donderdag 29 juni 2017

Tijdverliezen op het internet


Zojuist heb ik Wasting time on the internet (°) dichtgeklapt, een essay van Kenneth Goldsmith, over de nog maar weinig begrepen invloed van het internet op kunst en literatuur: ‘Wat indien het poëtische de boekwinkel verlaten heeft op dezelfde manier als Elvis het gebouw?’ vraagt Goldsmith zich af. ‘Lang nadat de limo weggeschuurd was, was het publiek in de arena nog altijd om meer aan ’t roepen, maar de poëzie ontsnapte via de achterdeur naar het internet, waar ze nieuwe vormen aanneemt die helemaal niet op poëzie gelijken.’ (°°)
De auteur geeft hilarische voorbeelden. Zo blijkt iemand de Moby Dick van Herman Melville compleet in emoticons herschreven te hebben en iemand anders heeft Ulysses van James Joyces helemaal in QR-codes vertaald.
Boeiend vooral is dat Goldsmith al die nieuwlichterij in een lange voorgeschiedenis kadert, waardoor de voorbeelden al iets minder hilarisch worden. Deze vreemde uitingen van het internettijdperk vergelijkt hij o.a. met het werk van conceptuele kunstenaars uit de jaren zestig en met het urinoir van Marcel Duchamp. Allemaal gevallen waarbij de vraag gesteld werd/wordt of het nog wel kunst is.
Oorlog & Vrede lees je niet op een computerscherm, dat doe je in een boek of op een reader, maar korte verhalen lenen zich al daar beter toe en het zeer korte verhaal is een ideaal formaat voor de blog. Je bent aan ’t surfen, blijft even hangen, lees vlug het verhaal en surft weer verder. Twitter leidt naar nog een kortere vorm van literatuur. Zo heeft de krant The Guardian 21 bekende auteurs gevraagd om een verhaal in 140 tekens te schrijven, het maximale aantal dat twitter je toelaat. Goldsmith zelf haalt het voorbeeld aan van Jennifer Egan die in 2010 een roman schrijft die bestaat uit 607 tweets. Ook hier wijst Goldsmith naar voorlopers, zoals de specialist van het fait divers, Félix Fénéon.
Overtuigend is de auteur ook waar hij de browsergeschiedenis van je computer vergelijkt met het literaire genre dat memoires heet. Uiteraard vermeldt hij Jorge Luis Borges wanneer hij ons over het project Google Books vertelt, want Borges heeft in 1941 al De bibliotheek van Babel geschreven, een verhaal waarin alle boeken ter wereld in één bib verzameld worden, en da’s exact wat Google momenteel aan het doen is.
Een van de kenmerken van de internetrevolutie is dat oppervlakkigheid diepte vervangt en hoeveelheid kwaliteit. Daar heeft Alessandro Baricco in het ook zeer lezenswaardige De barbaren eerder al op gewezen. Ook daar wijst Goldsmith naar voorlopers. Wat heeft Andy Warhol anders gedaan toen hij soepblikken en waspoederdozen tot kunst verhief? Wikileaks doet het nu volop met informatie. De kwaliteit van de journalistiek wordt vervangen door de kwantiteit van de lekken. De ex-CIA man Edward Snowden heeft, leert Goldsmith, tussen de 1,5 en 1,7 miljoen documenten gelekt, veel meer dan we ooit zouden kunnen lezen.
Op straat lopen mensen die alleen oog schijnen te hebben voor hun telefoon. Ze hebben iets van zombies, zegt Goldsmith, en hij ontleedt het verschijnsel tot op het bot, waarbij de consument zich tot de mondige burger verhoudt als de ondode tot de mens.
Internetsurfen laat hem dan weer aan de situationisten denken, kunstenaars die het dwalen in de stad tot kunstvorm verheven hebben. Ook die situationisten maken trouwens deel uit van een traditie, want zij worden op hun beurt voorafgegaan door de flaneurs die Walter Benjamin lang geleden al in zijn boek over Baudelaire beschrijft.
De grote kracht van het essay ligt hem juist hierin dat de auteur enerzijds aantoont hoe onbegrijpelijk nieuw de mogelijkheden van het internet zijn, terwijl hij anderzijds wijst op antecedenten (dada, Marcel Duchamp, Walter Benjamin, de zombiefilms, Jorge Luis Borges, Andy Warhol, concept art, Baudelaire, surrealisme, William S. Burroughs, Finnegans Wake…) waarmee hij de revolutionaire vernieuwingen in een traditie plaatst.
Een nieuwe wereld gaat voorwaar open en… ’t is nog maar een begin.
Flor Vandekerckhove

° Kenneth Goldsmith. Wasting Time on the Internet. 2016. Uitg. Harper Perennial. 132 pp. ISBN 978-0-06-241647-6.
(°°) Ik weet niet of ik dat correct vertaald heb, in ’t Engels luidt het alzo: ‘What if the poetic has left the bookstore in the same way Elvis has left the building? Long after the limo pulled away, the audience was still in the arena screaming for more, but poetry escaped out the back door and onto the Internet, where it is taking new forms that look nothing like poetry.’
Een reactie posten