woensdag 17 februari 2016

Hij leerde zijn volk grimlachen

Links: Machteld zoals die in de filmversie van Hugo Claus door Patricia Linden verbeeld wordt. Rechts: Machteld, zoals die in onze toe-eigening door Jo Clauwaert getekend wordt.

Dat ik een hernieuwde poging onderneem om me Consciences meesterwerk, De Leeuw van Vlaanderen, toe te eigenen ga ik hier niet herhalen. Maar kijk, terwijl ik dat schrijf doe ik het toch. ’t Is trouwens niet toevallig ik dit stukje zo tweeslachtig open, want ik wil hierin een dubbelzinnigheid benadrukken die me bij de toe-eigening van dat boek is opgevallen.
In een eerder stukje, dat u hier vindt, meld ik dat Conscience over zijn heldin Machteld schrijft: Hare grimlach, zoo zoet en zoo zalig als de hoop der menschen’. Waarin het woord grimlach meteen opvalt. Ik heb dat woord nagetrokken, het betekent bittere, boosaardige, minachtende lach. Een grimlach is dus een grijns, maar wat moet een mens zich voorstellen bij een grijns die zoet en zalig is?
Het boek dat ik lees is een oude uitgave. Het dateert van 1838. Intussen heb ik er een recentere editie naast gelegd. In 1975 blijkt Machteld niet langer te grimlachen. Nu gaat het over ‘haar glimlach, zoet en zalig als menselijke hoop’. Grimlach is glimlach geworden.
Ik lees verder in De leeuw uit 1838 en zie dat de auteur ook bij Adolf van Nieuwland ‘een zuiveren grimlach’ ziet opwellen. Graaf Gwyde vindt elders een ‘grimlach op alle wezens’ en er blijkt ook een ‘troostvolle grimlach over zyn aenzicht te zweven.’ Jacques de Chatillon ‘grimlachte om het te verbergen’ en vorstin Johanna ‘grimlachte met eene hatelyke uitdrukking’. Er wordt in dat boek zoveel gegrimlacht dat je kunt stellen dat Conscience zijn volk niet alleen heeft leren lezen, maar ook heeft leren grimlachen.
Het woord komt daar zoveel voor dat ik het nog eens opzoek, deze keer in het onvolprezen Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT). Daar ontdek ik dat het elkaar tegensprekende betekenissen heeft. Het hoeft niet noodzakelijk de ongunstige inhoud te hebben die het vandaag alleenlijk oproept. Een artikel uit 1894 in dat WNT zegt dat er ook een grimlach in gunstige zin bestaat: Eene lachende vertrekking van het gelaat, als uiting eener vriendelijke gezindheid, eener zachte aandoening, althans zeker niet als uiting van ironisch medelijden, van spot, van twijfel enz.’ Een grimlach kan bijgevolg zowel glimlach als grijns zijn. Bij Conscience is ‘t een glimlach, zoals de redacteur het in de editie van 1975 ook goed verwoord heeft. Wat van mezelf in dat eerder geschreven stukje niet gezegd kan worden.
Toch volhard ik in de boosheid. De Machteld uit mijn toe-eigening blijft grimlachen in de ongunstige betekenis. Ze is dan ook een compleet andere vrouw dan deze waar Conscience warm van wordt. Mijn Machteld is geen maagd, maar een hoer. Ze is geen kind van de adel, maar een telg van de working poor. Ze wordt niet ondergesneeuwd in de mannenwereld, maar ze gaat die juist te lijf. Ze heeft meer gemeen met de Amerikaanse Wonder Woman dan met de maagd die Hugo Claus laat opdraven in de film die Consciences boek in beelden omzet.
Mocht u vinden dat ik met zo'n Machteld danig over de schreef ga, dan zult u ongetwijfeld verschrikt wegkijken wanneer ik het in een volgend stukje over mijn Jan Breydel en zijn kompaan Pieter De Coninck zal hebben. Het grimlachen zal u gauw vergaan. 
(Vervolgt)
Flor Vandekerckhove
Een reactie posten