Tijdens een imaginaire ontmoeting in ’t Leeshuus van Oostende: (links) Kenneth Rexroth (°1905 - 1982†) en (rechts) Guillermo O’Joyce (°1941). Ze bespreken een boek uit 1957. |
Nu lees ik een alinea en geniet van de schoonheid die mij daarin wordt toegestopt: ‘Die nacht in Harrisburg moest ik op een bankje in het station slapen; bij zonsopgang gooiden de leidinggevenden me eruit. Is het niet zo dat je je leven begint als een lief kind dat in alles gelooft wat er onder het dak van je vader gebeurt? Dan komt de dag (…) waarop je beseft dat je ellendig, arm, armzalig, blind en naakt bent, en met het gelaat van een afschuwelijke, treurende geest ga je huiverend door een nachtmerrieachtig leven. Ik strompelde uitgeput het station uit; ik had geen controle meer. Alles wat ik 's ochtends zag, was een witheid als de witheid van een graf. Ik stierf van de honger.’ De alinea komt uit On The Road van Jack Kerouac en da’s ook het boek waarover ik het in de openingszin al had.
De twee auteurs die ik momenteel aan ’t lezen ben, hebben dat boek gerecenseerd, Guillermo O’Joyce en Kenneth Rexroth, de eerste in ‘kerouac, the hero we needed’. (°) De tweede in een bespreking die gewoon On the Road heet. (°°)
Waneer het boek van Kerouac in 1957 uitkomt is Rexroth vijfenvijftig jaar oud, O’Joyce is zestien: ‘Gelukkig had ik On the Road gelezen en door de States gereisd voordat ik naar de universiteit ging. Dankzij Kerouac kon ik een zekere afstandelijkheid en scepsis bewaren ten opzichte van de onzin die me als “hoger onderwijs” werd voorgeschoteld.’ En verder: ‘(…) tijdens die reizen door het land tussen 1959 en 1968, allemaal geïnitieerd door Kerouac, vond ik mijn ware universiteit en de eerste aanzet tot het tegengif tegen de verbale onzin die me de volgende vijftig jaar zou worden toegeworpen.’ Het boek, zegt O’Joyce, ‘(…) had dezelfde stimulerende werking op jongeren in de Verenigde Staten. Ze trokken de open weg op en ontdekten zelf wat Kerouac hen in zijn boek had willen laten zien: de verscheidenheid van de mens en de kleine beetjes schoonheid die overal te vinden zijn.’ Dat is de taal van een jongeman, iemand die naar ‘the road’ verlangt. Volledigheidshalve moet ik zeggen dat O’Joyce ook wel de keerzijde van Kerouac ziet: ‘Op welk moment veranderde een groot kunstenaar als Kerouac in een nutteloze martelaar?’
Rexworth bespreekt het boek al bij ’t verschijnen ervan, in 1957. Hier spreekt een oudere man: ‘On the Road heeft de drive die een breed publiek zal aanspreken. En (…) wat de roman echt belangrijk maakt, is de authentieke, nieuwe, boeiende en opwindende schrijfstijl die hem die drive geeft. (…) wat het boek gaande houdt, is de kracht en schoonheid van de schrijfstijl.’
Waar O’Joyce de boodschap benadrukt is het bij Rexroth de stijl. Dat laatste is merkwaardig, omdat anderen die stijl juist verwerpelijk vinden. Truman Capote zei: ‘That’s Not Writing. That’s Just Typing.’ Dat Capote daar zo over denkt komt ook doordat Kerouac zelf beweert dat hij het boek in drie weken geschreven heeft, haastig, op een rol papier, zodat hij niet telkens het blad op de typemachine moest wisselen. O’Joyce doorprikt die mythe: ‘De definitieve versie van On the Road is evenzeer het resultaat van het herschrijven door een Viking-redacteur als van het herschrijven dat Kerouac zelf heeft gedaan.’
Rexroth is kritisch voor de ideologie van het boek. Over de daarin geportretteerde jongeren zegt hij: ‘Hun waarden zijn die van de meest conformistische leden van de middenklasse die ze verachten, maar dan enorm overdreven. Ze zijn gedemoraliseerde en mislukte kleine Babbitts. Deze roman zou eens en voor altijd moeten aantonen dat de hipster de woedende conservatief is. (…) Deze personages hebben het tijdsbesef van eendagsvliegen en kleine kinderen. Ze hebben het altijd over 'vroeger', waarmee ze zes maanden geleden bedoelen. (…) Moriarty begint letterlijk uit elkaar te vallen, hij verliest een deel van zijn duim, zijn benen werken niet meer als vroeger, zijn lenigheid is verdwenen, hij kan de gevolgen van zijn daden niet langer ontlopen. Maar hij dendert nog steeds voort, als een bulldozer die de controle kwijt is en op alcohol rijdt.’ Maar kijk, een verwerpelijke moraal kan evengoed waardevolle literatuur opleveren: ‘Het is geschreven door een nieuwe auteur, met de beste proza die de San Francisco Renaissance vertegenwoordigt (…).’ Kerouac mag als mens misleid zijn door zijn materiaal, hij is niet misleid als kunstenaar. ‘On the Road is een studie naar het snelle uiteenvallen van een soort Golem. De 'held', Dean Moriarty, is een androïde, een menselijk ogend mechanisme zonder innerlijk, dat een essentiële veer heeft gebroken en op hol is geslagen.’
Er valt veel meer te vertellen, én over het boek én ook over de twee recensies. Maar O’Joyce en Rexroth zijn het met mij eens: dit volstaat voor deze keer. We verlaten 't Leeshuus, nemen elk een deelstep die daar staat en vertrekken elk onzes weegs.
Flor Vandekerckhove⇲
Rexroth is kritisch voor de ideologie van het boek. Over de daarin geportretteerde jongeren zegt hij: ‘Hun waarden zijn die van de meest conformistische leden van de middenklasse die ze verachten, maar dan enorm overdreven. Ze zijn gedemoraliseerde en mislukte kleine Babbitts. Deze roman zou eens en voor altijd moeten aantonen dat de hipster de woedende conservatief is. (…) Deze personages hebben het tijdsbesef van eendagsvliegen en kleine kinderen. Ze hebben het altijd over 'vroeger', waarmee ze zes maanden geleden bedoelen. (…) Moriarty begint letterlijk uit elkaar te vallen, hij verliest een deel van zijn duim, zijn benen werken niet meer als vroeger, zijn lenigheid is verdwenen, hij kan de gevolgen van zijn daden niet langer ontlopen. Maar hij dendert nog steeds voort, als een bulldozer die de controle kwijt is en op alcohol rijdt.’ Maar kijk, een verwerpelijke moraal kan evengoed waardevolle literatuur opleveren: ‘Het is geschreven door een nieuwe auteur, met de beste proza die de San Francisco Renaissance vertegenwoordigt (…).’ Kerouac mag als mens misleid zijn door zijn materiaal, hij is niet misleid als kunstenaar. ‘On the Road is een studie naar het snelle uiteenvallen van een soort Golem. De 'held', Dean Moriarty, is een androïde, een menselijk ogend mechanisme zonder innerlijk, dat een essentiële veer heeft gebroken en op hol is geslagen.’
Er valt veel meer te vertellen, én over het boek én ook over de twee recensies. Maar O’Joyce en Rexroth zijn het met mij eens: dit volstaat voor deze keer. We verlaten 't Leeshuus, nemen elk een deelstep die daar staat en vertrekken elk onzes weegs.
Flor Vandekerckhove⇲
(°) O’Joyce, Guillermo. In Miller, Bukowski and Their Enemies: Essays on Contemporary Culture. 160 p. Pinter & Martin, 2011.(°°) On the Road. In Three reviews bij Kenneth Rexroth, online te lezen in het Bureau of Public Secrets.[De vertalingen die ik uit die twee stukken meegeef zijn van Google Translations.]
Geen opmerkingen:
Een reactie posten