donderdag 16 juni 2016

Nonkel Fernand


— Startend bovenaan links in wijzerzin: Camiel
Vandekerckhove (†), Fernand Vansieleghem, Jenny
en Erna Vandekerckhove. (Datum onbekend)—
Nonkel Fernand is niet echt mijn nonkel, hij is aangetrouwde familie. Hij is de broer van mijn vaders schoonbroer, de oom van mijn nichten. Van mij is hij nauwelijks familie, maar ik ken hem al levenslang. In zijn jeugdjaren was hij een overbuur, zijn moeder, bobonne, is dat tot haar dood gebleven.
Hij woont nog altijd in de wijk. Zo nu en dan lopen we elkaar tegen 't lijf. We hebben een goed contact, Fernand en ik, ik vind hem een toffe pee en er is regelmatig tijd voor een babbel.
Nu was het toch wel lang geleden dat ik hem gezien had, ook omdat mijn joggingroute zich verplaatst heeft en ik niet meer in zijn buurt passeer. Maar enkele dagen geleden reed ik voorbij zijn huis. Ik zag hem bezig in de tuin, riep zijn naam en stopte. Ik zei dat het lang geleden was en vroeg hem hoe het ermee ging.
Nu gaat het wel, zei hij, nu gaat het beter. Het zag ernaar uit dat het een iets langer gesprek zou worden.
Het was als volgt gebeurd. Hij was onderweg om iets af te leveren. Hij had de auto geparkeerd en daarna had hij de straat willen oversteken. En het volgende wat hij te zien kreeg was de ziekenhuiskamer waar men hem heengebracht had.
Zijn hart had enkele tellen stilgestaan en hij was neergezegen in ’t midden van de straat.
Hij had er evengoed niet meer kunnen zijn, zei hij. Gelukkig had iemand het zien gebeuren die meteen de hulpdiensten gebeld had. Die diensten hadden hem met spoed naar de spoed gebracht, waar ze een pacemaker op zijn borst gezet hadden, een uitwendig, voorlopig exemplaar, zei hij. Ik stelde me een groot, zwaar, beige toestel voor dat in de schuif van de spoed lag, een ouderwetse pacemaker met vele jaren dienst op de teller, een machine die al lang uit de mode was, een stuk antiek waar jonge chirurgen de neus voor ophaalden maar dat nog altijd mensenlevens redde.
De politie was het zijn echtgenote komen meedelen. Omdat de mare haar uiteraard een beetje uit haar doen bracht, had die politie haar met de combi naar de kliniek en naar haar echtgenoot gebracht. Wat mooi was van de politie, zei hij, dat mocht ook eens gezegd worden. Ik knikte.
Daar stonden we nu voor zijn huis. Inmiddels had hij al een andere pacemaker gekregen, een inwendige. Ze deden dat met een operatie die, zo wist hij me te vertellen, nauwelijks iets om ’t lijf had; een fluitje van een cent. Operatiezaal binnen, plaatselijke verdoving en hop weer naar buiten. De volgende! Hij zei het op een manier die liet uitschijnen dat een tandartsbezoek erger was.
Hij had zich enkele dagen raar gevoeld, maar nu was hij weer de ouwe. Hij was onlangs tachtig geworden, zei hij, en ik zag dat hij nog steeds niet opgehouden was met roken. Ik deed alsof ik het niet opgemerkt had en zei er ook niets over. Hij was zijn haag aan ’t bijknippen.
We hadden het nog even over de weldaad van de prostaatverkleining — een ervaring die we delen — en toen werd het tijd om weer eens verder te trekken. Onderweg maakte ik een denkbeeldige notitie: tachtig, pacemaker, sigaretje, haag knippen.
Flor Vandekerckhove
Een reactie posten