donderdag 1 mei 2014

De hand

Dit verhaal dateert al van 1 mei 2014 en er bestaat wellicht ook een versie die nog ouder is en die lang geleden in Het Visserijblad heeft gestaan. In de blog kent zo'n oud stuk na enige tijd alleen nog een ietwat sluimerend bestaan… tot enkele dagen geleden. Opeens kijken daar weer honderden naar. Ik weet niet hoe dat komt. Het gebeurt nog wel eens dat een post na lange tijd weer opgerakeld wordt. In zo'n geval ga ook ik eens kijken. Ik zie dat 'De hand' langer is dan de handpalmverhalen die ik nu schrijf, ik had vroeger inderdaad meer woorden nodig om iets verteld te krijgen. Ik zie ook dat het stuk in de blog geen illustratie meegekregen had. Daarom steek ik het nu in de machinerie van AI en dit is de tekening die eruit te voorschijn komt: een herinnering aan de tijd dat ik in Het Visserijblad schreef, ik plaats de AI-impressie hierboven.

‘PULLE KOMT NIET meer, ze hebben hem in 't zothuis gestoken.’ De waard zei het me al tappend: ‘Ze hebben hem weggevoerd, hij liep rond met een geweer, terwijl hij onzin uitkraamde.’ De schipper was, kon ik gaandeweg uit de toogpraat afleiden, opgepakt in een winkelwandelstraat waar hij had staan roepen: ‘Het is de hand, het komt door de hand!’ Aan de toog begreep niemand wat hij daarmee had willen zeggen. ‘Het komt wellicht door het faillissement’, zei de waard, ‘hij zal zich dat teveel aantrekken, zijn schip ligt aan de ketting.’ Iedereen knikte gelaten, aan-de-ketting was iets wat we hier dagelijks meemaakten. De visprijs was te laag, de olieprijs te hoog en de vissers haakten af. En nu ook Pulle, een van de besten.
Ik durf het hier haast niet te schrijven, maar het leek me een buitenkansje. Wat kon er beter de neergang van deze sector illustreren dan de opname van een der beste schippers in een instelling? Hier lag een verhaal klaar om geschreven te worden, een scoop zelfs.
’s Anderdaags trok ik in alle vroegte naar Pullinne, echtgenote van Pulle. Dat zothuis, leerde ik van haar, was een volkse overdrijving, de schipper was opgenomen in het plaatselijke ziekenhuis. En ja, hij was wel degelijk door de ambulanciers uit het stadscentrum weggeplukt, terwijl hij daar, weliswaar ongewapend, luid aan ’t schelden was. Pullinne wist niet wat ze ervan moest denken. Ja, hij mocht bezoek ontvangen.
De afdeling psychiatrie van het ziekenhuis was me niet onbekend en ik leidde mezelf vlot naar Pulles kamer. Hij leek blij me te zien — ‘Ha, daar is onze gazettenschrijver!’ en ik vroeg hem onomwonden wat er aan de hand was.
Hij sprak stiller dan dat ik dat van hem gewoon ben. Kwam het door de medicatie dat hij zo hard naar woorden moest zoeken? Hij omklemde mijn pols en zei: ‘Ik heb de hand aan ’t werk gezien. De hand. We moeten… Ze moeten weten dat… dat het de hand… Je moet het schrijven… Je moet hen verwittigen… Het komt door de hand.’
Ik had niet veel geleerd in ’t leven, maar ik wist wel hoe ik met psychiatrische patiënten moet omgaan. Ik haalde mijn notitieboekje boven en vroeg Pulle of ik hem enkele vragen over die hand mocht stellen. ‘Ja’, zei Pulle, ‘je bent van de gazet. Je moet schrijven… zeg… zeg dat het… zeg dat het door de hand komt.’
‘Is het door de hand dat je hier terechtgekomen bent?’ Pulle knikte. ‘Heb je die hand echt gezien?’ Hij knikte heftig en zei: ‘Ik heb hem aan ’t werk gezien.’ Ik wikte mijn woorden: ‘Is het een echte hand of is het, laat ons zeggen, een hand uit de… cinema?’ Pulle schudde: ‘Geen cinema. Echte hand.’ Ik ging door: ‘Is de hand ook aanwezig in deze kamer?’ Pulle zei: ‘Overal’, de hand is overal. Je moet goed kijken. Dan zie je hem wel.’ Ik verplichtte mezelf om niet demonstratief om me heen te kijken en vroeg: ‘Heb je die hand vroeger al opgemerkt of is ’t iets dat je pas onlangs ziet?’ Pulle weer. ‘Ik had daar vroeger geen oog voor… maar toen ze ’t schip aan de ketting legden… toen zag ik het meteen… dat het de hand was… Dat was de hand.’ Ik voelde dat ik de essentie naderde: ‘Legt de hand schepen aan de ketting?’ Ik zag dat Pulle moe aan ’t worden was. Ik vulde zijn glas en hij nam het bevend aan. ‘Doet de hand nog meer?’ Pulle zei: ‘hij vernietigt ons… Hij brengt ons naar de kloten’ Ik weer: ‘En waarom doet de hand dat?’ Pulle: ‘Omdat het de hand is.’
Op dat moment kwam de psychiater de kamer binnen. Ik maakte er dankbaar gebruik van om mijn notitieboekje dicht te klappen. Ook omdat ik het geen goed idee vond om Pulle in die omstandigheden een hand te geven, nam ik vlug afscheid en terwijl ik de deur achter me dichttrok, hoorde ik hem nog zeggen: ‘Het komt door de hand dokter. We moeten de hand stoppen…’
Ik reed van de parking weg. Ik zag appartementen die te koop stonden. Ik passeerde de bakkerij en zag hoe de makelaar ook daar een affiche op het raam geplakt had. Toen ik voorbij de Tettenbrug de weg naar de visserijkaaien insloeg, zag ik een bulldozer die weer een atelier met de grond gelijk aan ’t maken was. Het vismijngebouw aan de overzijde van het dok oogde leger dan ooit.
Ik parkeerde de auto vlak voor de kroeg en terwijl ik de motor uitschakelde, begon het me te dagen. Ik begon te begrijpen wat Pulle me had willen zeggen. 't Was een openbaring, een epifanie. Net als Paulus was hij van zijn paard geslagen. Hij was plotsklaps tot inzicht gekomen. De hand die hij gezien had was deze die Adam Smith lang geleden al beschreven had: de onzichtbare hand van de markt! Pulle had, misschien wel in een visioen, gezien hoe eigenbelang ons als lemmingen naar de afgrond leidde. Op zijn eigen, onbeholpen manier had hij ons willen verwittigen.
Ik parkeerde de auto voor het café. Door het raam zag ik hoe iedereen vragend naar mij terugkeek. Ik opende de deur. De gesprekken verstomden. Ik keek enkele tellen in de vragende gezichten en zei toen: ‘Pulle is nog nooit zo normaal geweest als nu.’ Algemene stilte. Die de waard als eerste wist te doorbreken. ‘O ja,’ zei hij, ‘Als Pulle zo normaal is, waarom zit hij dan in ’t zothuis?’ Ik schraapte mijn keel en zei: ‘Dat komt door de hand.’

Geen opmerkingen: