[Op mijn vierenzestigste verjaardag begon ik een autobiografie te schrijven, of toch een min of meer verbeelde variante op het genre. Ik hoopte een eerste versie af te hebben op de dag dat ik vijfenzestig word. Zo nu en dan presenteer ik in deze blog een nieuw hoofdstuk. Wie (eerst) eerdere hoofdstukken wil lezen, drukt op een van de labels onderaan.]
XIII.
XIII.
Omdat
het waar is wat ik schrijf, daarom is ’t dat ik zo koortsachtig aan dit boek
werk. Het is een inzicht dat zich gaandeweg gevormd heeft, iets wat in den
beginne helemaal niet duidelijk was, maar het al schrijvend wel geworden is.
Blijkt dat dit het boek wordt waarin ik, eindelijk, eindelijk, onbeschroomd tekeer zal gaan; met vorm
en inhoud, met overdaad en schaarste; gekunsteld waar ik er zin in heb,
meanderend waar ik wil, herhalend waar het me past, wars van de mening van de
lezer die er überhaupt niet is. Door al die zelfgeschreven vrijheid komt de weg
naar de waarheid open te liggen, net zoals de meesters het me voorgezegd hebben,
Louis-Ferdinand Céline, André Breton, Pierre Michon en al die andere.
Het
begon, wel ja, nog weifelend. Wat is dit voor een boek, vroeg ik me toen nog
af. Maar dat is inmiddels wel verleden tijd. Dit is geen autobiografie en een roman is ‘t evenmin, dit zijn
geen memoires en je kunt het evenmin zomaar een verhaal noemen, dit is geen fictie en het is
zeker geen non-fictie.
Dit
is wat zich afspeelt aan een tafel voor het raam dat uitkijkt op het
binnenplein van het rusthuis waar ik ooit terechtkom en waar ik half luidop
voor me uit zit te monkelen, te vertellen, tegen niemand of 't zou tegen mijn spiegelbeeld in 't vensterglas moeten zijn, onverstaanbaar en zonder remmingen, of 't zouden deze van de taal moeten zijn,
in de even tragische als geruststellende wetenschap dat niemand luistert, behalve de denkbeeldige die ikzelf ben. Dit is iets wat ik mezelf aandoe, het is
mijn waarheid. Dit is wat ik mezelf vertel; ’t is de vertelling van iemand die in zichzelf aan 't spreken is.
Er
is niets meer dat de verteller in ’t gareel houdt. Weg is de behoefte om ermee te scoren. Hier
wordt de gouden regel gedood die zegt dat je je schatten moet doden, hier wordt
de opschorting van ongeloof opgeschort, de vrees om het al te ingewikkeld te
maken is weg, en dat geldt ook voor de behoefte om de dingen te verschonen, te
verbloemen.
Open
voor me ligt de weg naar waarheid.
Een van de vele weliswaar, maar een waarheid minstens even waar als al de
andere (zelfs de tegenovergestelde); een waarheid die elkeen ook wel kan
vermoeden mocht men daar enige moeite voor willen doen (maar die men uiteraard
niet doet) of die deze of gene op een heimelijke manier zelfs zeker weet, maar desondanks
een waarheid die nooit eerder uitgesproken werd, laat staan neergeschreven, omdat
er bij voorkeur geen aandacht aan besteed wordt — waarom zou men? —, ook omdat
men zegt dat het een waarheid is die met de mantel van de liefde bedekt moet
worden; omdat ze over gedane zaken gaat die geen keer nemen; omdat men vindt
dat ze niet opgerakeld moet worden; omdat het algemeen geweten is dat er over
de doden niets dan goed verteld mag worden. Om al die redenen, voorwendsels evengoed als valabele redenen, wordt ze niet beschreven, maar al die argumenten komen uiteindelijk
hierop neer: omdat het mijn waarheid is, alleen de mijne en niet die van iemand
anders. Daarom is ’t dat ik zo dwangmatig bezig ben, omdat ik de enige ben
die ze zal schrijven (en de enige die ze daarna zal lezen). Daarom is ‘t, omdat
ik de schrijver èn de lezer ervan ben, de schepper van een waarheid die bestaat
uit wat ik er als enige over schrijf en wat ik er vervolgens als enige over lees.
Twaalf
hoofdstukken lang al vraag ik me af wat me ertoe drijft om zo passioneel aan
dit boek te werken, ik die op de valreep van mijn vijfenzestigste sta en die
het allang niet meer nodig heb om mezelf in de schijnwerpers van ’t leven te
zien staan, integendeel; ik die naar de rust van de vergetelheid verlang; ik
die alle literaire pretenties achter me gelaten heb, of dat althans denk; ik
die zeker weet dat er voor dit boek geen plaats op de markt is (zoals dat
voor mijn vorige trouwens evenmin het geval was). En nu weet ik het, nu weet ik
waarom ik zo overmoedig aan dit boek begonnen ben en waarom ik sindsdien van
geen ophouden meer weet.
[Er
staat anders wel genoeg werk te wachten, taken die altijd weer te lang
uitgesteld worden, formulieren die dringend ingediend moeten worden en die hier
al zo lang liggen dat ze zoekgeraakt zijn, een tijdschrift dat al zo lang op
een bijdrage wacht dat het er niet meer van zal komen, de boeken die voor ik
sterf zeker nog gelezen moeten worden, houtwerk dat er afgebladderd bij staat,
de was, de plas, het dak, een schurend scharnietje, kleinkinderen die me te
weinig te zien krijgen, planten die bewaterd willen worden; er is zoveel dat
belangrijker is dan dit boek dat desalniettemin al dat belang laat wijken.]
Ik mag dan onvervaard te werk gaan, je mag niet denken dat dit alles me niet
bezwaart en dat ik mezelf, in de plaats van de lezer die er niet zal zijn — toch niet in die mate dat je van een publiek of van een lezerscorps kunt spreken — geen
vragen stel bij wat hier nu tevoorschijn komt. Ik vraag het me af, evengoed als elke willekeurige lezer het had kunnen doen,
gesteld dat het hem de moeite geleken had: welke mens is dat eigenlijk die zijn
ouders op zo’n manier beschrijft? Die mensen zijn dood, waardoor ze geen
verweer meer hebben. Kan ik het
voor mezelf verantwoorden dat ik ze hier op deze manier portretteer, zij die zichzelf
niet meer kunnen verdedigen? Schrijf
ik over hen op een beschamende manier? Is het een afrekening, een al te lang
uitgestelde daad van een overjarige puber? Lijkt het op revanche, op wraak
zelfs?
Het zijn vragen die op een begrijpelijk
misverstand berusten — zo weet ik inmiddels wel, zo heb ik het al schrijvend
uitgedokterd —, dat veroorzaakt wordt door het ontleedmes waarmee dit boek door
het leven snijdt, het mijne en dus ook dat van mijn ouders; een mes dat met
omtrekkende bewegingen een gezwel blootlegt dat menselijk tekort heet, dat gezwel
dat het leven danig bezwaart en waaraan mijn ouders niet hebben weten te
ontsnappen; hij niet in de drank en zij niet in de religie; een gezwel dat ook
het leven bezwaart van degene die er nu, zoveel jaar later, over schrijft en
die daardoor een tekst aflevert als deze die ik nu aan ’t schrijven ben; ik,
degene waarmee mijn ouders destijds hebben moeten leren leven, degene waarmee
ook ik al die tijd moet leren leven; zoals we dat tenslotte allemaal moeten
doen: ermee leren leven, met onszelf en met ons menselijk tekort.
Hadden die mensen nog geleefd dan zouden ze
zich in dit boek herkend hebben. Ze
zouden er zich heel zeker aan geërgerd hebben. En ik, ik zou me op mijn beurt aan
hun ergernis geërgerd hebben. Ongetwijfeld
zouden mijn woorden hun pijn gedaan hebben. En als ze het me niet gezegd zouden hebben, om de kerk in ’t
midden te houden, om geen olie op het vuur te gooien, om de dingen niet nog
ingewikkelder te maken dan ze al zijn, omdat wij over al die dingen niet
spreken, dan had ik het toch wel gezien, in een veelzeggende blik bijvoorbeeld die
mij op mijn beurt weer pijn zou gedaan hebben. Maar wat valt daaraan te
doen? Dat is de pijn die ouders
voelen als ze naar het kind kijken dat van hen vervreemdt; een kind dat evengoed naar ouders kijkt die hem vreemd zijn. Maar goed, die mensen moeten dat allemaal
niet meer lezen, want ze zijn dood. En van dode mensen kun je veel zeggen, maar
niet dat iets hen kwetst.
Of kwets ik die overleden mensen toch wanneer
ik schrijf hoe mijn moeder op zaterdagavonden de luizen uit mijn vaders haar
aan ’t knijpen is, hoe ik daar als kind op sta te kijken terwijl hij met
gebogen hoofd op een stoel zit, zij achter hem staat en een fijne kam door zijn
half krullend haar laat gaan, waarbij ik uiteraard aan de apen denk die ik tijdens
een schoolreis bezig gezien heb? Kwets ik mijn dode vader wanneer ik in dit boek over
het ongedierte vertel dat hem bespringt terwijl hij in het hok kip na kip na
kip de dood injaagt? Kijk ik niet toe wanneer hij die beesten omgekeerd in een
trechter hangt zodat het bloed uit hun bek in het gootje vloeit waar het ook
stolt? Zit ik er niet op te kijken, wachtend, een stinkend doek over mijn
schoot, doordrenkt met bloed en slijm en stront, waar de oorwormen ’s nachts nest in gemaakt hebben, waarop hij straks
de kip zal smijten die door mij gepluimd moet worden, terwijl de weeë geur van die
doorweekte dieren zich in mijn poriën nestelt, waardoor ik altijd een beetje
naar de dood ruik? Ben ik niet de dagelijkse
kroongetuige van het gekrijs van weer een konijn dat hij de nekslag geeft, waarna
hij het niet helemaal bewusteloze, radeloze beest met een vlijmscherp mes de
keel oversnijdt terwijl het zijn doodsangst uitschreeuwt en het bloed tot ver
naast de emmer spuit die het had moeten opvangen? Zie ik niet hoe hij dat nog
rillende konijn aan zijn gevlochten achterpoten over de balk hangt? Ik kijk goed toe
wanneer hij het vilt, want ik vermoed dat de dag ooit komt dat ik het in zijn
plaats zal moeten doen, en zie hoe de rokende ingewanden, een festijn voor de
kat, in de emmer verdwijnen. Ik
heb ze gezien, al die beesten die meedogenloos gedood worden, maar uiteraard ook
de luizen die aan de dood proberen te ontsnappen door mijn vader, even
meedogenloos als hij, te bespringen; ik zie ze lopen in zijn nek, en ik heb
gezien hoe mijn moeder hem er weer vanaf helpt. En dat ze dat met liefde doet,
net zoals ik het de apen in de zoo zie doen.
De waarheid is: ik houd wel van mijn ouders. Ik
houd van mijn moeder. Is zij het niet
die er voor mij is, altijd, ook op al die avonden dat er niemand anders is;
niemand en zeker mijn vader niet? Is zij het niet die me met haar sierlijke
handschrift het woord leert te waarderen? Is zij het niet die mijn
waterverfschilderijtjes, even trots als lacherig, aan wildvreemden toont die er
’t hunne van denken? De waarheid is: ik houd van mijn vader die me meeneemt
wanneer de Ronde van België in de buurt passeert, die me één enkele keer
voorleest wat er in de krant onder de tekeningen van Erik de Viking geschreven
staat, wiens handtekening ik imiteer, die me helpt bij het oppompen van mijn
fietsbanden en die me op mijn twaalfde al leert autorijden in de Ford die ik de Mooie Amerikaanse noem.
De waarheid is: ik houd wel van mijn ouders,
net zoals elk kind dat doet, maar waarom staat mijn vader, een volwassen man in
de volle kracht van het leven, te wenen bij Zoë, zijn moeder, terwijl zijn zoon
er niet begrijpend op staat te kijken? Aan mijn vader hoef ik het niet te
vragen, want hij spreekt niet echt met mij, maar waarom legt mijn moeder me
niet uit wat er gebeurt? Wat is er aan de hand met die twee? Welk drama speelt
zich daar af, waar ik niets mee te maken mag hebben en desondanks alles mee te
maken heb? Waarom gedragen die twee zich zo belachelijk? Waarom gaan ze zich zo
te buiten op familiefeesten waar iedereen zich wel te buiten gaat, maar zij
toch weer veel meer dan de anderen? Waarom legt mijn moeder me niet uit wat er
gebeurt op zo’n momenten, zij die me anders altijd alles ongevraagd uitlegt?
Waarom moet ik van dat alles de stomme getuige zijn?
