maandag 16 oktober 2017

De surplace van Toulze

Een kwarteeuw geleden was Toulze al zichtbaar oud. Daarjuist, op weg naar de bieb van Vabre, waar er een internetverbinding is, heb ik hem weergezien. Nu is hij uiteraard nóg ouder — 84 — maar dat is aan hem niet te zien. Toulze temporiseert. In de discipline van het ouder worden heeft hij gaandeweg de techniek van de surplace onder de knie gekregen. De spiegel leert me dat ik hem jaar na jaar aan ’t bijbenen ben.
‘Ha monsieur Toulze’, zeg ik, ‘hoe gaat ‘t ermee?’
‘Oud’, zegt hij. Het is een antwoord dat hij me elk jaar geeft en dat ik met het toenemen der jaren beter leer te begrijpen. Waardoor we nu bijna als gelijken kouten over benen die niet meewillen, zicht dat langzaam achteruitgaat, de nazomer die weer eens meezit, geheugen dat een steek laat vallen, krakende scharnieren en oren die vol watten zitten.
‘Ah, wat wil je’, zegt hij samenvattend, ‘je kunt niet tegelijk zijn en geweest zijn.’  
Daar valt zoveel over te zeggen dat er geen beginnen aan is. Ik hervat mijn tocht. Onderweg denk ik aan Toulzes woorden waarover ik, samen met Heraclites en Hegel, zo mijn twijfels heb,
Beneden, in de bibliotheek, wil ik een stukje over Boris Pilnjak posten, waarover ik boven op de berg iets aan ’t lezen ben, maar dat schuif ik voor me uit. Ik schrijf liever iets over Toulze. Vervolgens schrap ik uit dat stuk alles wat ik zelf bedacht heb over zijn en geweest zijn, over werken en pensioen, over een verleden dat ik van me af wil schudden en dat me blijft achtervolgen, zodat ik uiteindelijk alleen maar Toulze overhoud.
In de bieb zit ik met de laptop op schoot naar het resultaat te kijken. Een kleuter komt me een boekje tonen. ‘Tracteur’, zegt hij en hij toont me de kaft waarop een tractor staat. Échelle’, zegt hij en hij wijst naar een ladder. Ik wil hem in retour iets meegeven, iets in het genre dat Toulze me zopas gezegd heeft, iets wat onze leeftijden dichter bij elkaar brengt, maar ik kan niets bedenken. Ik zit nog teveel met één been in het zijn en het andere in het geweest zijn. Ik moet eerst nog een beetje ouder worden, en dat jongetje ook, en dan moeten we, elk op zijn tijd, leren om daar zo lang mogelijk te surplacen.
De juf haalt de jongen bij me weg. (‘Monsieur travaille!’) Ik overloop mijn berichten.

Flor Vandekerckhove
Een reactie posten