dinsdag 17 september 2013

Het gezongen dagblad


Lionel Tamboer, een beroemde en
succesvolle marktzanger.
Een lezer propt een pak papier in mijn brievenbus. Daarin zitten wel honderd vellen, in alle kleuren en formaten, soms gedrukt, soms geschreven, soms nog nauwelijks leesbaar. Oude liedteksten, in extremis aan de vergetelheid ontrukt.
Zij was zoo schoon / Veel schooner dan een roos die bloeide / Men bood haar schatten / Om haar maagdebloem te plukken / Maar zij bleef rein / Als een engel zoo teer / En zij liet voor geld en goed / Haar maagdebloem niet plukken.’ Echt gebeurd! En neen, het is met die maagd en haar bloem niet goed afgelopen.
De producenten van die teksten hebben verschillende namen: liedzangers, straatzangers, marktzangers. Met elkaar gemeen hebben ze dat ze compleet uit het straatbeeld verdwenen zijn.
Zelf herinner ik me dat ik één keer zo’n marktzanger in Bredene aan ’t werk mocht zien. Hij verkocht er blaadjes waarop de teksten stonden die hij ter plekke zong.  Iets meer dan een halve eeuw geleden was dat. Da's lang geleden, maar ook weer niet zo heel erg lang. Hoe komt het dan dat we die zangers en hun blaadjes inmiddels al helemaal vergeten zijn?
Het komt doordat die straatzangers uit de laagste maatschappelijke klassen komen. Ook hun publiek bestaat uit nauwelijks geletterde mensen.  En de hogere, ‘geletterde’ klassen hechten uiteraard geen belang aan wat ze als rijmelarij wegzetten. Wat niet gedocumenteerd wordt, gaat onherroepelijk verloren.
De liedteksten werden gedrukt op dun, gekleurd, goedkoop papier.  Ze werden wel eens vliegende blaadjes genoemd.  Gelukkig zijn er ook folkloristen geweest met oog voor zo’n dingen en die zo’n teksten een tweede leven geven (door ze bijvoorbeeld in mijn brievenbus steken).
Die straatzangers mogen inmiddels vergeten zijn, ze vervulden destijds wel een belangrijke functie. Informatie, onderwijs en lectuur waren normaliter voorbehouden aan de hogere klassen; er was geen sprake van wat we massamedia noemen. De straatzangers fungeerden als journalisten voor de veelal ongeletterde werkende klasse.
Beroemd waren o.m. Joseph Sadones (actief tussen 1775 en 1810), Henri Boddin (van 1880 tot 1914), Aloïs Vanpeteghem (tussen 1885 en 1930), Achille Coppenolle, Frans Jacobs en Lionel Bauwens, alle drie actief van 1912 tot 1949. (*)
Ook in de Oostendse visserij was destijds zo’n zanger-journalist aan ’t werk. De Gentenaar Louis Vanden Eeckhaute (°1867) deed zijn legerdienst in het derde linieregiment dat in 1887 in Oostende gekazerneerd was.
Als achtjarige vergezelde hij zijn straatzingende vader al om de liedbladen te verkopen. Hij werd op zijn beurt straatzanger en trad ook op in herbergen.  Louis was, zoals veel van zijn collega’s, nauwelijks geletterd. Hij dicteerde teksten aan zijn echtgenote, waarna ze hem die voorlas zodat hij er zijn ‘final touch’ kon aan toevoegen.
Volgens een getuige was hij ‘een man die nooit dronk. Hij schreef geen kluchtliederen, daartoe ontbraken hem de lust en de gelegenheid. Alles wat niet eerlijk en rechtzinnig was bracht zijn gemoed in opstand en moest hij in bittere woorden uiten. Hij was vooral bekend als antimilitarist.’
Louis Vanden Eeckaute was de zaak van de arbeidersklasse meer dan genegen. Hij zong liederen die onderdrukking en uitbuiting aanklaagden. Daar ging de overheid destijds niet lichtzinnig mee om. Tegen hem zou minstens zestig keer een proces verbaal opgemaakt worden. Toen hij een lied ten gehore bracht over het beruchte proces dat in Frankrijk tegen Alfred Dreyfus gevoerd werd, kostte dat Louis Vanden Eeckhaute een boete van zesentwintig frank, plus een gevangenisstraf van… drie maanden! Jawel, voor het zingen van een lied.
In 1887 was deze rebellerende straatzanger dus in Oostende om er zijn vaderlandse plicht te vervullen. Dat was niet zomaar een jaar, 1887 was het jaar van de roemrijke Oostendse vissersopstand.  Soldaat Vanden Eeckhaute deed wat hij niet laten kon en maakte Het lied van de vissers: ‘Wel vissers gij moet lijden / en zoeken naar een stukje brood. / Niemand kan u verblijden, / gij lijdt veel hongersnood. / Komt gij naar uw loon te vragen / zij verachten u als een arme man. / Zij willen u de zee injagen, / zonder eten, wat denkt gij ervan?’
Het werd hem door de legerleiding niet in dank afgenomen. Omwille van dat lied werd hij dertien maanden naar de strafcompagnie gestuurd.  Maar klein kregen ze hem daar niet. Nadat hij zijn straf uitgezeten had, zong hij ook daar een lied over: ‘Ik kwam hier een liedje te zingen / Dat van de vissers bedrijft / Naar de supline werd ik gesteken, / ja, dat was voor mijne straf / Vrienden aandenk mijn droevig lijden / Wat ik heb daar ondergaan / Met water en brood en ijzers aan / Zo ben ik naar de supline gegaan.’ Ja, ook voor dat lied werd hij zwaar gestraft, en niet omdat het rijm rammelt.
Jef Klausing vertelde me dat hij Het lied van de vissers in 1957 voor het eerst hoorde in Blankenberge. Hij mocht het toen niet met zijn recorder opnemen en evenmin zeggen wie het daar voor hem zong. Zeventig jaar na de feiten liet het neerslaan van de opstand zich in de vissersgemeenschap nog altijd voelen.
Aloïs Vanpeteghem was ook een bewogen liedzanger. Hij bezong de naweeën van de Eerste Wereldoorlog en dan vooral sociale situatie waarvan het gewone volk het slachtoffer was. ‘Voor wat hebben wij zo geleden / Voor wat hebben wij zo gestreden / Voor wat offerden wij met een heldenmoed / Ons jong leven en al ons bloed (…)’ En dat in een tijd waarin het woord protestsong nog uitgevonden moest worden!
Henri Bodin zong voor WO I liederen op tekst van ene De Windt. Die had het vooral over de emigratie van Vlamingen naar Guatemala en Amerika. Ook produceerde hij een ‘Belangrijk dichtstuk over de overname van Congo’, waarin hij ook kritiek durfde te uiten op koning Leopold II.
Maar de meeste liedzangers waren niet zo sociaal bewogen. Hun was het om de sensatie te doen: moorden, verkrachte maagden, rampspoed… Andermans ellende deed ook toen al de persen draaien.
Liedzanger Jacob Hendrik Arens was vooral op zoek naar wat in hedendaags journalistiek jargon een scoop noemt. Die vond hij in november 1827 met zijn lied over een walvis die in Oostende gestrand was. 'Als zijn bakhuys open stond, / Twintig ellen in het rond / 't Was een overgroot beslag, / Als een zeeschip dat daer lag.'
Na 1900 was Tamboer een bekende marktzanger. Tamboer, alias Lionel Bauwens, was uit Eeklo afkomstig, maar in heel Vlaanderen bekend. En hij was populair. Een enquête onder zestigplussers op de Brugse markt toonde aan dat meer dan 80% van de ondervraagden naar die markt kwam om er Tamboer te horen.
Mensen kwamen speciaal naar de markt om er 'het nieuws' te
vernemen. We zien Frans Jacobs aan het werk. Achter hem zien we
dat de liedblaadjes gretig gelezen worden.
Tamboer scoorde vooral met liederen over de moorden in Beernem, een reeks gebeurtenissen uit de periode 1915-1944, die in 1991 ook een televisieserie opgeleverd heeft: De bossen van Vlaanderen.
Tamboer mag met dat soort liederen een voorloper genoemd worden van de sensatiepers. Moord! Dat was nieuws waar geld uit te slaan was, veel geld. In de 'hoogdagen' van de moorden van Beernem verkocht Lionel in drie jaar maar liefst 40.000 (!) liedbladen. Per blad betaalde hij de drukker drie centiemen. Op de markten kreeg hij er twee frank voor.
Héhé, het huwelijk tussen profijt en journalistiek is ouder dan de commerciële omroep, veel ouder.
Flor Vandekerckhove

(*) Roger Hessel,  Marktzangers als journalisten van de werkende klasse. Gezongen dagbladen niet meer te beluisteren. In: http://www.depoemp.be/De%20Moord%20van%20Nijlen/Moord_P5.pdf
Ook veel andere gegevens uit dit stuk haalde ik bij Roger Hessel.  Hij verzamelde duizenden liedjes die marktkramers een eeuw geleden op marktpleinen en straten zongen. Op de regionale zender Focus werd hij in 2012 geportretteerd in de serie Levende helden. De gegevens over Louis Vanden Eeckhaute haalde ik bij wijlen Jef Klausing.

Een reactie plaatsen