Posts tonen met het label Roeselare. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Roeselare. Alle posts tonen

woensdag 5 februari 2025

Veronique Vanhoucke, de vingers en de benen


DE KLEINE STOORINGHE bevindt zich in de Blinde-Rodenbachstraat. Daarmee alleen al kun je een blad vullen, iets waarvan technisch blogvernuft me ontheft: Stooringhe⇲, Blinde Rodenbach⇲, klaar! 
Terwijl we vooraf nog iets nuttigen, kijk ik uit over een plein dat elders ongetwijfeld autovrij gemaakt zou zijn, maar niet hier. We bevinden ons in centrum Roeselare, stad waarover ik eerder al schreef in Kamelen, ondernemers & kunstenaars⇲ en in Rodenbachs vogel, mijn aapje⇲. Na het maal gaat het naar Rumbeke waar pianiste Veronique Vanhoucke⇲ en acteur Sebastien Dewaele⇲ het podium van die Kleine Stooringhe bezetten, twee Oostendenaars, al wist ik dat niet. (Maar Tania wel, zij kent Veronique Vanhoucke nog van de jeugdkoren van Aimée Thonon⇲.)
Hoezo, roept u uit, hebt u waarlijk de woning verlaten? Uw verwondering is terecht, ’t is iets wat ik zelden doe. Ik doe ‘t nu toch omdat die twee zich daar over Philip Glass buigen, componist-pianist die ik ietwat ken doordat hij Ginsbergs Wichita Vortex Sutra op piano⇲ speelt — daar schrijf ik over in On the road met Allen Ginsberg⇲. Over Glass' medewerking aan The Ballad of the Skelletons heb ik ook iets: De skelettenballade: gedicht, plaat, video⇲. Ja, dan wil ik ’s mans muziek ook wel eens in real life horen uitvoeren.
De kleine Stooringhe is een kerkgebouw dat tot kunstencentrum werd vertimmerd. Ik zie veel katholiciteit, kroostrijke gezinnen, veel kleine meisjes die wellicht allemaal piano leren spelen. Zaal met goede akoestiek.
Enter Veronique Vanhoucke en Sebastien Dewaele. Vanhoucke speelt Glass' muziek, Dewaele vertelt 's mans leven. Sebastien doet het in hemd, sjofele jeans en afgedragen baskets, Veronique is een en al benen, nog eens geaccentueerd door indrukwekkend hoge stiletto’s. Ook met het kledingverschil van die twee valt een heel blad te vullen. Haar website⇲ leert me trouwens dat Vanhoucke ons die kingsize benen niet zomaar laat zien: ‘Vrouwelijkheid en de artistieke vrijheid die hiermee gepaard gaat is voor mij heel belangrijk (…) ik wil echt (…) het publiek hierin betrekken. (…)’ Doordat ze in tal van websitefoto’s⇲ expliciet d'r benen ter zelfpromotie inzet, mag ik onbevreesd voor MeToo-reacties met een term uit de wielrennerij⇲ gaan lopen: pianiste Veronique Vanhoucke, de vingers en de benen.
Uitgeverij De Lachende Visch presenteert Vanaf de vuurtoren, bundel met vijftig korte essays van Flor Vandekerckhove. Zoals alle e-boeken van uitgeverij De Lachende Visch is ook Vanaf de vuurtoren gratis voor elkeen die erom vraagt, ’t is een gift van de schrijver aan zijn lezers. De bundel (e-boek, pdf of epub naar keuze) ligt klaar in De Weggeefwinkel. Doe het meteen via liefkemores@telenet.be⇲ (vermeld de titel) en het boek ligt meteen in uw mailbox.

zaterdag 17 februari 2024

Zo vond ik uiteindelijk tóch Sokètje

Klasfoto van de 2de Latijns-Griekse klasse b, 1965-66, in het college van Oostende. Bovenaan van Links naar rechts: Daniël Crabeels⇲, Alexis Ghys, Ronald Dufait, Robert Eggers, Johan Decramer. Onderaan van links naar rechts: José Lermyte, Dirk Van Buren, Paul Van Huele, Wilfried Vandenbussche, Wilfried Cafmeyer, Patrick Moenaert⇲. Klastitularis Dennis Beel. (Met dank aan Jef Passchyn⇲ voor de foto.)


VIJF JAAR GELEDEN start ik een queeste, ik ga op zoek naar een jeugdmakker, jongen die meer dan een halve eeuw geleden kort in Bredene komt wonen. Al wat ik heb is een bijnaam, Sokètje⇲, en een herinnering: toffe kerel. Er komt een kleine doorbraak wanneer diens oud-klasmakker Daniël Crabeels een naam ophoest, Decraemer⇲ en een vermoedelijke voornaam, José. Ik surf heel ’t internet af, langdurig en intens, maar José Decraemer blijft onvindbaar⇲. Verleden maand wil ik de queeste afronden en in een blogpost⇲ verzamel ik alles wat ik in al die tijd te weten ben gekomen: omzeggens niets. 
Je weet: als de nood het hoogst is… De redding heet in dit geval Jef Passchyn⇲ die een schoolpalmares uit 1964-65 opdelft. (°) Daarop staan namen van jongens die in ’t college van Oostende de derde Latijns-Griekse klasse afronden, inclusief een Johan (niet José) Decramer (niet Decraemer). De vergissing van Crabeels valt te begrijpen: Decraemer komt heel veel voor, Decramer is zeldzaam. En Johan wordt mettertijd gemakkelijk José.
Vanaf dan is het gemakkelijk, althans voor Passchyn die het telefoonnummer van Johan Decramer (°1948) opsnort. Ik bel en herken meteen Sokètjes stem. Mij herinnert hij zich niet en hij aanhoort mijn vertelling met onverholen wantrouwen. Dat wantrouwen heeft, zegt hij, met ’t internet te maken: ‘Ik haat de sociale media!’ Ik vraag hem of hij anderen herkent op de groepsfoto’s die ik hem doorstuur: ‘Ik herken niemand.’ Ik vraag hem om een recente foto: ‘Liever geen foto.’ 
Het contact verloopt moeizaam. Mailverkeer zit Johan Decramer duidelijk niet in de vingers en ik heb ook het vermoeden dat Sokètje meer indruk op ons gemaakt heeft dan wij op hem. Neen, hij herinnert zich niet dat we hem Sokètje noemden: ‘Ik vermoed dat ik in mijn onnozele ‘puberklaps’ over een nachtlampje verteld heb. Komt dat Sokètje daarvandaan? Ik weet het niet. Misschien heeft het met paarden te maken, ooit droeg ik de bijnaam Calo, wat stalknecht betekent, omdat ik als manneke van 12-13 bij mij thuis veel in de manège vertoefde en ook veel te paard reed.’ Daar voegt hij fijntjes aan toe: ‘Als de Brèningenaars mij meer met Johan aangesproken hadden had je me gemakkelijker gevonden.’ Ja, dat is waar. Over zijn verblijf in Bredene zegt hij nog: ‘Ik heb maar anderhalf jaar in ’t college van Oostende schoolgelopen. Mijn laatste jaar heb ik in ’t atheneum van Roeselare afgelegd. Dus heb ik ook maar anderhalf jaar in Bredene verbleven, bij mijn groottante langs moederszijde, ze was ook mijn doopmeter. Ik begrijp dat het voor jullie overkwam alsof ik zomaar opeens verdween, maar voor mij was dat logisch, Bredene was tijdelijk, 't was een passage.'
Na ‘t middelbaar studeert Johan Decramer in Gent bedrijfspsychologie en daarna werkt hij ‘in de centrale diensten van een grote organisatie’. Ik stel nog wel vragen, hij belooft te antwoorden: ‘Ik beperk mij wel tot feiten en cijfers, Mijn diepste hartroerselen, waarnaar je lijkt te hengelen, krijg je niet, het lijkt te veel op Facebooktoestanden en consorten.’  
Op die antwoorden wacht ik nog. Feit is: Paul Jambers zou met zijn vragen —  wie is hij, wat doet hij, wat drijft hem?⇲ — aan Johan Decramer een zware dobber hebben. Mocht iemand er nog aan twijfelen: neen, Johan heeft geen FB-profiel.


