vrijdag 26 juni 2026

Hugo Vandenbussche, de jongen die per fiets van Gistel kwam

In juni 1968 nemen ze afscheid van ’t college in Oostende en in juni 2026 ontmoeten ze elkaar in Gent. Op tafel plaats ik een foto: Hugo Vandenbussche (°1950) als voorzitter van de Gentse tak van de Vlaamse wijngilde, zijn kompanen instruerend over de fles die ze soldaat maken.

BUITEN GENT-ST.-PIETERS kom ik in de volle zon van de hittegolf terecht. Honden blaffen, kinderen jengelen, meisjes dragen korte rokjes, man speelt accordeon, ouderen zoeken vergeefs naar schaduw. Met oud-klasmakker Hugo Vandenbussche (°1950) kies ik voor een terras aan gene zijde van het Koningin Maria Hendrikaplein. We zitten ongeveer op de plek waar eertijds cine Rex was. We herinneren ons die zaal. (Ik herinner me daar La classe operaia va in paradiso.) Hugo heeft ooit aan de achterkant van dat gebouw gewoond, ook daaraan heb ik vage herinneringen. Nu woont hij met Ingrid Van Middelem in Gentbrugge. Kinderen, kleinkinderen, pensioen.
Lager middelbaar volgde hij in Gistel. Hugo Vandenbussche kwam pas halverwege de moderne humaniora in Oostende aan. Traject Gistel - Oostende deed hij dagelijks al fietsend, ‘s winters was er de bus. In 't college van Oostende verwierf hij gauw een sleutelpositie: Mijn beste herinneringen heb ik aan het winkeltje van studiemeester Pulle, waar we een echt verdienmodel konden opzetten. Eric Laga en ik mochten de studiezaal verlaten om te tellen, voorraad te checken, bestellingen te maken. Wat we intussen ook deden was een sigaretje roken en onze winst, en ook die van studiemeester Louis ‘Pulle’ Duhem, berekenen.’
Hugo kwam bij ons in de wiskundeklas terecht. Dat viel tegen. ‘Met wiskundeleraar Roger ‘Plong’ Ramon is mijn wiskundekennis niet echt meer toegenomen. Die mens deed echt geen enkele inspanning om zijn lessen voor te bereiden. Er waren nog zo’n vakken waarvoor we geen leraars pur sang hadden.’ Goede herinneringen heeft hij wel aan turnleraar Piet Bultiauw, tekenleraar Jan ‘Pietje potlood’ De Groot en fysicaleraar André ‘Spakke’ Vandekerckhove. Van zijn klasgenoten herinnert hij zich vooral Jef Passchyn die hem terzijde stond in de wiskunde, daar waar Plong hem eerder in de weg stond. 
Die collegejaren eindigen in juni 1968. Daarna volgt Hugo studies verpleegkunde, eerst in Oostende, daarna in Brugge. Volgt een beroepsloopbaan die ik ronduit carrière mag noemen. En ook wel een voorbeeld van levenslang leren. Hij wordt gedragstherapeut, werkt in de verslavingszorg, leidt groepstherapieën, wordt coach in kinderdagcentra, leidt mensen op in mediatie en sociale vaardigheden, wordt in Gent aan de univ lector in het centrum voor huisartsgeneeskunde en rondt die carrière af als algemeen directeur van woonzorgcentrum Leiehome. Ik stap er een beetje met zevenmijlslaarzen overheen, maar wie op LinkedIn terecht kan, ziet daar het indrukwekkende geheel.
Als voorzitter van de Gentse tak van de Vlaamse wijngilde is er ook een druk sociaal leven geweest. Hij heeft wijngroepsreizen geleid en het clubblad geredigeerd. 
Wanneer we elkaar in Gent ontmoeten is hij pas terug uit de Vercors waar hij ging stappen: ‘Wandelen is echt mijn ding.’ Hij spreek van wandeldagen met afstanden van dertig, vijfendertig kilometer. Hij spreekt ook over duizeligmakende hoogtemeters; dingen die ik mezelf niet meer zie doen, gesteld dat ik ze ooit gedaan zou hebben.
Flor Vandekerckhove

Nadat het leven me van stad naar stad had gebracht, van werk naar werk en van vrouw naar vrouw, streek ik in Bredene neer, waar ik ook mijn jeugd had doorgebracht. Daar startte ik een schrijfproject dat onderzocht hoe het anderen vergaan was. Ik delfde sporen van schoolmakkers op, jongens waarmee ik tijdens m’n tienerjaren de schoolbanken in een Oostends college deelde. Dit gesprek met Hugo Vandenbussche maakt er deel van uit. Eerder postte ik al soortgelijke stukken met Wilfried LaforceJean-Pierre Casier, Freddy BuffelDaniël GunstRoger PasschynJozef Passchyn en Paul Joye.
Had het iets te betekenen, het leven van die babyboomers in de sixties? Ik schreef er een boekje over, Tienerklanken, zo genoemd naar een TV-programma dat in die tijd voor ons gemaakt werd. Tienerklanken is een e-boek (117 pagina’s in pdf of epub naar keuze), uitgegeven door De Lachende Visch en gratis verspreid door De Weggeefwinkel. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be en het boekje valt vandaag nog in je mailbox. GRATIS! (Vermeld: ‘Tienerklanken’ en zeg epub of pdf.)

donderdag 25 juni 2026

Busstop waar geen bus stopt

‘Niemand ziet de bussen ooit langsrijden, 
behalve als hij zelf op een bus staat te wachten,
of als hij iemand bij een bus gaat ophalen.’
Georges Perec


Busstop — VIA ’T RAAM van mijn woning kijk ik uit op de busstop waar de bus nooit stopt. Nooit wacht iemand er op de bus die nooit komt. Nooit stapt iemand van de bus die daar nooit stopt. Toch kijk ik elke ochtend, bij ’t opentrekken van de draperieën, of er niet iemand staat te wachten op de bus die daar nooit stopt of omgekeerd, of iemand van de bus stapt die er nooit stopt. ’s Avonds doe ik ’t weer, bij ’t sluiten van de draperieën, kijken of iemand instapt op of afstapt van de bus die er nooit stopt. (Flor Vandekerckhove

De tekstkroes is als een beker waarin ik al mijn creativiteit gooi. Daar mengt mijn imaginatie zich met die van u, lezer, hopend dat er zodoende goud van komt. De tekstkroes is een e-boek, 337 pagina’s, in 2026 uitgegeven door De Lachende Visch. De distributie gebeurt via De Weggeefwinkel. Het e-boek is gratis voor wie erom vraagt. Vermeld ‘Tekstkroes’ en zeg of u pdf dan wel epub verkiest. Doe het via liefkemores@telenet.be en het boek valt vandaag nog in uw e-box.

woensdag 24 juni 2026

Scheepsberichten

Een imaginaire ontmoeting in Oostende. De Amerikaanse schrijfster Edna Annie Proulx heeft het over de teloorgang van de visserij in Newfoundland. Zeer herkenbaar voor Oostendenaars. Inzet: het huis op de hoek van de Baelskaai, waar ik woonde toen ik Proulx’ The Shipping News (1993) aan ’t lezen was.

DE TELOORGANG VAN de visserij was evengoed zichtbaar in Oostende als in Newfoundland waar Annie Proulx (°1935) haar roman The Shipping News (1993) situeert. Terwijl ik dat boek in 1995 aan ’t lezen was, beleefde ik een indrukwekkende déjà vu: ‘En de visserij zakte in, de visserij zakte totaal in, veertig jaar opgegaan in rook, omdat die klootzakken in de Canadese regering elk land ter wereld visrechten gaven, terwijl ze ons met hun regels uit de markt drukten. Die gore buitenlandse treilers. Daar is alle vis in verdwenen.’ Het was een manier van redeneren die ik ook op de Baelskaai hoorde, maar hier waren de klootzakken deze van de Europese Unie en waren het Hollanders die de zee leegvisten. Herkenbaar was ook de kritiek op de maatregelen die genomen werden: ‘Jezus! Denk je dat je alles gehad hebt, krijg je dit! Die toewijzing van visquota alsof het rijen aardappels zijn die je kunt opgraven. Als er geen vis is, valt er ook niets toe te wijzen en niets te vangen; als je niets vangt is er ook niets te verwerken of te verschepen, en dan is er voor niemand nog een droge boterham te verdienen. Geen hond die hun achterlijke regels nog begrijpt.’ (Flor Vandekerckhove)

Edna Annie Proulx. Scheepsberichten. Vertaling Regina Willemse. 1998. Uitgeverij De Geus. 399 p. Oorspronkelijk verschenen als The Shipping News (1993). Er werd ook een film (2001) van gemaakt met Kevin Spacey, Lulianne Moore, Judi Dench en Cate Blanchet.

dinsdag 23 juni 2026

In het huis der surrealisten

Basis van deze illustratie is Les Phases de la lune (II) van Paul Delvaux (1897 - 1994). In het deurgat staat De Laatste Vuurtorenwachter. Hij houdt de narrenstok ter hand, symbool van zijn schrijverschap. In deze imaginaire ontmoeting komt hij binnen in het huis der surrealisten. Daaruit neemt hij mee wat hem bruikbaar lijkt.

DAT SURREALISTEN EN magisch-realisten dicht bij elkaar wonen, zie ik op de cover van een essay waarin Hubert Lampo (1920 - 2006) zijn magisch-realisme duidt. Op die kaft staat een detail van Paul Delvaux' Les Phases de la lune (II). Het schilderij is een bad in het onderbewuste, uitgedrukt in een droomlandschap. Puur surrealisme als je ’t mij vraagt. Nochtans verwerpt magisch-realist Lampo dat surrealisme, net als Delvaux trouwens, die zijn werk liever poëtisch-realisme noemt. Zelf heb ik geen behoefte aan die theorieën, ik kom zomaar binnen in het huis van surrealisten, magisch-realisten en poëtisch-realisten en neem onbeschaamd mee wat mij bruikbaar lijkt.

Er zijn in Vlaanderen wel volbloed surrealisten geweest: Marcel Mariën, Gust Gils… Zichtbaarder aanwezig te onzent was evenwel het magisch-realisme, met Johan Daisne (1912-1978)
 en Hubert Lampo als vaandeldragers. Van die twee haal ik een essay in huis, me afvragend waarom ze zich niet gewoon als surrealist laten kennen. (°) Intussen weet ik het wel. Ze verwerpen een letterkundige praktijk van de pure droom. Er moet in het schrijven, vinden ze, een stevige realistische pool present tekenen. Waar het surrealisme de rede uitschakelt, zoekt het magisch-realisme naar syntheses van droom en werkelijkheid. De werkelijkheid heeft, zeggen magisch-realisten, een onwerkelijke dimensie als surplus.

Zelf volg ik daarin geen theorie. ’t Is dat ik er gewoon van hou een onrealistisch element in realistische verhalen binnen te smokkelen. Meer dan een toets hoeft niet, ’t is algauw té! Streef ik een milde vorm van surrealisme na, surrealisme-light? Realisme-plus? Mijn onwerkelijke toets bestaat bijvoorbeeld uit een imaginaire ontmoeting die het verhaal mee bepaalt, zoals dat gaat in Wandelen in een mild surrealisme. Of in dat verhaal van die schrijver die, uiteraard met zijn woorden, over de Oostendse Baelskaai schrijft. In Naar ’t ongewisse zie je hem met die woorden ook over die kaai schrijden. Schrijven, schrijden.

[Vormelijk is deze post een meervoudige drabble, ’t is een drieling, drie keer honderd woorden.]

° Johan Daisne. Wat is magisch-realisme. Een kort essay over letterkunde en magie. A’dam & Brssl. Vierde druk 1973 Paris - Manteau. 57 p. Gevolgd door talrijke bladzijden met foto’s. De eerste druk dateert van 1958.
° Hubert Lampo. De wortels der verbeelding. Over het magisch-realisme. 112 p. Uitg. Meulenhoff A’dam / Manteau A’pen. 1993.

maandag 22 juni 2026

René Magritte, portret van de kunstenaar als toerist

René en Georgette Magritte in de eetzaal van hotel Helvetia Bredene, hoek Duinen- en Kapel(le)straat. Deze post maakt deel uit van een reeks Imaginaire ontmoetingen. (De foto van het hotelrestaurant is echt, de foto van René en Georgette Magritte eveneens. De imaginaire ontmoeting van koppel en hotel roep ik zelf op, met behulp van artificiële intelligentie.)

OP VAKANTIE IN Bredene laten Georgette en René Magritte de hond uit, LouLou. In een etalage zien ze mannequins staan, in doowop, een kledingstijl die hen ontroert, net zoals het koppel ontroerd wordt door The Penguins, The Orioles en The Five SatinsTerug op hun kamer, in Hotel Helvetia, hangen ze Do Not Disturb aan de deurklink. Samen dansen ze de nacht in. Georgette zingt van shoo-wap-dee-wap-wap en René antwoordt met dun dun dun dun dun. Heel dit wonderbaarlijke gebeuren geschiedt alleenlijk doordat Paul Simon het zo wondermooi bezingt in René And Georgette Magritte With Their Dog After The War. (Flor Vandekerckhove)  

Dit is een titelloos verhaal. In 2022 publiceerde uitgeverij De Lachende Visch honderd verhalen die telkens maar een alinea lang zijn en geen titel hebben. De bundel wordt ingeleid door Flors oud-leraar Nederlands, Alfons Vandenbussche. Zoals alle e-boeken van uitgeverij De Lachende Visch is ook Honderd titelloze verhalen gratis voor elkeen die erom vraagt. Doe het nu en het boek valt vandaag nog in je mailbox. Doe het meteen (en vermeld de titel: Honderd titelloze verhalen) via liefkemores@telenet.be↗︎ 

zondag 21 juni 2026

Dit verhaal heeft geen titel


HIJ WOONT ALLEEN en verlaat zijn huis alleen wanneer dat nodig is. Wanneer hij iemand om moet leggen bijvoorbeeld. Na afloop keert hij onmiddellijk weer naar huis. Hij gaat bij niemand op bezoek en gaat naar geen enkel evenement. Hij is een heremiet. Heeft hij dan geen vrienden? Eigenlijk niet, neen, en als hij die zou hebben, zoekt hij hen niet op. Is hij een misantroop? Geenszins. Hij houdt van de mensheid in het algemeen en van mensen in ’t bijzonder. Alleen is dat nog geen reden om hen op te zoeken. Behalve als hij iemand koud moet maken natuurlijk. (Flor Vandekerckhove

Dit is een titelloos verhaal. In 2022 publiceerde uitgeverij De Lachende Visch honderd dergelijke verhalen - Nooit langer dan één alinea! - in een e-boek. De bundel wordt ingeleid door Flors oud-leraar Nederlands Alfons Vandenbussche. Zoals alle e-boeken van uitgeverij De Lachende Visch is ook Honderd titelloze verhalen gratis voor elkeen die erom vraagt. Doe het nu en het boek valt vandaag nog in je mailbox. Doe het meteen (en vermeld de titel: Honderd titelloze verhalen) via liefkemores@telenet.be↗︎

zaterdag 20 juni 2026

De jacht op de witte walvis

In een reeks korte posts breng ik de nieuwe bewoners van de Oostendse Oosteroever in contact met schrijvers die aan het rijke vissersleven in hun wijk herinneren. ’t Is daarom dat ik Herman Melville in een imaginaire ontmoeting naar het Maritiem Plein breng. Ik zie dat hij kapitein Ahab meegebracht heeft. Dat belooft!

DE MOEDER VAN alle visserijverhalen is Moby Dick (1851). Het boek van Herman Melville is wel taai en enige begeleiding bij ’t lezen is geen luxe. Een verrassend goede assistent om onder 't lezen bij de hand te hebben is Genius, site die zich normaliter over songteksten buigt. Genius wijst je omzeggens blad na blad op details die je anders ontgaan en die je laten zien hoe indruk-wekkend dat boek wel is. Moby Dick is een oude historie, maar 't is tegelijk een verhaal van alle tijden. Wie het nu leest zal bij de strapatsen van kapitein Ahab wellicht ook aan Elon Musk moeten denken. 
Ik heb er lang over gedaan om het gelezen te krijgen, maar ’t was de inspanning waard, ook omdat ik er vervolgens veel over heb kunnen schrijven, zoveel zelfs dat ik daar nu niets meer moet aan toevoegen. Klik op de titels die volgen en verneem wat het boek me (ook over mezelf) geleerd heeft: Over Moby Dick (1), Over Moby Dick (2), Over Moby Dick (3), Over Moby Dick (4), De witte walvis van CLR James of klik op dit stuk dat het allemaal samenvat: Nog een keer over de witte walvis.
Flor Vandekerckhove

Herman Melville, Moby Dick. 1851. Nieuwe Nederlandse vertaling van Barber van de Pol. 2008. Uitg. Amsterdam, Atheneum – Polk & van Gennep. 604 ps. ISBN 978 90 253 6351 2 /NUR 302. In ’t Engels is het boek hier gratis online te lezen.

vrijdag 19 juni 2026

Nog eens naar de molen

In zijn kamer in Moulin d’Andé werkt Georges Perec aan La disparition. (Authentieke foto.)

’T IS NIET omdat je reist dat je een reisverhaal wilt schrijven, dat weet je zelf ook wel. Minder geweten is ’t omgekeerde: ’t is niet omdat je thuisblijft dat je geen reisverhaal wilt schrijven. Dat laatste doe ik bijvoorbeeld in De molen van Andé en de vormvereisten. Ben ik niet heen gereisd, toch schrijf ik 't reisverhaal. Ben ik er daarna nog geweest, later, nadat ik dat verhaal geschreven heb? Neen, maar kijk, nu schrijf ik er wel een tweede reisverhaal over. Weet eerst dit: De watermolen ligt op de Seine. Dat geeft al een idee. ’t Is Frankrijk.

De Seine heb ik in 2015 via de Pont de Normandie getraverseerd en dat is nogal iets. Aan deze kant is ’t Le Havre en aan gene kant Honfleur. Over beide heb ik reisverhalen staan en ja, ik ben daar wel degelijk geweest. Waar ik niet geweest ben is Andé. Ik had het kunnen doen, het ligt daar landinwaarts, minder dan twee uur ver. Dat ik het niet gedaan heb, komt doordat ik van ’t bestaan niet afwist. Dat kwam ik pas onlangs op ’t spoor in een boek dat ’t oeuvre van Georges Perec wil uitleggen. (°) Goed boek trouwens.     

’t Is in ‘Les pages’, een kamer op de eerste verdieping van de molen, dat Georges Perec verblijft. Nadat hij in 1965 de Prix Renaudot voor Les Choses wint, ontvlucht hij Parijs en brengt drie jaar door in Andé, om er aan La Disparition te werken, boek waarin de klinker e opvallend afwezig is. Perec wordt er prominent mee in Oulipo. ’t Is ook meer dan een kunstje. Deze e's staan ​​voor eux, Perecs ‘verdwenen’ ouders. Vader sterft in 1940 in de oorlog en moeder wordt in 1943 naar Auschwitz gedeporteerd. Ze zijn de grote afwezigen in Georges Perecs leven.

’t Is ook voor zo’n exploten dat eigenaresse Suzanne Lipinska (1928 - 2022) de molen spreekwoordelijk draaiend houdt. Een mens staat versteld van de lijst van beroemdheden die tijd in de molen doorbrengen, om er te schrijven, muziek te maken of aan filmscenario's te werken. Wat niet betekent dat jij er niet gewoon kunt verblijven ‘voor een romantisch uitje, een weekendje weg met familie of vrienden, of een cultureel verblijf in een van onze 35 traditionele Normandische kamers, gelegen aan de Seine en op de heuvel.’ Reserveren kan via booking.com of als je ’t liever rechtstreeks doet via deze link.
Flor Vandekerckhove

[Dit heel korte reisverhaal over de molen van Andé is een meervoudige drabble, ’t is een vierling, vier keer honderd woorden.]

(°) Manet de Montfrans. Georges Perec, een gebruiksaanwijzing. 2019. De Arbeiderspers. 224 p.

donderdag 18 juni 2026

Over de reputatie van IJslandvissers

De verlaten terreinen van de Oostendse scheepswerf Béliard-Crighton (1877-1994). Johnny Verplancke maakte de achtergrondfoto in 2012. Veel van de Oostendse trawlers die de visserij op IJsland bedreven, werden daar gemaakt. — We zien Redmond O’Hanlon en De Laatste Vuurtorenwachter tijdens een imaginaire ontmoeting. (Illustratie tot stand gekomen met behulp van artificiële intelligentie.)


VEEL VISSERS VAN de inmiddels verdwenen IJslandvisserij hadden de reputatie liederlijk te zijn. Telkens ze, na achttien dagen zee, weer in het Oostendse Visserijdok aanmeerden, werd dat uitbundig, zelfs overmatig gevierd. Niemand kon er zo plastisch over vertellen als Robert - Soepe - Rousselle, hun taxichauffeur. 
In Storm (°) vertelt de Brit Redmond O’Hanlon (°1947) waar dat gedrag vandaar komt. Hij vertelt over een visserij die vertrekt vanaf de Orkneys. De schrijver is mee aan boord.
De slaaptijd wordt verdeeld over losse periodes van een uurtje, hooguit. Tussen de trekken door, wanneer het net is uitgezet, moet je je kans schoon zien. Maar pas nadat je klaar bent met het strippen, en sorteren en pakken en stouwen van de vangst van de vorige trek.’
De gevolgen zijn ernaar ‘Je zult het zien. Ze draaien door. Wanneer ze aan de wal komen. Dan worden ze gewelddadig.’ (…) ’Dat gebeurt altijd. Je zult het zien. Je weet niet meer wie je bent. Je drinkt. Je maakt amok.’
‘Na zo’n vijf à zes dagen en nachten van hooguit een halve slaapcyclus per keer, maximaal drie kwartier per twaalf uur, beland je in de manische fase van tekort aan slaap. En de jongens gaan daar telkens wanneer ze op zee zitten weer doorheen! Het is een of andere chemische reactie in onze hersenen, Redmond. Geen slaap. Dan proberen de hersenen orde op zaken te stellen om het te overleven, herinneringen te sorteren, alles voor te bereiden om in actie te komen door te práten in plaats van te dromen. Je vertelt mensen dingen die je niet zou moeten vertellen, je onderbewustzijn is voor andere mensen zichtbaar (…)’.zij laten de mentale pijn van dit alles alleen merken door stomdronken te worden zodra ze de wal op gaan. En uiteraard is er niemand, niemand aan de wal die hen begrijpt of vergeeft. En dan hebben ze minstens zesendertig uur slaap van het hoogste niveau nodig – maar hun vrouwen hebben zich al helemaal in de stress gewerkt, omdat ze zich verwaarloosd voelen, omdat ze twee of drie weken zonder man hebben gezeten, en helemaal aan hun lot zijn overgelaten en in hun eentje op de kinderen hebben moeten letten, zonder dat ze een dag vrij hebben gehad, en hun man heeft zich op zee vermaakt, en daarom vertellen ze hem over alle problemen die hij heeft veroorzaakt doordat hij weg is geweest en dan staan ze er verdomme op samen te gaan winkelen… En daarom wordt de trawler weleens, heel af en toe, gewelddadig. En dan belt iedereen de politie.
(°) Redmond O’Hanlon. Storm. 350 pagina’s. Pandora. 2003. Meer over dat boek staat hier

woensdag 17 juni 2026

De molen van Andé en de vormvereisten

In deze imaginaire ontmoeting wandelt Georges Perec (°1936 - 1982†) nabij de Moulin d’Andé langs de Seine. Zijn kamer in het molenhuis is met rood omcirkeld.

TANIA WANDELT, IK schrijf, zo gaat dat al lang. Ik zet haar af waar ze vertrekt en haal d’r op waar de wandeling ophoudt. Intussen zoek ik een plek om (over) te schrijven. De dingen veranderen ook wel. Nu trekt Tania diepe binnenlanden in. Ik kom terecht in dorpen waar nauwelijks iemand woont. Geen schilder plant er zijn ezel, geen beroemdheid brengt er de oude dag door, de plek laat in de literatuur geen sporen na, dit is waarlijk de France profonde, met mijns inziens inspiratieloze oorden. Ik maak van de nood een deugd en ga voor vorm boven inhoud. 

Wellicht merkt u het niet eens, maar het stukje dat hierboven staat, telt exact honderd woorden, ’t is een drabble. Ook dit vervolg telt honderd woorden en de stukjes die hieronder volgen, voldoen op hun beurt aan de regel: honderd woorden. De klemtoon verlegt zich hierdoor, dat begrijpt u, van inhoud naar vorm. Iets wat me ongetwijfeld onledig zal houden, telkens ik het einde van Tania’s wandeling afwacht en weer eens constateer dat er in de buurt niets is wat me kan inspireren. Dat laatste geldt dan weer niet voor de molen van Andé, plek waar ik me nu bevind.

In de molen van Andé werkt Georges Perec aan zijn proeve van bekwaamheid voor de Oulipo. Hij fixeert de letter e op zijn schrijfmachine met een plakbandje en schrijft tussen december 1967 en september 1968 La Disparition (1969), een roman van 319 pagina’s die berust op het letterprocédé van het lipogram. Het ontbreken van die e wordt de motor van de handeling, meer dan de drabble motor van deze post wordt. Wat ik met deze opeenvolging van drabbles nastreef is kattenpis in vergelijking met wat Perec bereikt. Uiteraard, uiteraard, maar ik ben Perec niet, een mens moet zijn plaats kennen.

Nog iets. M’n reisverhalen worden voortaan surrealisme-light, waardoor ze, zelfs als er over de plek waar ik vertoef nauwelijks iets te melden valt, inhoud krijgen. Daarin word ik geholpen door imaginaire ontmoetingen die ik sinds kort aan mijn weblog toevoeg. Zo ontmoet ik nu — surrealisme-light! — Georges Perec in de Moulin d’Andé, terwijl ik daar in levende lijve nooit geweest ben. Het had nochtans gekund. Toen ik Tania destijds in Le Havre opwachtte, had ik erheen kunnen trekken, Andé is 1.15 uur rijden van Le Havre. Dat ik het toen niet gedaan heb, maak ik nu goed met deze imaginaire ontmoeting.
Flor Vandekerckhove


[Dit extreem korte reisverhaal over Andé is een meervoudige drabble, een vierling.]