zondag 5 februari 2017

China Miéville, een inleiding in de fantasy

Links: Francisco de Goya: De slaap van de rede brengt monsters voort. (1797-1799). Rechts: China Miéville (1972) schrijft fantasy, doet aan politiek en doceert aan universiteiten. (De proffen zien er vandaag anders uit dan in mijn tijd)


VERLEDEN WEEK lees ik voor het eerst iets over The Last Days of Paris (2016), het nieuwste boek van de Britse fantasyauteur China Miéville. Het herinnert me eraan dat ik me ooit voorgenomen heb om me een beetje in het genre te verdiepen.
Eerder heb ik al iets soortgelijks ondernomen voor de western, de noir en ook voor de gothic, een genre dat het ook van de griezel moet hebben. Het zijn vooral producten uit de wereld van de pulp, stationsromannetjes en B-films, genres die men tot de lagere cultuur rekent.
Eerder leerde ik al dat sommige fantasy-auteurs een interessante visie hebben op het verband tussen het genre dat ze plegen en de maatschappij waarin dat tot stand komt. Dat geldt onder anderen voor J.G. Ballard en Neil Gaiman. Daarnaast kwam ik te weten dat er nogal wat linkse auteurs zijn die zich in die genres gespecialiseerd hebben. Dat geldt ook voor China Miéville. Hij is niet alleen een succesrijk auteur van fantasyverhalen, hij is ook een trotskist.
Het is trouwens in een trotskistisch blaadje dat ik een interview met Miéville vind dat me nu introduceert in de wereld van de fantasy.
Er zijn, zegt Miéville, drie redenen waarom socialisten zich voor dat verschijnsel moeten interesseren. Ten eerste is het een immens populair genre. Hoe dat komt is een interessante vraag. Daarnaast wantrouwt hij critici die de ‘goede smaak’ verdedigen en ten derde lijkt het erop dat er ‘een vreemde affiniteit bestaat tussen radicale politiek en fantasy. Er zijn veel auteurs van fantasy en science fiction die zich op een of andere manier ter linkerzijde bevinden. Iain Banks is een socialist, Ken MacLeod en Steven Brust zijn trotskisten, Ursula Le Guin en Michael Moorcock zijn linkse anarchisten, en er zijn er nog, een lijn die tot William Morris teruggaat en verder. Dat geldt ook voor het surrealisme, misschien wel het hoogtepunt van het fantastische in de kunsten.’
In dat interview haalt Miéville twee marxistische auteurs aan die interessante boeken over het verschijnsel geschreven hebben: ‘Wellicht heeft Darco Suvin, de theoreticus van de SF, het meest invloedrijke marxistische standpunt geleverd in Methamorphoses of Science Fiction (1979). Hij staat politiek achter SF die hij verwant acht met het vooruitstrevende project, vooral in de kindertijd van de burgerlijke maatschappij. Hij zegt dat SF gekarakteriseerd wordt door ‘cognitieve vervreemding’ — het opereert volgens een rationeel/wetenschappelijke manier van denken, maar het betrekt daarin vervreemding van het hier en nu, zodat het daar creativiteit kan aan toevoegen. Fantasy daarentegen zag hij als een genre dat zich wijdt aan het anti-cognitieve (…) gewoon een andere griezelige kick ... een sub-literatuur van mystificatie.’ Suvin heeft zijn mening inmiddels herzien, zegt Miéville, maar zijn oorspronkelijke negatieve oordeel is nog altijd heel invloedrijk.
Miéville zegt verder dat hij veel socialisten kent die de fantasy verwerpen omdat daarin sprake is van geesten en magie, fenomenen waaraan we als marxisten geen geloof hechten. Literatuur die beweert dat spoken bestaan vinden socialisten dubieus: ‘Volgens mij is dat een verkeerde opvatting van wat kunst is. Ik heb spookverhalen geschreven — dat betekent geenszins dat ik in geesten geloof. Ik schrijf een verhaal dat niet de pretentie heeft een directe representatie te zijn van de echte wereld. De suspension of disbelief is cruciaal.’
Het andere marxistische boek over fantasy is José Monleons A Specter is Haunting Europe: A Sociohistorical Approach to the Fantastic (1990). Volgens deze auteur reflecteert fantasy het bekende beeld van Goya: De slaap van de rede brengt monsters voort: ‘Ik denk dat dit echt een nuttig startpunt is’, zegt Miéville, ‘Goya tekent een slapende mens die bedreigd wordt door verschillende fantastische schepsels. Monleon zegt — terecht, zo denk ik — dat Goya een verband van oorzaak en gevolg blootlegt tussen rede en onrede.’
‘De oorspronkelijke omarming van het wetenschappelijke denken in het kapitalisme was progressief in vergelijking met wat daaraan voorafging (…) Maar we weten ook dat het kapitalisme (…) de arbeidersklasse en diens emancipatorische politieke project onderdrukt. (…) Het spook van de revolutie, zegt Monleon, lijkt aan de basis te liggen van deze herintrede van de onrede in het algemeen en van het fantastische in het bijzonder. (…) De kapitalistische rationaliteit produceert haar eigen monsters.’
Ter linkerzijde wordt fantasy nogal eens weggezet als iets wat dient om de realiteit te ontvluchten. Miéville denkt daar anders over: ‘De maatschappij zit bij je op de stoel wanneer je een boek schrijft of leest. Je kunt niet ontsnappen aan je geschiedenis of je cultuur. Het is bijgevolg belachelijk te denken dat boeken die het niet over de echte wereld hebben eraan ontsnappen. Fantasy wordt nog altijd geschreven en gelezen doorheen de filters van de realiteit (…)’
Het interview sluit af met een aantal directe vragen over het schrijven van fantasy en revolutionaire politiek. Daarin zegt Miéville een aantal zaken die mijns inziens opgaan voor alle literaire fictie en zelfs voor alle kunstuitingen. Wat ik daar zelf over denk heb ik hier eerder al geschreven. Zegt Miéville: ‘Zodoende creëer je een mentale ruimte (…) die het onmogelijke herdefinieert (of dat pretendeert). Psychologisch en esthetisch is dat een erg radicale daad. Het laat ons toe (…) om op een andere manier over de mogelijkheden van de realiteit na te denken.’
China Miéville slaagt er wel in om ondanks al die fantasy de voeten stevig op de grond te houden: ‘Ik hou passioneel van bizarre fictie, spookverhalen, griezelverhalen en SF, maar ze gaan de wereld niet veranderen. Dat is de reden waarom ik een romanschrijver ben èn een revolutionaire socialist.’

Geen opmerkingen: