dinsdag 7 januari 2020

Peter Holvoet-Hanssens Blauwboek is een reuzenomweg


De reis begint nooit binnenin, hij start al eerder, hij start op de kaft. Dat heeft de jongste van Delphine Lecompte me geleerd: als ’t goed gedaan is, licht de kaft de sluier op — dáár gaat de tocht heen! Neem er de tijd voor, voor de kaft.
Op de achterflap van Blauwboek (°) staat een iets te klein afgedrukte foto. Ik haal er de loep bij. Op de voorgrond: de dichter kijkt uit over ’t water; schuin daarachter: groot houten beeld; vlak ervoor staat nog iemand. Ik zoek steun in het colofon. De foto is van Jo Clauwaert, het beeld is de Cosmogolem van Koen Vanmechelen en de mens die ervoor staat heet Lamine Diouf. Voilà: alreeds ontvouwt zich de opdracht die de dichter zichzelf stelt: Peter Holvoet-Hanssen zal uit de golem een schepping tot leven blazen. En… de dichter is een groep.
Van het colofon blader ik verder terug en stoot op het Parley. Geen idee wat dat is, een parley, maar wat ik te zien krijg bevestigt mijn vermoeden: de dichter is een groep. Daar vernoemt Holvoet-Hanssen de namen van degenen die hem tijdens zijn tocht terzijde staan. Veel ervan zijn mij bekend, sommigen vernoem ik in het gedicht De Laatste dicht nu waarlijk vlugger dan zijn Laatste Schaduw. Ik blader nog iets verder terug en verneem alzo in een bijzonder mooi vers waar Peters queeste eindigt:

wat zullen we zingen in een wassalon zo schoon
dat de stormreus heel even stopt en verbleekt

nog één minuut en we zwieren aan het langste eind
dan zwijgen we in een taal die niemand spreekt

De tocht eindigt zowaar in het wassalon. Niet dat het daar ophoudt, neen, in de volgende twee regels luidt het alweer: want hier bolt de driemaster tot fantoom / en weer trekt de wind zijn mantel aan’. Maar dat zal voor een andere keer zijn. Nu eindigt het — voorlopig voor altijd — in dat wassalon.
Ik blader nog verder terug en kom onder de indruk van de beeldcultuur in het boek. De druk is blauw, letters en bladspiegel verraden ontmoetingen met Paul van Ostaeyen. Ik keer almaar verder terug en stop bij het frontispice alwaar ik me de bedenking maak dat elk boek dat van zijn uitgever zou moeten meekrijgen, een frontispice.
Pas dan begin ik te lezen, want welke omwegen Holvoet-Hanssen neemt om uiteindelijk in die wasserette te arriveren, daar kun je alleen maar traag lezend achter komen. Laat me alvast dit zeggen: het gebeurt via een reuzenomweg. ‘Als hij een bloem ziet die zijn aandacht trekt, loopt hij een tijdje om. Als hij een geluid hoort dat zijn aandacht trekt, loopt hij een eindje verder om. Hij vindt de reis van evenveel belang als de plaats waar hij naar toe reist. De reis maakt deel uit van zijn doel (…)’ (°°) Wat voor elke dichter geldt, geldt in de overtreffende trap voor Peter Holvoet-Hanssen.
Flor Vandekerckhove

(°) Peter Holvoet-Hanssen – Blauwboek. 2018. Polis, Kalmthout. 104 blz. 
(°°) Uit K.L. Poll. Het principe van de omweg. 1980. Meulenhof, A’dam. 182 blz.

Geen opmerkingen: