zaterdag 30 maart 2019

Onbetrouwbare vertellers? Het gaat om het verhaal

— Rechts de Witte Zee, links het Bristol Kanaal. In het verhaal heeft zich een verschuiving voorgedaan, Bristol Kanaal wordt Witte Zee. Verhalen leven, ze maken zich los van de oorspronkelijke feiten. — 

In het woonzorgcentrum vertelt iemand me over het tragische lot van Bredenaar Maurice Lievens (°1930): ‘Voor hij afvaart zegt hij nog dat het schip onstabiel is. Tijdens die zeereis gaat hij overboord en hij wordt nooit meer weergevonden.’ Ik vraag bijzonderheden. ‘In de Witte Zee. Als je daar overboord gaat vindt men je nooit meer weer. Je blijft er als ‘t ware eeuwig rondwaren, dat komt doordat het een zoute zee is.’
De zoute Witte Zee! Ik ruik een verhaal. Mijn gesprekspartner geeft me meer houvast: ’t Is gebeurd in het jaar vóór de Wereldtentoonstelling en hij herinnert zich ook de naam van het schip: François Musin. Ha!, ik ken dat vaartuig. Uitgerangeerd heeft het vele jaren in het dok gelegen, tussen het redactielokaal van Het Visserijblad en de vuurtoren.
— De O.305 François Musin in 1948, tijdens de tewaterlating
op de werf Beliard-Crighton. (Foto collectie Dirk Reunbroeck)
    —
Ik bestook enkele visserijcontacten met vragen. De antwoorden voeren me veel verder dan ik had kunnen bevroeden. Mathieu De Vestele: ‘Dat was inderdaad een onstabiel schip. Dat het in de Witte Zee ging vissen denk ik niet. Die zee is, hoe dan ook, minder “zout” dan wel “stout”. Het stormt er veel en het water is koud. De winterdagen zijn donker. Wie overboord gaat heeft nauwelijks een overlevingskans.’ Robert Coelus: ‘In de jaren vijftig voeren geen Vlaamse vissers naar de Witte Zee. Gaat het niet om de Witte Bank, een ondiepe plek in de Noordzee met grote golfslag bij NNW-wind?’
Ook Eddy Serie, Eddy Eneman en Antoon Vandamme betwisten ‘de zoute Witte Zee’. Enkelen zoeken de saliniteit voor me op: kleiner dan in de Noordzee! Johan Depotter: ‘In feite klopt het dat een drenkeling ginds in wezen minder kans maakt. Maar niet omdat hij als ’t ware eeuwig in het zout blijft rondwaren, ’t is eerder omgekeerd: minder zout laat iemand rapper zinken.’
Het dodelijke ongeval van Maurice Lievens is gedocumenteerd. (°) Hij is op 14 augustus 1957 overboord gegaan. Maar niet in de Witte Zee, wel nabij het veel dichterbij gelegen Bristol Kanaal. Dirk Reunbroeck zet de positie voor mij uit: 51°15'N - 006°35'W, halverwege tussen Cork en Penzance, inderdaad op weg naar het Bristol Kanaal. Niks Witte Zee! Dat blijkt ook uit de tekst op het doodsprentje dat Daniël Eyland me toestuurt en dat ik hierbij afdruk.
Bij mijn gesprekspartner heeft 'de zoute Witte Zee' zich ooit in het verhaal geschoven. Dat komt, denk ik, doordat elke mens in wezen een verteller is, een producent van verhalen. En verhalen leiden een eigen leven. Schrijver Neil Gaiman zegt daarover: ‘Groeien verhalen? Wel zeker — iedereen die ooit gehoord heeft hoe een mop van de ene mens naar de andere gebracht wordt, weet dat ze kunnen groeien, dat ze kunnen veranderen. (…)’
— (Collectie Daniël Eyland.) —
'De zoute Witte Zee waarin lichamen ten eeuwigen dage rondwaren' levert een sterk beeld op dat niet de werkelijkheid, maar wel het verhaal dient. Daar moet ik aan denken terwijl ik Writing Poetry To Find A Father Worth Grieving lees, een essay waarin de Amerikaanse dichter Edgar Kunz over de spanning tussen verbeelding en werkelijkheid reflecteert.
Poëzie wordt niet beperkt door feiten. Een gedicht is een sublimatie: de wereld die we kennen, is getransformeerd, nieuw gemaakt. Een dichter die met de grondstoffen van zijn eigen leven werkt, wordt bij elke bocht geconfronteerd met een keuze: hoe dicht hecht ik me aan het werkelijke? Hoe en wanneer ga ik ervan weg? (…) Je bent geen journalist. Doe wat het beste is voor het gedicht.
Wat geldt voor poëzie, geldt evengoed voor een verhaal. Lucia Berlin schrijft over haar leven. Ze brengt er ritme en kleur in, schaaft en reconstrueert dat leven tot het literatuur wordt. Een van haar zonen zegt daarover:
Ma schreef ware verhalen. Ze zijn niet per se autobiografisch, maar zitten vrij dicht in de buurt. Onze familieverhalen en herinneringen zijn geleidelijk zozeer omgevormd, verfraaid en bewerkt dat ik niet meer zeker weet hoe alles in die dagen echt is gegaan. Lucia zei dat dat niet erg was: het gaat om het verhaal.
Het gaat om het verhaal! En dat doet het al sinds mensenheugenis. Het is bekend dat de tekenaars in de grotten van Lascaux hun heldhaftigheid aangedikt hebben door de bizons imposanter en de horens wat scherper af te beelden dan ze waren: veranderingen die het verhaal ten goede komen!
Van de grotten van Lascaux tot in het woonzorgcentrum van Bredene: we zijn allemaal vertellers uit de school van Ken Kesey die zegt: 'To hell with facts! We need stories!'
Flor Vandekerckhove


(°) R. Carly. 75 jaar onderzoeksraad voor de zeevaart. 2002. Uitg. Provincie West-Vlaanderen. 317 pp.


vrijdag 29 maart 2019

Nieuw in onze vuurtoren: de podcast !

Dat De Laatste Vuurtorenwachter, diens uitgeverij De Lachende Visch (sinds 1991) en het online distributiekanaal Onze Weggeefwinkel (meer daarover staat hier) voortdurend in de weer zijn om de volgers van de blog te behagen, hoeven we u niet te vertellen. Wat we wél dienen mee te delen is dat De Laatste een nieuw medium inschakelt om nog beter tegemoet te komen aan de maatschappelijke taak die hij zich stelt, wat die ook moge zijn.
Vanaf heden is De Laatste Vuurtorenwachter ook een podcast. Waardoor u een aantal van zijn verhalen niet eens meer hoeft te lezen. Luisteren volstaat. Is dat niet cool?
Ik ben er nog een beetje mee aan ’t experimenteren, want ik ben een oude mens die al die nieuwerwetse dingen niet zomaar beheerst; vandaar ook dat ik u, om het te leren, dezer dagen misschien wel overstelp met min of meer — vooral min — geslaagde pogingen. Ik verontschuldig me daarvoor, ge moet maar denken dat ’t voor de vooruitgang is en voor de bevordering van de literatuur (en natuurlijk ook voor het milieu, want anders gaat Anuna…).
Een eerste poging staat daar, onder het waargebeurde handpalmverhaal De paraglider en ik; dat gaat over iets wat me echt overkomen is, alhier, op de Spinoladijk. Naar een tweede poging verwijst onderstaande advertentie. Wie klikt kan dan luisteren naar Moccasins, een merkwaardig verhaal over een gewone man, zo’n burgerman met een confectiepakkie an en moccasins. Ik weet niet goed of ik het een verhaal moet noemen of een gedicht, misschien is ’t wel een prozagedicht.
Ten slotte nog dit. Ik zou het op prijs stellen mocht u me uw op- en aanmerkingen laten geworden, het niveau kan er alleen maar door verbeteren. (Plaats ze wel bij de reacties onder deze blogpost; niet naar mij opsturen a.u.b.)

Flor Vandekerckhove

De paraglider en ik

Wanneer ik het aan mijn vriendin vertel legt ze me uit dat ik een paraglider gezien heb. Ik zoek het woord op en zie dat het in ’t groene boekje staat, waardoor het een Nederlands woord geworden is.
Maar eerst is er dit.
Op de Spinoladijk, naast het laagwaterstrand, loop ik helemaal alleen. De plensbui heeft alle wandel van ’t strand weggewaaid, niemand trotseert de waterkoude, niemand laat de hond uit. Vanuit zee waait een bries me toe, westnoordwest. Alles is grijs. Het intieme duister van deze late namiddag maakt mijn hoofd leeg. Ik richt mijn aandacht op de omgeving en ervaar ten volle de details: helmgras, zeeruis, zoutgeur. Terwijl alle muizenissen mijn hoofd ontvlieden, word ik, vlak boven me, traag voorbijgestoken door een wezen waarin ik meteen de engel van de geschiedenis herken, de engel waarvan Walter Benjamin beweert dat hij zich achterwaarts verwijdert van datgene waar hij zijn blik op gericht heeft, zijn vleugels gespreid. Die engel wil wel blijven, zegt Benjamin, maar zijn vleugels vangen de wind die uit het paradijs waait.
Dit is waarlijk wat ik zie. De engel beweegt geruisloos, licht schommelend, nauwelijks hoger dan de duintoppen. Hij zweeft zo traag, zo laag dat ik eerst vermoed dat hij aan ’t landen is, maar dan zie ik dat hij zachtjes wiegend verder zweeft naar het einde van de dijk, tot aan de vuurtoren.
Op ’t einde van de dijk is hij nauwelijks meer dan een stip. Waarna hij de terugweg aanvat en weer groter wordt. Wanneer hij nadert blijf ik lang stilstaan om hem aandachtig te bekijken. In ‘t passeren groet de engel me en ik zwaai terug.

Flor Vandekerckhove

   Luister nu naar de podcast van De paraglider en ik. Klik hier.

donderdag 28 maart 2019

Freddy Buffel en het fenomeen van de herinneringsvervalsing

— Freddy Buffel (rechts) en Flor Vandekerckhove —

We bevinden ons in Gent op ’t einde van de sixties. Ik zie mijn oud-klasmakker Freddy Buffel (°1949) die zich op het einde van de straat, gepakt en gezakt, naar de trein begeeft. Buffel, die in mijn ogen een wiskundig genie is, geeft er de brui aan. Hij zal zijn eerste kandidatuur wiskunde niet rondmaken. Ik herinner het me levendig. Gezelle zou zeggen: ’t is diep mij in den kop gebleven.
Een halve eeuw later spreek ik met Freddy af in het kader van een reeks gesprekken met makkers die ik, wel ja, een halve eeuw lang niet gezien heb. Dat afspreken gaat niet vlot, want Buffel gaat vier keer per week kaart spelen en twee, drie keer biljarten. Tussendoor gaat hij naar de dokter. Op 22 maart lukt het dan toch. In Oostende ontmoeten we elkaar in een sfeercafé, aan ’t paard, zoals het ruiterstandbeeld van Leopold I daar heet.
Het eerste wat ik hem zeg is wat hierboven in de openingsalinea staat: we bevinden ons in Gent op ’t einde van de sixties enzovoort. Freddy aanhoort mijn relaas en zegt hoofdschuddend dat er niets van klopt. Echt niets! Hij is tijdens dat eerste jaar helemaal niet voortijdig gestopt. Hij zingt heel de rit uit. Ook de tweede kandidatuur maakt hij vol, onderscheiding in de eerste zit.  
— Midden boven: Freddy Buffel in 1967. —
Voor de zoveelste keer word ik geconfronteerd met het fenomeen dat herinneringsvervalsing heet. Eens te meer blijkt dat veel van mijn herinneringen vooral verzinsels zijn. 
Terwijl Freddy over carrièrewendingen, (klein)kinderen en oldtimers vertelt, stapelen de vragen zich bij mij op. Wat maakt dat van mij, al die vervalste herinneringen? Een fantast? Een leugenaar?
De sfeer in het sfeercafé neemt toe. Freddy kent minstens de helft van het cliënteel. Terwijl hij al die cafékennissen vrolijk groet blijft het fenomeen van de herinneringsvervalsing me door het hoofd spelen. Buffel vertelt me over zijn reizen en over wat er ’s nachts in de Afrikaanse brousse gebeurt als het geld van de medereizigers opraakt. Ik kan er mijn hoofd niet goed bijhouden, want ik vraag me nog altijd af of ik al dan heel mijn leven bij elkaar gefantaseerd heb.
Als ik na afloop het café verlaat ben ik zo verward dat ik het gelag vergeet te betalen en Freddy met de rekening laat zitten. Vanaf de straat kijk ik nog eens achter me. In 't café is Freddy Buffel alweer druk aan ’t babbelen met andere stamgasten. Of is ook dat een herinneringsvervalsing?

Flor Vandekerckhove

dinsdag 26 maart 2019

Geil als boter (°)

1. Ganzenpas — Ze was een en al zinnelijkheid. Ik keek toe hoe ze me haar billen toonde. In de hitte van de voortschrijdende nacht mengde de champagne zich met vers zweet. Mijn handen maakten een reis over het landschap van haar lichaam, eerst haar schouders, dan haar rug en vervolgens ging het onbeschaamd naar beneden waar ik haar kont opzocht. Terwijl de olie overdadig in haar bilnaad liep, maakte lust zich van mij meester. Ik zei dat ik geil was, maar zij verstond heil. Ze keerde zich om, zei Don’t mention the war, stond op en stapte in ganzenpas de kamer uit.

2. Citaat — Ze hangt haar jas aan het haakje en kijkt naar buiten. Ik leg mijn oog op de meest sexy vrouw die ik ooit gezien heb. Ik probeer ervoor te zorgen dat onze blikken elkaar niet kruisen. Op den duur gebeurt het toch. Ze lacht me gul en geil toe. Ik beantwoord die lach schaapachtig en probeer de indruk te wekken dat mijn blik als bij toeval op haar borsten valt, maar meer dan slecht toneel is dat niet. Dat is zo’n vrouw, denk ik, waarvan Isaak Babel zegt: ‘Zo’n vrouw was het. Hadden u en ik er maar zo een!’

3. CFNM — Er bestaat een seksuele praktijk die CFNM heet, voluit: clothed female, naked male, in ’t Nederlands te vertalen als geklede vrouw, naakte man. De terminologie is duidelijk: tijdens het seksspel houdt een geile vrouw haar kleren aan, terwijl ze zich verlustigt aan een naakte man. Als dit de eerste keer is dat je daar iets over verneemt, dan ligt dat helemaal aan jou, want ik zie dat er een Wikipediapagina aan gewijd is en dat er tal van filmpjes te bekijken zijn als je ‘CFNM Clothed Female Naked Male Porn Videos’ googelt. En heu, ja, het heeft wel iets, ja.

4. Macht — Hij keek om zich heen en zag dat er buiten hen tweeën niemand in het vertrek aanwezig was, alleen de poetsvrouw en hij. De geile pastoor legde zijn hand op haar kont, uit zijn mond liep een streepje kwijl. Daarop klonk in het vertrek onverwachts de kreet: Me too! Maar het was niet de poetsvrouw die riep en het was evenmin de pastoor. Het was de allochtone klusjesman, die daarmee verraadde dat hij al vele jaren de poetsvrouw bespiedde door een zelfgemaakt kijkgat. Er kwam een zaak van. De klusjesman werd ontslagen, de poetsvrouw eveneens en het kijkgat werd gedicht.

5. Oud — Ze zei: ‘Hoelang is het geleden dat ik nog gevrijd heb?’ Hij zag hoe ze op haar vingers telde. ‘Ik studeerde nog,’ zei ze. En hij besefte dat elke vinger voor een decennium stond. Het duurde enige tijd vooraleer ze klaar was. ‘Vijfenzestig jaar’, zei ze. Daarna had ook hij veel tijd nodig om die vijfenzestig een plaats te geven en toen hij eindelijk klaar was begreep hij dat ze na hem nooit nog met iemand naar bed geweest was. Hij voelde hoe lust zich onverwachts van hem meester maakte, ook dat was lang geleden, maar toch geen vijfenzestig jaar.


[ (°) Een drabble is altijd honderd woorden lang, niet 99, niet 101, exact honderd, titel niet inbegrepen. Een drabble is bijgevolg een extreem kort handpalmverhaal dat aan die strenge honderd woorden regel voldoet. (Flor Vandekerckhove)]

zondag 24 maart 2019

De schrijver is een paar

— De Laatste Vuurtorenwachter omgeven door Elvis Peeters. (Foto Jo Clauwaert) —   

Op 7 juni 2012 ontvangt dichter Peter Holvoet-Hanssen in Galerie Zwarte Panter de Arkprijs van het Vrije Woord. Verschillende mensen nemen er het woord, zo ook Jos Verlooy en ik; ik als De Laatste Vuurtorenwachter, Jos als Elvis Peeters, want dat is de naam waaronder u hem kent, pseudoniem van het schrijvende echtpaar Nicole Van Bael en Jos Verlooy.
Op de foto sta ik tussen Nicole en Jos. Dat kan de indruk wekken dat ik die mensen goed ken, maar dat is schijn. Het beeld drukt wel het vreugdevolle moment uit dat we daar samen beleven. Over die gebeurtenis heb ik eerder geschreven in Op de cadans van Elvis Peeters. De foto hoort bij dat stuk, maar omdat Nicole er in die tijd een punt van maakt nimmer in de schijnwerpers te staan is hij in de schuif blijven liggen.
Tot vandaag, want als De Standaard mag, dan ik ook. Via die krant is Nicole Van Bael uit de schrijverskast gekomen. In een interview (°) deelt het echtpaar de antwoorden en wordt Nicole als auteur geportretteerd.
Vanwaar die ommezwaai? Nicole Van Bael: ‘Plots kregen we naar het hoofd geslingerd dat onze relatie niet evenwaardig was. (…) Ik denk dat mensen het raar vinden dat ik ervoor kies om het publieke forum niet te betreden en het applaus of de kritiek in ontvangst te nemen. (…) Combineer dat met het feit dat ik een vrouw ben en dat er een hele #MeToo-beweging over onze samenleving is gegaan en dan verstevigt het een het ander. (…)’
Maar hoe doen ze dat, samen een boek schrijven? Zowel Nicole als Jos geven elkaar stukken tekst door, eertijds geprint, nu veelal per mail. Die stukken worden langs beide kanten bewerkt tot ze tot één taal komen. Van Bael: ‘Wij zijn geen grote verhalenvertellers. Het is altijd een stuk tekst dat ons inspireert om naar een volgend te gaan en nog een volgend.’ Na een tijd zien ze dat er een verhaal ontstaat.
Flor Vandekerckhove


(°) Schrijven als duo: de vrouw in Elvis Peeters, in DSL 22 februari 2019. Het interview verschijnt in het kader van de lancering van De ommelanden, het nieuwe boek van Elvis Peeters.

vrijdag 22 maart 2019

Huiselijke scènes (2)

Op een even nuchtere als meedogenloze manier detailleert de Amerikaanse dichter Charles Reznikoff (1894-1976) waargebeurde feiten die zich in de arbeidersklasse hebben voorgedaan, bij vrouwen en kinderen, bij raciale en etnische minderheden, bij immigranten en kunstenaars, van wie velen in ellendige armoede leven.
Ik heb hier al een eerste gedicht uit Huiselijke scènes van Charles Reznikoff vertaald en er duiding bij gegeven, waardoor ik het nu kort kan houden.
In de toekomst ga ik nog wel een paar Huiselijke scènes vertalen, want ik heb me het verzameld werk van deze poëet aangeschaft, en dat zullen jullie geweten hebben.

Flor Vandekerckhove



Uit Charles Reznikoff. Testimony Volume 1 The United States (1885-1915) Recitative (David R. Godine/Black Sparrow Press, 2015)

woensdag 20 maart 2019

In memoriam Simonne Devriendt

— Simonna Devriendt (°1924 - †2019) —
In 2017 meldt Roland Vanmassenhove me dat een van mijn tantes in Wackerbout verblijft. Ik ga een kijkje nemen. Blijkt dat het Georgette Vandekerckhove is, een achternicht van mijn vader, een achterachternicht van mij. Mijn tante is ze niet, als ik haar al ken dan is het van zien.
Georgette klaagt, is eenzaam, voelt zich in de steek gelaten. Van levensvreugde is, zo te zien, nauwelijks nog sprake. In een zeldzame opwelling van menslievendheid beloof ik haar regelmatig op te zoeken.
Het wordt een wekelijks terugkerende zondagse uitstap. Gaandeweg leer ik andere residenten kennen, zoals Simonne Devriendt.
Simonne, zes jaar ouder, is Georgettes tegenpool. Georgette richt de blik naar binnen, Simonne leest de krant. Georgette eet nauwelijks, Simonne eet alles. Georgette is zwijgzaam, Simonne een spraakwaterval. Georgette vraagt, Simonne geeft. Waar een mens zich bij Georgette afvraagt hoe lang het nog moet duren, denk je bij Simonne aan iemand die gewis honderd wordt.
Georgette gaat eerst. Die zondag is haar deur gesloten. Simonne weet dat Georgette in ’t ziekenhuis overleden is. We zijn het eens: ’t Was ook geen leven meer.
Als vanzelf blijf ik Simonne bezoeken. Ze zit vaker in haar kamer, trekt minder naar het salon, ze mist Georgette. Wel blijft ze levendig vertellen. Over grootouders die aan de vuurtoren wonen, in een huis waar de vloer van zand is, over de bedrijven rond de vaart, over blinde keuns en andere oorlogsgerechten, over een fenomeen dat Franse mesdag heet, over ’t leven zoals het is op ‘t Sas, over de DDR waar ze met haar man twee keer heen gereisd is, over de zorg voor ouders en schoonouders, over het kinderrijke gezin van haar dochter, over het accident van haar schoondochter, over de actualiteit, over een messengevecht in lang verleden dagen, over Duitse soldaten en tommy’s, over een onopgeloste moord in de jaren dertig, over …
Een verkoudheid houdt me twee weken van het woonzorgcentrum weg. Zondag laatstleden neem ik de draad weer op. Alice Lievens vertelt me dat Simonne overleden is. Iemand zegt: ‘Elke mens die sterft is een verhaal dat uitverteld is.’ Da’s mooi gezegd, ik schrijf het op.
Flor Vandekerckhove


Simonna Devriendt (°20.05.1924 - †15.03.2019) — Georgette Vandekerckhove (°10.11.1930 - †08.02.2019)

zondag 17 maart 2019

Laurentius in Bredene, L.V. in Londen

Een van mijn kleindochters verjaart en in de Albert Heijn zoek ik naar een kleurboek. Daar winkelt op dat moment ook Laurent Vanacker (°1942), eertijds zanger van The Swallows; artiestennaam Laurentius.
Of ik geen zin heb om samen met hem de Vlaamse podia te betreden: afwisselend lied en verhaal, hij lied, ik verhaal. Ik zeg dat ik de mij resterende tijd in stilte wil uitzitten en dat mijn verhalen maar pittig genoeg moeten zijn om zelf hun weg te vinden.
Daar denkt Laurentius ietwat anders over. In het Oostendse Compact Center
ligt zijn CD met 12 in ’t Oostendse dialect gezongen nummers, in de webshop Shopmybooks kun je zijn memoires kopen en dan is er nog een Engelstalige productie die straks CD-gewijze een markt zoekt. ‘In Engeland,’ zegt hij, ‘heet ik L.V., omdat Laurentius Vanacker er te moeilijk in de mond ligt.’ Daar circuleert momenteel een demo. ‘Omdat ik met professionals werk moet ik wachten tot ze vrij zijn. Maar dan kan ’t rap gaan: ik geef hun de muziek en, hop!, ’t staat erop!’
We nemen afscheid. Ik heb weer een en ander bijgeleerd, onder meer dat Albert Heijn geen kleurboeken verkoopt.
Thuis lees ik een verhaal van A.L. Snijders. Hij heeft het over een collega die roemrijk publiceert, maar roemloos eindigt. Er hangt een moraal aan vast: ‘(…) dat je als schrijver nooit kunt ophouden, je moet doorgaan tot je er bij neervalt. En zelfs dan is het niet zeker dat je tot de literatuur wordt gerekend.’ Geldt iets soortgelijks voor de wereld van de popmuziek?
Enkele dagen later staat in ds weekblad een interview met Pascal Bruckner, een van de nouveaux philosophes, strekking die zich specialiseert in het problematiseren van in hun hoofd — en alleen maar daar — bestaande misstanden: ‘(…) Sinds de oorlogen hebben we twintig levensjaren bijgewonnen. Dat is een derde of vierde leven en als samenleving weten we dat nog altijd niet goed in te vullen.’ Daar heeft Laurentius (77) absoluut geen last van, en ik, Florentius (70), evenmin.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 15 maart 2019

Zondag, vernissage, storm, inspiratie


— Het ontwerp, links, staat op een bedrukt blad tijdschriftenpapier. Het werd bewerkt met gesso en overschilderd met acryl. In de tentoonstelling hangt het in een kader 40/50. Voorlinden, het schilderij, rechts, is groter, 50/70, acryl op doek. —

De wind knettert, jankt en giert in de masten. Op weg naar de vernissage ontwijk ik stukgewaaide zeilen en losgeslagen fenders, bolders en klampen. Meneer Delanghe verlaat de zaal terwijl ik binnenwaai. Hij draagt een baret, net als ik. Deze inleiding zegt dat we ons ten tijde van de voorjaarsstormen in een stad aan zee bevinden.
Geroezemoes. Er is werk van Ginette Myle en van Herman Vansynghel. (°) Herman zal het me niet kwalijk nemen als ik alleen iets over Myles schilderijen schrijf, althans over twee ervan, want ik wil een vraag beantwoorden die ze bij mij oproepen.
Ik plaats ze bovenaan dit stuk, twee keer hetzelfde beeld, of toch bijna; links het ontwerp dat naar het schilderij rechts leidt. Ze hebben elk een eigen schoonheid. Het laatste omdat het af is, het eerste omdat het onaf is en daardoor toevalligheden laat zien die daarna, deels wel, deels niet, een weg naar het tweede vinden.
Ik vraag me af of een schrijver dat ook kan doen. Kan hij ontwerp naast eindwerk plaatsen en beide aan een lezend publiek presenteren? Ik neem me voor straks iets te proberen. (Opeens herinner ik me dat Myles werk al tijdens een vorige tentoonstelling soortgelijke vragen bij me oproept.)
Buiten is de wind naar het westen geruimd en waar hij eerst alleen maar krachtig is, heet hij nu storm. De kusttram rijdt niet langer uit — zand in de rails — er is een vervangbus. Daarin verdeelt een jongen een pamflet van de gele hesjes; hij is ’t nog aan ’t leren. Her en der ligt een omgewaaide boom. 
Thuis haal ik een haringfilet uit de bokaal, want in dat weer kan ik wel wat omega 3 gebruiken. Daarna plaats ik twee teksten naast elkaar, verhaal, gedicht; twee keer ’t zelfde, of toch bijna.
Flor Vandekerckhove

Scapes, een tentoonstelling van Ginette Myle (schilderijen) en Herman Vansynghel (grafiek) in VLC Geuzetorre, Kazernelaan 1, Oostende. Nog tot 28 april. Man tot vrij van 8u30 – 12u30 & 13u30 – 16u30 / Zat gesloten / Zon van 10u30-14u.