dinsdag 17 september 2013

Het gezongen dagblad




Ik herinner me dat ik er ooit nog één aan 't werk gezien heb, maar hij was toen al een rariteit. Op de markt in Bredene verkocht hij blaadjes waarop de teksten stonden die hij zong. Meer dan een halve eeuw geleden was dat. 
Die straatzangers, met hun vliegende blaadjes, vervulden ooit een belangrijke functie. Informatie, onderwijs en lectuur waren voorbehouden aan de hogere klassen. De straatzangers fungeerden als journalisten voor de veelal ongeletterde werkende klasse. (*)
Ook in de Oostendse visserij was zo’n zanger-journalist aan ’t werk. De Gentenaar Louis Vanden Eeckhaute (°1867) deed zijn legerdienst in Oostende. Volgens een getuige was hij 
‘een man die nooit dronk. Hij schreef geen kluchtliederen, daartoe ontbraken hem de lust en de gelegenheid. Alles wat niet eerlijk en rechtzinnig was bracht zijn gemoed in opstand en moest hij in bittere woorden uiten. Hij was vooral bekend als antimilitarist.’ 
Hij zong liederen die uitbuiting aanklaagden. Daar ging de overheid destijds niet lichtzinnig mee om, tegen hem is minstens zestig keer een proces verbaal opgemaakt. Toen hij een lied ten gehore bracht over het beruchte Franse proces tegen Alfred Dreyfus, kostte dat Vanden Eeckhaute een boete van 26 frank, plus een gevangenisstraf van drie maanden! Jawel, voor het zingen van een lied. 
In 1887 was deze rebellerende straatzanger dus in Oostende om er zijn vaderlandse plicht te vervullen. Dat was niet zomaar een jaar, 1887 was het jaar van de roemrijke Oostendse vissersopstand. Soldaat Vanden Eeckhaute deed wat hij niet laten kon en maakte Het lied van de vissers
‘Wel vissers gij moet lijden / en zoeken naar een stukje brood. / Niemand kan u verblijden, / gij lijdt veel hongersnood. / Komt gij naar uw loon te vragen / zij verachten u als een arme man. / Zij willen u de zee injagen, / zonder eten, wat denkt gij ervan?’ 
Omwille van dat lied werd hij dertien maanden naar de strafcompagnie gestuurd.  Maar klein kregen ze hem daar niet. Nadat hij zijn straf uitgezeten had, zong hij ook daar een lied over: 
‘Ik kwam hier een liedje te zingen / Dat van de vissers bedrijft / Naar de supline werd ik gesteken, / ja, dat was voor mijne straf / Vrienden aandenk mijn droevig lijden / Wat ik heb daar ondergaan / Met water en brood en ijzers aan / Zo ben ik naar de supline gegaan.’ 
Ook voor dat lied werd hij zwaar gestraft, en niet omdat het rijm rammelt. Wijlen Jef Klausing vertelde me dat hij Het lied van de vissers in 1957 voor het eerst hoorde in Blankenberge. Hij mocht het toen met zijn recorder niet opnemen en hij evenmin mocht hij voortvertellen wie het daar voor hem gezongen had. Zeventig jaar na de feiten liet het neerslaan van de opstand zich dus nog altijd voelen. (**) 
Lionel Tamboer, een beroemde en
succesvolle marktzanger.
Aloïs Vanpeteghem was ook een bewogen liedzanger. Hij bezong de naweeën van de Eerste Wereldoorlog: 
‘Voor wat hebben wij zo geleden / Voor wat hebben wij zo gestreden / Voor wat offerden wij met een heldenmoed / Ons jong leven en al ons bloed (…)’ 
En dat in een tijd waarin het woord protestsong nog uitgevonden moest worden! Henri Bodin zong over de emigratie van Vlamingen naar Guatemala en Amerika. Ook produceerde hij een ‘Belangrijk dichtstuk over de overname van Congo’, waarin hij kritiek uitte op koning Leopold II.
Maar de meeste liedzangers waren niet zo sociaal bewogen. Hun was het om de sensatie te doen: moorden, verkrachte maagden, rampspoed… Andermans ellende deed ook toen al de persen draaien. Jacob Hendrik Arens was vooral op zoek naar wat in hedendaags journalistiek jargon een scoop noemt. Die vond hij in november 1827 met zijn lied over een walvis die in Oostende gestrand was. 
'Als zijn bakhuys open stond, / Twintig ellen in het rond / 't Was een overgroot beslag, / Als een zeeschip dat daer lag.'
Na 1900 was Tamboer een bekende marktzanger. Tamboer, alias Lionel Bauwens, was uit Eeklo afkomstig, maar in heel Vlaanderen bekend. En hij was populair. Een enquête onder zestigplussers op de Brugse markt toonde aan dat meer dan 80% van de ondervraagden naar die markt kwam om er Tamboer te horen. Hij scoorde vooral met liederen over de moorden in Beernem, een reeks gebeurtenissen uit de periode 1915-1944, die in 1991 ook een televisieserie opgeleverd heeft: De bossen van VlaanderenTamboer mag met dat soort liederen een voorloper genoemd worden van de sensatiepers. Moord! Dat was nieuws waar geld uit te slaan was, veel geld. In de 'hoogdagen' van de moorden van Beernem verkocht Lionel in drie jaar maar liefst 40.000 (!) liedbladen. Per blad betaalde hij de drukker drie centiemen. Op de markten kreeg hij er twee frank voor.


