zondag 27 december 2015

Hendrika

— Aan de muren hingen posters met wollige teksten. —
Het was de lente van ons leven en we waren allemaal verliefd op Hendrika. Dat we in dat liefdesspel elkaars rivalen waren, speelde niet zo’n rol, want we waren kansloos, allemaal. We waren makkers.
Hendrika studeerde aan de sociale school en had een kamer aan gene zijde van het park. Ik trok er welhaast dagelijks naartoe, en dat deden ook de anderen. Daar werd de maagdelijkheid van Hendrika door een niet te passeren kotmadam bewaakt. Die leidde me telkens naar de zitbank in de hall, waar Hendrika me vervolgens kwam vervoegen. Daar zat ik dan te smelten tot de bel weer overging en de volgende zijn opwachting kwam maken. De uitdrukking de komende en de gaande man is daar ontstaan. Zei ik je al dat we kansloos waren?
Net zoals het met de lente gaat, zo bleef ook dat niet duren. In de zomer van ons leven gingen we elk ons weegs. Soms kruiste mijn pad dat van een van de makkers die ik eerder in Hendrika’s hall gekruist had en dan vroegen we ons af hoe het haar vergaan zou zijn. Daar kon ik hun wel iets over vertellen en wel datgene wat nu volgt.
De vader van Hendrika was de Vlaamse zaak genegen, zoals u misschien zelf al uit de naam van diens dochter afgeleid had. Om den brode verkocht hij katholieke boeken en met die boeken was hij altijd op weg langs Vlaamse wegen. In afwachting van diens thuiskomst had moeder een verhouding met een goeie klant van hem, een pastoor. Dat alles kon niet beletten dat het een warm gezin was. Dat had ik ondervonden toen ik er eens op een feestje uitgenodigd werd. Was ik niet verliefd op Hendrika geweest, ik zou het op haar moeder geworden zijn. Zo’n warm gezin was dat.
Later heb ik Hendrika nog eens ontmoet. Twee keer eigenlijk. De eerste keer was dat toevallig. We waren blij elkaar te zien, zegden dat we het goed maakten, vroegen ons af hoe het de makkers vergaan zou zijn en wisselden telefoonnummers uit, die we niet van plan waren te gebruiken.
Nog later, toen ik mijn huwelijk aan flarden gereden had, deed ik het toch, dat telefoonnummer gebruiken. Ik belde, zei dat ik nood had aan een goed gesprek en reed naar Brugge, waar ze in een klein appartementje woonde, alleen geschikt voor singles. Wat hoopgevend was. Aan de muren hingen posters met wollige teksten, nog erger dan deze waar de Bond Zonder Naam zo goed in was. Elders had ik ze belachelijk gevonden, maar hier waren ze beangstigend. Ze lieten me vermoeden dat Hendrika me uit christelijke naastenliefde ontvangen had. Daartegenover stond dan weer dat indrukwekkende omabed. Daarin mocht ik blijven slapen, zei ze. Daar had ik wel oren naar, maar ik heb het niet gedaan. Want zelf moest ze weg, zei ze, naar haar vriend, die — een mens gelooft het niet — een pastoor bleek te zijn.

Flor Vandekerckhove
Een reactie posten