maandag 28 september 2026

Al dat geklaag over AI op de markt der letteren

The Machine, toestel dat ik met behulp van AI ontworpen heb, onderzoekt doorlopend mijn literaire voortbrengselen op ‘AI-content’. Ook laat ik er bij het krieken van de dag mijn hoofd mee onderzoeken. De resultaten liegen er niet om: nergens is sprake van intelligentie, artificiële of andere.

CONSTERNATIE OP DE boekenmarkt. De Canadese auteur Thélyson Orélien, die in Frankrijk met zijn ‘C’était ça ou mourir’ naar het paradijs van de literaire markt – de geldpot – dacht te grijpen, wordt beschuldigd van vals spel. Hij zou zijn roman met behulp van AI geschreven hebben, ohlala. Ik lees erover in de krant (°) en denk er ’t mijne van. 
Van de krant vlieden mijn gedachten over de plas naar Kenneth Goldsmith. Schrijven met AI is bij hem een universitaire cursus: AI Creative Writing: ‘Studenten worden verplicht drie uur lang naar het scherm te staren en te interageren via chatrooms, bots, sociale media en mailinglijsten. Om onze praktijk te onderbouwen, verkennen we de lange geschiedenis van de herwaardering van verveling en tijdverspilling aan de hand van kritische teksten van denkers als Guy Debord, Mary Kelly, Erving Goffman, Betty Friedan, Raymond Williams, John Cage, Georges Perec, Michel de Certeau, Henri Lefevbre, Trin Minh-ha, Stuart Hall, Sianne Ngai, Siegfried Kracauer, e.a. Afleiding, multitasking en doelloos ronddwalen zijn verplicht.’ Kijk, dat is toch veel interessanter dan al dat geklaag over AI, geklaag dat volgt op soortgelijk geklaag over e-boeken, bloggers, sociale media, ’t internet, de computer, de typemachine, over videocassettes, de vulpen… In mijn kindertijd klaagden onderwijzers zelfs over ’t gebruik van de stylo… Al dat geklaag begon met de boekdrukkunst en 't is sindsdien niet meer uit de lucht geweest.
Bijzonder vermakelijk zijn de ‘tools’ die nu uitzoeken of teksten al dan niet met AI gemaakt werden. Zo heeft de ResearchProspect AI Detector sterke vermoedens dat Moby Dick (1851) met behulp van artificiële intelligentie geschreven werd. Dan zit je bij mij toch veiliger. Zegt diezelfde AI detector over mijn mini-assay Wat het is een schrijver te zijn: ‘De tekst bevat complexe literaire analyses, persoonlijke reflecties en verwijzingen naar specifieke auteurs en werken, wat erop wijst dat de kans groot is dat deze door een mens is geschreven. De aanwezigheid van persoonlijke anekdotes, genuanceerde interpretaties en een gemoedelijke toon suggereert dat de kans klein is (8%) dat de tekst door AI is gegenereerd.’
Flor Vandekerckhove⇲

(°) ’Schreef nieuwe ster van Franstalige literatuur zijn bestseller met AI?’ in DS, 23 september 2026.

Uitgeverij De Lachende Visch publiceerde in 2025 Vanaf de vuurtoren, bundel met vijftig korte essays van Flor Vandekerckhove die daar zelf van zegt: ‘Kort zijn ze zeker, maar zijn het ook essays?’ Zoals alle e-boeken van uitgeverij De Lachende Visch is ook Vanaf de vuurtoren (120 bladzijden) gratis voor elkeen die erom vraagt, ’t is een gift van de schrijver aan zijn lezers. Die gift is niet belangeloos, een schrijver heeft lezers nodig om het werk af te maken. Zo’n boek is als een kroes waarin ik woorden gooi, hopend dat u ze leest en dat er literair goudstof achterblijft. 
De bundel (e-boek, pdf of epub naar keuze) ligt hoe dan ook klaar in De Weggeefwinkel. Doe het meteen via liefkemores@telenet.be (vermeld de titel, zeg pdf of epub) en het boek ligt meteen in uw mailbox.

zondag 27 september 2026

't Is al schrijvend dat de schrijver onderzoekt wat het is schrijver te zijn (4)

Links: James Tate (°1943-2015†)

[Dit is het slotstuk van een serie over Wat het is om schrijver te zijn. Het eerste deel werd drie dagen geleden gepost: De leerjongen van Ernest Hemingway⇲. Het tweede deel postte ik eergisteren: Schrijven is een eenzame bezigheid⇲. Gisteren plaatste ik het derde deel, een vergelijking tussen schrijven en schilderen⇲.]

EEN INTELLECTUEEL IS iemand die nadenkt over wat het betekent een intellectueel te zijn. ’t Is schertsend bedoeld, maar het is ook waar. Net zo onderzoekt de kunstenaar, kunst makend, wat het is kunstenaar te zijn en zo onderzoekt de schrijver, schrijvend, wat het is schrijver te zijn.
Haruki Murakami en Richard Brautigan in Oostende is een verhaal, maar ’t is ook een stuk waarin ik, schrijvend, nadenk over schrijverschap, meer bepaald over de beperkingen van ’t míjne. Dat doe ik ook in Surrealisme-light op het terras van de Lafayette. Daar haal ik er de Amerikaanse dichter James Tate bij, die al dichtend onderzoekt wat het voor hem betekent dichter te zijn. Hij vindt een eigen, interessante weg in wat een recensente omschrijft als ‘A Kind of Fluidity’. (°)
James Tate vat zijn zoektocht op indrukwekkende wijze zelf samen in What It Is. ChatGPT zegt ervan dat het ‘een gedicht’ is: ‘Het gedicht is een aangrijpend, surrealistisch en confronterend stuk dat het diepe contrast onderzoekt tussen gewone, ogenschijnlijk praktische mensen en de kwellende zoektocht naar kunst. De tekst zet alledaagse activiteiten tegenover het angstaanjagende, isolerende besef van wat het betekent om dichter te zijn.’ In The Boston Review staat dan weer dat het een verhaal is: ‘Het Beckett-achtige microverhaal "What It Is" bevat misschien wel de sleutel tot al het werk van Tate: verrassing, zowel met taal als met zichzelf (…)’ 
What It Is staat in The Route as Briefed (°°). We bevinden ons in een doorsnee, ietwat surrealistisch aandoend gezin. Moeder breit pull, dochter Polly prutst aan pop, hond denkt er ’t zijne van, vader trekt zich op zolder terug om er ongestoord over zijn dichterschap na te denken: ‘Ik was bezig een taal te ontwikkelen die echt van mijzelf was; een taal die zich niet langer bekommerde om anderen, die niet langer op zoek was naar gemeenschappelijke grond. Ik was het anker aan het doorsnijden.’ Op dat moment komt de dochter hem storen en vraagt wanneer hij weer naar beneden komt. Nog probeert de dichter het isolement in stand te houden: ‘Pas als ik heel, heel oud ben. Ik moet eerst wijzer worden voordat ik naar beneden kan komen, en ik vrees dat dat nog heel lang gaat duren (…)‘ Hij voegt er nog aan toe: ‘Je zult zien dat het de moeite loont.’ De dochter heeft daar geen oren naar: ‘I think you know something already.’ Waarmee het verhaal eindigt. 
Op zolder zegt de dichter dat hij, op z’n eentje, in isolement, een eigen taal ontwikkelt, maar in de praktijk, toont ons de tekst, is het resultaat iets tussen hem en zijn dochter: ‘Als ik in zulke buien ben, hoef ik Polly niet uit te leggen wat ik wil. Ze glijdt gewoon met me mee over de bodem, papa-rog en zijn dochter, verdrietig, liefdevol, mooi – wat het ook is, ze glijdt met me mee.’ Waaruit blijkt dat literatuur door twee mensen gemaakt wordt: de mens die schrijft en de mens die leest. Schrijven is een gemeenschapsding, ondanks het isolement waarin de schrijver – in deze tekst is dat de zolder – zijn ding doet.


(°)  Marjorie Perloff. ‘A Kind of Fluidity’: James Tate’s Variations on the Prose Poem. In On James Tate. Edited by Brian Henry. 190 p. Uitg. The Universiy of Michigan Press. 2004.
(°°) James Tate. ‘What It Is’ (1995), in The Route as Briefed. 1999. In de reeks Poets on Poetry. Uitg. University of Michigan Press. 167 p.

zaterdag 26 september 2026

Schilderen en schrijven, vergelijkbaar en toch zo anders — Wat het is om schrijver te zijn (3)

Kunstschilder Gustave en dichter Karel Van de Woestyne. Ik selecteerde de twee uit een groepsportret uit 1900 van een onbekende fotograaf, waarop de broers Gustave, Maurice, Karel en Edouard Van de Woestyne samen te zien zijn.

