zondag 28 september 2014

De eenling van de Flandern (1)

'To hell with facts!
We need stories!'
(Ken Kesey)

Er zijn er maar weinig die dit weten en zelf heb ik er nooit eerder met iemand over gesproken, zelfs niet met mijn kinderen, maar ik ben in 1971 wel degelijk actief betrokken geweest bij een actie van de Rote Armee Fraktion, de RAF.
In Amsterdam had ik enkele jaren eerder, tijdens een vreugdevolle happening, kennis gemaakt met de graficus Ronald A., waarmee ik bevriend geraakte. Nadat ik naar huis teruggekeerd was, bleven Ronald en ik met elkaar corresponderen. De toon van zijn brieven werd harder en ik volgde hem daarin. In september 1969, vlak voor hij naar West-Berlijn zou verhuizen, kwam hij bij me langs. Hij bleef een maand logeren. Een laatste vakantie, zo noemde hij het, waarna het voor hem menens zou worden. Die vakantie was, zo had ik al vlug begrepen, een dekmantel. Ronald was naar me toe gekomen om alhier de Vlaamse tak van de RAF op te zetten, de Rote Armee Fraktion, Division Flandern. Dat was nog voor iemand alhier iets van die Duitse RAF vernomen had, de strijdgroep die later deze van De Eerste Generatie genoemd zou worden en waaraan legendarische namen vasthangen: Andreas Baader, Gudrun Ensslin, Horst Mahler, Ulrike Meinhof, Jan-Carl Raspe…
— De kazerne de Hollain, waar ik in 1971 mijn legerdienst volbracht. — 
Ik had Ronald leren kennen als een eerlijke kerel, een van de weinigen die de daad bij het woord voegde, een makker om trots op te zijn. Hij slaagde er dan ook gemakkelijk in om me te rekruteren, vooral omdat ikzelf niet meteen verondersteld werd iets te ondernemen. Ik zou, wat hij noemde, een slapend lid worden, een eenling, iemand die een doordeweeks leven moest leiden tot hij opgeroepen werd. Wat dat oproepen concreet zou inhouden kon Ronald me niet zeggen, dat konden hand- en spandiensten zijn, het kon harde actie zijn; wanneer het zou gebeuren wist hij evenmin. Misschien nooit, zei hij. Dat misschien nooit trok me over de streep en op 9 september 1969 trad ik toe. Ik kreeg een schuilnaam (Edmund von Friedhof) en werd een slapend lid van de Rote Armee Fraktion, Division Flandern, in terroristische kringen al vlug afgekort tot de Flandern.
Achteraf kunt u zeggen dat ik daar een verwerpelijke keuze gemaakt heb, maar dat komt alleen maar doordat we intussen de geschiedenis kennen. In 1969 moest alles nog aanvangen. De naam van de nieuwe club mocht vervaarlijk klinken, de praktijk was nog onbestaand. En ik was twintig, een leeftijd waarop men de gevolgen van zo’n keuze niet goed kan inschatten; een leeftijd ook waarop het avontuur je lachend in zijn netten lonkt/lokt.
Er is, tot vandaag, bij mijn weten, nooit onderzoek naar de Flandern verricht, noch door politiediensten, noch door vorsers. Dat komt doordat we de regels van de clandestiniteit perfect gevolgd hebben, iets dat me vandaag nog altijd met ongepaste trots vervult. We hebben géén sporen nagelaten, — iets wat in sterke mate aan mij te danken is — maar de Flandern heeft daarom niet minder bestaan. Ik werd gerekruteerd als eenling, maar ik was niet het enige lid. Godver neen. Er zijn nog Vlamingen toegetreden, want ik werd, zij het onregelmatig en met lange tussenpozen, door Vlaamse kameraden gecontacteerd. Ik moest me dan naar een café begeven, waar iemand me via de telefoon aan de bar opbelde, overduidelijk met een Vlaamse tongval. Of ik moest in een park gaan zitten op een welbepaalde bank waar iemand een broodzak achtergelaten had waarin naast een volkorenbroodje ook een briefje zat, in slecht Nederlands geschreven en niet in het handschrift van Ronald. Het was best spannend, maar het bleken achteraf toch altijd maar oproepen voor financiële steun te zijn, geld dat ik op almaar wisselende plaatsen moest achterlaten. Meer dan een kostelijke hobby leek het me in ’t begin niet te zijn, het was een spel voor grote jongens waarin ik een soort spion speelde, ik kocht me toen zelfs zo'n gleufhoed om het nog echter te doen lijken, maar durfde die uiteindelijk niet op te zetten omdat het, zo zei mijn vader, al te belachelijk was. Maar wat ik zeggen wil: mij werd nooit een naam meegedeeld, nooit kreeg ik een gezicht te zien, ook Ronald heb ik niet meer weergezien. Ik las zijn naam in de krant toen hij in 1973 aangehouden werd, ik las aandachtig de berichten die het in 1975 uitvoerig over zijn veroordeling hadden en ik las in 1980 het korte berichtje dat zei dat hij vrijgelaten was. Nooit heb ik hem nog gehoord. ’t Zijn de wetmatigheden van de clandestiniteit meneer.
Daardoor komt het ook dat ik maar weinig over de interne keuken kan vertellen. Dat de Duitse kameraden in de kampen van de PLO opgeleid werden, was voor mij, net zoals voor u, niets meer dan een gerucht. Wat ik wel zeker weet is dat de organisatie vanuit de DDR financieel ondersteund werd. Ik heb dat gezien toen ik een pak biljetten uit een vuilnisbak moest opdiepen om het vervolgens in mijn tuin te begraven: een hele stapel dun, goedkoop papier, slecht gedrukt, waardeloos geld uit de DDR waarmee we hier niets hadden kunnen aanvangen. (In dat huis woon ik uiteraard al lang niet meer en soms vraag ik me af of dat geld daar nog altijd in de tuin begraven ligt, het enige bewijs van mijn betrokkenheid bij de Flandern.)
Kort daarna werd ik door de Belgische staat opgeroepen om mijn legerdienst te vervullen. Dat was in 1971. Ik werd bij de Luchtmacht ondergebracht. Na mijn opleiding kwam ik in een hoofdkwartier terecht, de kazerne de Hollain, middenin de stad Gent. Het was een oord met maar weinig dienstplichtigen, veelal jongens met een hogere schoolopleiding, die toch liever soldaat bleven dan zich op te geven voor de functie van Kandidaat Reserve Officier. Ik herinner me Marc Antrop die professor zou worden en Luc Van den Bossche die later minister werd. Er waren in dat hoofdkwartier weinig dienstplichtigen, maar des te meer officieren. Dat ik in datzelfde jaar ook door de Flandern opgeroepen werd, was dan ook geen toeval. Dat de mij toevertrouwde actie in de kazerne de Hollain zou plaatsgrijpen lag voor de hand, dat ik er alleen voor stond, eveneens: de eenling was geactiveerd!
Ik wilde Ronald bewijzen dat ik zijn vriendschap waard was en ik bracht geduldig alles in stelling om van die actie een succes te maken. Ik koos de plek waar ik me zou opstellen en zorgde voor een sleutel van het arsenaal, ik wist welk wapen ik moest kiezen, ik noteerde het reilen & zeilen van het doelwit, ik wist hoe ik moest toeslaan en ik bereidde mijn vluchtweg voor. In augustus 1971 bracht ik op de gevel van de universiteitsbibliotheek met kalk het afgesproken teken aan. De Flandern wist dat ik er klaar voor was.
Neen, ik ben niet teruggedeinsd. Toch hebt u in de krant nooit iets over die actie gelezen. De radio heeft er niet over bericht, de televisie heeft geen beelden vertoond. Dat heeft een reden, maar dat is voer voor weer een ander verhaal. Misschien vertel ik dat later nog wel eens, maar 't is geen verhaal om trots op te zijn.
Flor Vandekerckhove




Een reactie posten