(*) Roger Hessel,  Marktzangers als journalisten van de werkende klasse. Gezongen dagbladen niet meer te beluisteren. In: http://www.depoemp.be/De%20Moord%20van%20Nijlen/Moord_P5.pdf  Roger Hessel verzamelde duizenden liedjes die marktkramers een eeuw geleden op marktpleinen en straten zongen. Op de regionale zender Focus werd hij in 2012 geportretteerd in de serie Levende helden. De gegevens over Louis Vanden Eeckhaute haalde ik bij wijlen Jef Klausing.
(**) Ik heb dit stukje in 2013 gepubliceerd. Inmiddels zet een van de dochters van Jef Klausing het werk van haar vader verder. Samen met haar echtgenoot Giedo Vanhoecke haalt Doris de gebeurtenissen van de Oostendse Vissersopstand van onder het stof, waarbij Giedo ook liedteksten van Vanden Eeckhaute ten gehore brengt.
[In 2021 redigeer ik dit stukje opnieuw, ten behoeve van de FB-groep Bredene voor en van iedereen. In 2022 presenteer ik het aan de FB-groep Oostende nostalgie.]


donderdag 12 september 2013

De tragiek van de Vindictive


— Links: het herdenkingsmonument op de oostelijke strekdam van de Oostendse haven. Rechts: de Vindictive, gezonken in de havengeul. —


Tijdens de Eerste Wereldoorlog worden er 3274 operaties uitgevoerd door 320 duikboten. 273 U-Boten vernietigen meer dan 11 miljoen ton handelsschepen. Zee kiezen doen die onderzeeboten o.a. vanuit Brugge. Daar is plaats om er voortdurend een dertigtal te onderhouden. Via kanalen varen ze naar Zeebrugge en Oostende en van daaruit naar zee. Voor de Britten komt het er op aan de twee havengeulen te blokkeren.
Een eerste poging gebeurt in de nacht van 22 april 1918. Enkele minuten voor middernacht, ontbrandt over heel de kust een meedogenloze strijd. Het gevecht overtreft alles wat men tijdens die oorlog al gezien heeft. Nooit worden zoveel decoraties voor moed en dapperheid toegekend aan Britse soldaten die bij een enkele operatie betrokken zijn. Om drie uur is het alweer stil. De Britse aanvallers trekken zich terug en de Duitse verdedigers schouwen de schade. Blijkt dat de Britten in de Zeebrugse haven drie schepen en een duikboot hebben doen zinken waardoor de haven geblokkeerd is… zij het alleen bij laagwater.
De Vindictive neemt aan de operatie deel. Het schip dient als stormboot. Aan het uiteinde van de pier, bovenaan de muur, zet de Vindictive troepen af. Dat gaat alzo. Tijdens de aanval produceren de Britten een rookgordijn dat hen onzichtbaar maakt. Helaas verandert de windrichting en vlak voor de ogen van de Duitse kanonniers verschijnt een volmaakt doel. Het schip is dan tot op een halve kilometer genaderd. De manschappen sneuvelen bij bosjes. Eén minuut na middenacht raakt het schip de pier en de landingstroepen doen wat hun opgedragen wordt. Intussen proberen de blokschepen de dam te passeren. Dat lukt, zij het gedeeltelijk.
Tijd om de terugtocht te organiseren. Moeilijke klus, de stormtroepen bevinden zich nog op de pier. De mannen moeten het open terrein in korte, snelle stormlopen traverseren, om zichzelf, en hun gewonde kameraden, met touwen en stormladders op te hijsen naar de top van de muur. Daar bereiken ze de loopplanken en strompelen naar in de Vindictive.
Maar Zeebrugge is maar een van de doelwitten, ook Oostende wordt die nacht geviseerd. De poging om zodoende ook het kanaal Brugge-Oostende onbruikbaar te maken mislukt. De actie zal nog een flinke staart krijgen. Bij de nieuwe poging om Oostende af te sluiten is de Vindictive weer van dienst, nu om in de Oostendse havenmonding te zinken. Op 9 mei 1918, om elf uur ’s avonds, steekt het konvooi van wal. De intussen opgekomen mist maakt er een zootje van. Dertien minuten nadat de Vindictive de Stroombankboei passeert, stoomt het schip westwaarts, evenwijdig aan de kust, op zoek naar de onzichtbare haveningang. En dan weer oost. En weer west. De haven zien ze niet, maar het schip bevindt zich nu wel in te midden het spervuur. Wanneer de Vindictive dat spervuur frontaal trotseert is het veel te dicht bij de westelijke pier. Het schip moet weer naar het midden om een obstakel te kunnen zijn. In het gevecht is de kapitein gedood en ook de navigatie-officier is gekwetst. De fel beschadigde Vindictive eindigt de dolle vaart door tegen de oostelijke pier aan de grond te lopen. De luitenant die nu het bevel voert, geeft bevel het schip te verlaten en de springladingen worden ontstoken. De Vindictive zinkt, maar niet op de plaats waar de Britten dat willen en… de havenmond is nog altijd bruikbaar. Ook de tweede poging om Oostende te blokkeren is dus een fiasco. Een derde poging komt er niet omdat de Duitsers inmiddels alweer de Zeebrugse vaargeul vrijgemaakt hebben.
Al dat geweld leidt tot povere resultaten. Het einde van de Vindictive kan daarom alleen maar tragisch genoemd worden. Hoeveel mensen zijn daar gevallen? Het is een balans die ik niet op 't internet vind. Journalist op rust André Vollmacher laat me inmiddels weten dat er tijdens de twee operaties aan Britse zijde alleen al meer dan 200 doden vallen: They shall grow not old, as we that are left grow old: / Age shall not weary them, nor the years condemn. / At the going down of the sun and in the morning, / We will remember them.
Flor Vandekerckhove

P.S. Dit stuk, in 2013 gepost, herwerk ik in 2020. Ik schrap 400 woorden en plaats bovenaan nieuwe foto's.

In 2020 werk ik aan een toneelstuk
waarvan u hieronder een teaser ziet.

maandag 9 september 2013

De tijd van Gustaaf Sorel


— ‘De Duivel en de Fee' (‘de Oude Peperbusse') (1976). 
Olieverfschilderij van Gustaaf Sorel (foto creative commons) —
In de zomer van 2013 toont curator Xavier Tricot ons, in de Venetiaanse gaanderijen, Oostende in de internationale kunst. Het is een beklijvende expositie, maar ik ervaar ook een tekort. Thuis blader ik in de doorwrochte catalogustekst van Tricot en stoot daarbij op een passage waarin Oostendse kunstenaars uit het midden van de vorige eeuw vermeld worden: ‘Een begenadigde plek waar ze elkaar konden vinden was de kunstenaarskroeg La Chèvre folle, gelegen aan de oude toren van de in 1896 afgebrande Sint-Pieterskerk, gekend onder de naam “Peperbusse”. Daar vonden elkaar o.a. Maurice Boel, Charly Drybergh, Lucien Guinotte, Etienne Elias, Jean Milo, Gerard Holmes, Gustaaf Sorel (…).’
De passage opent een deurtje naar een verre uithoek in mijn geheugen. Nu begin ik te zien wat ik in die tentoonstelling mis. De herinneringen leiden me naar de Paulusstraat, en in die straat naar een sjofele galerie, het winkeltje van Louis die er in de jaren zeventig het werk van zijn vader verkoopt, schilderijen van Gustaaf Sorel. Ik herinner me die schilderijtjes. Ze maken indruk op me, omdat ze getransponeerde, maar herkenbare beelden tonen van de straat waarin de galerie ligt. Het kan haast niet anders: daar heeft Gustaaf Sorel gewoond. [Dat is inderdaad ei zo na het geval geweest, het galerietje heeft als huisnummer 61, de schilder heeft in 't huis nummer 59 gewoond; ook om de hoek, in de Kerkstaat, heeft Sorel gewoond, getuigt een tekst op de gevel van het huis nr 46.] Hij haalt zijn inspiratie uit zijn buurt, de huizen en de mensen die er wonen. De kunstenaar leeft er te midden van zijn volk dat Michel de Ghelderode omschrijft als ‘la curieuse tribu des gens de mer’.
In de jaren zeventig biedt de Paulusstraat een desolate aanblik; een nauwe straat waarin buren geen belang aan privacy mogen hechten. Je ziet dat in het werk van Sorel, waarop nogal wat vensters te zien zijn die een voyeuristische inkijk gunnen. Kunstcriticus Jan Vercammen ziet dat ook: ‘Vensters en deuren krijgen bij Gustaaf Sorel een overwegend picturale betekenis. Zijn huizen zijn overvloedig bewoond: het zijn huizen van mensen die trachten te leven of zich laten leven of geleefd worden, die het leven willen leiden of het ondergaan (…) Vaak zijn deuren en vensters schilderijen op zichzelf en soms krijgen ze het uitzicht van een affiche, waaruit heel wat af te lezen valt voor wie lijnen en kleuren lezen kan.’
Omer Vilain schrijft: ‘De Sint-Paulusstraat, in de volksmond kortweg de Paulusstraat genoemd, is volgens mij nog één van de laatste echte Oostendse straten. Ieder maal als ik door die straat wandel, valt het mij op dat er in die straat in de laatste vijftig jaar nog zoveel niet veranderd kan zijn. Het is een straat, op sommige plaatsen zo smal, dat men zeker gemakkelijk van de ene woning naar de andere kan binnenkijken en aldus het wel en wee van zijn overbuur kan meemaken zonder dat men het eigenlijk opzettelijk wil. Daar ziet men nog vensters die opengetrokken worden om tot de melkboer te roepen dat het “voor vandaag niet is”. Een echte volksstraat met weinig geschiedenis, en toch… Wie jaren in deze straat woonde was kunstschilder Gustaaf Sorel. (…) Het is één en al deze oude volksstraat dat uit tientallen van zijn schilderijen met duistere kleuren tot de verbeelding spreekt. Sorel is zeker steeds door de Sint-Paulusstraat geobsedeerd geweest en hij is dat gevoel als kunstenaar nooit ontrouw willen worden.’
Heel de wereld is Parijs! Kent u deze uitdrukking? Hij wordt gebruikt door mensen die menen dat je het niet al te ver moet zoeken, dat je dichtbij je eigen Parijs kunt maken, Gustaaf Sorel wist dat.
Flor Vandekerckhove

° Louis Sorel (redactie). Gustaaf Sorel, Zijn werk, zijn leven. 1978. Uitgegeven in eigen beheer. De citaten over Gustaaf Sorel komen uit dat boek.

Ensor en zijn bende in Oostende op youtube

vrijdag 6 september 2013

De ene filosoof is de andere niet


Er is een tijd geweest waarin het bewijs van een filosoof geleverd werd door het leven dat hij leidde. Zo begint Onfray zijn boek over het filosofisch leven van Albert Camus.  Die tijd heeft lang geduurd, vervolgt hij, hij heeft geduurd tot het christendom de filosoof in een theoloog veranderde en de universiteit er vervolgens een professor van maakte. Iconen van deze negatieve ontwikkeling, stelt Onfray, zijn obscure denkers zoals Hegel en professoren zoals Sartre. De tegenstelling wordt, zo zegt Onfray, ook verwoord door Schopenhauer die een onderscheid maakt tussen filosofieprofessoren en filosofen. De professoren leven van de filosofie, de anderen (be)leven de filosofie.
Weerstand tegen de filosofie ‘van de Hemel en de Preekstoel’ wordt geboden door figuren als Rilke (in Brieven aan een jonge dichter), Kierkegaard en Albert Camus. Met hun filosofie kan iemand zich een identiteit vormen, van dat soort gedachten kan men een kompas voor het leven maken. Het leven wordt dan kunstwerk: ‘La vie devient une oeuvre, rien n’interdit qu’elle constitue une oeuvre d’art, autrement dit, une production sans duplication possible.’ (p12)
Daarmee zijn de bakens gezet: zwaarwichtige Duitsers tegenover lichtvoetige Fransen, professoren tegenover levenskunstenaars. Camus beweegt zich aan de goeie kant van deze lijn, in een traditie van Franse denkers die hij existentieel, maar zeker niet existentialistisch noemt. Over die laatsten is hij niet te spreken: ‘On imagine mal ce que fut cette mode à prétexte philosophique dans le petit monde de Saint-Germain-des-Prés.’ Wie kan er geloven, vraagt Onfray zich af, dat L’Être et le Néant van Sartre ook daadwerkelijk met aandacht gelezen werd en begrepen door ‘la faune qui faisait les riches heures des caves avec l’alcool, le jazz, le rock acrobatique, le tabac, la drague?’ Het existentialisme was ‘une mode associée au couple Sartre et Beauvoir, aux chansons de Juliette Gréco, à la trompinette de Boris Vian, aux tenues des zazous, aux overdoses de whisky.’ (p15)
Camus wordt wel veel bij die existentialisten ondergebracht, daar denkt Camus het zijne van: ‘Je ne suis pas un philosophe. Je ne crois pas assez à la raison pour croire à un système. Ce qui m’interesse, c’est de savoir comment il faut se conduire. Et plus précisément comment on peut se conduire quand on ne croit pas en Dieu ni en la raison.’ (p.16)
Filosoof is Camus in die zin: 'il pense pour vivre et mieux vivre, il réfléchit pour conduire son action, il médite dans le but de tracer une route existentielle, il lit, il écrit, afin de mettre en forme le chaos cartographié par le verbe. (…) Pour lui le verbe se fait chair, acte, action, sinon il ne sert à rien.’ (p.28)
Tot zover de inleiding van dit boek. Nog 770 bladzijden te gaan.

Michel Onfray. L’ordre libertaire, La vie philosophique d’Albert Camus. Paris, ed. J’ai Lu. 9,90 €. ISBN 978229005980-7.

Over Camus schreef ik eerder al in deze blog. Er is een label dat naar hem wijst.

donderdag 5 september 2013

Het pensioen lonkt, de stapel groeit


Over minder dan een half jaar word ik vijfenzestig, de meet komt in zicht, het pensioen lonkt.  Ik monster aandachtig mijn op rust gestelde medemensen. Uiteraard, want ik wil weten wat me te wachten staat.  Hoe ziet het leven eruit eens de arbeidsmarkt zijn greep op een mens definitief gelost heeft?
Hola, zult u uitroepen, schrap die laatste zin maar, want als er iemand is die zich aan die arbeidsmarkt heeft weten te onttrekken, dan bent u dat wel.
Toch zal ik u tegenspreken. Het is waar dat ik al vroeg een batterij aan sociale spitstechnologieën ontwikkeld heb, wat me naar een zinvol leven weg van de prikklok geleid heeft, dat belet niet dat de markt me tot vandaag nauwlettend in ’t vizier blijft houden. Vanuit die markt lost men regelmatig een schot voor de boeg van het gammele scheepje van mijn bestaan en soms ook wel een goed gemikt schot tégen mijn boeg. Neen, ik zal maar gerust zijn wanneer het bericht in de bus valt dat de arbeidsvoorziening het voortaan zonder mij zal proberen doen.
Ik bekijk de gepensioneerden, degenen die me voorgegaan zijn.  En wat zie ik? De werkdruk is verdwenen, maar toch zijn ze gehaast. Ze negeren wachtrijen, ergeren zich aan files, haasten zich naar de tram terwijl er enkele minuten later toch weer een volgende passeert; ze steken me gejaagd voorbij, voortgedreven door elektrisch aangedreven fietsen.  Laat het duidelijk zijn, ze hebben geen tijd te verliezen. 
Wat erger is: ik zie het in toenemende mate ook bij mezelf gebeuren. Vroeger ben ik bijvoorbeeld altijd een ordentelijk lezer geweest. Gedisciplineerd door de noodwendigheden van het leven placht ik nooit twee boeken tegelijk te lezen, want, zo wist ik, wie tegelijk twee boeken leest, leest uiteindelijk niet één.  Maar op de vensterbank van mijn nakende pensioen zie ik een haast onoverkomelijke berg groeien van ongelezen boeken, wachtend op een tsunami van vrije tijd die zich over me heen zal storten. Waardoor het mij duidelijk wordt dat ook ik desondanks een drukke derde leeftijd tegemoet ga.
Bovenaan ligt L’Utopie concrète d’Ernst Bloch van Arno Münster. Deze Bloch is een filosoof die me uitermate boeit, maar waarvan ik nooit iets gelezen heb, al is ‘t maar omdat de mens in ’t Duits schreef en er nauwelijks iets van hem in ’t Nederlands vertaald werd. Misschien is dat maar goed ook, want ik weet zeker dat Bloch ook in ’t Nederlands voor mij te hoog gegrepen is, wat me niet belet zou hebben dat werk al aan te kopen. Veel kans trouwens dat ik ook op die biografie mijn tanden breek, want 388 bladzijden in ‘t Frans, kleine letters, slecht gedrukt, slordig uitgegeven… Pffff.  En da’s nog maar het topje van de stapel.
Daaronder ligt L’ordre libertaire, La vie philosophique d’Albert Camus, een boek van Michel Onfray, goed voor 800 (!) bladzijden van de Franse slag. Van de Franse slag betekent dat je die bladzijden vlug kunt omdraaien, maar toch, achthonderd!  Wanneer moet ik dàt lezen? En weet je wat vreemd is? Ik ben me al van dat probleem bewust als ik dat boek aankoop. Maar ik kan geen boek over Camus passeren zonder het tot mij te nemen.  Vraagt u zich nu af of ik dan ook alles van die schrijver zelve lees? In mijn bibliotheek neemt zijn oeuvre inderdaad veel plaats in, en dat staat daar, zo moet ik eerlijk toegeven, allemaal half gelezen. Alleen De mythe van Sisyphus heb ik tot een goed einde kunnen brengen, een essay waarvan ik me de filosofie trouwens meteen eigen gemaakt heb.
Albert Camus, zo interpreteer ik de feiten in mijn boekenkast, is een van mijn belangrijkste schrijvers, zij het dat ik daar nauwelijks iets van gelezen heb.  Vindt u dat onlogisch?  Ik heb nog zo’n favorieten.  Over Victor Serge bijvoorbeeld heb ik ook alles gelezen, maar zijn romans blijven voor mij letterlijk gesloten boeken. Een mens mag over zo’n inconsequenties niet teveel nadenken, vind ik.  Dus blijft ook Albert Camus me verder boeien, meer als persoonlijkheid dan als auteur. Nu komt daar ook nog eens die intellectuele biografie van Onfray bij.
Al die filosofie, zult u verzuchten, helpt dat me dan om de wereld beter te begrijpen? Wel, het helpt me alvast te begrijpen waarom de gepensioneerden niet rustig hun beurt in de winkel afwachten. Ook zij moeten dringend verder met hun eigen Camus en Bloch, alhoewel die hoogdringendheid bij hen wellicht anders heet en misschien ook niet in boekvorm staat te wachten.
Herlezen doe ik ook. Dat is momenteel het geval voor Ernest Mandel, Rebel tussen droom en daad van biograaf Jan Willem Stutje. Dat wilde ik tussendoor nog doen, ook al omdat ik over dat boek nog niets in de blog geschreven heb. Ik heb deze keer helaas het einde niet gehaald, omdat de nieuwe lading voorrang krijgt.  Ik was nochtans alweer aan pagina 164 geraakt, maar goed.  Ik steek het boek nu tot aan mijn pensionering weer in de kast. Dat ga ik ook doen met Makhno et la révolution ukrainienne van Ettore Cinnella. Dat werkje heb ik al lang liggen. Na mijn pensionering begin ik eraan.
De tentoonstelling heb ik inmiddels bezocht, maar de catalogustekst van Xavier Tricot (Bonjour Ostende, Oostende in de internationale kunst) moet ik nog verorberen. Daaronder ligt dan ook nog Gustaaf Sorel, Zijn leven en werk, een kunstenaar die niet op die tentoonstelling terechtgekomen is, maar die m.i. te vlug vergeten wordt.  Hopelijk krijg ik daar iets uit gelezen voor de uitleningtermijn verstreken is, want dat boek heb ik aan de bibliotheek ontleend.
Op die vensterbank ligt nog een en ander dat ik geleend heb. Duitse herfst, Een naoorlogse reportage van Stig Dagerman, een Zweedse auteur waarvan ik al lang iets wil lezen. Over Dagerman heeft Jeroen Brouwers geschreven in De Zwarte zon, een boek dat ik hier ook heb liggen. Brouwers schreef nog meer over Stig Dagerman, en ook dat wil ik lezen, maar daarvoor moet ik wachten. Dat boek moet eerst van de openbare bibliotheek van Blankenberge naar die van Oostende verkassen. Het duurt trouwens bijzonder lang voor ik daar bericht over krijg. Ik was er beter zelf om geweest! Want de tijd dringt en het pensioen nadert met rasse schreden. Help!
Flor Vandekerckhove