[Dit is het derde deel van een serie over Wat het is om schrijver te zijn, een deeltje dat evengoed gaat over wat het is om schilder te zijn. Morgen volgt het slot. 
Het eerste deel werd eergisteren gepost: De leerjongen van Ernest Hemingway. Het tweede deel postte ik gisteren: Schrijven is een eenzame bezigheid.]

IN 'EEN SCHRIJVERSLEVEN' (°) zoekt Annie Dillard naar wat iemand naar zo’n schrijversleven stuwt. Ze maakt een interessant zijsprongetje naar de schilderkunst: ‘Je past je aan, zei Paul Klee, aan de inhoud van je verfdoos. Je aanpassen aan de inhoud van je verfdoos, zei hij, is belangrijker dan de natuur en natuurstudie. De schilder, met andere woorden, past zijn verf niet aan aan de wereld. En hij past zeker de wereld niet aan aan zichzelf. Hij past zich aan aan zijn verf. Het ik is het knechtje dat de verfdoos met zijn geëerde inhoud draagt. Geheel terecht noemde Klee dit inzicht “een algeheel revolutionaire nieuwe ontdekking”.’ Verder vraagt ze aan een schilder hoe hij tot het schildersvak is gekomen. Hij zegt: ‘Ik vond verf lekker ruiken.’
De verf van de schilder… Philip Roth zegt over het schrijven iets wat daar goed op lijkt: ‘Ik draai zinnen om. Dat is mijn leven. Ik schrijf een zin en dan draai ik die om. Dan kijk ik ernaar en draai ik hem weer om. Dan lunch ik. Dan kom ik terug en schrijf nog een zin. Dan drink ik thee en draai de nieuwe zin om. Dan herlees ik de twee zinnen en draai ze beide om. Dan ga ik op mijn sofa liggen en denk na. Dan sta ik op en gooi ze weg en begin opnieuw vanaf de start.' (°°)
Schilderen en schrijven zijn in die zin vergelijkbaar, tegelijk zijn ze ook heel anders. Goed schilderen leidt niet per se tot goed schrijven. Gustave van de Woestyne (°1881 - 1947†) was kunstschilder, zijn drie jaar oudere broer Karel (°1878 - 1929†) was dichter. De kunstschilder schreef een boek over de dichter. (°°) Ik klap dat boek nu dicht, maar niet voor ik twee zinnen citeer. Gustave en Karel wandelen ’s avonds langs de Leie. Ze passeren ’t huis van Valerius Desaedeleer: ‘Karel zegde: “Kom, we gaan eens binnen.” We gingen op het hof en de kalkoenen die nog buiten waren riepen ons tegemoet: koelekoelekoele en de eenden riepen: kwek kwek kwek…’ Daar had Karel ongetwijfeld langer aan gevijld, geschaafd, geknepen en gekneed.
Flor Vandekerckhove⇲

(°) Annie Dillard. 'Een schrijversleven.' 2022. Uitg. Atlas Contact. 120 p. 
(°°) Het citaat komt uit de roman The Ghost Writer (in het Nederlands De ghostwriter), gepubliceerd in 1979. Hoewel de quote vaak aan Philip Roth zelf wordt toegeschreven als reflectie op zijn eigen rigide schrijfstijl, laat hij de woorden in het boek uitspreken door personage E.I. Lonoff, een oudere, kluizenaarsachtige auteur die in de roman fungeert als de mentor van Roths vaste alter ego, Nathan Zuckerman. Met deze uitspraak omschrijft Lonoff de even hypnotiserende als frustrerende dagelijkse routine van zijn schrijversbestaan.
(°°°) Gustave Van de Woestyne. Karel en ik. Memento van Gustave Van de Woestyne. 2020 Davidsfonds en Standaard Uitgeverij. 303 p.

vrijdag 25 september 2026

’Schrijven is een eenzame bezigheid.’ — Wat het is om schrijver te zijn (2)

De Laatste Vuurtorenwachter bevindt zich op zijn zolderkamer. Achter het dakvenster ziet hij Lange Nelle onder een nooit eerder geziene hoek. Is ’t daardoor dat Annie Dillard zo parmantig bij hem komt binnenwandelen?

'In zijn kamertje peinst de schrijver diep 
over zaken die tot dan toe bij niemand zijn opgekomen. 
Hij merkt dat hij geheel nieuwe technieken 
ten dienste van zijn ambacht uitvindt.’ 
(Annie Dillard)

IN EEN HUIS, waar niemand is, arriveert een telegram. Binnen verstijven de dingen in hun vlucht. Een valies beseft dat het ter bestemming aangekomen is. We bevinden ons in een gedicht van James Tate.
Volgen drie strofen die alle op stilstand, verstening en onbeweeglijkheid wijzen: reis wordt uitgesteld, voetbrug kleeft aan de voeten, een verlaten station. Woorden die vallen zijn '
verstijven', 'bevriezen', 'versmelten', 'haperen'… Wat niet belet dat er omwille van de huiselijkheid een kitten van doen is. En zo geschiedt: een katje dringt het huis binnen en verstilt op zijn beurt met het interieur… Waarna het slotvers volgt dat Google voor me vertaalt: 
Een kind met zijn verjaardagstelescoop
heeft dit alles waargenomen. Het vertelt het aan niemand,
het gaat niemand iets aan. Maar niets wordt vergeten.
Slechts gekleed in vloeiende tussenstukken is hij onaantastbaar,
met kleine pasjes lopend naar de inwijding van het huis
dat ongetwijfeld ’t zijne is.
Het gedicht, ‘Nobody’s Business’, van James Tate, kan je hier in zijn geheel lezen, zelfs beluisteren. (°) En dit is wat Tate er zelf over zegt: ’Schrijven is een eenzame bezigheid. De schrijver die een fictie creëert, vangt flitsen op van het zelf dat die fictie schept, hij komt tot zelfbewustzijn. Wat hij schrijft mag vol leven zijn, maar wat hij over zichzelf te zien krijgt is melancholisch. In “Nobody’s Business” is het ogenschijnlijk lege huis gevuld met objecten die door de tijd zweven. Je weet niet wie de waarnemer is, maar aan het einde zien we hem als een klein kind met een verjaardagstelescoop, dat zijn toekomstig lot erkent: alleen zijn. (…) Hij beseft dat hij niet binnen de gangbare maatschappelijke orde zal leven wanneer hij door het leven vaart. Wat hij ziet suggereert (…) de erkenning van een toekomst die van de kunstenaar een buitenstaander maakt.’ (°°)
Terwijl ik dit aan ’t schrijven ben, komt de op 15 september overleden Annie Dillard in mijn deurgat staan. In ‘Een schrijversleven’ zegt zij ’t zelfde, maar in proza: ‘Het hoeft niemand te verbazen dat het leven van de schrijver – voor zover je daarvan kunt spreken – zo kleurloos is dat het in de buurt komt van zintuigelijke deprivatie. Veel schrijvers doen weinig anders dan in kleine kamertjes de echte wereld oproepen. Dat verklaart waarom zoveel boeken de jeugd van de auteur beschrijven. De jeugdjaren van de auteur zouden wel eens zijn enige authentieke ervaringen kunnen zijn. Schrijvers lezen biografieën en omringen zich met andere schrijvers, om zichzelf willens en wetens het bespottelijke idee aan te praten dat men zijn tijd in het ondermaanse redelijk besteedt door zijn leven te slijten in een kamertje met vellen papier als enige gezelschap. In zijn kametje peinst de schrijver diep over zaken die tot dan toe bij niemand zijn opgekomen. Hij merkt dat hij geheel nieuwe technieken ten dienste van zijn ambacht uitvindt.’ (°°°)
Flor Vandekerckhove⇲

[Dit is het tweede deel van een serie over Wat het is om schrijver te zijn. Morgen volgt het derde deel.  Het eerste werd gisteren gepost. Klik het aan, lees over De leerjongen van Ernest Hemingway.]

(°) James Tates gedicht Nobody’s Business staat in de bundel Constant Defender (1983), maar moet al vroeger bekend zijn, gesteld dat de info betreffend het jaar van het interview waaruit ik citeer correct is. 
(°°) Interview (1982) met Richard Jackson in James Tate. The Route as Briefed. 167 p. In de reeks Poets on Poetry. Ann Arbour. The University of Michigan Press. 1999.
(°°°) Annie Dillard. Een schrijversleven: Essays. Vertaling Henny Corver. 2022. Atlas Contact. 120 p.

donderdag 24 september 2026

De leerjongen van Ernest Hemingway – Wat het is om schrijver te zijn (1)

Links: Hemingway en Samuelson (rechts) vissend in Key West. Rechts: Hemingway pronkt met een geviste blauwe marlijn, terwijl Samuelson (helemaal links) hem bewondert.

IN 1934 TROK de 22-jarige Arnold Samuelson op pad om Ernest Hemingway te ontmoeten. Hij liftte als zwerver op een kolenwagon mee naar Key West. Vervolgens bleef hij bijna een jaar bij Hemingway en werd er diens protegé. Samuelson noteerde ’t allemaal in een manuscript dat pas na zijn dood weergevonden werd en uitgegeven. (°)
Hemingway gaf hem een indrukwekkende leeslijst en massa’s goede raad. Ik beperk me tot eentje: ‘Concurreer nooit met levende schrijvers. Je weet niet of ze goed zijn of niet. Concurreer met de overleden schrijvers waarvan je weet dat ze goed zijn. Als je hen dan kunt overtreffen, weet je dat je goed bezig bent. Je zou al het goede werk moeten hebben gelezen, zodat je weet wat er al is gedaan, want als je een verhaal hebt dat lijkt op een verhaal dat iemand anders heeft geschreven, is het jouwe niet goed, tenzij je een beter verhaal kunt schrijven. In elke kunstvorm mag je alles stelen als je het maar kunt verbeteren, maar de neiging moet altijd omhoog gaan in plaats van omlaag. En imiteer nooit iemand. Stijl is niets meer dan de onhandigheid waarmee een schrijver een feit verwoordt. Als je een eigen stijl hebt, heb je geluk, maar als je probeert te schrijven zoals iemand anders, zul je de onhandigheid van die andere schrijver hebben, evenals die van jezelf.’ (°°)
Flor Vandekerckhove⇲

(°) Arnold Samuelson. With Hemingway: A Year in Key West and Cuba. 1984. Uitg. Random House Inc. 183 p. (°°) Google vertaalde het citaat.

woensdag 23 september 2026

Over Irving en Louis Stettner, een tweeling

Irving (vooraan) en Louis, de Stettner-tweeling tijdens een imaginaire ontmoeting in Le Châtelet Oostende.

WAAROM DOE IK het? Waarom concentreert mijn schrijven zich op een obscure Amerikaanse auteur als Guillermo O’Joyce (°1941)? Hij staat niet eens in de Wikipedia, zo obscuur is hij. In zijn essays (°) blijft mijn nieuwe ooglens deze keer ook nog haken aan ene Irving Stettner (°1922 - 2004†), weer zo’n obscuur geval. Ook daar wil ik per se over schrijven. Waarom eigenlijk?
Moeizaam viste ik uit wat die Irving bij leven & welzijn schreef, dichtte en schilderde. Verrassend was het tijdschriftje dat hij uitgaf. Dat onderzoek bracht ons naar een plek ‘waar de gaspitten verstopt zitten met overgelopen erwtensoep.’
Onderweg stootte ik op nog een Stettner: Louis de fotograaf, in 2016 gestorven en… op dezelfde dag geboren als Irving. Een tweelingbroer! Fotograaf Louis Stettner is bekend. Waar Wikipedia ’t bestaan van Irving negeert, daar toont ’t internet overdadig veel foto’s van Louis. Zijn werk wordt nu beheerd door een ‘estate’, zie ik, ohlala.
Weet je wat? Ik haal de tweeling naar Oostende, de armoelijder en de welvarende. Ik lok die twee naar Le Châtelet, waar ik hen in een imaginaire ontmoeting aan de toog zet. Met AI is dat allemaal mogelijk. Mocht je je evenwel afvragen waaróm ik dat doe, hen daar plaatsen, weet dat het antwoord is: omdat ik kan. Is dat trouwens ook niet het antwoord op de openingsvraag van dit mini-essay? Waarom doe ik het? Antwoord: omdat ik kan. In Een schrijversleven (°°) zegt Annie Dillard het zo: ‘De schrijver bestudeert literatuur, niet de wereld. (…) Hij zoekt de randen op. Daar zindert het. (…).’ Tot eenzelfde antwoord komt de schilder die zichzelf bevraagt – waarom schilder ik zo'n banaal voorwerp als pakweg een koffiekan? 'Hij zoekt de randen op. Daar zindert het. (…).’
(°) ‘kiss me, I’m still alive: on irving stettner’ in O’Joyce, Guillermo. 'Miller, Bukowski and Their Enemies: Essays on Contemporary Culture.' 160 p. Pinter & Martin, 2011.
(°°) Annie Dillard. 'Een schrijversleven.' 2022. Uitg. Atlas Contact. 120 p.

dinsdag 22 september 2026

Schilderkunst, WC-papier en karnemelkpap

Drie schilderijen van Gustave Van de Woestyne. Van links naar rechts: De blinde papeter (1928); De papeter (met rode trui, 1911); Een tweede papeter uit 1911. 

OP ’T WC lees ik een brief van Delphine Lecompte aan schilder Gustave van de Woestyne. Ze vertelt hem over een postkaart die ze lang geleden toegestuurd kreeg, ‘Op de kunstkaart stond een verarmde en vereenzaamde imbeciele boer met een kom pap en een lepel pap afgebeeld.’ Waarna Delphine Gustaves schilderij uitputtend beschrijft. (°)
Dan zie ik dat de rol WC-papier opgebruikt is. Terwijl ik een nieuwe aanbreng, herinner ik me dat Arjette mij ooit geleerd heeft hoe je dat moet doen, papier op de rolhouder aanbrengen. Dat was toen nieuw in mijn familie. Mijn peepee is altijd Het Volk blijven gebruiken, dat hij in stukken scheurde en aan de haak hing. Doordat ik Arjettes lering vergeten ben, twijfel ik. Rol je ’t papier op de rolhouder naar voor af of langs achter? 
Doordat Delphine het schilderij uitvoerig beschrijft, kan ik de beeltenis googelen. Zodoende kom ik te weten dat het werk De blinde papeter (1928) heet. Pap-eter hé, niet pa-peter. 
Ook ik ben lang papeter geweest. Ik ging flessen karnemelkpap halen bij Devooght op ’t Sas. Ik voegde er altijd ietwat suiker aan toe (stevia bestond nog niet) en een toefje nootmuskaat. Die culinaire gewoonte heb ik opgegeven toen Devooght zijn winkel sloot. Nu is daar een Spar.
’t Is goed dat Delphine de zee op de achtergrond van De blinde papeter opmerkt: ‘Die zee onthutste me, waarom was die daar. Dit was toch het platteland waar de zee niet kwam?’ Misschien is die zee symbolisch, ik zeg maar iets.
De brief gaat verder op de manier die we van Delphine gewoon zijn. Tot ze een tweede papeter van Gustave ontdekt, weer een boer met pap: ‘maar frontaal deze keer, met een stuk droog brood bij zijn kin en een heidens ei naast de kom pap.’ De beschrijving stopt met: ‘Hij had een scheve neus en hij droeg een rood hemd, maar dat rode hemd, daar zou ik pas later achter komen.’ Ik lees de brief tot ’t einde, maar kom niet te weten wanneer en hoe Delphine achter dat rode hemd komt.
Hoe plaats je op correcte wijze een WC-rol op de houder? Even overweeg ik om ’t aan ChatGPT te vragen, maar dan denk ik aan al de elektriciteit die zo’n antwoord vergt en aan de massa’s water waarmee die servers daar gekoeld worden.
Flor Vandekerckhove⇲

(°) Delphine Lecompte. Beschermvrouwe van de verschoppelingen III. 2022. De bezige Bij, A'dam. 442 p.

maandag 21 september 2026

Op stap met de Vrouwengilde

Zeventig jaar geleden in zwart-wit, nu in kleur.


OP DE ACHTERKANT staat 15 mei 1957. Het is woensdag en 't is lekker warm voor de tijd van het jaar, dat laatste zie je aan de persoon die op de foto d’r overjas onder de arm neemt. En alzo waren die tijden: hond Lajka reist in november als eerste levend wezen in de ruimte; op dat moment roken Marc en ik onze eerste sigaret, althans in gedachten; de Europese Economische Gemeenschap (EEG) wordt in maart opgericht; een speelgoedbedrijf ontwerpt de eerste frisbee; de nieuwe mode ziet er zo uit. Voor de rest gebeurt ook dit: de Vrouwengilde van Bredene-Duinen gaat op reis naar de Watervallen van Coo. 
Op de foto, die ik vandaag laat inkleuren, staan Gerarda Casier (tweede van links), Leonie Depomper (derde van links, echtgenote Louis), in de deuropening Maria Maes (moeder van Jeannot en Albert Van Hille), centraal vooraan in mantelpak, de schoonzusters Alice Vandekerckhove en Henriette De Clercq (mijn moeder). Achter mijn moeder, waarschijnlijk Rachel van de viswinkel. Derde van rechts: Blanche Vanloo, tweede van rechts en nauwelijks te zien: Alice Rosseel, echtgenote van George Cornelis, en helemaal rechts: Zoë Van Lyssebettens, mijn grootmoeder. (°) Je ziet dat we nog enkele namen zoeken.
Flor Vandekerckhove⇲

(°) Met dank aan Jeannot Van Hille voor het doorsturen van de namen.

In voettochten van 20 tot 30 kilometer wandelde Tania in 2020-21 omzeggens heel Vlaanderen af. Ik zette haar af waar ze vertrok en haalde haar op waar ze aankwam. Intussen zocht ik plekjes waar ik (over) kon schrijven. Dat leverde telkens een verhaal op, een impressie, een observatie, een vignet, een enkele keer ook een gedicht. 26 van die stukjes werden in 2021 verzameld in een boekje met als ondertitel ‘Een queeste naar Vlaamse identiteit’. Jan Loones leverde het voorwoord. Ook dit e-boekje (70 pagina's, veel foto's) van uitgeverij De Lachende Visch is gratis voor wie erom vraagt. Vragen doe je via liefkemores@telenet.be. (Vermeld ‘Langs Vlaamse wegen’. Alleen beschikbaar in pdf.)


zondag 20 september 2026

Meneer Delanghe en De Raider, jongens op leeftijd

In 1993, toen ik nog vrij van rimpels was, schreef en tekende ik Het Geheim van Geewee, een stripverhaal. 

MET DIE TWEE heb ik destijds schoolbanken en kerkstoelen gedeeld. Daarna ben ik weggegaan: ‘There is only one good thing about small town / You know that you want to get out.’ Zij zijn gebleven. Toen ik in 1988, na twaalf stielen en dertien ongelukken, terugkwam, zocht ik hen weer op. In mijn stripverhaal uit 1993 – Het Geheim van Geewee — heetten ze nog De Directeur en Meester Knaken, maar nu noem ik hen De Raider en Meneer Delanghe, da’s beter vind ik.
Die twee zijn voor mij niet onbelangrijk geweest. De Raider hielp me in 1988 Het Visserijblad weer op te starten, Meneer Delanghe liet me in dat jaar Yvon Kermarrec kennen, met wie ik Vivaldi maakte. Beiden zijn daardoor mee bepalend geweest voor mijn ontluikend schrijverschap. Ik mag hen bijgevolg wel dankbaar zijn, die twee, maar dat ben ik niet. Dat komt doordat ik geen talent voor vriendschap heb. Ik zie hen zelfs nooit meer en dat komt door een vervaarlijk woekerend gebrek aan sociabiliteit waar ik in toenemende mate mee te kampen heb. Wel volg ik vanop afstand hun strapatsen. 
Beiden verrasten me niet weinig toen ze, de zeventig al voorbij, een splinternieuwe onderneming opstartten. Voor De Raider was dat in de horeca, Meneer Delanghe deed het in de kunsten. Als zeventigplussers ja. Ge voelt aan uw water dat hier iets niet klopt. Doordat ze na schoolbanken & kerkstoelen hier gebleven zijn, denken ze verkeerdelijk dat Oostende een kleine metropool is, waar hun project kans op slagen heeft. Dat is uiteraard een denkfout: Oostende is geen kleine metropool, 't is zelfs geen stad, ’t is een halve stad, dat weet iedereen, de andere helft is water. Slagen hoort niet bij Oostende. Iedereen zegt het, kijk maar naar Facebook. 
Voor zover ik dat kan zien is Meneer Delanghe er in de kunsten trouwens alweer mee opgehouden. De Raider daarentegen doet in zijn boite naarstig voort. Dat komt, zei Wolf me onlangs, doordat hij daar een jongensdroom mee realiseert. In de tijd van schoolbanken & kerkstoelen droomde hij al van het uitbaten van een klein pensionnetje, ergens, soortement Villla des Roses. Zo valt het uiteindelijk toch nog te begrijpen, vind ik.
Flor Vandekerckhove⇲

Nadat het leven me van stad naar stad had gebracht, van werk naar werk en van vrouw naar vrouw, streek ik in Bredene neer, waar ik ook mijn jeugd had doorgebracht. Daar startte ik een schrijfproject dat onderzocht hoe het anderen vergaan was. Ik delfde sporen van schoolmakkers op, jongens waarmee ik tijdens m’n tienerjaren de schoolbanken in een Oostends college deelde. 
Had het iets te betekenen, het leven van die babyboomers in de sixties? Ik schreef er een boekje over, Tienerklanken, zo genoemd naar een TV-programma dat in die tijd voor ons gemaakt werd. 
Tienerklanken is een e-boek (117 pagina’s in pdf of epub naar keuze), uitgegeven door De Lachende Visch en gratis verspreid door De Weggeefwinkel. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be en het boekje valt vandaag nog in je mailbox. GRATIS! (Vermeld: ‘Tienerklanken’ en zeg epub of pdf.)

zaterdag 19 september 2026

Déjà vu met nieuwe ooglens

's Avonds, na de oogoperatie, vraag ik me af of mijn maatschappijvisie erdoor veranderen zal.

‘Het valt te verwachten dat je woorden of namen vergeet, 
en dat gebeurt ook. 
Misschien kijk je daarbij naar het plafond. 
Mensen vinden dat niet prettig. 
Ze zeggen dan bijvoorbeeld: 
"Toe nou, je luistert niet." 
Terwijl je eigenlijk juist probeert hun namen te herinneren.’ 
(Grace Paley over 'ouder worden'.)

ZE VRAAGT ME onzeker of ik het ben: ‘Jij bent toch Flor hé?’ Ik knik en delf diep in de krochten van mijn geheugen. We kennen elkaar, da’s zeker, maar wie is ze? Ik kijk naar ’t plafond. De blik op mijn verleden lijdt evenzeer aan cataract als de ooglens die ik gisteren in deze kliniek liet vervangen. Ze lijkt op Mieke, maar die woont te ver om in Oostende nieuwe ogen af te halen. Ze ziet mijn verwarring en zegt dat ze Frieda is. Ik zwijg. Is Frieda dan niet overleden? Zoals dat ook na een oogoperatie gaat, zo reconstrueert het zicht op mijn verleden zich hier nu traag maar gestaag. Frieda is niet overleden, uiteraard niet, ze zit naast me. Zo komt er stilaan voldoende zichtbaarheid om een gesprek aan te kunnen. De laatste keer dat ik het met Frieda deed – een gesprek aangaan – was dertig jaar geleden. Ik zat toen aan ’t venster van een restaurant en in ’t passeren zag ze me zitten. Ze kwam binnen. Ik vroeg: ‘Hoe gaat het met de echtgenoot.’ Ze antwoordde: ‘Hij is een groep toeristen aan ’t gidsen.’ Om het gesprek op gang te trekken, vraag ik haar nu hetzelfde: ‘Hoe gaat het met de echtgenoot.’ Ze antwoordt: ‘Hij is een groep toeristen aan ’t gidsen.’ Mijn eerste déjà vu met de nieuwe ooglens!
Flor Vandekerckhove⇲

De tekstkroes is als een beker waarin ik al mijn creativiteit gooi. Daar mengt mijn imaginatie zich met die van u, lezer, hopend dat er zodoende goud van komt. De tekstkroes is een e-boek, 337 pagina’s, in 2026 uitgegeven door De Lachende Visch. De distributie gebeurt via De Weggeefwinkel. Het e-boek is gratis voor wie erom vraagt. Vermeld ‘Tekstkroes’ en zeg of u pdf dan wel epub verkiest. Doe het via liefkemores@telenet.be en het boek valt vandaag nog in uw e-box.