(°) Jef Passchyn, die de Oostendse collegejaren 1960-1969 aan ’t reconstrueren is, vindt ook een foto. Daarop zien we de jongens van de tweede Latijns-Griekse klasse in 1965-66. Ik plaats de foto in hoofding.


De digitale publicaties (pdf en EPUB) van De Lachende Visch zijn gratis. 
Mail erom (en vermeld de titel): liefkemores@telenet.be⇲. 

maandag 21 november 2022

Het verhaal van De Neunes

In Godtschalck↗︎ bezoek ik Pascal Deckmyn, altijd goed voor weer een ander verhaal.


Ze leveren me al lang verhalen, de Deckmyns. In 1999, toen ik nog maar kort Het Visserijblad↗︎ uitgaf, vertelde schipper Robert Deckmyn (°11 november 1914 – †13 december 2004) me al het merkwaardigste vissersverhaal dat ik ooit in dat blad zou publiceren. U kunt het hier↗︎ nalezen. Ook sasmeester op rust Pascal, Roberts oudste zoon, is een groot verteller. Op de meest plastische wijze legde hij me uit hoe het er in Oostendse cinema’s↗︎ aan toe kon gaan. Of hoe het er destijds bij de viswijven↗︎ aan toeging. 
De Deckmyns stammen uit de Oostendse garnaalvisserij, die we gemeenzaam als bootsjowerie↗︎ kennen; een wereld van kleine ambachtelijke producenten. Hoe zijn de Deckmyns eigenlijk in dat milieu terechtgekomen?
Pascals overgrootvader, Gusten, is nochtans van Roeselare. Daar verzamelt hij oud-ijzer, vodden & benen — uit beenderen wordt lijm gehaald — die kleine voddenrapers hem aanleveren. Het legt hem geen windeieren. Het aldaar verdiende geld investeert hij in een herenhuis in de Cirkelstraat van Oostende. Hij zet er zijn handel voort. Het huis heeft een binnenkoer waar kleine voddenrapers hun bij elkaar gesprokkelde oud-ijzer, slunsen↗︎ & benen achterlaten. Die binnenkoer opent ook een nieuwe mogelijkheid.
Zegt Pascal: ‘In die tijd wordt de garnaalvangst nog niet aan boord van ’t schip gekookt, zoals de Vlaamse garnaalvissers dat vandaag wel doen. Dus plaatst Gusten op die binnenkoer fornuizen om de vangst te koken. Ook die handel is een schot in de roos en August Deckmyn wordt zonder meer welvarend. De negen (!) kinderen van Gusten krijgen bij hun trouw elk een schuit mee, tweedehands scheepjes die hij in eigen land of in Frankrijk koopt, waardoor al die kinderen ook een eigen broodwinning meekrijgen. Ze moeten dat schip op termijn wel aan vader terugbetalen, waardoor Gusten ook in z’n oude dag voor een eigen inkomen zorgt. Al die scheepjes hebben dezelfde masttop — het gebeurt in de visserij wel meer dat scheepjes van dezelfde Oostendse familie een identiek geschilderde masttop krijgen —; het zijn de scheepjes van de neunes.’ Hoezo neunes? Pascal: ‘Wel, er zijn negen kinderen, neuf in ’t Frans, en die negen-neuf wordt in ’t Oostends al gauw verbasterd tot neun,’ Waardoor de kinderen van de uit Roeselare afkomstige Gusten Deckmyn aan een Oostendse bijnaam komen: de neunes.