Ik weet het wel, bij haar is het mijn zusje, Myriam, die het niet gehaald heeft, die haar in een eenzaamheid stort waaraan niet te tornen valt, door niets en niemand, en die ze alleen maar kan uiten in tremolo's tijdens kerkdiensten. Bij hem is het de drank; drinken moet
hij en zij heeft liever dat hij het in haar gezelschap doet dan elders; ik weet
het wel, maar waarom kan ik daar met niemand over spreken?
Waarom is Edmond, mijn vaders vader, zo vroeg gestorven en waarom is Jozef,
mijn moeders vader, nog jonger gestorven? Waarom zal mijn vader zo vroeg
sterven en zodoende mijn moeder verplichten om tot op hoge leeftijd alleen verder
te leven, in eenzaamheid, zonder Myriam die haar gezelschap had kunnen houden, met alleen maar het bezoek van een onwillige zoon die
nauwelijks in staat is haar zijn liefde te betuigen? Is dat allemaal omwille
van de drank en omwille van een kind dat niet levensvatbaar was?
De waarheid is: ik houd wel van mijn ouders, net
zoals een kind dat doet en ik haat hen net zoals een kind dat doet. Ik haat mijn moeder wanneer ze haar
machteloze woede weer eens op mij koelt. Ik haat mijn vader als ik hem in het
huis, dat zuur ruikt naar verschaalde alcohol, de trap zie afkomen, in zijn
marcelleke, zijn gezicht vol rode plekken, verwrongen van de alcohol; de paniek
trotserend die zich van zijn echtgenote meester maakt wanneer ze vermoedt dat
hij zich klaarmaakt om weer op pad te gaan; niet antwoordend op haar dwingende
vraag waar hij heen gaat, als om ons te demonstreren hoe dwars een dronkaard wel kan zijn.
Ik haat hen beiden — zie ze daar staan! — en
omdat ik niet bij machte ben hun dat ook te zeggen, muis ik er vanonder. In de garage staat de Mooie Amerikaanse
waarin ik me terugtrek. Het portier valt dicht met een zachte plof die ik nooit meer in een andere auto zal horen. In de wagen heerst een luxueuze stilte. In het handschoenenvakje vind ik een aangetast pakje Sprint, de sigaret van de sportman; ik ga achter het stuur zitten, draai de autosleutels om — de Mooie Amerikaanse maakt nauwelijks
lawaai, ze zingt. Niemand komt me halen. Ik open de garagepoort en luister voor het eerst in mijn leven naar de lokroep van de sirenen. ik vergeet de koplampen aan te steken en rijd de duisternis in, eerst
weifelend, dan zelfzeker.
Ik zoek een lang stuk weg, de Koninklijke
Baan, duw zover mijn kinderbeentjes het me toelaten het gaspedaal in en zoek de meest geschikte plek en het beste moment om me met de Mooie
Amerikaanse te pletter te rijden; een daad die hun moet laten zien hoe groot
mijn haat wel is. Mijn handjes omklemmen krampachtig het stuur van de mooiste auto
die mijn vader ooit gekocht heeft, de Customline haalt honderdtwintig en kijk,
hij gaat daar nu zelfs over.
Ik nader het einde van de weg, heb dan nog
altijd geen geschikte plek gevonden en nog minder een geschikt moment, en besef
ik dat ik een gevaarlijk stuk theater aan ’t opvoeren ben. Mijn hart klopt in mijn
keel. Ik laat het gaspedaal los.
De Mooie Amerikaanse vertraagt, zoeft rustig verder doorheen het duister, en ik
haal adem. Aan het einde van de weg keer ik de wagen en rijd hem weer naar
huis. Ik parkeer hem onberispelijk in de garage, steek het pakje sigaretten in mijn broekzak, sluit de poort en ga weer naar
binnen, klaar om te ontvangen waar ik om gevraagd heb.
Mijn moeder zit te boeren in de zetel. Ze zegt
niets, maar ik voel dat ze erin geslaagd is mijn vader weer naar bed te sturen.
Niemand heeft mijn afwezigheid opgemerkt. Niemand weet dat ik enkele tellen
eerder aan honderdtwintig per uur op zoek geweest ben naar de geschikte plek
om hun voor het eerst in mijn nog prille leven, op een bewuste manier, mijn afkeer te laten kennen. Mijn moeder zegt me dat het
tijd is om naar bed te gaan. Ik gehoorzaam haar, als immer.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten