![]() |
| — Zo moet de rue Mouffetard er uitgezien hebben toen Ernest Hemingway er rondfietste. — |
IN 1922 WOONT Hemingway vlak bij het hotel waar ik verblijf. Hij schrijft erover in zijn herinneringen die in 1964, na zijn dood,
gepubliceerd worden: ‘Ik woonde in de rue
Cardinal Lemoine op een bovenhuis van twee kamers die geen warm water hadden en
geen eigen toiletgelegenheid behalve dan een antiseptisch reservoir dat niet
oncomfortabel was voor iemand die gewend was aan een openluchtprivaat in
Michigan. Met een fraai uitzicht en een goede matras met veren als comfortabel
bed op de vloer en platen aan de muur die we mooi vonden, was het een
gezellige, vrolijke woning.’
De rue Cardinal Lemoine, waarover Hemingway het heeft, begint op de
Place Contrescarpe. Aan de andere kant van het plein is er de rue Mouffetard⇲. Ook die straat beschrijft
Hemingway in zijn herinneringen: ‘() die wonderbaarlijke smalle
drukke straat die naar de Place Contrescarpe leidde.’
De buurt komt al eerder ter sprake in diens korte verhaal De sneeuw van de Kilimanjaro (1936). In
de vertaling die in 1967 verschenen is, heet die berg in ’t Nederlands
Kilimandzjaro. Progressieve spelling veronderstel ik. Harry, die met zijn gezellin in Afrika is om er te jagen, loopt daar een
infectie op die hem nu met koudvuur opzadelt. Hij denkt dat zijn einde
nabij is, ook omdat de gieren al aan ’t wachten zijn: ‘Het veldbed, waarop hij lag, stond in de brede schaduw van een
mimosaboom en terwijl hij over deze schaduwplek heen naar de geel belichte
vlakte keek, zag hij drie van de grote vogels obsceen gehurkt op de grond
zitten en een stuk of twaalf door de lucht zeilen (…)’ Hij denkt na over al de zaken waarover hij nog niet geschreven heeft.
Over de Place Contrescarpe
bijvoorbeeld, ‘waar de bloemenventers op
straat hun bloemen verfden en waar de verf over het plaveisel stroomde (…) Hij
kende daar toen alle buren, omdat ze allemaal arm waren.’ ‘Je zag twee soorten
mensen op dat plein: de dronkaards en de sportkerels. De dronkaards trachtten
hun armoede te vergeten door te drinken (dat sprak nogal vanzelf), en de
sportkerels door hun oefeningen. Zij waren afstammelingen van de Communards en
zonder moeite volgden zij een zekere politiek. Zij wisten wie hun vaders hadden
doodgeschoten, hun familieleden, hun broers en hun vrienden, toen de
Versailles-troepen hun intocht deden en de stad veroverden na de Commune en allen doodschoten die
eelt op hun handen hadden, petten droegen of op andere wijze verrieden [sic] dat zij
arbeiders waren. En in die armoedige buurt tegenover een Boucherie Chevaline en
een wijnhandel, was hij begonnen te schrijven; dat was het begin van zijn
literaire loopbaan. Van geen enkele andere Parijse buurt had hij zó gehouden
(…)’
° Ernest Hemingway. Dag en nacht feest: herinneringen aan Parijs. Vertaald door John Vandenbergh. Amsterdam; Loeb, 1980.
° Ernest Hemingway. De sneeuw van de Kilimandzjaro en andere verhalen. Vertaald door Hans Edinga. Amsterdam Uitg. Contact, 1967.
° Ernest Hemingway. De sneeuw van de Kilimandzjaro en andere verhalen. Vertaald door Hans Edinga. Amsterdam Uitg. Contact, 1967.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten