dinsdag 8 september 2015

De roeschaard en de angst voor het witte blad

Dit was het doel: de vertellingen van de Vlaamse vissersgemeenschap weer tot leven wekken! Tot voor kort ging dat ook goed. Halverwege juni trok ik dat project op gang en twee maand later kon ik al meer dan twintig scalpen aan mijn gordel rijgen. Veel daarvan waren gebaseerd op wat vissers me verteld hadden toen ik Het Visserijblad uitgaf, andere verhalen waren pure verbeelding, maar de meeste bouwden verder op de visserijfolklore die in de Vlaamse volksverhalenbank te vinden is.
In die volkse vertellingen gaat het veelal over kwelgeesten, zoals kludde, osschaert, nekker… die niet exclusief aan de vissersgemeenschap vasthangen. Watergeesten, zoals de nekker, vind je overal waar je in ’t water kunt sukkelen. Kludde en osschaert zijn parasieten die zowel op de rug van de visser als van de landman leven. De roeschaard daarentegen is, voor zover ik dat kan inschatten, een plaaggeest wiens identiteit exclusief met de Noordzeevisserij verbonden is. Is ’t dan niet vreemd dat ik over die roeschaard nog altijd geen verhaal geschreven heb? Dat zou nochtans moeten, want wie de traditie van het zeemansverhaal reanimeert mag die roeschaard niet ontwijken. Voor me ligt, helaas, nog altijd het witte blad dat er zeven dagen geleden ook al lag. Nooit voorheen heb ik dit meegemaakt, maar nu word ik er onverwachts toch nog mee geconfronteerd: de angst voor het witte blad.
Dit is waar ik me de kop over breek: wat kan ik aanvangen met een plaaggeest die zijn oorsprong vindt in de tijd waarin de wereld nog verre van onttoverd is? De roeschaard wortelt in Blankenberge waar hij in 1791 uit de as van een verbrande heks voortspruit: ‘Van dien dag af vertoonde Roeschaard zich onder alle gedaanten midden de Blankenberghsche bevolking en vooral onder de visschers. De hond veranderde soms in een kat, dan in een ezel en dikwijls in een visscher. Dikwijls gebeurde het dat hij de nachtrust onzer zeelieden storen kwam door te roepen dat er een storm op handen was. (…) Lag er een klein schuitje 's nachts kalm op zee, dan zag de waker den Roeschaard plotseling verschijnen. De kwelduivel kroop langs den zijkant uit de golven op, en deed door zijn zwaarte het vaartuig zoo sterk hellen, dat het bijna omsloeg. En met zijn geweldige “roes! roes! roes!” sprong hij dan weer te water.
 Trok men het net op, ten vischtijde, dan zat den Roeschaard er niet zelden in. Schaterlachend verscheurde hij de mazen en verdween in zee.
 Maar ook de visschersvrouwen ondervonden zijne plagerijen. 't Gebeurde dat er een kindje erbarmelijk nevens eene hut lag te schreeuwen. Een medelijdende vrouw nam het wicht op en verzorgde, haaide en laaide het, totdat... O schrik!... Wel Heere!... de vermeende vondeling luide begon te lachen, en met den kreet van “roes! roes! roes!” door de schouw verdween!’ Zeg nu zelf, wat moet ik met zo’n onzin aanvangen?
De grootste Vlaamse schrijver van vissersverhalen, Gaston Duribreux, heeft het zich dik zeventig jaar geleden ook al afgevraagd. In 1943 schrijft hij de vissersroman De Roeschaard. Maar de geest die Duribreux ‘uit de duinen, aan gene zijde van de haven’ naar de Oostendse 'stadsvisschers' ziet overwaaien verschilt danig van wat daarover in Blankenberge verteld wordt. Zijn kwelgeest manifesteert zich niet als pakweg een kwade kabeljauw, maar als: ‘Hij dien men niet noemen mag’. De roeschaard is een je ne sais quoi geworden, een vage dreiging: ‘Hij draagt hetzelfde witte gewaad dat tot aan den horizont het landschap omhult.’
De roeschaard van Duribreux bestaat wel degelijk. Er hangt iets in de lucht! U kent die uitdrukking, u kent dat gevoel, net als ik het ken. In 1965 had ik nog nooit over de roeschaard gehoord. Maar ik heb hem toen wel ervaren. Ik heb er zelfs een stukje over geschreven, geen vissersverhaal, maar een vertelling over pubers die het hun studiemeester, Soupape, behoorlijk lastig maken. U kunt het hier lezen.
Maar goed, dat is 1965. We zijn nu alweer een halve eeuw verder en ik krab vertwijfeld in m’n dun geworden haren. Nog steeds heb ik geen nieuw verhaal waarin de roeschaard centraal staat en dat ik aan mijn collectie kan toevoegen. Voor me ligt nog altijd hetzelfde lege, witte blad dat me zo’n schrik aanjaagt. Ik sta op, kijk naar buiten en zie het vuurtorenlicht. Wat is het toch dat me zo van ’t schrijven weghoudt? En opeens begin ik 't ergste te vrezen: zou het de roeschaard zelf kunnen zijn? Laat me nog eens kijken wat Duribreux erover zegt: ‘Bij elke dertiende seconde klieft de straal van den vuurtoren zijn sluierige gedaante; doch telkens, na een weifeling, hervormt hij zich en drijft verder. Boven de witgewuifde nokken van de huizen ontneemt de wind hem steun. Plots stuikt hij neer en wordt onzichtbaar.’ Onzichtbaar, maar wel 'hervormd' tot blok aan mijn been! 
't Is de kwelgeest zelf die me belet zijn verhaal te schrijven. Of ’t zou moeten zijn dat ik dat zopas gedaan heb.
Flor Vandekerckhove


Een reactie posten