zondag 30 mei 2021

Tom Waits, Charles Bukowski en ik





Wat een trio! En nochtans: zie ons hier verenigd, Charles Bukowski, Tom Waits en ik. En ’t is de poëzie die ons bijeenbrengt, meer bepaald het gedicht The Laughing Hearth dat ik hieronder vertaal. Bukowski’s poëzie is een makkie om te vertalen — rijmschema’s, spitsvondige assonantie en andere poëtische technieken die het vertalen bemoeilijken, gaat hij uit de weg. Komt het daardoor dat ik al vijf Bukowskigedichten vertaald heb? ’t Is in elk geval daardoor dat Bukowski’s gedichten als een mokerslag aankomen. Bijvoorbeeld My Comrades, waarin hij de draak steekt met zijn collega-dichters. Van mijn vertaling (Mijn makkers) werd een podcast gemaakt, die valt hier↗︎ te beluisteren; mijn vertaling van Having The Flu With Nothing Else To Do kun je daar↗︎ nalezen (het origineel staat ernaast); Dus je wilt een schrijver zijn↗︎ hoor je me voordragen, terwijl het publiek luid dichter Bukowski toejuicht. En nadat hij er in dat gedicht alles aan gedaan heeft om je van het schrijverschap weg te houden, doet hij er in ’t volgende alles aan om je toch de stap te laten zetten, compromisloos, zoals dat bij een roeping past. Wil je me die vertaling horen voordragen, samen met Bono (!) die het origineel leest, klik dan op Werp de teerling↗︎. En nu dus The Laughing Hearth, dat Tom Waits in onderstaand filmpje voordraagt, broederlijk verenigd met mezelve die de Nederlandse vertaling voor mijn rekening neemt. (Flor Vandekerckhove)


Tom Waits en Flor Vandekerckhove in…
The Laughing Hearth
Het lachende hart

www.youtube.com/watch?v=JS4SmWh3ZFk

vrijdag 28 mei 2021

In het deurgat van ’t kasteel van Loppem



Op mijn tocht door Vlaanderen — Brugge↗︎, Bornem↗︎, Dendermonde↗︎, Aalst↗︎, Geraardsbergen↗︎, Zarlardinge↗︎, Ronse↗︎, Kluisberg↗︎, Avelgem↗︎, Moerbeke↗︎, Menen↗︎, Ieper↗︎, Poperinge↗︎, Veurne↗︎, Rupelmonde↗︎, Alt-Hoeselt↗︎, Damme↗︎ passeer ik Loppem, waar ’t kasteel niet te negeren valt. Het kasteel van Loppem↗︎: zijn doolhof, zijn feestzaal, zijn geschiedenis. Ik wil er iets over schrijven en zoals altijd zal 't vanuit een ongewone invalshoek zijn. Tijdens de voorbereiding valt me iets op, iets wat vandaag niet meer gedaan wordt: in ’t deurgat staan. Ge moet u dat proberen voor te stellen: er is geen internet, geen Playstation, geen televisie, er is niets. Dus gaan de mensen als tijdverdrijf in ’t deurgat staan. Dat is zo in onze straat en zo is ‘t blijkbaar ook in kasteelmiddens. Ik dacht, terwijl ik daar toch passeer, ga ik me fotograferen terwijl ook ik in dat deurgat sta. Wegens openingsuren valt dat tegen, ik kan er alleen van over ’t water naar wijzen. Meer geluk hebben (op foto 1) de Spaanse diplomaat Pedro Saura, de liberale politicus Paul-Emile Janson↗︎ (midden) en de socialist Edward Anseele↗︎ (rechts). Zij komen er op ’t einde van de Eerste Wereldoorlog overleggen↗︎ met koning Albert I die daar woont. De koning staat niet bij hen in ’t deurgat, dat doet hij wel op foto 4, waar hij rechts te zien is, met naast hem, in ’t wit, zijn echtgenote, de koningin, en daarnaast de Franse president Raymond Poincaré (midden). Achter Pointcaré staat de jonge Leopold (later koning Leopold III) en helemaal achteraan in ’t deurgat (pijl) staat een figuur waarin ik mijn grootvader Edmond Vandekerckhove meen te herkennen of toch iemand die daar zeer goed op gelijkt.
Flor Vandekerckhove

Prinselijk verhaal op youtube

www.youtube.com/watch?v=ECpk9gaUpNU

woensdag 26 mei 2021

‘Met het blauwe potlood volgen waar de hersenen met het aangeleverde naartoe willen.’

— Russell Edson, The Tunnel: selected poems. —


Literaire grensgebieden, ik loop er graag in rond. Is zo’n ZKV van A.L. Snijders nog wel een verhaal? (Zijn ‘t niet veelal gewoon observaties?) En zo’n grol als de drabble van Monty Python, is dat wel literatuur? Is het werk van Charles Reznikoff poëzie of is ’t proza met lijnonderbrekingen? Zo graag toef ik in die grensgebieden dat ik er mijn eigen boompje plant: het provovers, vorm die al ’t voornoemde verenigt. En als ik in dat grensgebied iemand ontmoet die me op een ‘jazzy brand of surrealism’ wijst, dan haal ik mijn stokpaardje van stal en onderneem vierklauwens een queeste naar een eigen variant die ik surrealisme light noem. 
’t Is op die queeste dat ik Russell Edson ontmoet. Zijn prozagedichten lijken verdomd goed op surrealisme. Wie het schildersambacht beheerst kan van al zijn stukjes een tableau maken dat als ’t werk van Dali oogt. Let wel: ‘lijken’ en ‘oogt’. Zelf zegt hij: 
‘Waarom zouden we surrealisten moeten zijn? Breton heeft onze verbeeldingskracht niet uitgevonden.’ En elders: ‘Een stukje moet niet alleen de logica van de taal hebben, maar ook de logica van de compositie. Automatisch schrijven begint nergens en eindigt nergens. (…) [Mijn werk] is geen écriture automatique. Het zoekt meer naar de vorm (…) Dit is anders dan het surrealisme …’. 
En toch. Dit is wat de door mij eveneens gewaardeerde dichter Donald Hall — ik vertaalde hier diens ‘Affirmation’ — over Russell Edson zegt: ‘Wat zijn schrijfwijze ook is, (hij) maakt surrealistische gedichten.’ En Lydia Davis, die me lang geleden al naar het werk van Edson geleid heeft: ‘Hij zou die verhalen gedichten noemen, maar dat zou ik niet doen. Het zijn bizarre kleine verhalen, absurd en vreemd.’ Ge ziet: wél surrealisme, géén surrealisme, wél gedichten, géén gedichten… We bevinden ons volop in mijn geliefde niemandsland. Ik haal The Tunnel (°) in huis, een keuze uit Russell Edsons werk.
Dat werk ziet eruit als proza, maar is het geenszins. In proza beleeft de protagonist een crisis die uiteindelijk in een oplossing resulteert (schema: protagonist - conflict - uitkomst.) De plot stuwt het verhaal en je gaat van minder naar meer begrip. Bij Edson is daarvan geen sprake. Ik vertaal diens In the Time of Commerce. (°°):
Tussen de man en de vrouw is een deel van de man, waarvan men dacht dat het een deel van de vrouw was, aan de man gegeven om terug te geven aan de vrouw in de tijd van hun nering.
Het raam wordt door maanlicht beschreven op de verderaf gelegen muur.
Het conflict blijft onopgelost, er is geen voortgang, geen uitkomst. Dit is geen prozaverhaal. Hetzelfde geldt voor De reden waarom de kastman nooit droevig is. (°°). Die titel suggereert dat het gebrek aan verdriet verklaard zal worden. Maar wat volgt is een reeks mislukkingen bij het begrijpen van zowel de vragen als de antwoorden. Op ’t einde staan we nog altijd even ver. Ook dit is geen prozaverhaal.
Russell legt ons zelf uit wat er aan de hand is. Proza wordt in het bewustzijn gemaakt, wat hij schrijft komt van elders, hij heeft het over zijn ‘droombrein’: ‘Poëzie is nooit comfortabel in taal’ zegt Edson, ‘omdat het onbewuste niet kan spreken.’ Hij weet vooraf niet wat hij gaat ophoesten: 
‘Ik ga zitten om te schrijven met een lege pagina en een lege geest. Ik volg met het blauwe potlood (…) waar het orgaan van de werkelijkheid [de hersenen] met het aangeleverde naartoe wil. En de poëzie opent zich plots in taal. Het is altijd een ontdekking van iets wat onbekend is en ongepland.’ En wat hij ook zegt: ‘In de eerste plaats schrijf ik om vermaakt te worden. Dat betekent verrast. (…) Voor mij is het gedicht zelf, het schrijven ervan, de ervaring (…). Om Robert Bly te citeren, of de kapitein, zoals ik hem graag noem: "In de kunst wil ik het 'onbekende' naar mij zien kijken." Ik wil dit ook, vooral in mijn eigen werk.’
Flor Vandekerckhove


[Veel van wat hierboven staat, haal ik uit (1) Mark Tursi. A interview with Russell Edson en (2) Why the Reader of Good Prose Poems is Never Sad van Sarah Manguso.]

(°) Russell Edson. 1994. The Tunnel: selected poems. Oberlin College Press, Oberlin USA. 232 pp. ISBN 978-0-932440-66-2.

(°°) ‘Twee prozagedichten van Russell Edson’ die ik hier vertaal.


Ik neem de proef op de som, 

en jawel, 

de methode van Edson Russell 

werkt wel degelijk, ook in een provovers.


avondlied

www.youtube.com/watch?v=A7l2YaxcKBA

dinsdag 25 mei 2021

Russell Edson: ’Gewoon blij dat ik schrijf’



De Amerikaanse dichter Russell Edson is een man naar mijn hart. Ik ben een mini-essay over hem aan ’t schrijven (morgen op dit scherm) waarin ik mijn enthousiasme verklaar. Ook omwille van zijn levensstijl is hij een man naar mijn hart: 'Ja, eigenlijk ben ik ietwat een kluizenaar. Omdat ik een beetje een kluizenaar ben, heb ik mezelf nooit als marginaal of mainstream beschouwd, ik ben gewoon blij dat ik schrijf. De literaire gemeenschap is in belangrijke mate een sociale club. In plaats van te socialiseren kweek ik liever paddenstoelen in de grot van mijn gedachten en communiceer met vleermuizen die in mijn gepersonaliseerde klokkentoren wonen. Helaas is poëzie nu een sociale club. Je moet niet alleen schrijven, je moet ook een sociaal wezen zijn. Het sociale deel is waarschijnlijk het belangrijkste. Wie een prettig persoon is, hoeft zelfs niet echt goed te schrijven om een ​​schrijfcarrière te hebben.’ Het hadden mijn woorden kunnen zijn.
Morgen meer.
(Flor Vandekerckhove)

zondag 23 mei 2021

Barst in de stolp

— Links: Robert Jasper Grootveld in 1964, voorloper van Provo, beweging die zijn acties aan het Lieverdje vervoegt, daarna vervoegt Grootveld Provo. Midden: Bertrand Russell, boegbeeld van het naar hem genoemde International War Crimes Tribunal. Het is ook in die tijd dat Waarom ik geen christen ben van Bertrand Russell semi-clandestien van hand naar hand gaat onder jonge katholieken. Rechts: Tariq Ali getuigt op het Russeltribunaal, still uit de film van Staffan Lamm. —


'Als ik denk aan mijn schoolgaande jeugd.'
Raymond van het Groenewoud

Mijn jeugd in Vlaanderen speelt zich af onder een stolp. Stolp is goed, hij beveiligt. Stolp is ook slecht, hij belemmert. Leven onder zo’n stolp is een variante op The Truman Show. Net als Truman groei je op onder de koepel van een soort Seahaven. Je weet van niet beter, alleen is er af en toe iets wat zegt: dit is niet echt. In de The Truman Show is dat bijvoorbeeld een studiolamp die accidenteel uit de hemel valt.
De studiolamp die destijds vlak naast mij komt te vallen, heet Russell Tribunaal (1966-67), zo genoemd naar de iconische pijprokende filosoof. Provo, dat een beetje eerder is, kan men onder die stolp nog als kwajongensstreken wegzetten, Russell daarentegen veroorzaakt een barst die groot genoeg is om mij door te laten. Ik kan ontsnappen! Daar moet ik weer aan denken terwijl ik een in memoriam over Ernie Tate (1934-2021) lees, een geestesgenoot. Die heeft een boek (°) over zijn activisme geschreven, waarin hij het ook over dat Russell tribunaal heeft. Louis Proyect zegt erover: 
Ernie verhuisde naar Londen om er te helpen een trotskistische partij op te richten. Daarin was de opbouw van de Vietnam-anti-oorlogsbeweging belangrijk en het rekruteren van activisten die door de protesten radicaliseerden. Voor Ernie Tate betekende dit: nauw samenwerken met het Russelltribunaal. Tate schetst in zijn memoires zorgvuldig portretten van Russell en diens secretaris Schoenman, de eerste als een moreel voorbeeld dat zich volledig inzet voor de bevrijding van het Vietnamese volk en de tweede als een natuurkracht die het hoofd biedt aan obstakels die het Tribunaal in de weg staan. Schoenman kreeg ook te maken met allerlei interne problemen. Moeilijke persoonlijkheden die aan het tribunaal deelnamen vlogen elkaar vaak naar de keel, waaronder Jean Paul-Sartre die altijd bereid was aan iets aanstoot te nemen, al was hij ook degene die het meest geneigd was aanstoot te geven. Isaac Deutscher was onmisbaar om daarin een matigende rol te spelen. Als een van de meest gerespecteerde marxisten ter wereld en als journalist wiens inzichten universeel werden gerespecteerd, maakte zijn ervaring met de interne strijd van de trotskistische beweging hem uitermate geschikt om geschillen binnen het tribunaal op te lossen.
Flor Vandekerckhove

(°) Ernie Tate. Revolutionary Activism in the 1950s and 60s. Resistance Books, 2014. London (2 delen).

Ik zag het legervisioen

www.youtube.com/watch?v=n1yn0z2pwyk

vrijdag 21 mei 2021

Kinderbos der doden



Van Franz Wright heb ik eerder al gedichten vertaald: Bees of Eleusis↗︎ en Home for Christmas↗︎, nog enkele korte fragmenten↗︎ uit Kinderotenwald, prozagedichten die veelal cirkelen omheen de moeilijke verhouding van Franz met zijn vader, ook een dichter nota bene. En van die vader, James Wright, vind je in de blog ook een vertaling: Lying in a Hammock at William Duffy’s Farm in Pine Island↗︎. Maar nu weer de zoon. De wereld die hij in dit prozagedicht oproept, heeft iets van doen met deze die Salvator Dali in bovenstaand schilderij aankondigt: die van Franz is er namelijk het volstrekt tegengestelde van. (Flor Vandekerckhove)

Can you say that again komt uit Kindertotenwald. Franz Wright. Prozagedichten. 109 ps. Alfred A. Knopf New York. 2013. 

woensdag 19 mei 2021

Cluytspeelder sticht verwarring in Damme

— Links Jacob van Maerlant en ik; midden de grafplaat in de toren van de kerk; rechts Tijl Uilenspiegel en ik. —


[De winter is vergangen en ik ga weer op zoek naar de Vlaamse identiteit waarover nationalisten het altijd hebben. Of ik die ook vind kunt u zelf nagaan als u de in blauw gemarkeerde plekken aanklikt, startend in Brugge↗︎ en rondtrekkend via Bornem↗︎, Dendermonde↗︎, Aalst↗︎, Geraardsbergen↗︎, Zarlardinge↗︎, Ronse↗︎, de Kluisberg↗︎, Avelgem↗︎, Menen↗︎, Ieper↗︎, Poperinge↗︎, Veurne↗︎, Rupelmonde↗︎, Alt-Hoeselt↗︎. En nu Damme.] 

Baat het niet, dan schaadt het niet. Dus laat ik me samen met Jacob van Maerlant vereeuwigen, ‘vader der Dietse dichtren algader’ en dus ook van mij. Ik vind dat we zelfs een beetje op elkaar lijken, ge moet maar eens naar de foto (links) kijken. Dat standbeeld staat in Damme, waar Jacob omstreeks 1300 begraven wordt; niet op ‘t kerkhof, gelijk gij en ik, maar ín de kerk. De oorspronkelijke grafplaat vermeldt: Uil en Spieghel, (°) da’s natuurlijk om moeilijkheden vragen. Tegen dat we vierhonderd jaar verder zijn, denkt iedereen dat Tijl Uilenspiegel daar begraven ligt. Het wordt zelfs met zoveel woorden in de grafplaat gebeiteld: ‘Ghy voorbygaender, staet, siet hier Uylenspieghel; bidt Godt voor hem, hy was een recht cluytspeelder’
Omdat cluytspeelders — dat is ook vandaag nog zo — meer volk trekken dan dichters, ontstaat een ware cultus die volgens meneer pastoor uit de hand loopt. Om ervan af te zijn, keert hij de steen om en omdat de pelgrimages ook dan nog aanhouden, verkoopt hij hem in 1829 aan een marmerwerker die daar wel weg mee weet. Enter Charles De Coster, een vrijzinnige liberaal die — alleenlijk om pastoors te kloten — in 1867 een boek schrijft, waarin hij Tijl ook nog eens in Damme geboren laat worden. De verwarring neemt toe, de onduidelijkheid vergroot, de tweespalt vermeerdert, de twistgesprekken breiden uit, de spanning stijgt, de heibel ontspoort, de trammelant rijst alsmede de bonje, de wrijving groeit aan… Er moet iets gebeuren.
Omdat de horeca het zo al moeilijk genoeg heeft, ordonneert men in Damme dat er plaats is voor zowel Jacob als Tijl en dat beiden recht op een eigen standbeeld hebben. In de kerktoren leest een nieuwe grafplaat (foto midden) overduidelijk: ‘Hier ligt Jacob van Maerlant begraven’ — waaronder te verstaan: en niemand anders — en langs de vaart houdt Tijl Uilenspiegel in een versie van beeldhouwer Jef Claerhoudt (foto rechts) iedereen de spiegel voor. En zoals ge ’t op de foto ziet: un cluytspeelder peut en cacher un autre.
Flor Vandekerckhove

(°) Waarom ‘uil’ en ‘spiegel’ in woord en/of beeld op de grafplaat voorkomen, is een vraag die anderen uiteraard al eerder gesteld hebben. Zo ook Jan Hutsebaut in Uilenspiegel in Damme (Rond de Poldertorens, 2018). Hij is zo vriendelijk me zijn werkstuk (15 pp) op te sturen. Ik leid eruit af dat de grafsteen in 1584 in dermate slechte toestand verkeert dat alle daarna volgende getuigenissen betreffende het erop voorkomen van uil en spiegel eronder lijden (nog moeilijk te lezen tekst, moeilijk te interpreteren afgesleten beeld.)

En alsof dat alles nog niet genoeg is:
John Lennon leeft!

https://www.youtube.com/watch?v=IUPHSfzUfOs

maandag 17 mei 2021

Wie Oufti zegt, denkt ouvreuse



ouvreuse

het rokje van de ouvreuse streelt mijn hand op de leuning
ik ga rechtop zitten en zie dat Tania naar haar iPhone kijkt 
zij maakt deel uit van de nieuwe eeuw
maar ik kijk in de korf van de ouvreuse
en ontwaar meteen de onnavolgbare verpakking 
van het typische cinemasnoepje 
dat ik al zo lang moet missen
Oufti  
kopen is er helaas niet bij
na de voorstelling worden we aangesproken door het meisje 
dat in de zaal vlak naast me zat
zij vond de film maar niets
als ze weg is zeg ik tegen Tania 
als ouvreuse was ze beter

Flor Vandekerckhove

— Gratis e-boek, vraag ernaar via liefkemores@telenet.be —


zaterdag 15 mei 2021

De Oostendse Osschaert

— In Hamme een kwelgeest, in Oostende een spookschip, in Adegem een café. —


‘Vroeger woonde in Oostende een man die kapitein was van de Osschaert, een roofschip. Op een dag werd de Osschaert aangevallen door een vloot van zeven Turkse schepen. De kapitein zegde snel een gebedje voor zijn eigen welzijn en sprong in zee zonder zich om zijn bemanning te bekommeren. Na zijn dood moest de kapitein als straf duizend jaar op zee ronddolen op een spookschip. Als men het spook tegenkwam, mocht men er zeker van zijn geen vis meer te vangen.’ 
De getuigenis in de Vlaamse Volksverhalenbank is interessant omdat hij waarheid en verzinsel mengt en ook omdat hij van verschillende spookverhalen een amalgaam maakt. Dat Oostende ‘roofschepen’ had, is een historisch feit, ze werden ingezet in de oorlogsvoering en kregen door middel van ‘kaapbrieven’ toelating om vijandelijke schepen te beroven. Walter Debrock komt de eer toe dat hij De Oostendse kapers↗︎ in een boek bijeengebracht heeft.
De kapitein die duizend jaar op zee moet ronddwalen is dan weer een variante op De Vliegende Hollander. De Friese kapitein Barend Fockeszoon sluit in 1678 een pact met de duivel, waardoor hij zeven jaar lang letterlijk de wind in de zeilen krijgt. In ruil moet het schip daarna eeuwig ronddolen. Heist heeft ook zo’n schip. Daar duurt de eeuwigheid maar twintig jaar: 
Toen het schip de Concordia dreigde te vergaan, sloot de kapitein een pact met de waterduivel. De kapitein verkocht zijn ziel, op voorwaarde dat hij nog twintig jaar lang zou mogen varen.Twintig jaar later liet de kapitein het schip met volle snelheid varen en hij liet de tros touwen insmeren met zeep. Toen de waterduivel verscheen, zei hij: "Je moet die tros goed vasthouden". De tros was echter zo glad, dat de duivel onmiddellijk in het water viel. Zo is de kapitein erin geslaagd zijn ziel te houden.’ 
Wat in Friesland een eeuwigheid is en in Heist twintig jaar, is In Oostende goed voor duizend. De verteller haalt Osschaert van een verhaal te lande, met name van Hamme, waar de heemkring niet toevallig Osschaert heet: 
‘Een lokale kwelgeest, Osschaert genaamd, was een afgezant van de duivel en verbleef aan het kapelleken van Twee Bruggen. Wie zich rond middernacht in deze buurt waagde, werd door Osschaert besprongen. De getergde Hammenaar moest de kwelduivel op de rug dragen tot hij aan een kruisstraat kwam, waar zijn macht omwille van de impact van het kruis verbroken werd. Daar liet hij zijn slachtoffer los en verdween als een wervelwind in de donkere nacht. Niemand heeft hem ooit gezien. De beschrijvingen zijn dan ook zeer uiteenlopend, waarbij vrees en fantasie vaak de leidraad waren. Moegetergd en uit medelijden voor de dorpsgenoten sprak de pastoor van Hamme, een heilige priester, enkele voorname liturgische gebeden uit ter afzwering van de boze geest en zijn invloed. De boosheid was belezen en Osschaert werd naar de zee verbannen voor 99 jaar.’ 
Je weet hoe ’t gaat hé: 99 in Hamme worden er in Oostende al gauw 1000.
Flor Vandekerckhove

Het tempeest

donderdag 13 mei 2021

Charles Bukowski: ‘Isolation is the gift.’

— Charles Bukowski (midden) schrijft Roll the Dice, Flor Vandekerckhove vertaalt het, Bono leest het voor. —


Ik ben gedichten van Charles Bukowski aan ’t vertalen. Eerder waren dat al So, you want to be a Writer?↗︎, my comrades↗︎ en Having The Flu And With Nothing Else To Do↗︎. Er zit nog 1 en ander in de pijplijn en vandaag vertaal ik Roll the Dice. Daar waar Bukowski in So, you want to be a writer al zijn kunnen aanwendt om je van het schrijverschap af te houden, zo daagt hij je nu uit om er ten volle voor te gaan: werp de teerling! Weet evenwel wat je te wachten staat: Isolation is the gift! Dat alleen staan een geschenk is, mag verwonderlijk lijken, maar is het niet: je zult alleen zijn met de goden / en de nachten zullen vlammen van het / vuur. Wat ook blijkt uit onderstaand filmpje waarin je Bono met veel overtuiging het gedicht hoort declameren… en ik mijn vertaling. (Flor Vandekerckhove)


Bono leest Roll the Dice op youtube
Flor Vandekerckhove leest Werp de teerling

dinsdag 11 mei 2021

Zeereisje met verregaande literaire gevolgen

De cartoon van Yvon Kermarrec verbeeldt een meerdaagse bootreis met het jacht Cpt Bestenbustel, in mei 1988. Die ging over en weer van Oostende naar Haringvreter↗︎ op het Veerse Meer. Vooraan zitten van links naar rechts: Marc Loy, Flor Vandekerckhove en Yvon Kermarrec (†). Remi Vansteene is roerganger en kok. Boven alles en iedereen torent schipper-eigenaar Daniël Crabeels. Let op de vogel die in veel van Kermarrecs cartoons voorkomt: het zeekieken.



Over de trip valt veel te vertellen. Over jachteigenaar Daniël Crabeels↗︎ bijvoorbeeld, die, ik zeg het niet graag maar 't is waar, op zee erg meevalt — schipper naast God is kennelijk zijn natuurlijke staat —, over andere jachten die aan het zeereisje deelnemen en over de bemanningen ervan, over ontmoetingen onderweg en over de invloed van die tocht op mijn schrijverschap. Dat laatste interesseert u 't minst van al, toch is ’t daarover dat ik u zal onderhouden.
’t Begint al bij ’t uitvaren. Yvon Kermarrec↗︎ die rechtstreeks van een uitgaansnacht aan boord stapt, wil eerst zijn roes uitslapen. We proberen hem te wekken, het dek dient gezwabberd. Vraag ik aan Marc Loy↗︎: ‘Is hij dood?’ Loy, die zijn klassieken kent, antwoordt: ‘Neen, hij slaapt alleen maar.’ Waarna hij op bijbelse wijze declameert: ‘Kermarrec, kom tevoorschijn!’ En kijk, na enig aarzelen komt Yvon uit de kajuit, zijn gezicht bedekt met een doek. Crabeels maakt er korte metten mee: ‘Maak de doek los en zet Yvon in de wind!’ Zeg nu zelf! Komt omzeggens heel deze passage niet letterlijk uit de Bijbel?! Die nacht, terwijl ik wachtloop, maak ik een notitie die mijn literaire toekomst bepaalt: 'Verzamel inspirerende bijbelverhalen↗︎.' Een ervan, Esau & Jacob↗︎ komt meteen na thuiskomst al in Het Visserijblad↗︎. Er volgen vele andere↗︎ (zelf vind ik Onderweg, op zoek naar verhalen↗︎ wel geslaagd, met een mooi tableau van Luc Blomme trouwens.)
Er is meer. Aan boord lees ik een verhaal dat Marcel Proust schier eindeloos weet uit te melken. Tegen de tijd dat we Zeebrugge passeren — moeilijke zeegang — ben ik het oeverloos gezwam over Swann & Odette dermate beu dat ik het boek met een forse armzwaai in zee gooi. Kermarrec vindt dat een meesterlijke daad: ‘Zo hoort de aankomende schrijver met de hem voorafgaande literatoren om te gaan: overboord ermee!’ Terwijl Marcel Proust door de Leviathan↗︎ opgeslokt wordt en Crabeels al zijn stuurmanskunst aanwendt om ons zonder averij voorbij Zeebrugge te laveren, groeit er tussen Kermarrec en mij een vriendschap die drie jaar standhoudt, wat voor mijn doen erg lang is. De vriendschap concretiseert zich in het literaire tijdschrift Vivaldi↗︎.
Tot hiertoe is roerganger Remi Vansteene buiten beeld gebleven, maar wanneer we in Haringvreter aanleggen, roept hij plotsklaps: 'To hell with facts! We need stories!’ Dat Remi Ken Kesey↗︎ kent, hadden we nooit durven te denken. Woorden die hoe dan ook tot gevolg hebben dat Yvon en ik ter plekke een Frans schrijverskoppel bedenken dat Jean-Pierre Sartre & Germaine de Beauvoir heet, met een gemeenschappelijk oeuvre, geboekstaafd als Chic et pas Cher. Hoef ik eraan toe te voegen dat heel de crew zich van ’t lachen op de dijen slaat en daar pas mee ophoudt als de vuurtoren van Oostende weer in zicht komt? Neen toch!
(Gebaseerd op waargebeurde feiten.)
Flor Vandekerckhove

Een vergeten brokje 
maritieme cultuur

www.youtube.com/watch?v=7KEnQyW9u7k

zondag 9 mei 2021

Nog één keer Bertus Aafjes

— Rechts: de aanval van de Vijftigers op de poëtische traditie. —


Ooit bezat ik een dichtbundel van Bertus Aafjes↗︎ (1914-1993), nu ben ik hem kwijt. ’t Was een hebbedingetje, een door de dichter gesigneerd exemplaar, ooit gekregen van een minnares en ooit ergens achtergelaten, wellicht bij een andere minnares. Erotische gedichten, Deus site natura. Niet zo’n goeie poëzie, wel gulpende borsten en billen, erg stimulerend en bijzonder leuk om van een minnares te krijgen en bij een andere achter te laten. Een atypische bundel, want ik leer Bertus Aafjes tijdens mijn schooljaren in ‘t katholiek onderwijs kennen, en daar is alleen plaats voor stichtende poëzie van eigen huis. Ik weet niet of dat intussen anders is, ik spreek over pre-68 tijden.
In die tijd is dichten iets voor mensen die zich letterkundigen noemen. Wie gedichten schrijft is van betere huize, hzij komt uit een traditie die start bij de Grieken en vervolgens over veel Latijn, stap per stap, voortschrijdt tot hzij, via enig oud-Nederlands, eindelijk in staat geacht wordt zelf de pen ter hand te nemen, dat wil zeggen: de traditie verder te zetten. Vandaar ook dat er zoveel dichtende pastoors zijn. Bertus Aafjes voldoet aan al de criteria — ook hij studeert trouwens voor priester — hij mag dichten. Helaas stoot hij in de jaren vijftig op een andere soort dichters, de Vijftigers, die per se met de traditie willen breken. 
Bertus Aafjes gaat scheldend ten onder. In 1953 schrijft hij:
‘Lees ik Luceberts poëzie, dan heb ik het gevoel dat de SS de poëzie is binnen gemarcheerd. Een totalitair stelsel van rauwe gevoelens en instincten met de laarzen aan van een verschrikkelijke uniformiteit, uit zich in dwangmatig Sieg heil van woorden als: oe, a, oer, ei, urinoir.’ 
Het komt hem duur te staan:
'De massa, het zich literair achtende gepeupelte, degenen die denken dat ze er iets vanaf wisten, had ik achter mij. Maar de serieuze dichters niet. (...) Ik vervreemdde dus van de ene dag op de andere van de hele literaire wereld. (...) De hand waarmee je geslagen hebt, verdort. Niet alleen in de vriendschap, omdat je met die hand vrienden hebt willen slaan. Het verdort je eigen dichterschap ook.’ 
Hij wordt schrijver van reisverhalen. In mijn kast staan Capriccio Italiano & Goden en eilanden, twee reisverhalen, in 1970 gebundeld. Het eerste dateert van 1957 en het tweede is een reisboek uit 1959. In dat tweede boek reist Bertus Aafjes Homerus achterna, reis die hem goed van pas komt, omdat hij de Odyssee aan het vertalen is. En zo komt het dat ik dat werk opensla en op een homerische vergelijking stoot, perfect bruikbaar om ermee iets over zijn aanval op de Vijftigers te zeggen: 
Zoals wanneer de honden en de jagers
Zich jeugdig werpen op een everzwijn:
En dit rijst uit zijn verborgen leger,
De slagtand wettende die, zilverblinkerd,
Vanuit zijn kinnebak naar buiten kromt;
Van alle kanten springt men op hem toe;
Hoor het geluid der dichtklappende kaken!
Men wacht de vreselijke aanval af; —
Zo sprongen de Trojanen op Odysseus,
Maar hij sprong eerst…
Flor Vandekerckhove

Hoe een dichter te zijn

www.youtube.com/watch?v=A30Wiliqm_E

vrijdag 7 mei 2021

Een wijkschool genaamd Astrid


Bredene Duinen, iets dichter bij ons dan halverwege de eeuw. — Eerst is er alleen maar katholiek onderwijs en opeens — als bij donderslag! — is er keuze, opeens is er ook een neutrale school. Opeens! Zo ziet het er althans in mijn herinnering uit. Klasmakkers, zoals Gilbert Huysmans en Léon Jourdain, verdwijnen plotsklaps en duiken weer op in de gemeenteschool die gemeenzaam Astrid heet. Over de geschiedenis van dat gebouw weet ik wel een en ander↗︎, over de school weet ik nauwelijks iets. Oud-burgemeester Willy Vanhooren↗︎ helpt me uit mijn onwetendheid en wat blijkt? Zo plotsklaps is dat nu ook weer niet gebeurd: 
‘Oorspronkelijk gaat het gemeenteschooltje van start in een annexe van hotel Jean in de Gentstraat. Eerst een kleuterafdeling. Mijn zus, die van 1953 is, tekent daar present. Ik herinner me dat een van de eerste juffen Focquet heet. Jaarlijks wordt er een hogere klas toegevoegd. Ik denk dat de school naar het Astridgebouw verhuist zodra er een eerste studiejaar is. Eerst is het een gemeenteschool, die aan de staat wordt overgedragen ten tijde van burgemeester Plovie, ik denk eind jaren vijftig, begin jaren zestig.’ 
Wat Willy zegt, wordt bevestigd door Zoeklicht op Bredene
Ook het officieel onderwijs stichtte te Bredene-Bad een wijkschool. Deze leerlingen werden eerst voorlopig ondergebracht in een aanhorigheid van het hotel ‘Jean’ in de Gentstraat (…) om vervolgens te verhuizen naar het gebouw van de home Astrid. Sedert aanvang van het schooljaar 1967-68 is thans een nieuwe wijkschool in gebruik genomen, bestaande uit geprefabriceerde paviljoenen gelegen nabij de Duinenstraat.’ (Wat daar thans Schoolstraat heet.) 
We kennen wel nog niet het exacte jaar waarin de gemeentelijke wijkschool zijn intrek in de Astrid neemt, maar de kans is groot dat lezers het ons gaan meedelen.
Bovenstaande en onderstaande foto’s tonen ons een feestelijke aangelegenheid in de ‘Astrid’. Bovenaan een toneeluitvoering, onderaan een prijsuitreiking, wellicht op dezelfde dag in 1960. We nummeren de kinderen bovenaan en proberen de ontbrekende namen te traceren: (1) ?; (2) Gilbert Huysmans↗︎; (3) Léon Jourdain↗︎; (4) Gilbert Gevaert; (5) Rosette Gevaert; (6) Roland Decouter↗︎; (7) Nadia Pauwels (†); (8) Ronny Demeulenaere; (9) Micheline Vaneenoo; (10) Catillon; (11) ? Van de foto onderaan kennen we de drie kinderen die in ’t midden staan. Van links naar rechts: Gilbert Gevaert, Léon Jourdain en Marie-José Smets↗︎.  Marie-José herinnert zich dat het meisje in het witte jurkje Christiane heet, de achternaam ontglipt haar. Achteraan, rechts, zit burgemeester Auguste Plovie↗︎. Links vooraan staat meester Roger Questier. Willy Vanhooren weet me nog te melden dat zijn vader, Raymond, omzeggens helemaal verscholen achter Gilbert Gevaert zit, de vader van die laatste is er ook, ook van die mens vang je achteraan een glimp op, die twee vaders zijn op dat moment gemeenteraadslid.


Het einde der coronatijden 

https://www.youtube.com/watch?v=LIHTLIpU4fM  

woensdag 5 mei 2021

Drie dromen waaruit ik weet te ontsnappen

— Bennie Simoens. Hoopvolle horizonten (1984) —

Een almaar weerkerende droom vertelt me in tal van varianten dat ik me 'ergens' — telkens een andere plaats, ruimte te over, niets aan de hand — bevind. Echter… Als het tijd wordt om weer eens op te stappen, blijken er krachten aan het werk die me dat op niet-expliciete wijze beletten; gevangenisdromen. Drukken ze de vrees uit dat mijn vrijheid in ’t gedrang kan komen? Soms droom ik ’t omgekeerde. In zo’n droom vrees ik dat ik weer eens niet weg zal geraken, wat uiteindelijk geen probleem blijkt te zijn. Van die laatste soort verzamel ik er hieronder drie. ’t Zijn telkens provoverzen↗︎ en samen vormen ze een triptiek, een drieluik van gelijk(w)aardige verzen. De illustraties zijn van Bennie Simoens↗︎, ook die vormen een triptiek: hoopvolle horizonten (1984). (Flor Vandekerckhove)

maandag 3 mei 2021

Vanwaar het gevaar komt



Het schilderij, bovenaan in fotomontage, hangt in mijn woning. ’t Is een marine (60 x 50, acryl op doek, 2020) van Fred Delameilleure (°1958). De kunstenaar schenkt me het tableau, zoals op de achterkant staat, als ‘dank voor de 8 kwatrijnen op mijn expo in 2020’. Bedoeld wordt het gedicht waarmee ik diens tentoonstelling in een Oostendse galerie ingeleid heb (er werd een filmpje van gemaakt: Roem en doem in De Grote Ruutten↗︎.) De overhandiging laat me toe iets over economie te zeggen en uiteraard ook iets over schilderkunst. 
Eerst economie. Mijn inkomen is niet van dien aard dat ik kunst kan kopen. Daarenboven ben ik de mening toegedaan dat de koopdaad het kunstwerk afbreekt, het wordt koopwaar, daar waar kunst in mijn hoofd een gift hoort te zijn. Zelf ben ik daar zo consequent mogelijk in: ik koop geen kunst en mijn verhalen en gedichten zijn gratis beschikbaar in De Laatste Vuurtorenwachter, mijn e-boeken staan gratis in de virtuele rekken van De Weggeefwinkel. Wat ik schrijf maakt derhalve geen deel uit van de wareneconomie, wel van deze van de gift. Hoe kom ik dan aan een al bij al indrukwekkende kunstcollectie? Wel, ’t zijn stuk voor stuk werken die me door hun makers geschonken werden, ook omdat ik hun gratis teksten schenk, bijvoorbeeld als inleiding op een vernissage, als bespreking van hun werk.
Nu het doek. Laat ons er eens naar kijken, met in het achterhoofd wat John Berger↗︎ zegt: ‘Mij lijkt het dat we naar schilderijen kijken in de hoop een of ander geheim te vinden. Geen geheim over de kunst, maar over het leven.’ 
In Delameilleures werk valt enerzijds de abstractie op en anderzijds het landschap. Dat laatste is op z’n mooist, vind ik, wanneer het, zoals hier, nader tot de abstractie komt. Hoezo ‘nader tot de abstractie’? Wie goed kijkt, merkt niet terzake doende, veelal horizontale strepen op, die van ónder het geschilderde landschap tot ons komen, ongetwijfeld sporen van een onderliggend, overschilderd werk. Laat ons het een toevalligheid noemen. Dat toeval is nu deel van de verfstructuur van het geschilderde landschap, waaraan het een ietwat abstract karakter geeft. Er is meer — er is altijd meer. De zee die we zien is niet deze van Constant Permeke en nog minder die van Léon Spilliaert, ’t is een zee ver weg. Deze zee is ook niet de vervaarlijke oerkracht die Thierry De Cordier zo goed schildert. Wat dít schilderij van Delameilleure maakt tot wat het is, is de voorgrond: een kolossaal, ruw, gevaarlijk ogend, abstract weergegeven gesteente, dat ruim een derde van het doek beslaat. 
Ik ga je een tip geven, die je toelaat de kwaliteit van welhaast elk schilderij te beoordelen, ’t is iets wat ik van Georg Baselitz↗︎ geleerd heb. 
Een schilderij is goed als het op z’n kop staand nog altijd boeiend is. Keer het doek om (zoals ik het, in bovenstaande montage, links beneden doe.) Zien we op het omgekeerde beeld van deze marine niet des te sterker dat de zee ’t minste van Delameilleures schilderkunstige zorgen is? Hoe veraf ligt ze daar niet, zelfs als ze (omgekeerd) vooraan komt te liggen. Maar kijk eens welke dreiging nu bovenaan hangt! Delameilleure ontpopt zich tot kunstschilder-Galliër die, net als Asterix en de zijnen, maar één ding vreest: dat de hemel op ons hoofd valt. Zetten we het schilderij daarna weer recht, zien we, beter dan eerst, dat het gevaar niet van het water komt, maar van het land! Of hoe zelfs een eenvoudig landschapje ons iets over de maatschappij, en dus over het leven zegt.
Flor Vandekerckhove

Roem en doem in 

De grote Ruutten 

https://www.youtube.com/watch?v=-aXB3r-DbLc

zaterdag 1 mei 2021

‘Jarenlang heb ik mijn kloten afgedraaid’

1 mei-optocht, vermoedelijk in 1936. We bevinden ons aan 'Petit Paris' in Oostende. Vooraan de strijdvlaggen van ‘Breedene Sas-Slijkens’ en ‘Visscherskwartier Oostende’. Yvonne van café Voor Allen in de Nukkerstraat van Bredene draagt de vlag van de Socialistische Vrouwenvereeniging.



Er bestaat een Britse site die Culture Matters heet. De initiatiefnemers streven naar een ‘culturele commons in een socialistische samenleving’. Zelf zeggen ze daarover: ‘een nieuw Jeruzalem, zoals William Blake het noemde, en niet alleen in Engeland, maar over de hele wereld.’ Ik dacht: daar vind ik ongetwijfeld iets voor mijn jaarlijkse 1 mei-bijdrage. En warempel! Mijn keuze valt op een gedicht van de mij onbekende Graeme Darling, een proeve van proletarische poëzie. ’t Betreft, lees ik, een inzending voor de ‘Culture Matters Bread and Roses Poetry Award’. (Flor Vandekerckhove)