| Dit verhaal dateert al van 1 mei 2014 en er bestaat wellicht ook een versie die nog ouder is en die lang geleden in Het Visserijblad heeft gestaan. In de blog kent zo'n oud stuk na enige tijd alleen nog een ietwat sluimerend bestaan… tot enkele dagen geleden. Opeens kijken daar weer honderden naar. Ik weet niet hoe dat komt. Het gebeurt nog wel eens dat een post na lange tijd weer opgerakeld wordt. In zo'n geval ga ook ik eens kijken. Ik zie dat 'De hand' langer is dan de handpalmverhalen die ik nu schrijf, ik had vroeger inderdaad meer woorden nodig om iets verteld te krijgen. Ik zie ook dat het stuk in de blog geen illustratie meegekregen had. Daarom steek ik het nu in de machinerie van AI en dit is de tekening die eruit te voorschijn komt: een herinnering aan de tijd dat ik in Het Visserijblad schreef, ik plaats de AI-impressie hierboven. |
Ik durf het
hier haast niet te schrijven, maar het leek me een buitenkansje. Wat kon
er beter de neergang van deze sector illustreren dan de opname van een der
beste schippers in een instelling? Hier lag een verhaal klaar om geschreven te
worden, een scoop zelfs.
’s
Anderdaags trok ik in alle vroegte naar Pullinne, echtgenote van Pulle. Dat zothuis, leerde ik van haar, was
een volkse overdrijving, de schipper was opgenomen in het plaatselijke ziekenhuis. En ja, hij was wel degelijk door de
ambulanciers uit het stadscentrum weggeplukt, terwijl hij daar, weliswaar
ongewapend, luid aan ’t schelden was. Pullinne wist niet wat ze ervan moest denken. Ja, hij mocht
bezoek ontvangen.
De afdeling psychiatrie van het ziekenhuis was me niet onbekend en ik leidde mezelf vlot naar Pulles
kamer. Hij leek blij me te zien — ‘Ha,
daar is onze gazettenschrijver!’ — en ik vroeg hem onomwonden wat er aan de hand was.
Hij sprak stiller
dan dat ik dat van hem gewoon ben. Kwam het door de medicatie dat hij zo hard
naar woorden moest zoeken? Hij omklemde mijn pols en zei: ‘Ik heb de hand aan ’t werk gezien. De hand.
We moeten… Ze moeten weten dat… dat het de hand… Je moet het schrijven… Je moet
hen verwittigen… Het komt door de hand.’
Ik had niet veel geleerd in ’t leven, maar ik wist wel hoe ik met
psychiatrische patiënten moet omgaan. Ik haalde mijn notitieboekje boven en
vroeg Pulle of ik hem enkele vragen over die hand mocht stellen. ‘Ja’, zei Pulle, ‘je bent van de gazet. Je moet schrijven… zeg… zeg dat het… zeg dat het
door de hand komt.’
‘Is het door de hand dat je hier
terechtgekomen bent?’ Pulle
knikte. ‘Heb je die hand echt gezien?’ Hij knikte heftig en zei: ‘Ik
heb hem aan ’t werk gezien.’ Ik wikte mijn woorden: ‘Is het een echte hand of is het, laat ons zeggen,
een hand uit de… cinema?’ Pulle schudde: ‘Geen cinema. Echte hand.’ Ik ging door: ‘Is de hand ook aanwezig in deze kamer?’ Pulle zei: ‘Overal’, de hand is overal. Je moet goed kijken. Dan
zie je hem wel.’ Ik verplichtte
mezelf om niet demonstratief om me heen te kijken en vroeg: ‘Heb je die hand vroeger al opgemerkt of is
’t iets dat je pas onlangs ziet?’ Pulle weer. ‘Ik had daar vroeger geen oog voor… maar toen ze ’t schip aan de ketting legden… toen zag ik het meteen… dat
het de hand was… Dat was de hand.’ Ik voelde dat ik de essentie naderde: ‘Legt de hand schepen aan de ketting?’ Ik zag dat
Pulle moe aan ’t worden was. Ik vulde zijn glas en hij nam het bevend aan. ‘Doet de hand nog meer?’ Pulle zei: ‘hij vernietigt ons… Hij brengt ons naar de kloten’ Ik weer: ‘En waarom doet de hand dat?’ Pulle: ‘Omdat het de hand is.’
Op dat
moment kwam de psychiater de kamer binnen. Ik maakte er dankbaar gebruik van om
mijn notitieboekje dicht te klappen. Ook omdat ik het geen goed idee vond om Pulle in die omstandigheden een hand te geven, nam ik vlug afscheid en terwijl ik de deur achter me
dichttrok, hoorde ik hem nog zeggen: ‘Het
komt door de hand dokter. We moeten de hand stoppen…’
Ik reed van de parking
weg. Ik zag appartementen die te koop stonden. Ik passeerde de bakkerij en zag hoe de makelaar ook daar een
affiche op het raam geplakt had. Toen ik voorbij de Tettenbrug de weg naar de visserijkaaien
insloeg, zag ik een bulldozer die weer een atelier met de grond gelijk
aan ’t maken was. Het vismijngebouw aan de overzijde van het dok oogde leger
dan ooit.
Ik parkeerde
de auto vlak voor de kroeg en terwijl ik de motor uitschakelde, begon het me te
dagen. Ik begon te begrijpen wat Pulle me had willen zeggen. 't Was een openbaring, een epifanie. Net als Paulus was hij van zijn paard geslagen. Hij was
plotsklaps tot inzicht gekomen. De hand die hij gezien had was deze die Adam Smith lang geleden al beschreven
had: de onzichtbare hand van de markt!
Pulle had, misschien wel in een
visioen, gezien hoe eigenbelang ons als lemmingen naar de afgrond leidde. Op
zijn eigen, onbeholpen manier had hij ons willen verwittigen.
Ik parkeerde de auto voor het café. Door het raam zag ik hoe iedereen vragend naar mij terugkeek. Ik opende de
deur. De gesprekken verstomden. Ik keek enkele tellen in de vragende gezichten
en zei toen: ‘Pulle is nog nooit zo normaal
geweest als nu.’ Algemene
stilte. Die de waard als eerste wist te doorbreken. ‘O ja,’ zei hij, ‘Als
Pulle zo normaal is, waarom zit hij dan in ’t zothuis?’ Ik schraapte mijn keel en zei: ‘Dat komt door de hand.’
Geen opmerkingen:
Een reactie posten