woensdag 30 december 2015

Muur

— (Eigen foto) —
In die tijd kon je in de Pyreneeën voor weinig geld een heel dorp kopen. Fransen trokken er uit weg en Nederlanders kwamen zich in de goedkope huizen nestelen.
Lucien Ducon wist dat het zijn dorp niet anders zou vergaan en hij bedacht een plan. Op de rots achter zijn woning begon hij stenen te stapelen. De buren begrepen zijn bedoeling niet, maar hielpen waar ze konden. De steenhoop werd een muurtje, dan een muur en uiteindelijk een hele hoge muur die ver boven het dorp uittorende. Aan gene zijde gaapte niets dan het ravijn. Aan de dorpskant brachten Lucien en de zijnen een marmeren plaat aan, waarop, zo zei hij bezwerend, de namen zullen staan.  Zijn kompanen knikten, omdat ze opgehouden waren de dingen te bevragen.
De grote muur van Ducon werd een kleine bezienswaardigheid. Terwijl passanten de zinloosheid van de onderneming aanschouwden, werkte Lucien aan een trap die tot bovenaan de muur liep. Toen die klaar was, waste hij het steenstof uit zijn poriën, trok zijn zondagse pak aan, nam de trap tot boven op de muur en sprong in de afgrond, een zekere dood tegemoet. 
Luciens lijk lag nu in ‘t ravijn, maar zijn muur, die in het dorp al lang le mur du con heette, bleef staan. Ter herinnering beitelde de steenkapper ’s mans naam in de marmeren plaat waarvan Ducon gezegd had dat daarop de namen moesten staan. 
De bijtel was nog niet weggeborgen of er was al een inwijkeling die op zijn beurt naar boven trok om van de mur du con in het ravijn te springen. De steenkapper zag ’t gebeuren, keerde op zijn schreden terug en zette een Nederlandse naam onder die van de Franse Ducon.
Uit al de opgekochte dorpen kwamen inwijkelingen hun gestorven landgenoot herdenken. Bij de plaatselijke kruidenier kochten ze plastic bloemen — les fleurs du con — die ze van boven op de muur in ‘t ravijn gooiden. Iemand maakte er een foto van, iemand anders schreef een krantenstukje. De televisie toonde een reportage die Le mur du con heette. Waarna zelfmoordkandidaten uit de vier windstreken naar het dorp ijlden om er hun laatste ding te doen. En dood doet leven. In afwachting dat hun uur zou slaan, overnachtten zij voor ’t laatst in de plaatselijke B&B. Bij de slager haalden ze hun laatste boudain noir, in de bistro dronken ze hun laatste rode wijn, bij de bakker kochten ze hun laatste croissant, in de bar-tabac rolden ze een laatste sigaret en met hun laatste geld betaalden ze een ticket voor de muur. In het ravijn ademden ze hun laatste adem uit, waarna de steenkapper hun naam vakkundig in het marmer sloeg. Vervolgens kwamen nabestaanden de plastic bloemen kopen die andere nabestaanden al eens eerder in ’t ravijn gegooid hadden en die de kruidenier daar ‘s avonds weer had weggeplukt.

Flor Vandekerckhove

maandag 28 december 2015

De klas van 36





Ivan Schamp ontdekt de foto onderaan in een schuif. We zien een meisjesklas. De muur is deze van de enige school die Bredene-Duinen in die tijd rijk is. Ivan dateert het beeld als zijnde van 1936 en hij herkent drie mensen. Wie zijn de anderen? Hij stuurt me het beeld in 2015 op en wijlen Alice Vandekerckhove leert ons in dat jaar de meeste namen kennen.
Bovenaan (1) Marie-Louise De Craecker; (2) Irma Bruneel (moeder van Ginette Deschacht); (3)?; (4)?; (5)?; (6) Henriette De Clercq (mijn moeder); (7) Yvonne Melis (moeder van Gilbert Huysmans); (8) Rachel Baeckelandt; (9) Elsa Devriendt. In ’t midden: (10) Margriet Roose; (11) ?; (12) Florine Meyers; (13) ?; (14) (Marie-?) Louise Borny, zij wordt later de echtgenote van Maurice Doom; (15) Juliette of Martha (Vanden)Bussche; (16) Martha Lagast (moeder van Filip Defever); (17) ?; (18) Jacqueline Vandamme; (19) leerkracht Verschuuren. Onderaan: (20) ?; (21) Germaine Bertens (moeder van Ivan Schamp); (22) Yolande Rosseel; (23) Marie-Louise (De)cloet; (24) ?; (25) ?; (26) Margriet Jonckheere; (27) ?; (28) Godelieve Olders.
Sommige namen worden door mij wellicht verkeerd gespeld of misschien door tante Alice verkeerdelijk afgekort. Wil je me desgevallend laten weten hoe ze dan wel correct geschreven worden? Maar het allerbelangrijkste is dat we de resterende vraagtekens wegwerken. Weet je wat? Ik plaats mijn e-maildres hieronder, zodat je me meteen kunt antwoorden. Anders komt het er niet van, ik ken dat. 

[Deze post dateert van 2015. In 2021 redigeer ik hem opnieuw, ten behoeve van de FB-groep Bredene van en voor iedereen, in de hoop zodoende aan de nog ontbrekende namen te komen. LAAT ZE KENNEN: florvandekerckhove@telenet.be]

zondag 27 december 2015

Erica

— Aan de muren hingen posters
met wollige teksten. —
Om den brode verkocht Erica's vader katholieke boeken waarmee hij langs Vlaamse wegen trok. Tijdens diens uithuizigheid had moeder een verhouding met een paster, klant van vader. Later heb ik Erica nog eens ontmoet in Brugge, waar ze in een klein appartementje woonde, alleen geschikt voor singles. Aan de muren hingen posters met wollige teksten, erger nog dan die van de Bond Zonder Naam. Daartegenover stond dan weer een uitnodigend omabed. Daarin mocht ik blijven slapen, zei ze. Zelf moest ze weg, zei ze, naar haar vriend, die een paster bleek te zijn.
Flor Vandekerckhove

vrijdag 25 december 2015

Geheugen, spreek (*)


'Gelijk een adelaer die door de lucht gaet sweven
Gelijck een vlugge pijl uyt sijnen boogh gedreven'

(Michiel de Swaen, rederijker uit Duinkerke, 1654-1707)

DE FOTO BOVENAAN links (1) toont een beeld even vaag als boeiend. Zeven tieners wagen de sprong. De tijd heeft aan het beeld gevreten, de personages zijn ei zo na verdwenen. De foto krijgt er een nieuwe dimensie door: de jongens verdwijnen terwijl ze springen. Maar waarheen, waarin verdwijnen ze? In de toekomst? In de vergetelheid? Het leven? Het ongewisse? De volwassenheid? De twilightzone? Verdwijnen ze doordat ze een gat in de lucht springen? Tientallen verhalen dienen zich aan
Vaag als hij is, symboliseert de foto ook wat er met onze herinneringen gebeurt: ze vervagen, verdwijnen. Van de jongens valt nog een restje te zien. Net zo gaat het met ons geheugen. Dat heb ik goed aangevoeld toen er reacties kwamen op een voorgaand stukje waarin ik (hier) een fietstocht van Bredene naar Lommel probeer te reconstrueren. Daarbij komen gebeurtenissen naar boven die ik helemaal vergeten ben, zoals de trainingssessies van de jongere Roland (†) en Danny, die op die manier hun deelname aan de tocht weten af te dwingen. Misschien is dat wel de betekenis van deze stukjes die ik al sinds 2012 post: dat we de dingen vastleggen, beseffend dat het binnenkort niet meer zal kunnen. Bewust van de hoogdringendheid probeer ik nu uit te vissen waar en wanneer dat beeld gemaakt werd en wie erop staat.
Er is een tweede foto (2). We zien dezelfde muren en we zien een goed herkenbare Marc Loy die Serge Schaut op de schouders draagt. Het beeld wordt geschoten vlak voor Serge languit tegen dek gaat. Marc lacht ietwat verkrampt onder het gewicht, maar Serge… die schreeuwt het uit. Zijn schreeuw (4) concurreert moeiteloos met deze van Edvard Munch (3). Serge geeft er ons als ’t ware de Monty Pythonversie van. 
't Is Ivan Schamp die me uitlegt dat de foto's van 1967 dateren. Ze worden in Lommel gemaakt, waar de jongens fietsend naartoe gereden zijn. In Schamps schriftjes staan de namen van de deelnemers aan die fietstocht: Marc Loy, Paul Van Geluwe, Erik Poppe, Serge Schaut, Flor Vandekerckhove, Roland Vanmassenhove (†), Danny Kerkaert, Danny Crabeels, Willy Versluys en Ivan Schamp. Op dat muurtje meen ik er van links naar rechts toch wel vijf te herkennen: x, Crabeels, Schaut, x, Van Geluwe, Kerkaert, Versluys. Mocht iemand zich de ontbrekende namen herinneren…

(*) De titel boven dit stukje verwijst naar het boek Geheugen, spreek, een autobiografie van de Russisch-Amerikaanse schrijver Vladimir Nabokov. — Dit stukje werd al in 2015 in De Laatste Vuurtorenwachter gepost. In 2021 redigeer ik het opnieuw, ten behoeve van enkele FB-groepen die aandacht besteden aan Bredene en (oud-)Bredenaars.





woensdag 23 december 2015

Balans & perspectieven

— Flor Vandekerckhove leest nieuwe vissersverhalen en Noël Warmoes speelt oude zeemansliederen (foto Jo Clauwaert) — 

Vrouwen sluiten hun boekjaar af, mannen lezen hun Nieuwjaarsbrief voor, bedrijven uiten het voornemen iets aan hun gewicht te doen en kinderen beweren dat ze gaan ophouden met roken. Ook ik ontsnap niet aan het ijkpunt dat Nieuwjaar is. ‘t Zijn nu eenmaal zo’n dagen.
De balans! In vier jaar tijd werd er meer dan 116.000 keer naar deze blog gekeken. Daarmee is de kaap van 100.000 gerond, voorwaar een heuglijk feit. Jaarlijks wordt er gemiddeld 36.000 keer naar De Laatste Vuurtorenwachter gesurfd en gesurft — want beide zijn goed — een getal dat fors gestegen is. Ik heb ook flink voortgedaan: 190 nieuwe posten, een jaarrecord! Dat record zal, zo moet ik eraan toevoegen, moeilijk te overtreffen zijn, ik zou haast dagelijks een verhaal moeten schrijven.
Al die cijfers mogen niet verhelen dat ik met weinig content ben. Als er dagelijks 100 mensen naar de blog kijken, begeef ik me al tevreden te ruste. Maar kijk, de jongste tijd zijn het er al 150. Nog cijfers: 193 mensen laten zich automatisch verwittigen wanneer er een nieuwe bijdrage verschijnt. Ook dat is een record: 51 meer dan bij de aanvang van ‘t jaar. Als gij daar nog niet bij zijt, dan moet ge zeker doen, want ’t is gratis en gij doet mij daar een plezier mee. 707 internetgebruikers zeggen regelmatig de blog op te zoeken, een toename van 81.
De cijfers komen van Google. Voor mijn part moogt gij van die onderneming zeggen wat ge wilt, maar het is wel een straffe uitgever. Nooit voorheen zijn mijn geschriften zo wijd verspreid geworden. Ge kunt tegenwerpen dat die uitgever mij daarvoor niet betaalt. Maar dat komt doordat De Laatste Vuurtorenwachter geen waren produceert, zoals boeken. De lezers kopen de vertellingen niet die zij hier lezen. Mijn verhalen bevinden zich in een andere soort economie, deze van de gift. Wie overigens denkt dat een schrijver op de vrije markt geld vangt, moet hier maar eens kijken, hij zal versteld staan.
Maar waarvan leeft gij dan, zo vraagt u vervolgens. Wel, ik heb een pensioentje. Wat mij toelaat u gratis verhalen aan te bieden. [Daarom ook wordt het pensioen door deze regering  zo in vraag gesteld; om kerels zoals ik weer in de markt te dwingen. Die ministers willen dat we weer deelnemen aan de wetten van vraag & aanbod. Da's 't kapitalisme hé. Zo, dat moest mij even van het hart, maar leest u vooral verder.]
Rechts in de blog staat de top-10. Dit jaar hebben daar vier nieuwe stukjes een plaats in veroverd. Op acht staat een in memoriam dat ik geschreven heb naar aanleiding van het overlijden van een schoolkameraad. Op zeven staat een tekst waarin ik verslag uitbreng van een politionele inval in mijn veranda. Mijn aparte kijk op de Oostendse Oosteroever heeft zelfs de top vijf gehaald. Maar echt massaal bekeken is Met je pulle op de tram, een herinnering aan de tijd dat we naar Oostende spoorden, alwaar we school liepen. Dat staat op vier.
Zijn er ook goede voornemens? Bij de aanvang van het jaar zei ik dat ik een beetje meer over film zou schrijven en over opera. Voor wat de film betreft heb ik me aan mijn woord gehouden, wat ik niet van de opera kan zeggen. Daar moet ik in 2016 iets aan doen. Voor de rest zou ik zeggen: doe zo voort Florremans, gij zijt niet slecht bezig gij. (Ha ja, als ik dat al niet zeg, wie dan wel?)
Nieuw is iets wat gij haast niet voor mogelijk houdt. In 2016 komt De Laatste Vuurtorenwachter uit zijn zetel! Samen met accordeonist Noël Warmoes biedt hij het publiek een spetterend avondvullend programma aan van nieuwe vissersverhalen & oude zeemansliederen. Tijdens die optredens wordt ook een boekje met zo'n vissersverhalen verspreid. Mijn kompaan Jo Clauwaert is daarvoor bijzonder merkwaardige tekeningen aan ’t bepeinzen. Als dat maar goed komt!

Flor Vandekerckhove

zondag 20 december 2015

Toen de 4 een tramlijn was


Buurman William Schreus dropt twee foto’s in mijn mailbox. Een tram komt van Oostende en rijdt op de Prinses Elisabethlaan in Bredene. De foto wordt gemaakt vlak voor die tram afslaat naar de Buurtspoorwegstraat, een toepasselijke naam. Links ligt de vaart. Rechts zien we twee mannen die van die tram gestapt zijn, zo te zien een arbeider en een bediende. De arbeider draagt een ransel, de bediende een boekentas. Het zijn Bredenaars die thuiskomen van het werk of het zijn Oostendenaars die naar hun werk in Bredene trekken, want er is daar in die tijd veel bedrijvigheid. Rechts op de achtergrond zien we de transportband aan de kolenkaai van de elektriciteitscentrale.
Ik haal er Zoeklicht op Bredene bij, een boek van Raoul Eeckhout: 
‘Op 8/8/1886 werd de buurtspoorweg Oostende-Blankenberge ingehuldigd, die het ganse grondgebied van Bredene doorkruiste. Deze stoomtram liep, komende van de Pr. Elisabethlaan, aanvankelijk door de Nukkerstraat en vandaar over de Nukkerbrug verder naar ’t Dorp. Omstreeks 1890 werd de bedding verlegd naar de Buurtspoorwegstraat. Deze buurtram had in Bredene vier halten: een op de Prins Albertlaan ter hoogte van de Sasbrug, een tegenaan de hoek der Nukkerstraat, een in het Dorp en een aan Jacobsen (Zandstraat). Later kwam de tramlijn nr. 4 tot stand, die sedert 1956 vervangen is door een autobusverbinding.’
Het tramstation in Bredene-Dorp is gemakkelijk te traceren, op die plaats (Duinenstraat 2) werd een gevelsteen aangebracht: 1-8-1986 — Eeuwfeest Tram — Hier tramstation Bredene — 1886-1955.
De tweede foto die ik van William krijg plaats ik hieronder. Blijkt dat ’t druk kan zijn op de tram die van Oostende naar Blankenberge trekt. We zien vier wagons en een bagagewagen. Het gebouw rechts is de school die naar Sint Rita genoemd werd, althans dat dacht ik. Veronique De Keyser zegt, wellicht terecht: ‘Ik denk dat die school de Don Bosco school is, St.-Rita moest nog gebouwd worden.’
Flor Vandekerckhove


[In DLVuurtorenwachter dateert deze post van 2014. In 2021 redigeer ik hem opnieuw ten behoeve van de FB-groep Bredene Voor & Van Iedereen.]

zaterdag 19 december 2015

Genderneutraal

Nadat de mensen het stadion kort en klein geslagen hadden, gingen ze zich bedrinken. Dronken als ze waren, trok een groep mensen daarna naar de sekswerkersbuurt (m/v) waar ze zich eerst lieten pijpen en vervolgens weigerden te betalen. Er ontstond straatgeweld. De mensen kozen daarop het hazenpad en vluchtten naar huis waar ze hun partners aftroefden. Hun raadsmens pleitte verzachtende omstandigheden omdat de mensen geprovoceerd waren door de ophitsende kledij die de partners thuis droegen.
Flor Vandekerckhove

donderdag 17 december 2015

De zilte mossel

— Zo zag het interieur van De zilte mossel er inderdaad uit —
DE JAREN zestig, ik ben een tiener. Met de mobylette rij ik langs een mij onbekende steenweg. Het regent en dat zal die dag zo blijven, ik ben doorweekt. Ik ben op weg van Bredene naar Lommel, 164 kilometer te gaan en ik maak deel uit van een groep die ’s morgens per fiets uit Bredene vertrekt om in Limburg de paasvakantie door te brengen. Zelf heb ik geen fiets, ik heb een mobylette.
Onderweg val ik onverwachts zonder benzine. Ik zoek een pompstation. Neen, de groep moet niet op me wachten, gemotoriseerd als ik ben, zal ik mijn makkers wel inhalen. Dat valt tegen, korte tijd later val ik weer zonder benzine. En wéér en wéér en wéér. De tank van mijn mobylette is lek en ik ben op een permanente achtervolging aangewezen. Meermaals moet ik de weg vragen en ik herinner me dat mensen me met toenemende compassie helpen. Dat komt doordat ik er almaar deerniswekkender uitzie en ’t komt ook doordat de mensheid vriendelijker wordt naarmate je Limburg en de Kempen nadert.
Daar rij ik nu doorweekt langs een mij onbekende steenweg, het begint te duisteren. Koud, nat, moe. Er moet iets gebeuren. Ik passeer een etablissement dat De Zilte Mossel heet. Zo'n naam boezemt een kind van de zee vertrouwen in. Terwijl een klant naar buiten glipt, ga ik naar binnen: gedempte lichten, heet, glimlachende gezichten. Een jonge meid achter de bar, drie jonge meiden aan de toog. Nauwelijks ouder dan ik, in kleren die ik van thuis uit niet ken. De barmeid begrijpt me niet, ze spreekt Frans. Ook de andere meisjes spreken Frans. Het taalprobleem belet niet dat de meiden instinctief aanvoelen dat ik daar niet kom socialiseren. In het toilet trek ik droog ondergoed aan. Wanneer ik weer binnenkom jaagt een oudere vrouw me kordaat de straat op, voor 't eerst in mij leven word ik geconfronteerd met een matrone.
Daar probeer ik tevergeefs mijn mobylette op gang te trappen. Ik trap twintig meter ver. Lege tank. Ik keer op mijn schreden terug om te vragen waar ik in de buurt benzine kan kopen. Het etablissement blijkt nu potdicht te zijn. Kust nu mijn kloten, denk ik luidop, De Zilte Mossel heeft mij uitgespuwd en daarna haar schelp gesloten.
Toelichting

— Voortschrijdend inzicht levert ons dit beeld op. We herkennen van links naar rechts Marc Loy, Danny Kerkaert, Willy Versluys en Ivan Schamp. Deze foto werd wel degelijk in Lommel gemaakt. Pierre de Maeyer vermoedt evenwel dat de kans klein is dat die vier zich daar überhaupt iets van herinneren; hij leidt dat af uit hun oogopslag die inderdaad als lodderig kan omschreven worden. Maar hij dwaalt, want Danny Kerkaert schreef me een mail waarin hij bevestigt dat de foto in Lommel gemaakt werd. Wat hij daarover zegt heb ik in een reactie onder dit stuk geschreven. 

Bovenstaand verhaal bevat een brok jeugdsentiment. Het vertelt over een fietstocht van Bredene naar Lommel. Dat was al de tweede keer dat we naar Limburg trokken — of zijn dat De Kempen? De eerste tocht ging in 1965 naar Nijlen. Daarover heb ik al een stukje gepubliceerd, met mooie foto’s overigens (dat vind je hier). 
Inmiddels werd over die eerste trip — naar Nijlen dus — al een beetje gecorrespondeerd, waardoor alweer enige putten in het wegdek van mijn geheugen gevuld konden worden. Willy Boey (die inmiddels in Florida woont) staat niet op die foto’s, maar in gedachten was hij er wel bij. Hij schrijft: Ik sta niet op de foto’s, want ik lag ziek te bed. Maar ik had de fietstocht wel gepland, niet tot in Nijlen, maar heel wat verder.’ Erik Poppe bevestigt dat Nijlen niet de oorspronkelijke bestemming was: ‘ik denk dat we Kasterlee in gedachten hadden maar heel zeker weet ik dat niet meer. We zijn gestrand in Nijlen. Lucien Leroy is toen gaan aankloppen bij de plaatselijke scouts en we mochten een week in hun lokaal verblijven.’
Intussen werpt Willy Boey ook enig licht op het ontstaan van de jeugdclub die de fietstocht organiseerde: ‘Ik heb het "Pat", afkorting voor patronaat, destijds gesticht en even later is Lucien Leroy erbij gekomen. Ik heb de poten van onder mijn gat gelopen, eerst naar de onderpastoor, dan naar de pastoor, om een lokaal af te bedelen, er was immers ruimte genoeg. Ten slotte kregen we de crypte onder de kerk toegewezen, een vochtige, koude, smerige ruimte, met de belofte dat we dat daar zouden kuisen en onderhouden. Marcel Derdeyn heeft er het meeste werk in gestoken. Ikzelf werkte intussen immers bij de spoorwegen in Brussel, en kon slechts tijdens de week-ends in Bredene zijn.’
Waarmee ook dat uit de vergeethoek gered is. En nu over de tweede tocht, deze naar Lommel. We zoeken nog naar het exacte jaartal. 
Erik Poppe: ‘De tweede keer moet één of twee jaar na de tocht naar Nijlen geweest zijn, en dat was inderdaad naar Lommel. Ik herinner me nog die rit in de pletsende regen. We zijn toen gestopt in een café in het centrum van Mechelen. Daar hebben we beslist om de trein via Antwerpen naar Lommel te nemen. We verbleven er in een leegstaand huis dat, denk ik, eigendom was van een tante van Roland Vanmassenhove. Wat ik me ook herinner is dat we 's avonds altijd pinten gingen drinken in 'De Blauwe Kei', een café langs het kanaal. Ik ben enkele maanden geleden nog op bezoek geweest bij vrienden in Lommel en "De Blauwe Kei" bestaat nog altijd!’ Erik heeft helaas geen foto’s liggen van die tweede tocht. 
Roland Vanmassenhove herinnert zich ook een en ander: ‘We logeerden daar in een huis van mensen die bij ons op de camping hun vakantie kwamen doorbrengen. Mijn familie heeft hen nog helpen verhuizen. Ze moesten weg uit hun woning die afgebroken zou worden om de weg te verbreden. Daardoor hadden wij met onze groep het huis voor ons alleen. We gingen regelmatig een paar pintjes drinken in “de Blauwe Klei”, een café met een DECAP-orgel. Dat café bestaat nog altijd. Ik weet ook nog dat we niet per fiets tot in Lommel geraakt zijn, en dat we onderweg ergens de trein genomen hebben. Heeft Gust Vangeluwe toen geen vrachtwagen gestuurd om onze fietsen ter plaatse te krijgen?’
Zelf zou ik dat niet weten, want ik was, zoals je uit het verhaal De zilte mossel kunt afleiden, heel die weg in m’n eentje aan het afleggen. Ik herinner me dat ik uiteindelijk in Lommel, in ’t donker, in de verte, de groep (of een deel ervan) ontwaar, een belevenis die ik min of meer als een mirakel ervaren heb. 
Ik heb mijn belevenissen in bovenstaand verhaal wel een beetje verdicht en de naam van de bar is fictief, maar voor de rest mag ik wel zeggen dat het gebaseerd is op wel degelijk gebeurde feiten. Wat ik me niet herinner is dat café De Blauwe Kei. Wellicht komt dat doordat ik onderweg een flinke verkoudheid opgelopen had en ik in Lommel vooral veel tijd in bed heb doorgebracht. En bij de fietsenmaker, want de mobylette moest hersteld worden. Ik ben ook zonder de groep naar huis gereden, want ik moest tegen de paasdagen weer thuis zijn om in de winkel te helpen.
Komt het door al die handicaps dat ik van heel dat gebeuren geen foto’s liggen heb? Of werden er geen foto’s gemaakt? Maar Roland vermoedt dat de foto die ik bovenaan deze toelichting plaats wel degelijk in Lommel gemaakt is. Rolands vermoeden wordt bevestigd door Danny Kerkaert. Hieronder plaats ik ook nog een van het internet gehaalde, historische foto van die Blauwe Kei, zoals we dat café in onze jeugd misschien gezien hebben. (fv)


maandag 14 december 2015

Rachel, de vriendelijkheid zelve

De Gentstraat in Bredene, wellicht in de jaren vijftig. Drie naast elkaar: café-pension Roger, pension Concordia en de Tourist van Rachel.

De foto links dateert van 2015. De groepsfoto rechts is van dit jaar. Coiffure Steve-André zet Rachel in de bloemetjes nav haar 98ste verjaardag.

IN DE ZOMERMAANDEN weerklonk de roep Alle hens aan dek over de wijk. Dat komt doordat we van het toerisme leefden. In die tijd viel dat toerisme te omschrijven als indrukwekkend, maar kort van duur. Je moest alle zeilen bijzetten om het te kunnen redden.
Mijn ouders woonden in die wijk. Ze waren poeliers en ze hadden er hun winkel. Ook ik werd als kind al vroeg bij de werkzaamheden betrokken. Eerst was dat nog achter de schermen, maar van zodra ik sterk genoeg was om de vleesmand te torsen, werd ik op pad gestuurd. Vanaf het krieken van de dag was ik met kiekens in de weer. Ik stapelde ze in de mand, dekte ze af met een handdoek, zette de mand op de fietsdrager en toog op weg om de plaatselijke horeca te bevoorraden.  
Veel verder dan de wijk ging mijn ronde niet. Ten westen was er wel een restaurant op de Oostendse Visserskaai en ten oosten waren er het pension De kampeerder, een restaurant in de wijk Vosseslag, dat toepasselijk ’t Vosken heette, en tussen die twee in lag een etablissement dat naar de naam Cabane luisterde. Voor de rest lag mijn ronde in Bredene-Duinen: Café du Sport, hotel Helvetia, hotel Belle-Vue, pension L’Aurore, pension Zomerlust, pension Bastogne, hotel Europa, pension Lusthof, de Willem Tell, pension Des Ardennes, pension Concordia, Friture Tourist, pension Beau Séjour…
Ik zei al dat het seizoen kort was. In die korte tijd moest je voldoende geld bijeenschrapen om het een jaar te kunnen uitzingen. De verwachtingen waren groot, de zenuwen gespannen, de lat lag hoog, het lontje was extreem kort. Overal heerste de stress over de keuken. Overal was mijn aanwezigheid ongewenst, overal stond ik in de weg, overal legde ik mijn waar op de verkeerde plek. Overal bleek ik te laat te komen of te vroeg. Overal moest ik nijdige blikken en dito commentaren incasseren: de kippen waren te klein en die ene kip die niet te klein was, was te groot. Ze waren niet vers genoeg of juist te vers. Ze waren vooral te duur.
Ik begreep het wel, thuis was ’t niet beter. Al die mensen kwamen uit een commerciële winterslaap en ze moesten zich als bij toverslag gedragen als de doorwinterde handelaars die ze eigenlijk niet waren. Ik mocht al dat geklaag & gescheld wel relativeren, maar trok toch ’t liefst met mijn waar naar café-friture Tourist waar Rachel over de keuken heerste. Was daar minder stress dan elders? Geenszins. Had Rachel het gemakkelijker dan de anderen? Zeker niet. Maar Rachel bleef wel vriendelijk. Altijd had ze een bemoedigend woord voor je over. Altijd lag er een beetje drinkgeld klaar en ze smeet het niet in je gezicht, neen, ze gaf het van harte. En ja, je zag dat, je voelde dat.
Rachel is me bijgebleven als een unicum in de toeristische sector van Bredene. Ik heb het haar enige tijd geleden ook met zoveel woorden gezegd en sindsdien zijn we maten geworden. Ik zeg het nu ook tegen iedereen en geef haar een plaats in de portrettengalerie die ik maak van mensen die ik al heel lang ken en die een beklijvende indruk op me gemaakt hebben. Eerder heb ik in deze reeks al het portret van Noël geschetst, een oude schoolkameraad en nu komt Rachel aan de beurt.
Rachel is inmiddels al dik in de negentig. Ze woont hier om de hoek. Ik zie haar wekelijks, weer of geen weer, naar de markt trekken. Nog steeds is er tijd voor een vriendelijk woord, nog altijd is haar lach aanstekelijk. Hopelijk wordt ze honderd. Wat zeg ik? Hopelijk wordt ze de oudste inwoner die deze wijk ooit heeft voortgebracht!

