vrijdag 13 februari 2026

Over een ongelezen boek schrijven: 'Er zijn in de stad geen mannen met wie ik op straat gezien wil worden (…)'

Ernest Hemingway, portret van de man als openluchtschrijver.

ONLANGS LAS IK een citaat — ik weet niet waar, ik weet niet wiens — dat over een bibliotheek iets zei als volgt: ‘Iemand die een wijnkelder heeft, vraag je toch ook niet of hij ze allemaal gedronken heeft.’ ’t Is een opmerking die voor gemoedsrust zorgt wanneer ik mijn vinger over de ongelezen boeken in mijn kast laat gaan. Maar, zeg ik dan vergoelijkend, ’t Is niet omdat ze ongelezen zijn dat ik er niet over schrijven kan.
Toen ik in Gent woonde, liep ik regelmatig bij de Slegte langs. Haast altijd kwam ik met boeken buiten. Die stak ik thuis in de kast, zoals de wijnkenner dat met een fles in de kelder doet. Ik leidde een beweeglijk liefdesleven in die tijd, wat me van vrouw naar vrouw bracht en in die verhuizingen liet ik almaar meer achter: dream big, travel light. Her en der staan boeken die ik ooit de mijne noemen mocht. Of ze zijn in ’t containerpark terechtgekomen, wat waarschijnlijker is. 
Tot mijn verwondering zie ik dat een collectie brieven van Ernest Hemingway die verhuizingen overleefd heeft. Ik weet niet hoe dat komt. Ik haal het boek (°) uit de kast, blader en vind maar één door mij onderstreepte passage. Op 15 september 1925 schrijft Hemingway een brief aan Ernest Walsch. Ik weet niet wie die Walsch is, zoek het op en zie dat ook die Amerikaan in 1922 naar Parijs trekt, net als Hemingway.
‘Ik heb mijn roman af—moet er van de winter nog eens goed doorheen gaan en uittikken. (…) Ik wil een wandeltocht ondernemen en mijn hoofd weer helemaal normaal laten worden. Het is van binnen hels vermoeid en nadat ik het boek af had heb ik er weer heel wat op los gedronken. Kan verdorie net zoveel whisky drinken als ik maar wil zonder dronken te worden omdat mijn hoofd zo moe is. Heb ook elke dag in de Seine gezwommen. Kouder dan de kust van Maine. (…) Heb er een hekel aan de herfst in de stad te verspillen. (…) Er zijn in de stad geen mannen met wie ik op straat gezien wil worden en ik ben bang om een van mijn vrouwelijke kennissen mee te nemen omdat ik een hekel heb aan complicaties, onwettige kinderen en alimentatie. Ga dus waarschijnlijk op mijn eentje maar voel me van binnen verdomd eenzaam en wou dat er iemand was om mee te gaan. (…)’
Waarom heb ik die passage destijds aangestipt? Ik heb waarlijk geen idee. Is er een reden waarom dat boek mijn trouweloos leven overleefd heeft? Geen idee. Al wat ik weet dat het me vandaag een blogpost schenkt, als een goed glas uit een wijnfles die in de kelder verloren werd gelegd.
Flor Vandekerckhove

(°) Ernest Hemingway. Brieven 1. 1917-1934. Uitg. Villa, Bussem. 1983. Vertaling en inleiding John Vandenbergh. 318 p.

Geen opmerkingen: