donderdag 9 februari 2017

Hoe Eneder B. uit ons geheugen gewist werd

‘De oude waterput, die zo lang naast het Kapelletje 
heeft gelegen en eeuwenlang met diepe eerbied 
is benaderd, is vijfentwintig jaar geleden 
zonder enigerlei plichtplegingen gedempt 
en met de grond gelijk gemaakt. (…) 
Een moderne weg werd er over heen gelegd 
en niets herinnert nog aan zijn vroegere aanwezigheid.’ (*)



—  De Visserskapel van Bredene. Vooraan merkt u de waterput op die in 1961 bij de regularisatie van de Kapel(le)straat gedempt en gesloopt werd . Er blijkt een verhaal achter te zitten. —

Rond de tafel zaten René Dubois, veldwachter van Bredene, burgemeester August Plovie en Emiel Jozef De Smedt, bisschop van Brugge. De twee kwamen er luisteren naar wat Dubois hun te vertellen had. Hij schraapte zijn keel en zegde hun wat volgt.
Terwijl hij zich klaarmaakte om al fietsend over de velden te gaan waken, had Dubois gezien dat Johannes Petrus Jacobus Decoo, die gemeenzaam Ko genoemd werd, met een lange ladder in de weer was.
De veldwachter reed vervolgens, zoals gewoonlijk, de gemeentegrenzen af. De tocht eindigde steevast aan de Visserskapel, waar hij naast de waterput een wijle placht te verpozen.
Dubois merkte meteen de ladder op die boven de rand uitstak. Hij keek in de put en zag daar alleen maar duisternis. Hij herinnerde zich Ko en riep diens naam. De putecho weerkaatste zijn stem, maar van Ko viel geen spoor te bekennen. René verschool zich vervolgens in het struikgewas en wachtte op de dingen die zouden komen.
Die kwamen toen het donker was. Eerst was er gestommel en daarna zag de veldwachter een manspersoon uit de put kruipen. Dubois vatte hem meteen bij de, laat ons zeggen, lurven en nam hem mee naar het bureau. Aldaar noteerde hij diens verklaring.
Plovie en De Smedt luisterden aandachtig: ‘Decoo Johannes Petrus Jacobus verklaart hierbij dat hij via de waterput naar Eneder B. trekt, waar de mensen een dienst verrichten die ondervraagde als “het vervoer van schimmen” omschrijft. Op een laat uur van de nacht horen zij een vage stem die hen samenroept. En zonder aarzelen staan zij op van hun bed en begeven ze zich naar de kust, hiertoe gedrongen zonder te begrijpen waarom. Daar zien zij boten liggen. En zij bemerken dat die volgeladen zijn met een groot aantal passagiers en dat zij door de golven bespoeld worden tot aan de rand, zodat zij niet meer dan een vingerlengte boven het water uitsteken; zien doen zij echter niemand, maar na een uur geroeid te hebben, leggen ze aan in een waterplas die de Mokiups heet. Daar zien ze wel niemand uitstappen, maar hun boot wordt toch veel lichter en ze horen een soort stem die iedere naam afroept van de passagiers die met hen zijn overgekomen.’
— René Dubois was de laatste veldwachter van Bredene. Hij kwam in 1948 in
dienst als agent. In 1956 promoveerde hij tot veldwachter. Dat bleef hij tot zijn
pensionering in 1980. Hij was een graag geziene figuur. Hij werd 90 en overleed
in 2010. —


De erg belezen De Smedt herkende in het verhaal meteen de heidense opvattingen betreffende het dodenrijk, zoals die door de Byzantijnse geschiedschrijver Procopius beschreven zijn. Hij vreesde dat de getuigenis van Ko een heidense heropleving met zich mee zou brengen.
Burgemeester Plovie, die ook geen dwaas was, zag er dan weer een opportuniteit in om de Kapel(le)straat recht te trekken. De put stond daarbij in de weg en de katholieke oppositie wilde uiteraard niet dat er aan geraakt zou worden.
De Smedt beloofde de katholieke tegenstand weg te masseren en Plovie liet een straat over de put leggen zodat niemand eraan herinnerd kon worden. Ko moest als boetedoening vijf jaar in het bisschoppelijk paleis werken. Daarna kwam hij weer naar Bredene, maar over zijn uithuizigheid vertelde hij wel een heel ander verhaal. Wie dat wil kennen klikt hier.
Flor Vandekerckhove

(*) Arie Zwart in De godsdienstige betekenis van de waterput bij het kapelletje
In Gedenkboek 250 jaar visserskapel. 1986. 
Uitg. Organiserend Komitee 250 jaar Visserskapel O.L.V.-ter-Duinen Bredene.

Een reactie posten