zondag 13 december 2015

Washandjes

Op het plein stond een kleine bestelwagen. Deuren van de laadruimte wijdopen, sleutel in 't contactslot, chauffeur nergens te bespeuren. Zon in het zenit. Siësta in de Pyreneeën. De hitte maakte me loom, de lange rit eiste zijn tol, ik kon maar met moeite mijn ogen openhouden. Na de siësta stapte ik het winkeltje binnen, nam enig fruit en de hoogstnodige toiletartikelen. Wat ik niet kon vinden waren washandjes. Aan de kassa probeerde ik ernaar te vragen. Ik slaagde er niet in om de Franse vertaling uit mijn geheugen te halen en zei uiteindelijk: ‘Chez nous en Flandre on appelle ça washandjes.’ En dit is wat het mens van de Pyreneeënwinkel antwoordde: ‘Moh hebruk je gie ook nog wazandjes?’
Flor Vandekerckhove

vrijdag 11 december 2015

Twee vaatwasmachines


Gisteren werd in Gent een nieuw boek voorgesteld. Het betreft het slot van een trilogie waarin Freek Neirynck het dialect van die stad uitputtend behandelt, eerst in een woordenboek, vervolgens in een verzameling zegswijzen en nu in een overzicht van de Gentse volksmuziek.
Ik had me voorgenomen op die boekvoorstelling aanwezig te zijn, maar eerst moest ik iets aan de vaat doen die zich danig opgestapeld had. Dat had minder met mijn verregaande slordigheid te maken, dan wel met een kapotte vaatwasmachine. De mecanicien in mij had zich daar niet bij neergelegd en ik had het probleem gedurende vele dagen langs alle kanten bekeken. Aan dat studiewerk kwam een einde toen een echte mecanicien me diets maakte dat het overduidelijk de pomp was die het definitief begeven had. Die mecanicien bezorgde me ook een andere vaatwasmachine, een Carad, tweedehands, van een oud mannetje dat de machine alleen maar gebruikt had om er op zondag mee ter kerke te gaan.
Voor ik me naar de boekvoorstelling begaf, verwijderde ik nog vlug de kapotte machine, kuiste de smurrie op die zich erachter vergaard had, wrong de Carad tussen het gasvuur en het aanrecht, verbond kabels en snoeren en had toen nog net de tijd om tram, trein en bus te nemen. Terwijl ik me fatsoeneerde draaide de Carad een schoonmaakprogramma, want vaatwasmachines moeten ook zichzelf schoonmaken, zeker als ze eerder maar zelden gebruikt werden door oude mannetjes.
En nu vertel ik u waarom ik toch niet naar de boekvoorstelling gegaan ben. Toen ik proper gekamd & geschoren weer in de keuken kwam, zag ik in een almaar toenemende vertwijfeling hoe heel de keukenvloer ondergelopen was. De lucht stond vol, ongetwijfeld giftige rook en de zekeringen waren doorgeslagen. Terneergeslagen door zoveel tegenslag belde ik de mecanicien op die me meteen te hulp snelde. Eerst zegde hij er niets van te begrijpen, maar toen hij de Carad opentrok, wist hij meteen wat er aan de hand was. De pomp had het definitief begeven.
Flor Vandekerckhove

‘Wie es/woas Wie in de Gensche Voolksmeziek’ van Freek Neirynck telt 252 bladzijden en meer dan 700 lemma’s. Het boek kost € 19,50 en is te koop in de Gentse Stadswinkel, het STAM, het Huis van Alyn en verder in elke goeie boekhandel in Vlaanderen.

dinsdag 8 december 2015

Tongschrapers

Mag ik u een vraag stellen? Hebt u vandaag uw tong al geschraapt? Ik vraag het u omdat ik heden een pakje flosdraad gekocht heb. In zo’n pakje zitten 36 beentjes met een flosdraadje. Zo’n beentje heet daarom terecht flosdraadhouder. Ik zie dat ik die flosdraadhouder ook voor iets anders kan aanwenden. Hij eindigt in een scherpe punt die als tandenstoker gebruikt wordt, voorwaar een plus en bovendien is het de evidentie zelve, want stoken en flossen gaan vanaf een zekere leeftijd hand in hand. Het pakje vermeldt nog iets. Het product noemt zichzelf een 3-in-1 Flosser en heeft derhalve drie functies. De derde functie heet schrapen. Je schraapt er niet je tanden mee, maar je tong.
Ik sta perplex. Tongschrapen! Daar heb ik nooit eerder iets over vernomen. Nooit heeft iemand me erop gewezen dat ik mijn tong moet schrapen. Nooit heb ik het iemand zien doen. Nooit heb ik in het straatbeeld reclame voor tongschrapers zien opflitsen. Nooit heeft iemand me de vraag gesteld die ik u aan ’t begin van dit stuk stel: hebt u vandaag uw tong al geschraapt?
Ik raadpleeg het internet en ja, de Wikipedia wijdt er een lemma aan. De tongschraper blijkt een bekend instrument te zijn. Er staat ook: Niet overal in de westerse wereld is evenveel gebruikgemaakt van de tongschraper. Zo wordt in Europa de tongschraper veel minder gebruikt dan in Japan en de Verenigde Staten.’ Ik ben een Europeaan, ik ben gerustgesteld.
Flor Vandekerckhove

maandag 7 december 2015

Paperbackschrijver

Het was een dynamisch bedrijf, wekelijks werd het kader uitgebreid. Een marketing manager, een public-relationsman, een beheerder van het wagenpark, een promotiechef, een inkoopdirecteur, een webmaster, een IT-specialist. En tegen ’t einde van de maand een financieel directeur, een verantwoordelijke voor de automatisering, een supervisor en een downsizer. Hoe het dat bedrijf verder vergaan is, weet ik niet, ik was de eerste die door de downsizer ontslagen werd. Op mijn laatste werkdag overhandigde de financieel directeur me mijn maandloon en hij legde er een forse premie bovenop omdat het anders ‘t betalen niet waard was. Ik dankte de man uitvoerig, maakte mijn bureau leeg en toog naar huis. Onderweg passeerde ik de Aldi waar ik een groot pak chocola kocht. Thuis ging ik voor het raam zitten en terwijl ik heel dat pak chocola soldaat maakte, schreef ik dit verhaal dat merkwaardig genoeg eindigde met so I wanna be a paperback writer.
Flor Vandekerckhove

zondag 6 december 2015

Armida, de opera


Rond Nieuwjaar neem ik me voor om enige stukjes over opera te schrijven. Daar komt tot nu toe nauwelijks iets van in huis. In het archief vind je hier↗︎ één operastukje, en dan nog maar zijdelings, dat gaat over een film die Così fan tutte van Mozart als alibi gebruikt om ons een indrukwekkend grote portie seks voor te schotelen.
Maar deze week gaan Tania en ik naar Armida van Rossini kijken en dat verloopt alzo. We zien een groot doek waarop een goed gevuld sportstadion geschilderd is. De spelers, die via een scheur in dat doek het podium opstormen, bevinden zich op de looppiste. Die spelers verbeelden geen atleten, edoch ferm bewapende kruisvaarders. Wat staan die daar te doen? Een mens vraagt het zich af.
Blijkt dat de kruisvaarders op de looppiste een nieuwe leider kiezen. Gernando acht zichzelf daarvoor zeer geschikt. Om zich sympathiek te maken schenkt hij de mannen zo'n opblaasbare sekspop. Dolle pret. Toch wordt niet hij verkozen, maar wel de vrouwvriendelijke Rinaldo. Gernando legt zich daar niet bij neer en daagt Rinaldo uit. Alhoewel die ridders zwaarden torsen, doodt Rinaldo zijn tegenstander met een kopstoot. Een verwijzing naar de sportwereld wellicht.
Het leiderschap van Rinaldo wordt in vraag gesteld, vooral omdat hij intussen valt voor de charmes van Armida uit het vijandige kamp. Van vechten komt niets meer in huis, Rinaldo en Armida hebben wel wat beters te doen. In het kruisvaardersmilieu heet het dat zij hem betovert. Om dat te illustreren zien we hoe Armida — niets in de handen, niets in de mouwen — een canapé tot in de nok van het podium verheft.
Rinaldo wordt over en weer geslingerd tussen zijn plicht als kruisvaarder en zijn liefde voor Armida. De ridders willen hun voorman weer op ‘t goede (oorlogs)pad krijgen en bezetten het podium, nu in voetbaltenue, een elftal van wel twintig man. Ze worden helaas belaagd door lieftallige bosnimfen die van de voetballers-kruisvaarders softies willen maken, opzet dat goddank mislukt. Intussen probeert de regisseur ons met open- en weer dichtgaande doodskisten iets duidelijk te maken, maar dat begrijp ik niet goed. Duidelijk is wel dat Rinaldo op ’t einde voor zijn plicht kiest, in die zin dat hij zijn vrouw in de steek laat. Armida kan er niet mee lachen en zint op wraak. Doek.
Net als ik vraagt u zich af waarom een mens veel geld neertelt om naar zo’n hoop onzin te gaan kijken. Dit is wat Ilja Leonard Pfeijffer daarover zegt: opera brengt ons in 
‘een mythische wereld waarin nog geloof is in grote woorden als Hoop en Liefde (…) en niemand spreekt er nog van siervelgen, employability, hypotheeklasten of de koers van de lire. (…)’  
Ja, dat is waar, maar zelf zie ik in zo’n opera toch altijd eerst een dwaas toneelstuk waar een dikke laag mooie muziek overheen gelegd wordt. Dat kan echter niet kloppen, want dan zou ik daar geen geld voor over hebben. De muziek komt éérst. Al de rest is een altijd weer tekortschietende poging om die muziek te evenaren. Opera is sisyfusarbeid.  Opera probeert de steen tot bovenop de berg te rollen en… mislukt. Wat die kunstvorm mij, meer dan alle andere, zegt is dat een mens moet blijven proberen. Opera is het tastbare bewijs dat Camus gelijk heeft waar hij schrijft dat we ons Sisyfus als een gelukkig mens moeten voorstellen. En dan mag dat iets kosten ook.

zaterdag 5 december 2015

Einzelgänger

— De Spinoladijk verbindt Bredene met Oostende. —

‘Mijn zuster vraagt of je schrik van haar hebt’, zegt ze. Ik vraag haar wat ze daarmee wil zeggen. ‘Gisteren heeft mijn zuster je gezien’, zegt ze, ‘je was op stap langs het paadje.' Gisteren ben ik over dat pad naar de bank gewandeld, dat klopt. Mijn vriendin lacht: ‘Net toen ze je zag maakte je rechtsomkeer’, zegt ze, ‘om niet tegen haar te moeten spreken. Ik moest vragen of je schrik van haar hebt.’ Ze blijft lachen. 
Ik heb op dat paadje inderdaad rechtsomkeer gemaakt. Ik ben tot aan het kruispunt teruggekeerd waar je de trap over het duin kunt nemen. Van daar kan je naar de Spinoladijk stappen. Ik zeg het haar, maar ze blijft lachen en ik zie dat ze er het hare van denkt. We zitten in de auto en waren op weg naar de opera. ’t Is een uitstap om te vieren dat we zeven jaar samen zijn. ’t Is me eerder al opgevallen dat ze me intussen goed heeft leren kennen, bijzonder goed.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 4 december 2015

Gemeubeld appartement te huur

— Zo'n plakkaat werd vele jaren gebruikt, het is eraan te zien. —


In Bredene-Duinen verhuurden mijn ouders, net zoals haast iedereen 
die daar de plaats voor had, zomerappartementen. Dat gebeurde niet in flatgebouwen of chalets, wel in gewone rijhuizen. Aan het raam hing een wervend plakkaat: Gemeubeld appartement te huur. (Ik heb een exemplaar bewaard, dat blijkbaar vele jaren dienst gedaan heeft.) Zo’n appartement bestond uit een keuken die tegelijk leefkamer was en een slaapkamer overvol met bedden. Soms was de slaapkamer tegelijk 'badkamer, wegens een lavabo', soms niet, dan viel de badkamer samen met de keuken, wegens een gootsteen
In ons huis woonden in de zomer tot wel vijf gezinnen. Dat vroeg enige organisatie: de ouderlijke slaapkamer verhuisde naar de zolder, naar ’t wc ging je als de toeristen naar ’t strand waren… Een enkele keer was er een overboeking en die nacht sliepen we in de gang. Er zijn ook verhalen bekend van Bredenaars die naar de garage verhuisden of de nacht in het duivenhok doorbrachten. Telefoneren deden de gasten in onze keuken, wij luisterden zonder gêne mee. Soms werd hun een koffie aangeboden, er ontstonden vriendschappen. Toen we eindelijk televisie hadden, kwamen de zomerhuurders bij ons naar ’t nieuws kijken — en vooral naar 't weerbericht van Armand Pien die in 't geval van een onaangename weersvoorspelling kordaat door mijn vader tegengesproken werd. Na afloop namen ze hun stoel weer mee naar ‘t appartement.
Flor Vandekerckhove

woensdag 2 december 2015

Kerst op Pasen

Elk jaar, rond deze tijd, wanneer de sparren gehakt zijn en de tierelantijnen opgehangen worden, wanneer kerstmuzakjes niet meer te ontwijken vallen en de chocola niet langer te vermijden is, plaats ik in deze blog een stukje antikerst. Dat kan een verhaal zijn, zoals Kerst op de Oostendse Oosteroever, een lied, zoals Kerstmis kan de boom inof een gedicht, zoals onderstaande proeve van light verse, waarin ik enige gedachten ventileer betreffende De kracht van de verandering, een slogan ter grootte van een kerstbol, die ons door de strot geduwd werd. In dit gedicht neem ik u mee naar de dag dat de beoogde Vlaams-nationale veranderingen ei zo na uitgevoerd zijn en de kers(t) op de taart gezet wordt.

Kerst op Pasen
(De klucht van de verandering)

Toen de voorman zijn einde voelde naderen
Riep hij zijn getrouwen bij elkaar
En herinnerde hen eraan
Dat hij het was die ‘t land
Gered had van de sossen.

Hij zei, en zijn stem verzwakte niet,
Er rest me nog één weg te gaan,
Eén daad te stellen, één wet te schrijven
Waarmee ik ‘t land voorgoed
Ga sparen van de sossen.

De getrouwen krabden in hun baard,
Zowel de mannen als de vrouwen
En probeerden te bedenken wat er
In dit land nog resten kon
Dat bijgod herinnerde aan sossen.

Hij sprak en zei: Ik ben wel oud inmiddels
maar nog sterk genoeg om op mijn werk
Een kroon te zetten, waardoor
Ze nimmer kunnen wederkeren en
Vlaand’ren voor altijd vrij blijft van de sossen.

De Vlaamse voorman keek in ’t rond
En zag de vragende gezichten die
Naar hem opkeken, zoals ze dat
Al deden in lang verleden dagen
Toen hij korte metten maakte met de sossen.

Zo herinnerde de achterban zich
De tijd die ze vergeten waren
Toen stad en land geknecht werden,
Gekneveld en misleid, gesjarend en
Mismeesterd door de sossen.

Hoe die met wetten en bezwaren,
Met voordelen en achterpoorten,
Met tramabonnementen en met goedkope
Elektriciteit het land verkocht hadden
Aan godbetert Waalse sossen.

Gratis bestaat niet meer, zei de man,
En wat ook al lang niet meer bestaat
is eendracht en solidariteit,
Open grenzen, gelijkheid en sociale rechten,
Dat is allemaal verleden tijd
Net zoals de meeste bossen.

Dat kerst in ’t midden van de winter valt,
Zei hij, een feest in volle wintertijd,
Nog slechts dat ene feit, zei hij,
Herinnert de natie aan die tijd.
‘t Is ’t laatste wat herinnert aan de sossen.

Afschaffen kunt gij dat niet doen, dat feest,
Zei hij, maar verplaatsen wel, naar
Een tijd waar ’t beter is gelegen,
Naar de lente toe, naar Pasen.
Dan herinnert niets ons nog aan sossen.

’s Mans getrouwen keken naar elkaar
En ook wel naar de tippen van hun schoenen
Begrijpen deed niet een, maar knikken deed elkeen
Omdat niemand de voorman vragen durfde
Wat kerst te maken had met sossen.

En zo komt het dat de Vlamen vanaf die tijd,
Kerst op Pasen vieren en dat al d’ anderen,
Op Pasen Pasen blijven vieren
Je kunt denken: da’s een feest van de kaloten
Maar echt schuldig zijn alleen de sossen.


Flor Vandekerckhove