dinsdag 10 juli 2018

Een schip vergaat, Honderden kijken machteloos toe

— In die tijd was de fotografie niet voldoende ontwikkeld om in zo’n weer op grote afstand plaatjes te schieten. Er werd beroep gedaan op tekenaars om de ramp te verbeelden. Dat resulteerde in deze naïeve prent waarin we links het scheepje zien en twee vissers die in de mast kruipen. rechts op de inzet, boven het Westerstaketsel, staat de foto van de omgekomen schipper De Groote. (Prent uit de collectie van wijlen Omer Vilain.) —   

Op 12 maart 1906 woedt er een verschrikkelijke storm over de kust. In zijn Groot Oostendsch Liedtboeck (°) beschrijft Jef Klausing die als volgt: ‘Het staketsel kwam bij het hoge tij onder de golven, de baren sloegen over de zeedijk, de visserskreek liep over: het water stroomde in de straten en liep tot in de handelsdokken.’
De rol die twitter vandaag speelt, werd toentertijd door liedzangers vervuld. Een van hen twitterde aldus: ‘Een wreed tempeest was moordend losgebroken / Bij menschen heugnis nooit ontstaan…’
Dat belette de Oostendenaars niet om te gaan kijken: ‘De mensen op de zeedijk zagen een visserssloep met het noodsein in de mast ten westen van de Stroombankboei, rechtover het Kursaal, die in grote nood verkeerde. Twee bemanningsleden waren in de mast gekropen. Intussen was het schip aan ’t zinken, een man viel uit de mast, de andere ging onder met het zinkende schip.' 
De toeschouwers verwittigden de reddingsdienst die… verstek liet gaan: ‘Het duurde tot 17,40 u., veel te laat, vooraleer de staatssleepboot met de reddingsboot op tui de haven verliet. Het vaartuig was onder de ogen van de honderden toeschouwers op de zeedijk, in het zicht van de haven, met man en muis vergaan. (…) Pas na enkele dagen kon men vaststellen dat het hier ging om de O.233 De Matigheid van eigenaar/stuurman Rudolf De Groote en dat er vijf slachtoffers waren.’ Vlak voor de ogen van de Oostendenaars waren Rudolf De Groote, Prosper Steenkiste, Pierre Vilain, Joseph Bly en Joseph De Coninck de verdrinkingsdood gestorven.
In mijn collectie knipsels vind ik een krantenstukje waarin de volkskundige auteur Omer Vilain aan de ramp herinnert: ‘Normaal gezien moest de reddingsboot bij zwaar stormweer stand-by liggen. Hierbij moest de bemanning ervoor zorgen dat er constant voldoende stoom op de ketel zat zodat het stoomschip —zo nodig— meteen kon uitvaren. Maar dit was nu duidelijk niet het geval (…) de mannen zaten in een café aan de Visserskaai.’ (°°) Het veroorzaakte de nodige commotie. De mannen van de staatssleepboot werden ontslagen.
Flor Vandekerckhove

(°) Jef Klausing. Het groot Oostensch liedtboeck. 1991. Uitg. Emiel Decock. 606 p.

(°°) Omer Vilain over de tijd van toen. Vissersboot verging voor de ogen van veel Oostendenaars. De Zeewacht. De datum ontbreekt; wellicht in de editie rond 12 maart 1996.
Een reactie posten