheidingen (zoals het Croix de Guerre) die soldaten naar de nonnen gestuurd hebben. Geen gedeukt medaillon. Ik surf verder naar het kloosterarchief en vind deze brief van een korporaal die in mei 1917 schrijft: ‘Een revolverkogel doorboorde mijn jas, mijn notitieboekje, mijn portemonnee en zelfs mijn vest, precies boven mijn hart. Maar de kogel kaatste af zonder mijn shirt te raken dankzij het kleine medaillon van zuster Thérèse, dat daar als schild diende. Het was 's ochtends, bij daglicht, dat ik het opmerkte, en op dat moment boog ik diep voor mijn lieve Thérèse. (…)’
Flor Vandekerckhove

Je weet dat ik graag een genre uittest, een vorm onderzoek: drabble, rijmloos kwatrijn, verhalen van nauwelijks een alinea lang, oneliners, mini-assay… Zo experimenteer ik ook met proza in versvorm, provovers, het omgekeerde als ’t ware van een prozagedicht. Zo’n experiment met provovers is Het huis, allegorisch, roman, extreem kort, gothic. De Lachende Visch publiceerde de provovers-versie in 2021 en sindsdien staat het boek in de etalage van De Weggeefwinkel. Het e-boek is gratis voor wie erom vraagt. Mail naar liefkemores@telenet.be. Schrijf HET HUIS en zeg of je EPUB dan wel PDF wenst.

woensdag 12 augustus 2026

Wat hebben The Ventures met Frédéric Chopin te maken?

Op het podium: The Ventures. In het publiek, verenigd in een imaginaire ontmoeting, van links naar rechts, Marlies De MunckDimitri SjostakovitsjFrédéric Chopin en Hanns Eisler.

DAARTOE AANGEVUURD DOOR muziekfilosofe Marlies De Munck, postte ik anderhalf jaar geleden een stukje over muziek. Dat cirkelde rond de vraag of muziek al dan niet uitsluitend naar zichzelf verwijst. Vertrekken deed De Munck van een discussie tussen Frédéric Chopin en George Sand. Ze haalde er Sjostakovitsj en Stalin bij en ook Hanns Eisler en het Committee on un-American activities. Allemaal zeer interessant. Zelf haalde ik Composing for the Films’ van ’t net, waarin ook iets staat dat goed in die Chopin-Sand-discussie past. Ik herlees mijn post uit februari 2025 en constateer dat ik er nog altijd tevreden over mag zijn, iets wat zelden voorkomt, meestal storen me in zo’n geval de onvolmaaktheden. 
Aanleiding voor dat stukje was een boek dat de muziekfilosofe geschreven had, ’Waarom Chopin de regen niet wilde horen’ (°) Dat boekje had ik toen niet gelezen, ik lees het nu voor ’t eerst. Neen, ’t is niet altijd nodig om een boek te lezen om er iets zinnigs over te vertellen, kijk maar naar dit Pleidooi voor het half lezen.
Moet ik, nu ik ’t essay eindelijk gelezen heb, iets aan die post toevoegen? Inmiddels wetend dat de discussie bij Pythagoras en Plato aanvangt en voorlopig eindigt bij Marlies zelve? Liever neem ik de vlucht voorwaarts en begin aan het tweede deel van haar boek: ‘De vlucht van de nachtegaal, Een filosofisch pleidooi voor de muzikant.’ Deze keer komt mijn post er pas na 't lezen, want zo kan het uiteraard ook. 
Vergenoeg u in afwachting met het highbrow 'Rond muziek hangt een mysterie'⇲. Luister/kijk daarna naar een very lowbrow praktijkvoorbeeld, met name de instrumentale muziek van dit olijke popgroepje dat zich tijdens ’t optreden afvraagt waar de plaats van de drummer is, vooraan, achteraan, tussenin: The Ventures met Walk, Don't Run
.
(°) Marlies De Munck. Waarom Chopin de regen niet wilde horen (en andere vragen uit de filosofie van de muziek) (2017, 2de, gewijzigde editie 2023). Uitg. Letterwerk. 120 p. 

dinsdag 11 augustus 2026

Mansarde

Links zie je hoe het zou zijn mocht ik op hoge leeftijd door een dakvenster naar meisjes kijken die beneden passeren. Dakramen zijn nu groter dan toen, in die tijd kon je er alleen maar met je hoofd door. (En sigaretten roken doe ik ook niet meer.) De groene pijl wijst naar mijn slaapkamer onder ’t dak, een mansarde, Rechts: 1968. Huizen in de Duinenstraat van Bredene. Alleen het eerste huis van deze rij bestaat nog, het huis met de witte erker. Daar is nu op de benedenverdieping een tattooshop. De andere gebouwen werden gesloopt. Waar het uithangbord LAITERIE hangt en daarnaast, waar metselaars een dak aanbrengen, staat nu flatgebouw Duett.

elke zondagmiddag trek ik me terug 
op mijn mansarde
waar ik heimelijk een sigaret opsteek
terwijl ik vanuit het dakvenster
over de straat uitkijk
en terwijl de rook het zwerk opzoekt
waar zoals je weet 
de meeuwen schreeuwen
luister ik naar de jukebox
van ’t café rechtover de deur
waar Will Tura over een meisje zingt
van zeventien
dat nog met haar teddybeer slaapt
dan stapt mijn nicht Nadine voorbij
ze ziet me niet
maar ik haar wel
haar tred is anders
zoals ze daar nu stapt
hoe doet ze het en waarom
twee vragen 
die sindsdien mijn zondagen kleuren

Op 't einde van 2020 ontwikkelde ik een 'eenvoudige manier van schrijven' die geheel de mijne is. Mansarde is op die manier geschreven. Mij kwam het toen ook toe de nieuwigheid een naam te geven, alsmede de vereisten ervan in steen te beitelen: proza in de vorm van een vers, afgekort provovers (mv. provoverzen? de beoefenaar ervan: een provoversaal?) Dat provovers werd door mij geijkt in vier geboden. (1) het provovers telt exact honderd woorden, titel niet inbegrepen; (2) de titel van het provovers bestaat uit één woord; (3) leestekens ontbreken, alsook kapitalen (behalve als het een eigennaam betreft); (4) de vorm van het provovers kenmerkt zich door lijnafbrekingen, dermate georganiseerd dat ze het lezen faciliteren. Visueel maken die lijnafbrekingen er een vrij vers van — een proza+ — dat de lezer kan savoureren als ware ’t eenvoudige poëzie van het soort dat een spreker gemakkelijk parlando ten gehore brengt. 
Wie in de blog het label ‘provovers’ aanklikt, krijgt tientallen voorbeelden te zien. De nieuwe vorm vond ook al een weg in GAUW!, verhaal van mijn kinderjaren, dat ik op die manier herschreef. In Tienerklanken, het verhaal van mijn collegejaren, schreef ik enkele hoofdstukjes in provovers. Bij uitgeverij De Lachende Visch verscheen in 2023  Gesprekken met Polleke, vijftig dergelijke provoverzen in een boekje. Zoals alle e-boeken van De Lachende Visch is ook Gesprekken met Polleke gratis. Mail erom (vermeld de titel en zeg of je ’t in pdf of epub wilt hebben): liefkemores@telenet.be.

zondag 9 augustus 2026

Surrealisme-light op het terras van de Lafayette

Op het terras van de Lafayette zie ik in een imaginaire ontmoeting de Amerikaanse dichter James Tate (°1943 - 2015†). 

EEN MENS VRAAGT het zich af. Waarom verliet de Amerikaanse dichter James Tate (°1943 - 2015†) de poëzie met lijnafbrekingen, iets waarmee hij nochtans succes oogstte? Waarom ging hij volop voor prozagedichten
Dat Charles Baudelaire zoiets in de negentiende eeuw deed, valt gemakkelijk te begrijpen, zegt ook Marjorie Perloff (°): ‘Baudelaire wilde af van het knellende karkas van opgelegde versvormen. Maar in het Amerika van na de Tweede Wereldoorlog was poëzie niet langer aan die strenge vormregels gebonden, het vers was vrij. Waarom was dat voor Tate niet genoeg?’ 
James Tate geeft zelf een reden: ‘Het prozagedicht heeft zijn eigen verleidingsmechanismen. Om te beginnen de bedrieglijk eenvoudige verpakking: de alinea. Mensen vluchten over het algemeen niet weg wanneer ze een alinea of ​​twee tegenkomen. De alinea zegt als het ware: ik neem niet veel van je tijd in beslag en ik sta er niet om bekend dat ik geheimzinnig, onbegrijpelijk, pretentieus of hoogdravend zou zijn. Kom binnen... En wanneer er aan het einde van een prozagedicht een epifanie of een soort aha-moment is bereikt, is dat bijzonder bevredigend. Je kijkt ernaar en je zegt: "Hé, ik dacht dat ik gewoon een alinea of ​​twee aan het lezen was, maar jeetje, ik denk dat ik een glimp van de eeuwigheid heb opgevangen."’ Verder zegt Perloff daar nog over: ‘Ondanks de nonchalante, geestige toon, plaatst deze uitspraak Tate in het rijtje van Baudelaire en zijn Franse opvolgers in een verlangen om te choqueren en te verrassen. (…).’ 
Dat ik tijdens een van de hittegolven met zo’n saaie dingen bezig ben, vind ik reden genoeg om er een imaginaire ontmoeting van te maken. Et voilà: op het terras van de Lafayette ontmoet ik zowaar de dichter in kwestie. Wat dit mini-essay in de richting van het surrealisme-light stuurt, iets wat ik ook ambieer. Da’s goed. Maar kijk, meteen uit zich ook het probleem waarmee ik terzake worstel: 'T IS ALGAUW TEVEEL! Dat teveel uit zich wanneer Bobo Kool zijn draaitafel pal in ’t midden van ’t deurgat plaatst. Geen mens die nog binnenkan. Om het weer goed te maken, zegt hij: ‘Ik ga muziek draaien die goed past bij de poëzie van James Tate.’ En hij legt Swordfishtrombones op. 
Flor Vandekerckhove

(°)  Marjorie Perloff. ‘A Kind of Fluidity’: James Tate’s Variations on the Prose Poem. In On James Tate. Edited by Brian Henry. 190 p. Uitg. The Universiy of Michigan Press. 2004. De citaten liet ik vertalen door Google Translation.

zaterdag 8 augustus 2026

Johan Tahon in De Panne, tussen herinnering en materie


ALLE HOGE DUINEN van De Panne hadden destijds een naam, eindigend op hill. Kykhill was daar een van. De verklaring van het woord laat zich raden: op de hoge duintop konden vissersvrouwen diep in zee kijken, hopend op terugkerende vissersvaartuigen waarop hun man, als ’t goed ging, present tekende. 
in 1886 vereeuwigt 
Pierre Loti zo’n vissersvrouw in zijn Pêcheur d’Islande. (°) Zijn Bretoense Gaud staat sindsdien symbool voor alle vissersvrouwen die naar de thuiskomst van hun man uitkijken. Verliefd als ze is, wacht Loti’s Gaud, uitkijkend over zee, op de terugkeer van haar Yann, maar: ‘Hij is nooit meer teruggekomen. Op een nacht in augustus had hij daar, voor de kust van het donkere IJsland, te midden van een groot lawaai van woede zijn huwelijk met de zee gevierd, met de zee die ooit ook zijn voedster was geweest; zij was het die hem had gewiegd, die van hem een grote en sterke tiener had gemaakt - en vervolgens had ze hem, in zijn verbazingwekkende mannelijkheid, alleen voor zichzelf teruggenomen. (…) Hij, die zich Gaud, zijn vleselijke vrouw, herinnerde, had zichzelf in een gigantisch gevecht tegen deze grafbruid verdedigd. Tot het moment dat hij zichzelf in de steek liet, zijn armen open om haar te ontvangen, met een diepe kreet als een brullende stier, zijn mond al gevuld met water; armen open, uitgestrekt en voor altijd verstijfd.’
In mijn roman Amandine (°°) breng ik een ode aan Pierre Loti, door op zijn Bretoense heldin Gaud te wijzen: ‘Ook later, in de moderne IJslandvisserij, wanneer de traverse niet meer onder zeil gebeurt, wanneer stoomturbines en nog later dieselmotoren het schip voortjagen, blijven vissers in IJsland achter, ook tijdens de XXste eeuw gebeurt dat. Niet alleen in de XIXde eeuw staan vrouwen, zoals de Bretoense Gaud, op het duin te wachten op hun visser die niet terugkomt. Talrijk zijn ook in de XXste eeuw de Vlaamse Maria’s die de einder afspeuren, tegen beter weten in, wachtend op iemand die nooit meer komen zal.’
Johan Tahon voegt nu zijn verbeelding toe aan de iconische Gaud van Loti, daarmee bevestigend dat kunstenaars voortbouwen op een geschiedenis die hen ver voorafgaat. De bronzen sculptuur die Tahon op die duin plaatst, heet Kykhill, net als de duin zelf. In het geval van Tahon is ‘geschiedenis die hem ver voorafgaat’ bovendien een familiekwestie. Johans overgrootvader is een van de vissers die in 1943 omkomen bij het vergaan van de N.141 De Zee. De band van kunstenaar en visserij gaat nog verder terug in de tijd en wel tot bij IJslandvaarder Engelbertus Tahon (°1867) die met nog twee andere Tahons vermeld wordt in Onze IJslandvaarders, het meesterwerk van Johan Depotter. Geen wonder dat een getuige van de vernissage (°°°) spreekt over ‘(…) een originele en warme opening. Tahon begon zelf met het zingen van een oud visserslied, afgewisseld met persoonlijke en diepgaande bedenkingen. Daarna bracht Helmut Lotti – een goede vriend van Johan en peter van één van zijn kinderen – eveneens een visserslied. Dat gaf meteen de juiste toon aan het evenement.’ 
Dat Johan Tahon fan van Sonic Youth en Amenra is, weet ik al sinds Hoe muziek, taal en beeld elkaar aanraken. Dat vissersliederen en Helmut Lotti (die wel meer samenwerkt met beeldend kunstenaars) hem niet te min zijn, verneem ik nu voor ’t eerst.
Flor Vandekerckhove

(°) Pierre Loti. Pêcheur d’Islande. 1967. Editions Livre de poche - 253 p. Oorspronkelijk 1886. De vertaling uit mijn Frans boekje heb ik aan Google Translation overgelaten.
(°°) Flor Vandekerckhove. Amandine. Roman (2012). 2de uitgave, e-boek, 231 p. Uitgeverij De Lachende Visch. 2023. Het e-boek is gratis en wordt per kerende e-mail opgestuurd naar elkeen die erom vraagt. Mail naar liefkemores@telenet.be en vermeld de titel: AMANDINE en zeg of je pdf dan wel epub wenst.
(°°°) Johan Tahon. Het beeld Kykhill maakt deel uit van de solotentoonstelling Wat de Zee Bewaart in Cultuurhuis De Scharbiellie in De Panne. Nog tot 27 september 2026. De expo (€ 5) toont sculpturen in brons, klei en gips en herdenkt de tragische ondergang van vissersschip 'De Zee' in 1943. Er wordt ook een video vertoond waarin Johan Tahon over zijn vissersfamilie spreekt.

vrijdag 7 augustus 2026

Moord in Saint-Philbert-sur-Orne

 Inzet: is dit het graf waarnaar ik op zoek ben?

’T IS AL enige tijd dat we in Normandië de loop van de Orne volgen, Tania wandelend, ik rijdend. Vandaag houd ik me op in Saint-Philbert-sur-Orne, landbouwdorp met 111 inwoners. Ooit zijn het er meer geweest, maar dan alleen doordat mensen vroeger meer kinderen kweekten. ’t Is zo te zien geen dorp dat leegloopt, er staat geen huis te koop, woningen getuigen van enige welstand, voordeuren staan uitnodigend open, er is een bureau de tourisme, het kerkje (°) werd gerenoveerd.
’t Is naar dat kerkje dat ik me begeef, meer bepaald naar het ernaast liggende kerkhof. Omwille van de licht surrealistische toets die ik dit reisverhaal wil meegeven, ga ik op zoek naar een zerk dat in mijn kraam past. Ik zie er die van de jaren 1800 dateren. Veel van die oude zerken liggen er verwaarloosd bij, namen door de tijd gewist. Bordjes: ‘Cette concession réputée en état d’abandon fait l’objet d’une procédure de reprise. Prière de s’adresser à la mairie.’ (Deze concessie, die zich in een staat van verval bevindt, kan worden teruggevorderd. Neem contact op met het gemeentehuis.)
Een van die oude graven is misschien wel dat van de moeder van Adèle-Héloïse Belleau. Zij komt daar op 8 februari 1852 om ’t leven, 70 jaar oud. 0p die dag krijgt ze bezoek van haar 44-jarige dochter, Adèle-Héloïse, die van 24 kilometer ver komt gelopen om geld te schooien. Moeder weigert, wetend dat het toch maar is om ’t aan alcohol te spenderen. Dochter snijdt moeder de keel over. Ze verwondt ook de dienstmeid, Anne Mérel. Die dochter mocht overigens al geen contact meer met haar moeder hebben, sinds een poging tot wurging en diverse diefstallenOp 19 juni van hetzelfde jaar verzamelen zich in de vroege ochtend drieduizend mensen, voornamelijk vrouwen lees ik, op de Place du Marché aux Bestiaux in Alençon, om daar getuige te zijn van de onthoofding met de guillotine van Adèle-Héloïse Belleau. Het feit staat bekend als de laatste vrouw die in de streek van de Orne geëxecuteerd wordt.


(°) Het was Willem de Veroveraar die de kerk van Saint-Philbert schonk aan de monniken van de Abbaye aux Hommes in Caen. Het oudste deel van het gebouw dateert uit deze periode. De kerk werd vervolgens vergroot en verbouwd in de 12e en 13e eeuw, en waarschijnlijk nogmaals in de 18e eeuw. Monniken behielden het patronaat over de kerk, evenals over andere bezittingen (molens, land en bossen), en het recht van lagere rechtspraak tot 1554, toen de grond werd toegekend aan de familie Vassy.

dinsdag 4 augustus 2026

Feestelijkheden, familieverbanden en een onderpastoor

Van links naar rechts: auteur Els Snick, het boek, het villaatje waarin Verschaeve verbleef (het plakkaat werd door ChatGPT bedacht), cover weekblad Pallieter, 37,1923.

‘T IS LANG geleden dat ik een boek van voor naar achter, in één ruk, heb uitgelezen. Dat ik het nu doe, komt doordat ’t over een land gaat dat ik lang geleden geestelijk ontvloden ben en waarnaar ik nu even, gegidst door Els Snick, terugkeer. Hoe herkenbaar is voor mij de wereld die zij in haar boek oproept!
Die wereld is er een van dorpen waarin hardwerkende Vlamingen, ’t zij boeren, ’t zij commerçanten, op ’t ritme van de seizoenen leven, gemarkeerd door feestelijkheden die meneer pastoor van zingeving voorziet: de Vlaanders! In mijn jeugd leef ik aan de rand ervan — de kust is toch nog iets anders. Mijn verloving brengt me naar de kern, zoals ik die beschrijf in Hier schreef, bakte en kakte Stijn Streuvels. Met mijn toenmalige echtgenote ben ik dat land meteen ontvlucht, zoals zoveel West-Vlamingen het doen: naar Gent, stadslucht maakt vrij!
Hoe goed beschrijft Els Snick het genoegzame leven in zo’n Vlaams dorp, in dit geval Oostrozebeke. Zwart geld dat rolt in eetgelagen, de grote rol die nonkel pastoor in zo’n families speelt, de sterke verbondenheid met het personeel, de moraal van ’t harde werk… 
Het familieflamingantisme van Snick is niet iets van mijn familie, maar in mijn jeugd ken ik wel zo’n flaminganten: zij die ’t Palieterke lezen; zij die met ‘den Duits’ gecollaboreerd hebben; protesten in de kerk tegen Franstalige preken ten behoeve van toeristen; ouders van makkers die de heropbouw van de IJzertoren financieren; zij die voor de Volksunie kalken; blonde meiden die met wapperende vaantjes naar Diksmuide fietsen; vaardige propagandisten in ’t college, zowel onder leraars als onder leerlingen.…
’t Is zo’n Vlaamsgezind dorpsnest dat Snick beschrijft, met als bezwarende particulariteit dat Cyriel Verschaeve op de grond gewoond heeft. Die grond, waarop haar ouders een goed draaiende feestzaal uitbaten, kopen ze van de Lootens, fanatieke bewonderaars van priester-dichter Verschaeve. Via de door hen opgerichte uitgeverij Zeemeeuw verspreiden ze diens werk. Ze laten hem in een kleine villa op de grond wonen: ‘Wat ik niet begreep: na de oorlog heeft Jozef Lootens verder Verschaeve gepromoot. Als een bezetene is hij bezig gebleven met de heruitgave van zijn verzameld werk. (…) Boeken van een veroordeelde collaborateur, hoe kan dat toch? Terwijl Jozef Lootens een overtuigd katholiek was, een “brave mens”, zoals men dat zegt. (…)’ Waarna Snick heel die familie uiteenrafelt, waarin we een overdaad aan paters aantreffen, missionarissen en jongens die naar ’t oostfront trekken. En vrouwen die zichzelf opofferen om non te worden of echtgenote of om levenslang voor een broer te zorgen.
En Verschaeve natuurlijk: ‘De mythe van Verschaeve als de ziener van Vlaanderen, als intellectueel en artistiek genie, miskend door de elites, werd leven ingeblazen door de biografie van Vansina, die in 1955 bij uitgeverij Zeemeeuw verscheen. Het geld voor deze verzorgde publicatie, met veel foto’s, kwam uit de zak van Jozef Lootens. En uit de zak van zijn zus Maria, die immers haar leven en dus ook haar financies met hem deelde. Ze keurde het allemaal goed. Ze verzette zelf bergen werk als medewerkster van Zeemeeuw.’ 
De fascinatie voor Verschaeve blijft overigens niet tot fanatici
 beperkt: ‘Zijn portret hing op school tussen de grote ‘Vlaams koppen’. Mijn ouders spraken over hem met eerbied, bijna als over een heilige. Het waren de jaren waarin ik fel rebelleerde tegen dat katholieke idealisme, die zelfgenoegzame Vlaamse fierheid, de bekrompenheid, de hypocrisie.’ En dan zegt Els Snick iets wat ik goed begrijp: ‘Was ik vijftig jaar eerder geboren dan had ik een van die meisjes kunnen zijn die ademloos naar de visioenen van de heilige Lutgardis luisterden en aan priester Verschaeves lippen hingen.’ Hoe blij mogen we zijn dat Mei 68 op onze weg gekomen is.
Els Snick. De feestzaal van mijn ouders. Een Vlaamse familiegeschiedenis. 292 p. Uitg. Van Oorschot, A’dam. 2025.

maandag 3 augustus 2026

Titelloos verhaal (Droom 42)

In dit gebouw op de Oostendse Baelskaai heerst nu de bedrijvigheid van O.666. Vroeger waren daar SCAP en Hulp in Nood. Later waren dat North Sea Bunkers en de Vlaamse Vissersbond, steeds bedrijvigheid die met de visserij te maken had. Johnny Verplancke ging in 2013 de leegstaande gebouwen fotograferen. Meer foto’s van die shoot op Vlaamse Vissersbond (BE) 2013.


’T IS EEN goed verhaal. En kort, zoals ik het graag heb. Ter wille van de gelaagdheid wil ik nog iets toevoegen. Ik leg die laag erachter, denk ik eerst, maar dan wordt het weer te lang. Waarna ik iets doe wat nog nooit gedaan werd. Ik leg de laag vanboven. Ik schrijf krek dezelfde woorden bovenop deze die er staan. De tekst krijgt een extra laag, waardoor ik aan de literaire eis van gelaagdheid voldoe. Dat heb ik vannacht in mijn slaap gedroomd. Ik schrijf het op, waardoor ik deze schrijversdroom van de vergetelheid
 red. Ik weet niet waarom. (Flor Vandekerckhove)

zondag 2 augustus 2026

Eigen lof stinkt

Links: Born to Write - Write to Live. Rechts: Never underestimate AN OLD MAN who still WRITES POETRY in his seventies.

IN DIT GESPREK vraagt 1 vader aan z’n dochter: ‘Ben ik geen Easy Rider der letteren? Maal ik niet dagelijks mijn kilometers in telkens weer een nieuw verhaal? Mag ik me niet de leuze toe-eigenen: Born to Write / Write to Live’? De dochter antwoordt: ‘ik herinner me die moto en ik herinner me ook dat je schrik had om ermee te rijden.’ Vader weer: ‘Ja, ’t was 1 lowrider, nu ben ik 1 lowwriter’ Dochter weer: ‘Akkoord, maar je hebt die moto wel zo vlug mogelijk verkocht, zoveel schrik had je.’ Vader: ‘Never underestimate an Old man…’ Dochter: ‘Ja ja.’ (Flor Vandekerckhove)

Dit is een titelloos verhaal. In 2022 publiceerde uitgeverij De Lachende Visch honderd verhalen die telkens maar een alinea lang zijn en geen titel hebben. De bundel wordt ingeleid door mijn oud-leraar Nederlands, Alfons Vandenbussche. Zoals alle e-boeken van uitgeverij De Lachende Visch is ook Honderd titelloze verhalen gratis voor elkeen die erom vraagt. Doe het nu en het boek valt vandaag nog in je mailbox. Doe het meteen (en vermeld de titel: Honderd titelloze verhalen) via liefkemores@telenet.be.

zaterdag 1 augustus 2026

Heeft Jacky Kennedy-Onassis ooit café Tijl opengehouden?

Edna O’Brien en DLVuurtorenwachter in café Tijl. Achter de tapkast: Jacky Kennedy. 

ER ZIJN POSTS die duizenden keren bekeken worden. Er zijn er ook die geen honderd views halen, stukjes die haast niemand opzoekt. Zo’n stukje is Edna O’Brien, bevriend met Jacky Onassis. Het dateert al van 5 mei en telt nauwelijks 96 views. Omzeggens niemand komt kijken naar wat ik over Edna en Jacky te vertellen heb. Niet dat ik het me erg aantrek, ik haal het aan omdat ik vandaag over een imaginaire ontmoeting met die twee wil schrijven. Jacky Kennedy, Edna O’Brien en ik ontmoeten elkaar in café Tijl in Bredene, ooit stamcafé van mijn maat JP (†) en ik.
’t Lijkt ongerijmd, waarom doe ik zoiets? Wel, ’t is een experiment in mijn zoektocht naar een milde vorm van surrealisme, iets wat ik surrealisme-light noem. Het experiment onderzoekt ook of het duo Edna-Jacky meer kijkers naar de blog lokt als ik hen in mijn eigen omgeving positioneer. Aan Philip Roth zegt O’Brien daar zelf over (°): ‘Jezelf op een specifieke plek vestigen en die gebruiken als achtergrond (…) is zowel een kracht voor de schrijver als een wegwijzer voor de lezer.’ Misschien vind je dat nog geen reden om het op zo’n geschifte manier te doen, maar ze zegt in dat interview ook: je moet ‘schrijven wat je voelt, zonder je te storen aan welke publieke opinie of welke clique ook.’ (°°)
Flor Vandekerckhove

(°) Philip Roth. Waarom schrijven? Verzamelde non-fictie 1960-2013. Vertaald door Else Hoog Kooman en Bart Kriek. 496 p. Uitg. De Bezige Bij. 2018.
(°°) De memoires van Edna O’Brien (2013. De Bezige Bij A’dam. 397 p.) recenseer ik in ‘Een meisje van buiten’