dinsdag 27 oktober 2015

Lowietje de Neet, een martelaar

— Zo een waarvan ge de armen kunt uittrekken. —
Het waren andere tijden. Omdat zachte heelmeesters in die tijd stinkende wonden maakten zette een buurman bij het opvoeden van zijn zoon de martinet in, een soort zweep. Wanneer de zoon niet horen wilde dan moest hij voelen. Meester Eierboer, die zijn leerlingen liefhad, spaarde dan weer de roede niet. Die had hij eens op Gilberts knoken willen slaan, maar de jongen had in een reflex zijn hand weggetrokken en Eierboer sloeg zijn roede tegen de bank aan gruzelementen. Daar moest Klein Lowietje hard om lachen, wat hem een straf van honderd lijnen opleverde: Ik ben een neet. Ik ben een neet. Ik ben een neet. Ik ben een neet… Honderd keer na elkaar, opdat hij er nooit meer aan zou twijfelen.
Het leven van een neet was in die tijd geen sinecure. Klein Lowietje hield er slaapproblemen aan over. Zijn moeder zei dat hij moest lezen tot wanneer hij in slaap viel. Ze bedoelde bidden. Zo ging dat in die tijd, men zei lezen maar men bedoelde bidden. Wanneer de neet speelgoed liet rondslingeren was ‘t van Orde en netheid leiden tot God. Hij was een sloddervos, kansloos voor het hiernamaals en vijftien jaar later verliet hij dan ook onze moeder de heilige kerk om in de diaspora een vreugdevoller bestaan op te zoeken.
Toen was hij echter zover nog niet. Hij had eerst een lange tocht door het vagevuur te gaan. Dat vagevuur zag er soms alzo uit. Die dag verplichtte zijn moeder hem om haar vergiffenis te vragen. En wel voor iets waarvan hij vond dat ik het niet gedaan had. Hij weigerde, want een neet vraagt geen vergiffenis voor iets wat hij niet gedaan heeft. Moeder steigerde en begon hem met haar pantoffel te slaan, vlam vlam vlam en gij zult vergiffenis vragen. Tussen zijn intens vloeiende tranen ontwaarde Klein Lowietje op de schoorsteenmantel het beeld van het Heilig Hart, zo een waarvan ge de armen kunt uittrekken. Dat beeld kwam hem te hulp. Het bewoog Zijn uitneembare armen, wees met Zijn vinger naar Zijn bloedend hart, sprak en zeide: Ge Moet Haar Een Loer Draaien. Dat was een echt mirakel, dat ziet ge aan de hoofdletters waarmee het beeld tot Klein Lowietje sprak. De neet rechtte het hoofd, keek in trance naar het beeld, strekte zijn armen en sprak met trillende edoch luide stemme: Ik vraag alleen vergiffenis aan God! Zijn moeder ging nu echt door het dak. Het regende pantoffelslagen op zijn netenhoofd, maar dat kon hem niet langer deren, want hij was een martelaar geworden. De naam van Lowietje de Neet werd toegevoegd aan deze van Sebastiaan, Stefanus, Ignatius van Antiochië, Polycarpus van Smyrna, Cyprianus, Perpetua & Felicitas; allemaal martelaren. En daarna was het bedtijd.

Flor Vandekerckhove

Een reactie posten