donderdag 22 oktober 2026

Mijn bijdrage tot het debat over het scholierenprotest

Links: Marc Celis leidt op 13 oktober 2019 een concert met Sint Rikierskoor en barokensemble Les Îles Flottantes. Rechts: flik met schild leidt op 17 oktober 2026 verkeer in de war (eigen foto).

ERG GOED KEN ik Oostendenaar Marc Celis niet, maar ik ken hem wel een beetje. In 2012 werden we samen geïnterviewd naar aanleiding van een creatie waarvoor hij muziek schreef en ik de tekst. Sindsdien volg ik zijn FB-pagina. Daar zie ik nu dat hij aan het geklaag deelneemt over winkeldieven & casseurs die militante scholierenbetogingen vervoegen. ‘Klagers zijn er genoeg’, reageer ik op zijn post, ‘maak er liever muziek van.’ Daarna valt het me te binnen dat ik beter voor eigen deur zou vegen. Heb ik dan al een verhaal over dat scholierenprotest geschreven? Als ik de componist aanmaan om er muziek van te maken, moet ik dan niet eerst mijn eigen ding doen?
En dat terwijl ik zaterdag in Cherbourg zelf getuige van de gebeurtenissen was. Daar stonden Tania en ik toe te kijken hoe een flik-met-schild aan deze kant van de brug het verkeer in de war stuurde. Hij wilde niet met ons op de selfie, maar we konden in ’t geniep een foto van hem maken. Over de brug stappend verwachtten we het ergste. Stond het stadhuis al in de fik? Werden er sneakerwinkels geplunderd? Liepen we recht in de armen van het black bloc? Niets van dat alles. Wat we aan gene zijde van die brug zagen, waren vijftien demonstrerende jonge tieners die auto’s alleen lieten passeren als de chauffeurs ten teken van solidariteit claxonneerden. Veel lawaai, dat wel, maar toch vooral hartverwarmend voor een oude trotskist als ik. 
Zo'n verhaal verschilt van al dat FB-geklaag, zoiets lees je evenmin in kranten die er hun verkoop mee moeten opdrijven. Het is gewoon wat ik zelf kon zien, het is mijn verhaal. Ja, een mens doet wat hij kan. Maar goed, voor wie zich door die eenvoud politiek tekort gedaan voelt, heb ik ook wel iets, ge moet zelf maar eens kijken.
Nu voel ik aan mijn water dat ik nog iets moet zeggen over de plunderaars waarover Marc Celis zich zo opwindt. In 2019 ging ik naar Joker kijken. Ik schreef daar een recensie over voor Snapshots, Tijdschrift van de Vlaamse filmpers: Hoe een superschurk de waarheid spreekt. De sociaal assistente die Joker Arthur Fleck in die film begeleidt, zegt: ‘They cut our funding. (…) They don't give a shit about people like you, Arthur.’ En daar voegt ze meteen aan toe: ‘And they don't give a shit about people like me either.’ Ik herinner me nog een toepasselijk stukje tekst. Zegt de Joker tot een TV-presentator: ‘They think that we'll just sit there and take it, like good little boys! That we won't werewolf and go wild!’ En kijk.
Flor Vandekerckhove⇲

woensdag 21 oktober 2026

Op reis, in de voetsporen van Georges Simenon

Links Georges Simenon bij de bouw van zijn jacht. Rechts: op de achtergrond, nauwelijks te zien, de vuurtoren van Ouistreham. Naast mij een bronzen Aristide Briand.

IN OUISTREHAM LOOP ik in de voetsporen van Georges Simenon. De Belg toeft daar in de tweede helft van augustus 1931 en enkele dagen later nog eens in september/oktober. Ik fotografeer de vuurtoren die ook hij gefotografeerd heeft. Ik kan u Simenons foto zelfs tonen, maar diens zoon, John, eist iets te graag zijn copyright op, dus fotografeer ik die vuurtoren zelf. Mijn eigen vuurtorenfoto trekt op niet veel, maar heeft als plus dat er ook een nobelprijswinnaar op te zien is. Ge moet zelf maar eens kijken waarmee Aristide Briand zijn sporen verdiend heeft. 
Simenon kent de streek goed. In 1929 laat hij er l'Ostrogoth bouwen, zeilboot waarmee hij in de herfst van 1931 in Ouistreham afmeert. Lang is hij met die boot toch niet in de weer geweest, het jacht wordt op 3 november alweer verkocht. Wat bij mij een gezegde oproept: de eigenaar van een boot kent twee keer de gelukkigste dag van zijn leven, de dag dat hij de boot verwerft en de dag dat hij de boot verkoopt.
’t Is niet dat Simenon de zee moe was. Dit is wat ene Michel Carly daarover zegt in Une oeuvre tres salée: ‘De zee zat hem in het bloed en nu zou hij haar onder ogen zien. Dit zou een reeks personages inspireren: zeelieden, avonturiers, navigators. Simenon was een man van het Noorden, met Vlaamse wortels. Hij voelde zich aangetrokken tot havens, wadden en stormen. Deze aantrekkingskracht zou hij doorgeven aan Maigret. (...) Hij was een avonturier, altijd in beweging; hij was niet zomaar een weekendzeiler. Hij charterde een driemastschip en stak de hele Middellandse Zee over, in de traditie van Odysseus' reis.’ 
In Ouistreham creëert Simenon de setting voor Le Port des Brumes (1932), een Maigret-verhaal. Het boek zelf, in ’t Nederlands vertaald als Maigret in de mist, schrijft hij daar niet, dat doet hij in februari 1932 aan de Franse Rivièra. 
Misschien is dat wel iets voor een lange winteravond: Maigret in de mist lezen, met mijn voeten op de poef en een dekentje over de benen, en me dan Ouistreham herinneren zoals ik het in de herfst heb leren kennen. Ge ziet, ik ben al in stemming. Of de film bekijken, dat kan ook, die staat op YouTube. (°)
Flor Vandekerckhove⇲

(°) Georges Simenon. Maigret in de mist. 1980. Uitgeverij Bruna & Zn. 192 p. Er wordt ook twee keer een televisiefilm van het verhaal gemaakt. Die van 1996 is hier te zien. Simenon doet nog meer in Ouistreham, hij schrijft er La Danseuse du Gai-Moulin en La Guinguette à deux sous.

dinsdag 20 oktober 2026

Flanagan’s Oostende: ’Een tijdperk van plezier is ten einde.’


EERST DENK IK dat het over Flanagan’s zal gaan, Irish pub in de Oostendse Langestraat. Ooit heb ik daar een bezem geleend om de confetti voor de deur bijeen te vegen. Dat wil ik nu overdoen in een verhaal. Daarna herinner ik me dat het verhaal al bestaat. Flanagan’s was daarin een schelpenwinkel, Langestraat werd Vlaanderenstraat, date werd trouwpartij, tandprothese werd trouwring, alles werd anders, maar ’t verhaal was hetzelfde. Transpositie!, zoals dat hoort in de schone letteren. Ik herlees het oude verhaal en zie dat ik het niet kan verbeteren. Ook zie ik dat Flanagan’s in 2017 na brand gesloten werd. Al wat blijft zijn oude beoordelingen op Tripadvisor, waarvan ik er eentje pik: ‘De vrouw en ik gaan altijd naar flanagans in de loop van de jaren, toen ik in de stad was, met name de Ierse kapitein van het hoge schip Turk toen het in Oostende was en hij was een geweldige zangeres in die nacht, maar helaas is het niet langer open nu hebben we het vorige week bezocht en bang om te zeggen dat het voor altijd gesloten is omdat de bovenste twee lagen van het gebouw door vijf werden vernietigd, dus een tijdperk van plezier is ten einde.’ Ik vermoed dat Tripadvisor-Google de beoordeling erg slordig uit het Engels vertaalt, waardoor het Nederlands van de beoordelaar een hoog poëtisch gehalte krijgt: ‘hij was een geweldige zangeres’, ‘en bang om te zeggen dat’, ‘door vijf werden vernietigd’, ‘een tijdperk van plezier is ten einde’. En ten einde is ook mijn verhaal over Flanagan’s.


Morgen op dit scherm: In Ouistreham loop ik in de voetsporen van Georges Simenon.

maandag 19 oktober 2026

John Wingate, de militair die na de oorlog kwam

3 oktober 2026, bij valavond — Op de achtergrond, de rolbasculebrug van Bénouville.


IN DE NACHT van 5 op 6 juni 1944, vlak voor de landing in Normandië, landen al zes stille zweefvliegtuigen van de Britten in de velden rond Bénouville. Aan boord bevinden zich mannen die de bruggen over de rivier Orne en het gelijknamige kanaal moeten innemen, zodat de Duits langs daar geen tegenaanval kan organiseren. Ze slagen in hun missie, waardoor Bénouville de eerst bevrijde gemeente van Frankrijk wordt. De merkwaardige rolbasculebrug over het kanaal wordt sindsdien Pegasus Bridge genoemd, naar het schouderembleem van de eenheid die de klus klaart, de mannen van het vliegend paard. Het evenement laat tot er vandaag zijn sporen na. Overal wappert nu de Union Jack. Om de hoek renoveert men het museum dat aan het feit herinnert. De Britten zijn zot van het dorp.
Wie hier ook graag toefde was auteur en marineofficier John Wingate (°1920 - 2008†). Had zijn liefde voor het dorp iets met de landing in 1944 te maken? Misschien was hij er gewoon graag, misschien had hij iets met iemand van het dorp. Feit is dat hij van 1981 tot 1985 in Bénouville kwam wonen, meer bepaald in de rue du Grand Clos, waar hij vier van zijn vijfentwintig boeken schreef. Allemaal avonturenromans, veronderstel ik, die zich in het milieu van de zeemacht afspelen. 
Omdat ik me altijd al afgevaagd heb wie dat soort boeken schrijft (en leest, dat ook) zoek ik in het dorp naar sporen van deze John. Ik vind het huis waar hij verbleven heeft, een ferme doening. Op ’t einde van de Tweede Wereldoorlog doet het dienst als hoofdkwartier van een Brits regiment. Is het daardoor dat Wingate er later komt wonen? Inspireert het dorp hem? Feit: bijna veertig jaar later zet hij er zijn valies neer. Colette Burlot is er in die tijd de gastvrouw. Had hij iets met haar? Ik zal ’t nooit weten en ’t zijn ook mijn zaken niet.


In ’t Nederlands vertaalde boeken van John Wingate: De slag om Kreta 1941 (1973); De strijd om Het Kanaal / De slag om het Kanaal; Het Fregat (1985); De Onderzeeboot (1988); Het Vliegdekschip; Tussen Malta en Tobroek. Zijn Nederlandse boeken zijn momenteel nog antiquarisch of via tweedehandssites te vinden.

zondag 4 oktober 2026

Petit Bistrot in mijn hoofd (°)


IN MIJN HOOFD heb ik een stamcafé dat Petit Bistrot heet. De waardin heet in mijn hoofd Françoise, Carine, Eddy Tange of Lily The Pink, naargelang. Ik ken haar al van in mijn tienerjaren. We hebben de stormen van het leven goed doorstaan, de waardin en ik, en nu zijn we oud. In mijn hoofd leest de waardin achter de toog alleen geschriften van Guy Debord die ze, naar eigen zeggen, persoonlijk gekend heeft en van wie ze oorspronkelijke kladjes bewaart, iets wat alleen vaste klanten weten, als ik. De Petit Bistrot is in mijn hoofd ook een coffeeshop. Dagelijks ga ik er een joint smoren, een slaapmutsje. In mijn hoofd staat in de Petit Bistrot een kolenkacheltje waaraan ik ’s winters mijn voeten warmen kan. Via een indrukwekkend buizenstelsel verwarmt het kacheltje heel de ruimte, wat ik als kind al in ’t café van Alida heb gezien. Soms heet de waardin ook Alida. In mijn hoofd wint Jean-Luc Mélenchon in Frankrijk de komende presidentsverkiezingen, want ‘t is tijd voor deze richting, in mijn hoofd. Er is ook plaats voor eender welke stroof. Er is rust om alles t’ overschouwen, ’t is prettig toeven in m'n hoofd. In mijn hoofd is alles ferm versleten, de plankenvloer, de bezem in de hoek, de wekker op het rek, de zwarte kat die alles bekijkt, de kast met zekeringen links, de draperieën rechts, de toog, de waardin, ik en ook de stoof. In mijn hoofd is alles gekleurd in sepiatinten, zoals dat hoort in iemands oude hoofd. Zolang ik daar iets kan ontwaren, blijf ik dwalen in m'n hoofd. In mijn hoofd toef ik nu al in Frankrijk, waar we straks voor enige tijd naartoe trekken, Tania om er te wandelen, ik om te kijken wat daar nu weer te beleven valt, in mijn hoofd.
Flor Vandekerckhove⇲

(°) Met dank aan Raymond van het Groenewoud aan wie ik enkele lijnen uit zijn ‘In mijn hoofd’ heb ontleend. — Langs deze weg wijs ik mijn lezers er ook op dat De Weggeefwinkel van uitgeverij De Lachende Visch voor enkele dagen gesloten blijft, wegens jaarlijkse vakantie.

zaterdag 3 oktober 2026

Oostends verhaal


DE GRIEKSE GODIN woont in een chique flat. Ze is hardhorig, voor de rest is ze oké. Bij mooi weer zit ze op de Zeedijk, waar ze flaneurs nakijkt. Als ’t regent trekt ze de stad in. In een tearoom drinkt ze koffie en kijkt naar mensen die zich door de regen haasten. Doordat Frank O'Hara zei: 'If I'm writing a poem and a cat walks under the table; then the cat goes into the poem’, komt ook Polleke in dit prozagedicht terecht. Na ’t noenmaal doet ze iets ongerijmd. Ze zet d’r zotskap op en dicht haar dagelijkse haiku. (Flor Vandekerckhove⇲) 

[Op YouTube staat een oude versie van dit prozagedicht: 

vrijdag 2 oktober 2026

Twee kunstenaars, één bekoring

Sinds Delphine Lecompte me enkele dagen geleden naar Gustave Van de Woestyne wist te lokken, heb ik me al over diens leven gebogen en ook over zijn werk. Vandaag rond ik af. Hierboven links: Gustave Van de Woestyne. De bekoring, (1925) olieverf op doek, 175 x 124 cm. (in privébezit). Rechts: Luc Martinsen. Nooit meer drinken.  Acryl op doek. (Onbekend jaartal) 40 x 30 cm. (in mijn bezit.)

STRAKS RETOURNEER IK een boek aan de bib (°), maar niet voordat ik hoekjes platstrijk die ‘k al lezend respectloos heb omgeplooid. Een eerste hoekje leidt me naar een een interview uit 1929. Zegt Gustave Van de Woestyne: ‘Ik meen dat, na ieder voltooid schilderij, de kunstenaar een nieuwe maagdelijkheid moet terugvinden. Hij moet zich naakt vóór het witte doek stellen. Iedere herinnering van het vorige werk moet uit zijn geheugen gebannen worden. Ieder werk is een herbeginnen. Indien twee werken op elkaar lijken, dan is het stiel en geen kunst. (…)’ ’t Zijn woorden waarmee ik niet onmiddellijk iets kan doen, maar ik schrijf ze toch op. 
Platstrijken doe ik ook het hoekje van een blad waarop Gustaves schilderij De bekoring te zien is. Een schildersezel zonder doek. De kunstenaar draagt een kostuum, niet iets wat hij in zijn atelier draagt. Verf en penselen ontbreken. Je leest dat schilderij als: lonkend genot gaat ten koste van de creativiteit. Hans Groenewegen ziet dat ook: ‘Het hoofd is bij de fles. De handen zijn op weg naar het glas, maar bevinden zich nog in de diagonalen van de schildersezel. Verder drinken - de kurk is eraf - of schilderen, dat is het dilemma.’
Nu haal ik een schilderijtje van de muur en plaats het voor u naast De bekoring, in een zelf gefoefelde fotocompositie. Nooit meer drinken toont ons neo-expressionisme van Luc Martinsen. 't Is pure schilderdrift, picturaal feest, heftig, brutaal. Willem Elias verwoordt dat goed. Ik weet niet in welk jaar Martinsen het schilderijtje maakt. Ik weet wel dat ik het in oktober 2012 cadeau krijg. Jo Clauwaert vereeuwigt het moment. Ook in dat schilderij lonkt de bekoring, de fles is ontkurkt, het glas is al gevuld. Kijk dat daar staan, in twee zo verschillende schilderijen, de fles, het glas.
Afsluiten doe ik met een parodie: ‘Ik meen dat, na iedere voltooide post, de blogger een nieuwe maagdelijkheid moet terugvinden. Hij moet zich naakt vóór het computerscherm stellen. Iedere herinnering van het vorige werk moet uit zijn geheugen gebannen worden. Ieder werk is een herbeginnen. Indien twee posts op elkaar lijken, dan is het stiel en geen kunst.’ Ik lees alles nog eens na. Dat zit wel goed. Van de Woestyne mag tevreden zijn.
Flor Vandekerckhove⇲

(°) Robert Hoozee en Catherine Verleysen. Gustave Van de Woestyne. Mercatorfonds. Museum voor Schone Kunsten Gent. 255 p. 
 
Wij, met zand in onze schoenen is een memoir (25 bladzijden), waarin ik terugdenk aan de weg die beeldend kunstenaar Luc Martinsen en ik afgelegd hebben, sinds onze eerste ontmoeting in 1988. Ik schreef dat boekje als een symfonie, een muziekstuk in drie delen, dat na het tweede deel onderbroken wordt door een interludium en afsluit met een coda. In de beste traditie van De Weggeefwinkel is ook Wij, met zand in onze schoenen gratis. U hoeft er alleen om te vragen. Mocht u interesse hebben, mail naar liefkemores@telenet.be⇲. (Vermeld 'Zand' en zeg 'pdf' of 'epub'.)

donderdag 1 oktober 2026

De man die 'Flowerpower' bedacht

Allen Ginsberg in Varanasi circa 1963.

Every honest man is a prophet. 
He utters his opinion 
on private and public matters. 
(William Blake)

IN 1948 LEEST de 22-jarige Allen Ginsberg de gedichten van William Blake. Zoals dat later ook het geval zal zijn bij Patti Smith, Bob Dylan, Alan Moore en Neil Gaiman, geraakt hij danig van Blake onder de indruk. Blakes gedichten bezorgen hem zelfs een mystieke ervaring. In 1966 spreekt Ginsberg erover in The Paris Review: ‘Overal waar ik keek begon ik tekenen van een levende hand op te merken, zelfs in de bakstenen, in de schikking van elke steen. Een hand had ze daar neergelegd – een hand had het hele universum voor mij geplaatst. Diezelfde hand had de hemel geplaatst. Nee, dat is overdreven... de hemel was de levende blauwe hand zelf.’
In haar biografisch boek neemt Deborah Baker die blauwe hand als leidraad om Allen Ginsbergs bezoek aan India te volgen. Daar gaat Ginsberg in 1962-63 op zoek naar een alternatieve levenswijze, ‘a blue hand’. (°) Heeft Ginsberg die blauwe hand daar ook gevonden? Op pagina 194 vraagt Ginsberg, schrijft de biografe, het zichzelf ook af: ‘Het geluid van een radio droeg over het water. Allens gedachten voeren door de afgelopen twaalf maanden, als een zeeman die tijdens een lange reis terugdenkt aan de havens die hij heeft aangedaan. Hij mat de tijd af aan de volle baardgroei en de kalende plek op zijn kruin. Zou Krishna komen en hem een ​​prachtige blauwe hand reiken, vroeg hij zich af, en zijn geest veranderen van bedachtzame logica in gedachteloze gelukzaligheid?’ Het antwoord volgt op pagina 208: ‘De blauwe hand die hij vastgreep, was niet per se die van de fluitspelende Krishna, de asgrijze Shiva of de waanzinnige en moederlijke Kali en Tara. Die blauwe hand was iets dat veel onuitsprekelijker, verfijnder en tederder was. Zittend in de trein besefte Allen dat hij uiteindelijk niet met lege handen naar Amerika zou terugkeren. Hij zou India met zich meenemen.’ Je kunt ook lezen wat Ginsberg er zelf over schrijft. In 1970 werden zijn Indian Journals gepubliceerd.
India meenemen naar Amerika, dat deed hij. Hij werd een propagandist. Niet alle oudgedienden van de Beat zagen het graag gebeuren. Eliot Katz heeft het erover in The Poetry and Politics of Allen Ginsberg. István Eörsi, fan en vertaler van Ginsbergs poëzie vond dat Allen het boeddhisme als substituut gebruikte voor het enthousiasme en de energie, eerder aangewend om een open samenleving te creëren. Daar schreef ik over in een Europese blik op Amerikaanse dichter.
In de hippiebeweging – 't was Ginsberg die de hippieterm 'flowerpower' bedacht – werd de Oosterse zoektocht naar verlichting hoe dan ook een must. The Beatles deden het in 1968 (Alleen Ringo keerde rap weer naar huis.). Mijn makkers Koen Levecke (†1974) en Marrie deden het in 1970. 
Annie Vanhee en Leon de Bliquy deden het toen ze al op leeftijd waren. De Oostendse leraar Hubert Decleer († 2021) is er zelfs blijven wonen.
(°) Deborah Baker. A Blue Hand: The Beats in India. 2008. Penguin Press. 256 p. 
Meer over Ginsbergs Indiareis staat ook hier in scroll.in. Je kunt trouwens ook lezen wat Ginsberg er zelf over schrijft. In 1970 werden zijn Indian Journals gepubliceerd.


woensdag 30 september 2026

Jopie Huisman, mijn brommer en ik

Op mijn vraag verduidelijkt AI de onduidelijke foto. Inzet: het oorspronkelijke, gehavende fotootje van 1967.

ER BESTAAT EEN fotootje waarop je me als jongeman een kunstwerk ziet maken. Het dateert van 1967, ik ben achttien. Plaats van het gebeuren: Bredene, het erf van Onze Marcel, eindigend in de Garre van Cornelis, thans Hasseltstraat. Vader houdt er kippen & konijnen, letterlijk levend vers materiaal voor ‘de kiekenwinkel’ in de Duinenstraat. 
Het kunstwerk dat JP Boentges en ik daar produceren is popart. We winnen er een plaatselijk wedstrijdje mee. Ik schrijf er meer over in Mijn eerste stappen in de kunsten. Ook het betreffende fotootje vindt een weg naar de blog, onder de inspiratieloze, maar correcte titel Popart. Over het fotootje valt dit te zeggen: ’t is fel gehavend en 't is zeer onduidelijk. De afbeelding van mijn in volle bloei verkerende tienerlichaam wordt compleet verduisterd door de achterliggende pikzwarte garageruimte.
Ik vraag aan diverse AI-machinerieën of ze dat kunnen verhelpen en stuur hen in annexe het oorspronkelijke, gehavende fotootje door. Een van die machines verrast me met dit antwoord: ‘Het beeld dat je hebt geüpload heet 'Mijn brommer en ik' (1978), een bekend en minutieus gedetailleerd meesterwerk van de Friese kunstschilder Jopie Huisman. Op het originele doek schilderde Jopie zichzelf als jonge man, zittend op een houten kistje van 'Superia' naast zijn brommer, terwijl hij werkt aan een abstract schilderij.’
Nu breekt mijn klomp! Superia is het merk van mijn bromfiets, hij staat naast me op de foto. Mijn foto dateert evenwel van 1967, Jopies schilderij is van 1978. 
Het schilderij van Huisman, zittend op een houten kistje naast zijn brommer, wil ik nu toch zien, dat begrijpt u. Aan Jopie kan ik het niet meer vragen, hij is in 2000 overleden. Ik zoek het net af, maar nergens vind ik een afbeelding van 'Mijn brommer en ik’. Inmiddels weet ik hoe dat komt. Siebren Kramer, medewerker van het Jopie Huisman Museum in Workum, Friesland schrijft me: ‘Hallo Flor, Nee, dit schilderij bestaat niet, Jopie heeft ook nooit een brommer gehad. Dit lijkt een door AI gegenereerd verhaal. Je ziet toch de gekste dingen voorbijkomen.'
Nadat het leven me van stad naar stad had gebracht, van werk naar werk en van vrouw naar vrouw, streek ik moegestreden in Bredene neer, waar ik ook mijn jeugd had doorgebracht. Daar startte ik een schrijfproject dat onderzocht hoe het anderen vergaan was. Ik delfde sporen van schoolmakkers op, jongens waarmee ik tijdens m’n tienerjaren de schoolbanken in een Oostends college deelde. 
Had het iets te betekenen, het leven van die babyboomers in de sixties? Ik schreef er een boekje over, Tienerklanken, zo genoemd naar een TV-programma dat in die tijd voor ons gemaakt werd. Dat boekje is nu beschikbaar.
Tienerklanken is een e-boek (117 pagina’s in pdf of epub naar keuze), uitgegeven door De Lachende Visch en gratis verspreid door De Weggeefwinkel. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be en het boekje valt vandaag nog in je mailbox. GRATIS! (Vermeld: ‘Tienerklanken’ en zeg epub of pdf.) 

dinsdag 29 september 2026

Met Haruki Murakami in de Folk

Vertrekkend van een aquarel die ik ooit van ’t internet haalde – nog altijd zoek ik wie de maker is –  vroeg ik ChatGPT om een impressie waarbij Haruki Murakami en ik in een imaginaire ontmoeting aan de toog hangen, in casu de toog van de legendarische Folk. AI mag indrukwekkend zijn, toch slaagt het systeem er niet goed in om de aquarel te 'lezen'. De impressie die ik ontvang is niet geslaagd, vind ik, maar benadrukt terecht het smeedijzeren uithangbord van de Chèvre Folle, dat zich in de Folk bevond. Voor de rest nog dit: zo proper is ’t daar nooit geweest.

ER IS EEN tijd geweest waarin ik citaten verzamelde in notitieboekjes. Daar kies ik er vandaag eentje uit: ‘Dertig, veertig jaar lang blijven schrijven is niet gemakkelijk. Het is heel moeilijk om je kwaliteitsniveau hoog te houden. Ik deed er alles aan om boeken te blijven schrijven en ik offerde er andere dingen voor op. Andere geneugten, zoals het nachtleven. Veel vrienden heb ik niet gemaakt, vooral niet in de literaire wereld. Ik wil die relaties en connecties niet. Ik hou niet van feestelijke etentjes.’ (Haruki Murakami)
’t Is in het nastreven van deze ene geneugte — het genoegen van het schrijven — dat we elkaar vinden, Murakami en ik. En waar we elkaar ook vinden is in deze AI-interpretatie van de Folk, de al lang niet meer bestaande, legendarische Oostendse bruine kroeg. 
Dat ik Murakami daar achter de cafétoog plaats, is minder uit de lucht gegrepen dan het lijkt. Lang voordat hij een wereldberoemde schrijver werd, was Haruki Murakami uitbater van jazzcafé Peter Cat in Tokyo. Jazz! En heette de Oostendse Folk niet Folk Blues and Jazz House?
Flor Vandekerckhove⇲

° In 2023 ging ik in dialoog met Haruki Murakami: ‘Over schrijverschap.’ Zoals al de e-boeken van uitgeverij De Lachende Visch is ook dit essay, 23 pagina’s, gratis voor wie erom vraagt. Er is een PDF-versie en het is ook beschikbaar in EPUB. Ernaar vragen doe je via liefkemores@telenet.be⇲. De meiden van De Weggeefwinkel zorgen ervoor dat het dezelfde dag nog in je mailbox valt. Vermeld ‘Over schrijverschap’ en zeg of je epub dan wel pdf verkiest.