Flor Vandekerckhove↗︎



Wie interesse heeft, laat dat weten aan liefkemores@telenet.be↗︎. Het e-boek (pdf) valt per kerende in uw mailbox. Gratis!

maandag 26 juli 2021

Rodenbachs vogel, mijn aapje

In Roeselare positioneer ik me naast het standbeeld van Albrecht Rodenbach en laat er mijn aapje los. De foto links is helemaal van mij. Voor de fotomontage met het aapje op de narrenstok koos ik als basis een foto van de vzw Albrecht Rodenbach.




Eerder bracht mijn queeste naar Vlaamse identiteit me al naar Brugge↗︎, Bornem↗︎, Dendermonde↗︎, Aalst↗︎, Geraardsbergen↗︎, Zarlardinge↗︎, Ronse↗︎, Kluisberg↗︎, Avelgem↗︎, Moerbeke↗︎, Menen↗︎, Ieper↗︎, Poperinge↗︎, Veurne↗︎, Rupelmonde↗︎, Alt-Hoeselt↗︎, Damme↗︎, Loppem↗︎, Lichtervelde↗︎, Diksmuide↗︎, Sint-Jacobskapelle↗︎, Hulst↗︎ en onlangs nog naar Meerdonk↗︎. Heden vervoegt ge mij in Roeselare, alwaar Vlaamse identiteit kiemt alsof het niets is. Over de stad heb ik hier↗︎ vroeger al geschreven, wat me toelaat me er nu met een citaat vanaf te maken:
Wie geen zin heeft om zich in het oeuvre van Bart De Wever te verdiepen en desalniettemin de Vlaamse identiteit wil doorgronden, moet zich naar Roeselare begeven. Ik ken die stad. Daar is een school die Klein Seminarie heet, er wordt een fameus bier gebrouwen en tijdens de jaarlijks terugkerende batjes kun je er over de koppen lopen. In de week wordt er gewrocht en op zondag, na de mis, wordt er gefeest. En dan mag het ook iets kosten. Nimmer werd die stad zonder katholieken bestuurd en immer waart de blauwvoet er in 't rond. Ja, we bevinden ons in de buik van onze geliefde natie. Een rechtstreekse treinverbinding met Gent is er niet, en dat komt doordat Roeselaarse pastoors wilden vermijden dat de jeugd naar een heidense universiteit trok. Voilà de Vlaamse identiteit in geconcentreerde vorm! Of zoals Raymond zingt: ‘Waar men de heer nog kan loven (…) En de pensen omvangrijk zijn.’
Over de aldaar veel te vroeg gestorven Albrecht Rodenbach (1856-1880) staat alles al in de Wikipedia↗︎ die u op die bladzijde ook iets leert over merkwaardigheden als ultramontanisme, pauselijke zoeaven, de Groote Stooringe en het West-Vlaams taalparticularisme. Een mens kan hoe dan ook niet anders dan onder de indruk komen van het palmares van deze jongeling die, pas 23, aan tuberculose overlijdt. En dan staat daar die ene zin die zoveel mogelijkheden opent: ‘In de laatste jaren van zijn leven nam hij afstand van zijn Vlaamse bevlogenheid (…).’ Zijn sterfjaar is ook het jaar waarin elders een Belgische Socialistische Arbeiderspartij opgericht wordt, om maar dat te zeggen.  
Dan is er het standbeeld. Ruim plein, gazon, prachtig & krachtig beeld. Albrecht laat er de blauwvoet↗︎ los, vogel met grote symbolische waarde. Liever dan me vrolijk te maken over de interpretatie die Rodenbach ertoe brengt van de familie Blauvoet uit Veurne een zeevogel te maken, positioneer ik me naast het beeld en laat daar op het uiteinde van de narrenstok↗︎ mijn aapje los. Is het niet als Tijl — een nar zoals u weet — dat ik ‘t land afreis om ons, Vlamingen, de identitaire uilenspiegel voor te houden? Wel dan!
Waarmee mijn queeste zijn eindpunt nadert. Ik zoek in Ieper een geschikte plaats om de synthese te maken: de identiteit van ’t Vlaamse volk.

Nieuw boek van Bredenaar Flor Vandekerckhove. 70 bladzijden speurwerk in alle hoeken & kanten van ’t land, in een scheve zoektocht naar de eigen identiteit. Met een voorwoord van Jan Loones↗︎. Het e-boekje (pdf) is gratis voor wie erom vraagt. Doe het nu via liefkemores@telenet.be.



vrijdag 21 april 2017

Lapkoes weg uit Zeewacht

ELKE MORGEN maakt de spiegel het mij duidelijk: de mens verandert met het ouder worden: kuiltje wordt put, glooiing wordt bult, rimpel wordt groef. Wat ik ook merk is dat karakterfoutjes indrukwekkende proporties krijgen. Zo is enige halsstarrigheid me nooit vreemd geweest, ook dat verergert zienderogen. Het overkomt me, net als die groeven, kloven, putten en bulten.
In De Zeewacht had ik tot verleden week een column. Nu niet meer. Dat komt doordat ik deze week iets schrijf dat de nieuwsmanager tegen de borst stuit. Die mens heeft me dat laten weten. Het gaat er, zegt hij, in Roeselare heel anders aan toe dan wat ik daarover schrijf. Ik kan hem geen ongelijk geven, hij werkt daar en ik niet. Maar wanneer hij me vervolgens voorstelt om m’n tekst aan te passen zeg ik toch neen. Dan rest er, zegt de manager, maar een optie: het einde van de column. Weer kan ik hem geen ongelijk geven, hij is de manager en ik niet.
Maar na 162 afleveringen zou de nieuwsmanager toch moeten weten dat Lapkoes geen nieuwsbericht is, maar een verhaal; dat een verhaal niet te managen valt; dat Lapkoes, zoals elk verhaal, uit fictie én non-fictie bestaat, feiten én verbeelding, waarheid én verzinsel, dat het ene in een verhaal niet zonder 't andere kan.
Aanpassen? ¡No pasarán! Wat ik wel kan doen is u hieronder gratis & voor niets de 163ste — en laatste — editie van Lapkoes↗︎ ongecensureerd aanbieden. 

‘Er zijn lezers die er bij mij over klagen dat ze almaar meer moeite moeten doen om deze rubriek weer te vinden. Vroeger stond Lapkoes altijd op dezelfde plaats, zoals dat voor een column past, maar sinds enige tijd staat de rubriek eens hier, dan daar en nu weer hier. Het heeft te maken met een reorganisatie. Dit blad wordt nu opgemaakt door lieden uit het binnenland, die vinden dat de visserij aan een verloren hoekje genoeg heeft.
Spijtig, maar begrijpelijk, want ja, de visserij heeft inderdaad niet veel meer om het lijf. De neergang is in de jaren tachtig ingezet — in Oostende al eerder — en dat gaat onverminderd voort. Zelf heb ik meer dan honderd schepen zien verdwijnen. Ik heb scheepswerven, visgronden en visserijscholen weten sluiten… Ik heb de tijd meegemaakt dat de vissersgemeenschap zich daartegen weerde, maar ook dat heb ik weten kwijnen. Toen de visserijschool in Nieuwpoort sloot, werd daar nog hevig op gereageerd, maar toen, enkele jaren later, die van Heist gesloten werd, was van verzet geen sprake. Nu verdwijnt ook de Dienst voor de Zeevisserij uit Oostende. Gepensioneerde ambtenaren worden niet vervangen en wie blijft moet naar Brussel sporen. Van het visserijlandschap dat hier ooit zo zichtbaar was, is nu haast niets meer te ontwaren.
Maar omdat ‘optimism a moral duty’ is ben ik ook op zoek gegaan naar positief nieuws en dat heb ik in Engeland gevonden, meer bepaald in Oxford. Daar heeft de Belg Sammy De Grave een nieuwe garnaalsoort ontdekt. Dat deze nog niet eerder gevonden is, mag een wonder heten, want hij maakt verschrikkelijk veel lawaai. Daarom heeft De Grave hem Synalpheus pinkfloydi genoemd, naar de luidruchtige rockgroep Pink Floyd.
Maar wat ik me toch vooral afvraag is op welke bladzijde Lapkoes deze keer terecht zal komen.’  

zondag 8 juli 2012

Roeselare, kamelen, ondernemers & kunstenaars

Links, de Soubrykameel, links (ik op) de Photohallkameel, midden (ik op) een kameel zonder commerciële eigenschappen.


WIE geen zin heeft om zich in het oeuvre van Bart De Wever te verdiepen en desalniettemin de Vlaamse identiteit wil doorgronden, moet zich naar Roeselare begeven. Ik ken die stad: daar is een school die Klein Seminarie heet, er wordt een fameus bier gebrouwen en tijdens de jaarlijks terugkerende batjes kun je er over de koppen lopen. In de week wordt er gewrocht en op zondag, na de mis, wordt er gefeest. En dan mag het ook iets kosten. Nimmer werd die stad zonder de katholieken bestuurd en immer waart de blauwvoet er in 't rond. Ja, we bevinden ons in de buik van onze geliefde natie.
Een rechtstreekse treinverbinding met Gent is er niet, maar er is wel een kanaal dat de stad met de Leie (en dus toch weer met Gent) verbindt. Dat de trein niet naar Gent spoort, komt door de Roeselaarse pastoors. Die vermijden alzo dat de jeugd naar een heidense universiteit trekt. Dat het kanaal er wèl is, komt door de plaatselijke ondernemers die jaarlijks 3,7 miljoen ton goederen over dat water laten transporteren. Voilà de Vlaamse identiteit in geconcentreerde vorm! Of zoals Raymond het zingt: ‘Waar men de heer nog kan loven / Waar de mensen belangrijk zijn / En de pensen omvangrijk zijn.’
Dat het kanaal daar 150 jaar geleden gegraven werd, moet gevierd worden met een kunstroute, aldus curator Christa Vyvey, uiteraard ook voorzitster van de plaatselijke CD&V. Zij is erin geslaagd een keur van kunstenaars te mobiliseren die het kanaal nu ook artistiek op de kaart zet. Zoals ik het al zei: vieren mag iets kosten.
Ik zou ter zake onwetend gebleven zijn ware er Chris Wuytack niet geweest die me wist mee te delen dat Jasper Rigole op zoek was naar ‘foto’s van de befaamde Soubry-kameel’. Rigole had die nodig om zijn filmische installatie ‘Kemel’ te produceren die op de kunstroute in het kanaalbedrijf Soubry te zien is. Hierbij past enige uitleg die ik u nu verschaf. 
Halverwege vorige eeuw toerde een ondernemende medemens door West-Vlaanderen met een kameel aan zijn zij. Gelukkig was Michel Vandenbosch nog niet geboren. Wie in die tijd kleuterschool liep, werd op de rug van het beest gezet en gefotografeerd. Soms werd die kameel gesponsord door macaroni Soubry, soms door ‘chocolat’ Jacques, soms door strandfotograaf Photo Hall en soms door niemand.
Dat laatste weet ik door mijn schoenendozen. Daarin vind ik verschillende beelden van kamelen met mezelf op, maar van Soubry is in die dozen geen sprake. Spijtig, want ik had graag mijn steentje bijgedragen tot Jaspers project.
Hopelijk kan ik via deze column toch nog iets betekenen voor de ondernemers van Roeselare, waarvan curator Christa Vyvey beweert dat ze ‘ondernemen tot kunst hebben verheven’, bewering die ons voldoende voer bezorgt om er een wijle over te mediteren nabij de veldkapel.