woensdag 17 september 2014

Herinneringen aan Frans-Vlaanderen

— Op mijn verlanglijstje stond een exemplaar van het dagblad
Rouge dat mijn Franse kameraden in die tijd uitgaven. —
Tot de gestaag groeiende lezersschare van deze blog behoort een dame die iets heeft met de Heilige Godelieve, een tragische figuur waarover ik eerder al een stukje publiceerde. (*) Nadat zij dat gelezen had, begon deze lezeres me lyrische mails te sturen betreffende de morzel grond die we gemeenzaam kennen als Frans-Vlaanderen, een streek die niet zover ligt van de plaats waar die Godelieve opgegroeid was. En waar ze trouwens weer heen vlood toen bleek dat haar Gistelse echtgenoot ze niet alle vijf op een rij had. Over dat komen & gaan schreef die dame een boekje dat ze toepasselijk ‘Het verhaal van Godelieve’ doopte en het is tijdens het veldwerk, dat met dat schrijven gepaard ging, dat ze haar hart aan die grensstreek verloor. Om een lang verhaal kort te maken: zij zou het op prijs stellen mocht ik eens iets over haar geliefde Frans-Vlaanderen schrijven.
Dat kan, want ik ken die streek nog uit de tijd dat we aan partnerruil deden, een gewoonte die we aan de sixties overgehouden hadden en waarvan we in de seventies, om begrijpelijke redenen, maar traag afstand namen. De ouderen zullen zich herinneren dat die seksuele praktijken veelal gepaard gingen met een fijne culturele uitstap, bijvoorbeeld een citytrip, kroegentocht, dansavond, museumbezoek of, in dit particuliere geval, een tocht door Frans-Vlaanderen. Zo fietsten wij gevieren — mijn echtgenote, ik en een koppel dat ongetwijfeld onbekend wenst te blijven — op een mooie voorjaarsdag over de schreve en verder kriskras door Broekburg, Hondschote, Steenvoorde, Grevelingen, Sint-Winoksbergen, Sint-Omaars, en wat weet ik nog allemaal, om uiteindelijk te stranden in Duinkerke waar we onze lusten in een hotel zouden botvieren.
Omdat ik in die tijd nog sterk politiek betrokken was — het ene sloot immers het andere niet uit, behalve bij de maoïsten — zocht ik daar eerst naar een krantenwinkel. Op mijn verlanglijstje stond onder andere een exemplaar van het dagblad Rouge dat mijn Franse kameraden in die tijd — met bitter weinig succes, hoeft het gezegd? — publiceerden. Op de Groote Plaats (Grand’Place) stond een krantenkiosk en ik vroeg de ouwe uitbater in mijn beste Frans of hij een exemplaar van dat extreemlinkse dagblad in huis had. Ja, dat had hij, wat me al verwonderde, maar wat me nog meer verwonderde was dat hij me die gazet als volgt overhandigde: ‘Ti e frank tachetig.’ Die mens sprak godverdomme beter Vlaams dan ik en bovendien sprak hij beter Frans! Je zult, denk ik, lang moeten zoeken om een anekdote te vinden die de Frans-Vlaamse situatie in dat gebied beter tekent.
Zo. Ik hoop dat ik hiermee tegemoetgekomen ben aan de wens van deze lezeres. Zelf wens ik er alleenlijk nog aan toe te voegen dat dit verhaal gebaseerd is op waar gebeurde feiten, waarvan ik er dan nog een aantal weglaat, juist omwille van de geloofwaardigheid. Zoals bijvoorbeeld dit. Op de terugweg naar het hotel werd ik vanuit een duistere portiek aangesproken door twee Frans-Vlaamse hoeren die mij spontaan hun diensten aanboden. Heel zeker weet ik het niet meer, want ik had onderweg al flink aan de frietzak gelurkt, maar ik denk dat ze zegden: ‘Ti voe te poepen’. Als om te beklemtonen dat ze daar echt Vlaams spreken, geen Nederlands.
Flor Vandekerckhove

(*) florsnieuweblog.blogspot.com/2014/08/langs-de-kapellekensbaan-iii.html


Een reactie posten