vrijdag 9 augustus 2019

Anuna! Anuna!



DE FAUTEUILS HETEN Chesterfield, de lampjes Tiffany en de mening is gewogen, het stemgeluid gedempt, de discussie beschaafd, het cijfer berekend. Het lood van de glasramen is helaas te broos om het straatlawaai te keren: Anuna! Anuna! Anuna! … De historicus laat Knack zakken en zegt: ‘Altijd weer die Winona.’ Waarop meneer doktoor vraagt wie Winona is. De uitgever legt het hem uit: Winona is Anuna. De professor zegt nog een en ander over plausibiliteit, de dokter citeert Winston Churchill en de notaris vermeldt Bourdieu. Dan is daar onvermijdelijk het moment waarop de club de deuren sluit. De heren verlaten het salon. Op straat klinkt nog steeds Anuna! Anuna! De kelner ruimt de tafels, de barman sluit de bar, aan de dienstuitgang trekken ze hun gele hesje aan.

woensdag 7 augustus 2019

Leren schrijven met Eileen Myles

I think writing
is desire
not a form
of it.

Eileen Myles ken ik van een gedicht — An American Poem — dat ik aan ’t vertalen ben. Dat haar Chelsea Girls in ’t Nederlands beschikbaar is, wist ik niet. Om het te weten moest ik naar de Gentse Feesten gaan.

Onderweg passeer ik een etalage: De niets ontziende memoires van ‘de rockster van de moderne poëzie.' Voor fans van Chris Kraus, Patti Smith en Maggie Nelson. Veel hebben die kapitalen niet geholpen, de etalage waarin het boek ligt is die van De Slegte:  7,90. (°)
Ik begin de verhalen — op de kaft ‘memoires’— al tijdens de terugweg, op de trein, te lezen. En leer Eileen Myles kennen als een lesbische, politieke variant van Charles Bukowski, wel militant en strijdbaar, evengoed een zuipschuit. ‘Alleen dronken worden en verliefd zijn vond ik leuk. Als ik geen van beide was, had ik alleen geld nodig voor mijn huur, sigaretten en koffie, makkelijk zat. Ik hield echt van het dichtersleven.’ Er is niet alleen drank, er is van alles. En pillen, dat ook: ‘Na een paar drankjes verliet ik dus miss ass-tricks. Ik moest naar huis om drukproeven te corrigeren. Ik wist dat ik thuis een pil en een paar flesjes Heineken had. Het werd een van de vreselijkste nachten van mijn leven omdat ik de pil niet kon vinden en zeker wist dat hij op de vloer moest zijn gevallen, dus kroop ik tussen middernacht en zes uur ’s ochtends behoorlijk lang op handen en voeten rond de koelkast en onder de badkuip en de gootsteen.’
Terwijl mijn blik, tussen twee verhalen in, over Vlaamse velden schuift, kom ik tot het besef dat het ten onzent niet anders was. ’t Is over onze generatie dat Myles (°1949) schrijft. En tegen de tijd dat de trein eindstation Oostende binnenrijdt heeft het boek al vele rijen inspiratie in mijn hoofd geplant, daar kiemen nu vignetten over bijvoorbeeld elke straat in Gent waar ik destijds gewoond heb: Benard-, St.-Pietersaalst-, St.-Lievenspoort-, Wijngaard-, Keizer Karelstraat …
En dan is er haar stijl. Ik bewonder de ‘sluipwegen’ die her en der in zinnen opduiken en die van haar een punkschrijver maken: ongepast weglaten van komma’s, komma’s waar een punt hoort, door elkaar halen van tijden.‘Dus ik ging een minuutje naar boven, heb een halve herinnering aan een grote gele badkamer en een bijzonder aangename loft waar Michael ‘veel aan had gedaan’, wat een saaie lui.’  ’t Is niet helemaal volgens het boekje, maar het werkt wel. Hier verneem ik wat erachter zit en ik mag dat wel samenvatten met de ‘Fuck the comma’ van de interviewster. Ja, daar kan ik wel iets van leren, ik die altijd zo hard mijn best doe om al die komma’s op de juiste plaats te krijgen.
Ik ken haar, zoals ik in de intro al zei, van An American Poem. In 1991-1992 voert Myles campagne als potentiële kandidaat voor het ambt van president van de Verenigde Staten; deels performance, deels protest. Haar campagne ziet ze als een alternatieve kijk op hoe een radicaal progressieve politiek eruit zou kunnen zien. Het gedicht markeert die campagne. 
Inmiddels is mijn vertaling klaar. Ik plaats haar hieronder. Eerst probeer ik origineel en vertaling in één document naast elkaar te plaatsen, maar ik zie dat de letters dan te klein worden; 't is een technisch probleem, misschien wel veroorzaakt doordat het gedicht zo lang is. Ik ga u dat niet allemaal uitleggen, maar neem van me aan dat het ingewikkelder is dan het eruitziet; ik vind hoe dan ook geen oplossing. Noodgedwongen plaats ik alleen de vertaling, en probeer vervolgens uit te vissen waar u gemakkelijk het origineel kunt weervinden: hier dus !
Flor Vandekerckhove

(°) Eileen Myles. Chelsea Girls. 253 pp. Lebowski Publishers, A’dam. 2017. Vertaald uit het Amerikaans door Evi Hoste en Anniek Kool.

Een Amerikaans gedicht

Eileen Myles
Mijn vertaling

Ik ben in Boston geboren in
1949. Ik heb nooit gewild
dat dit feit bekend zou zijn, in
feite heb ik de betere
helft van mijn volwassen leven
geprobeerd mijn vroege
jaren onder het tapijt te vegen
en een leven te leiden dat
duidelijk alleenlijk van mij was
en onafhankelijk van
het historische lot van
mijn familie. Kun je je
voorstellen hoe het was
een van hen te zijn,
gebouwd te zijn als hen,
te praten als hen
om de voordelen te hebben
van geboren te zijn
in zo’n rijke en machtige
Amerikaanse familie. Ik ging
naar de beste scholen,
had allerlei tutoren
en trainers, reisde
alom, ontmoette de beroemdheden,
de controversiëlen en
de niet-zo-bewonderenswaardigen
en ik wist al van
heel jongs af dat
als er ooit een mogelijkheid was
om te ontsnappen aan
het collectieve lot van deze beroemde
Bostonse familie dat ik
die weg zou nemen en
dat heb ik. Ik sprong
op een amtrak naar Nieuw
York in het begin van de
jaren 70 en ik denk wel dat
je kan zeggen
dat mijn verborgen jaren
een aanvang namen. Ik dacht
Nou ik zal een dichter zijn.
Wat kon nog
dwazer zijn en obscuurder.
Ik werd een lesbienne.
Elke vrouw in mijn
familie ziet eruit als
een lesbo maar het is echt
alsof je de boel in de steek laat
als je er een wordt.
Ik zit vast aan deze schandelijke
houding die ik gezien heb en
heb aangeleerd en
ik begin te denken dat
dat je aan de geschiedenis
niet kunt ontsnappen. Een vrouw 
waarmee ik momenteel
een verhouding heb zei
weet je, je lijkt
op een Kennedy. Ik voelde
het bloed in mijn
wangen stijgen. Mensen hebben
altijd gelachen met
mijn Bostonaccent
waarin “large” lijkt op
“lodge”, “party”
op “potty.” Maar
wanneer deze nietsvermoedende
vrouw voor
het eerst mijn
familienaam opriep
wist ik dat het uit was
met de pret. Ja, ik ben,
ik ben een Kennedy.
Mijn pogingen om onbekend te blijven
zijn me van geen nut
geweest. Strartend als
een nederige dichter
klom ik vlug naar de
top van mijn professie
en verwierf er
leiderschap en eer.
Het is goed dat een
vrouw me nu
ontmaskert. Ja,
Ik ben een Kennedy.
En ik wacht op
uw instructies.
U bent de Nieuwe Amerikanen.
De daklozen dwalen over
de straten van ‘s lands
grootste stad. Er bevinden zich
mannen met AIDS onder
hen. Is dat rechtvaardig?
Dat er geen huizen zijn
voor de daklozen, dat
er geen gratis medische
hulp voor deze mannen is. En vrouwen.
Dat ze de boodschap krijgen
— terwijl ze aan ‘t sterven zijn —
dat dit niet hun thuis is?
En hoe gaat het met je
tanden vandaag? Kan
je het je permitteren om ze te repareren?
Hoe hoog is je huur?
Als kunst het hoogste is
en de meest eerlijke vorm
van communicatie van
onze tijden en de jonge
kunstenaar niet langer in staat is
om naar hier te verhuizen om met haar tijd
te dialogeren ... Ja, ik kon dat,
maar dat was 15 jaar geleden
en herinner je — zoals ook ik moet
ik ben een Kennedy.
Moeten we niet allemaal Kennedys zijn?
De grootste stad van deze natie
is de thuis van de zakenman
en de thuis van de
rijke kunstenaar. Mensen met
mooie tanden die niet
op straat leven. Wat zullen
we aan dit dilemma doen?
Luister, ik ben geschoold.
Ik heb geleerd over Westerse
Beschaving. Weet jij
wat de boodschap van Westerse
Beschaving is? Ik ben alleen.
Ben ik alleen vanavond?
Dat denk ik niet. Ben ik
de enige met bloedend tandvlees
vanavond. Ben ik de enige
homoseksueel in deze kamer
vanavond. Ben ik de enige
van wie de vrienden
gestorven zijn, nu sterven.
En mijn kunst kan niet
aangemoedigd worden vooraleer hij
gigantisch is, groter dan
die van iedereen, het gevoel
van de gegadigden bevestigend dat ze
uniek zijn. Dat alleen zij
goed zijn, het waard zijn
om de tickets te kopen
om deze Kunst te zien.
Aan ‘t werk zijn,
en gezond, horen
te overleven, en
normaal zijn. Ben jij
normaal vanavond? Iedereen
hier, zijn wij allemaal normaal.
Het is niet normaal voor
mij om een Kennedy te zijn.
Maar ik ben ik niet langer
beschaamd, niet langer
alleen. Ik ben niet
alleen vanavond omdat
we allemaal Kennedy’s zijn. 
En ik ben uw president.

dinsdag 6 augustus 2019

Kritiek op de mannelijke blik


Halverwege juli post ik hier een stukje over La vie d’ Adèle, film uit 2013, van Abdellatif Kechiche. Tijdens de voorbereiding verneem ik dat Juli Maroh, schrijfster van het gelijknamige boek de expliciet seksuele scènes van de film ‘belachelijk’ en ‘ongeloofwaardig’ noemt. Ze verwijt de regisseur de vermaledijde male gaze. De controverse is naar verluidt heftig, maar ze is desondanks aan mij voorbijgegaan. Op het einde van diezelfde maand verneem ik dat Karin Hanssen (°1960) in Mechelen tentoonstelt. (°) Veel van haar werk blijkt die male gaze te bevragen. Ik wil iets aan mijn onwetendheid doen en ga kijken.
In de mooie ruimtes van De Garage kijk ik ook naar The thrill of it all, een film uit 1963. Karin Hanssen zegt erover: ‘Ik zag plots dat je met een verleidelijke vorm, in dit geval een komedie, heel giftige boodschappen kon verspreiden. Het was propaganda om de vrouw aan de haard te houden.’ Ik moet het begrip ‘propaganda’ een beetje oprekken om haar daarin gelijk te geven, maar ik begrijp wel wat ze bedoelt.
Voortaan zal ook Hanssen verleidelijke vormen inzetten, maar dan om de patriarchale blik te ondergraven. De tentoonstelling toont er een prachtig voorbeeld van. The thrill of It all, schilderij (45 x 50 cm) uit 1995, toont ons een moeder die in de badkamer haar kind aan ’t wassen is. Het beeld dat Hanssen neerzet is geïnspireerd door een gelijkaardige badkamerscène in die film. Hanssen schildert er evenwel geen kopie van. Zoals ze dat in wel meer schilderijen doet, laat ze de vrouw van ons wegkijken. Maar waar kijkt die vrouw dan naar? Wat krijgt ze aan gene zijde te zien? Verder dan de badkamermuren reikt haar blik niet.
In een essay (°°) becommentarieert Charlotte Mullins dat schilderij. De moederfiguur zit ingekapseld in de beperkingen van het gezin. Wat ze binnen die beperking te zien krijgt verschilt nog niet weinig van wat bijvoorbeeld de man overschouwt in Casper David Friedrichs De wandelaar boven de nevelen (1818).
De tentoonstelling heet niet voor niets Returning the gaze. Karin Hanssen ‘leent’ het filmbeeld, ontdoet het van de male gaze en bezorgt ons het terug. En het doek is… beter dan de film.
Flor Vandekerckhove


[Dit stukje verschijnt ook in Snapshots. Tijdschrift van de Vlaamse Filmpers.]

(°) Returning the gaze van Karin Hanssen loopt nog tot 1 september in De Garage in Mechelen. Meer op: https://www.cultuurcentrummechelen.be/tentoonstellingen/2018-2019/karin-hanssen 
(°°) Charlotte Mullins. In The borrowed gaze. 2014.
Dezelfde Charlotte Mullins schreef over de recente werken in de tentoonstelling een nieuwe tekst. Die valt te lezen in het boek dat bij de tentoonstelling hoort. Het boek Returning the Gaze wordt uitgegeven bij Stockman Art Books (2019).

zondag 4 augustus 2019

Kijk kijk: een hagedis

De Levendbarende hagedis


OP DINSDAG 9 juli 2019, kort na de noen, begeef ik me op pad. Het is zonnig weer, een bries NNO tempert de zonnewarmte. Mijn tocht passeert het duingebied tussen Bredene en Oostende en ik bevind me op het pad dat, tussen Dunegat en Spinoladijk, over de duinen loopt. Hoog op het hoogste duin, vlak naast dat pad, zie ik in een flits een hagedis wegspurten. ’t Duurt te kort om het beest te kunnen beschrijven, maar lang genoeg om zeker te weten dat het een hagedis is. 
Op de terugweg ontmoet ik Willy die de hond uitlaat. Ik vertel hem van de hagedis. Hij is helemaal niet verwonderd, hij weet dat het dier hier leeft, al menig maal heeft hij er een gespot. Hij vertelt het met zo’n grote vanzelfsprekendheid dat ik aan zijn woorden twijfel. 
Thuis raadpleeg ik het internet. In België komen vier hagedissen voor, waarvan één pootloze. Die kan het al niet geweest zijn, zonder poten spurt je niet zo rap. De duinhagedis dan? Wikipedia zegt dat die soort alleen in Wallonië voorkomt. Zelf wist ik niet eens dat ze daar duinen hebben. De muurhagedis? Daarvan zegt Natuurpunt: ‘In België vormen Samber en Maas de noordgrens van het natuurlijke verspreidingsgebied. Sinds 2004 duiken echter ook in Vlaanderen (…) steeds vaker exemplaren op. Uit onderzoek blijkt dat de soort (in 2016) hier al voet aan de grond heeft gekregen op 27 van elkaar geïsoleerde locaties.’ Wellicht heb ik de vierde soort gezien, de levendbarende hagedis: ‘De soort komt ook voor in drogere biotopen zoals struikheidevelden, duinen (…)’.

[Deze post dateert van 2019. In 2024 redigeer ik het stukje opnieuw ten behoeve van de FB-groep Bredene Retro.]

vrijdag 2 augustus 2019

Cindy Wright in Blankenberge, maar who the fuck is Alice?

                                                                                                                                               © Dominique Provost

De inleidende tekst leert me dat Another Fairytale schilderijen van Cindy Wright toont. Een Vlaamse, geboren in Herentals. Woont in Antwerpen. Beroemd. Wereldwijd exposities. Voor mijn geestesoog verschijnt een meisje uit de Kempen dat, tot grote verwondering van haar buurjongen, de wereld verovert. Die gedachte leidt me onverwachts naar het stomme Who the Fuck is Alice?, iets wat beter niet gebeurd was, maar zo is het en niet anders. Ik meander door de ruimtes, van links naar rechts en van achter naar voor. Alice? Who the fuck is Alice? Ik probeer mijn aandacht bij de grote, indrukwekkend knap geschilderde tableaus te houden. Who the fuck is… Ik neem afstand, kom dichtbij en neem weer afstand. ik bewonder het metier van de kunstenares. Alice? En niet alleen het metier, er is ook een verhaal en er is visie. Ik blader in het foldertje dat me met mooi geschreven teksten in het merkwaardige oeuvre instrueert … En echt heel de tijd: Alice? Who the Fuck… Waarom verpest dat stomme lied mijn expositiebezoek? Eerst denk ik dat de kunstenares daar zelf schuld aan heeft. Hoe kan iemand in Herentals geboren zijn en tegelijk Cindy Wright heten? I guess she’s got her reasons. Waarna het in mijn hoofd ontploft: Alice? Who the Fuck is Alice? Ik wil dat het ophoudt. Thuis vlooi ik de kwestie uit en zie tot mijn verwondering dat er naast Cindy nog mensen in Antwerpen wonen die Wright heten: Ann, Christopher, Jason, Ronald, allemaal Wright. Ja, daar heeft mijn vooringenomenheid me toch weer parten gespeeld. Voor mijn straf ga ik nog eens naar Wrights tableaus kijken.


Another Fairytale. Tien monumentale stillevens van Cindy Wright. In Exporuimte De Meridiaan, Casinoplein 9 in Blankenberge. Nog tot 29 september. Gratis toegang. (Op maandag gesloten.)

woensdag 31 juli 2019

Waardig ouder worden met Linda Gregg

Ik zou het gemakkelijk kunnen uitstellen tot daar meer tijd voor is. Maar waarom zou ik dat doen, het uitstellen? Als ik het nu niet doe, wanneer dan wel? Ik ben de zeventig gepasseerd, zoveel tijd rest me niet.
De Amerikaanse dichter Linda Gregg is dit jaar overleden, 77. Ik zei het toch, veel tijd rest ons niet. Wel dan. Eerst vertaal ik dit gedicht en straks ga ik wandelen.
Flor Vandekerckhove



(°) Asking for Directions van Linda Gregg, uit Chosen by the Lion. © Graywolf Press, 1994.

dinsdag 30 juli 2019

Tien keer het leven zoals het is



1. Nederwiet — Ik was goed op weg om te ontsnappen, maar stootte onverwachts op een cipier. Hij stond vlak achter de poort een joint te smoren. De winterkou sloeg ongenadig op ons neer. ‘Wat een weer hé’, zei hij, terwijl hij me zijn frietzak presenteerde. Ik nam een ferme snok en terwijl de nederwiet zich meteen een weg naar mijn hersenen zocht, keken we samen uit over de vrijheid die helemaal wit kwam te liggen van de sneeuwbui die van west naar oost over het land aan ’t trekken was. Ik besloot mijn vluchtpoging uit te stellen tot het beter weer werd.

2. Vrouw — Hoss is ervan overtuigd dat de wereld alleen maar uit goede en slechte mensen bestaat. Hij denkt dat je de goede mensen aan hun paard kunt herkennen. Dat laatste klinkt vreemd, maar dat doet het al veel minder als u weet dat Hoss een cowboy is. Hij beweert ook dat Bart De Wever geen man is, maar een vrouw. Op ’t internet vind ik wel massaal veel beelden van Bart De Wever, maar nergens vind ik een Bart De Wever te paard, zodat ik zelf niet kan inschatten of Bart De Wever een goede dan wel een slechte vrouw is.

3. Sigaret — Ik effende het zand en scheurde het pakje open. Ik legde de buit voor me neer. Daar lagen nu twee gekreukte sigaretten van het merk Sprint, de filtersigaret van de sportman. Het lukte me niet om de lucifers aan te steken, want de wind blies alles uit. Ik deed dan maar alsof ik die sigaret rookte. Terwijl ik de denkbeeldige sigarettenrook nastaarde, dwaalden mijn gedachten af naar de straathond Laika die op datzelfde moment in een spoetnik rond de aarde cirkelde. Daardoor weet ik nog dat het op 3 november 1957 was dat ik mijn eerste sigaret gerookt had, bijna.

4. Kleinkinderen — Ik heb drie kleindochters. De tweede jongste wil niet met me spreken. Van zodra ze me ziet kijkt ze de andere kant uit. De oudste spreekt wel met me. Ze is op kamp geweest. Vanuit Frankrijk stuurt ze me een postkaart, waarop staat dat ze eens zal langskomen. Ik stuur een berichtje om haar voor de kaart te danken en ze antwoordt: geen probleem. Waarom de tweede jongste niet met me spreekt weet ik eigenlijk niet, ook omdat er niemand is die ’t me kan uitleggen. Ik leg me erbij neer en gebruik de woorden van mijn oudste: geen probleem.

5. Politie — Ik werd ondervraagd door een goeierd en een kwaaie. De goeierd wilde weten wat me ertoe gebracht had om mijn eigen volk te verraden. De kwaaie schreeuwde daarna in mijn oor: ‘En waarom hebt gij een reis naar Turkije geboekt?’ De goeierd zei dat ik moest begrijpen dat ik me verdacht gemaakt had. De kwaaie begon weer te schreeuwen.
Toen zei die goeierd opeens tegen de kwaaie:‘Godver, ’t is acht uur. We gaan eerst koffie drinken.’ Daarop verlieten we gedrieën het lokaal, de twee politiemensen voorop en ik als laatste. Zij sloegen af naar het koffieapparaat en ik naar buiten.

6. Nederlands — Als ik in Amsterdam de weg vraag antwoordt een Amsterdammer me altijd in ’t Engels. Blijkbaar klinkt mijn Nederlands in Amsterdamse oren als dat van een Engelsman die Nederlands probeert te spreken en dat zo slecht doet dat de Amsterdammer het beter vindt om me in mijn eigen taal te woord te staan: het Engels. Dat is goed, want mocht zo’n Amsterdammer dat in ’t Nederlands doen dan zou ik daar toch niets van verstaan. Dat weet ik doordat ik aan de kassa van Amsterdamse winkels altijd in een onverstaanbaar Nederlands te woord gestaan wordt. Een taalgrens doorklieft mijn taal.

7. Wegloper — Ze had er schoon genoeg van, van de ruzies, de spanningen, het zwijgen dat net zoals het spreken op verwijten gebaseerd was. Ze besloot ervandoor te gaan. Bij het krieken van de dag verliet ze het huis. In de winkelstraten vond ze een galerij waar het gezellig toeven was. Niemand keek naar haar. Ze kreeg geen honger, ze werd niet moe. Mensen liepen voor en achter, en namen al haar gedachten met zich mee. Toen de avond viel keerde ze weer naar huis. Er waren ruzies en er was spanning. Zij had de dag doorstaan en niemand had iets opgemerkt.

8. Omslag — De briefomslag vermeldt geen afzender. Nadat ik me een kop koffie ingeschonken heb, installeer ik me bij het raam. Ik neem de briefopener en scheur de enveloppe langs de bovenrand open. Ik tast in de omslag en ik voel niets. Ik keer de enveloppe om, schud en zie dat er niets uitvalt. Ik trek de omslag een eindje open, werp er een doortastende blik in en kom tot het besluit dat ik al wist: de omslag is leeg. Ik heb ontegensprekelijk geen brief ontvangen. Iemand die onbekend wenst te blijven deelt me mee dat hij mij niets te zeggen heeft.

9. Handicap — Professioneel moet je hem geslaagd noemen. Zijn zaken zijn succesvol, hij heeft geld en hij staat hoog op de maatschappelijke ladder. Familiaal tekent het plaatje anders. Zijn vrouw heeft hem verlaten en zijn vriendin inmiddels ook. Hij is alleen, waardoor hij ongezond eet en teveel drinkt. Daar probeert hij wel iets aan te doen. Daarom is hij lid van de golfclub geworden en zodra het kan gaat hij een balletje slaan. Met zijn caddy zie ik hem de weg oversteken. Ik stop en vraag hem wat zijn handicap is. ‘Mijn handicap’, zegt hij, ‘is dat ik geen vrouw kan houden.’

10. Weerhuisje — Mijn vader had een weerhuisje. Het werd bewoond door een koppel Duitsers uit het Zwarte Woud. Die twee hadden elk een eigen voordeur. Bij zonnig weer kwam de vrouw buiten, bij vochtig weer was het haar man. Mijn vader was er erg mee in de weer. Dagelijks draaide hij aan de schoorsteen tot de juiste Duitser buitenstond. Dat weerhuisje staat nu naast mij. Ik zie dat ‘t pijpenstelen regent. Ik draai aan de schoorsteen en daar verschijnt het mannetje. Waarna ik een wijle mijmer over het fenomeen waarbij de ouder wordende man almaar meer op zijn vader begint te lijken.

Waarom?
Waarom maak ik
mijn verhalen
zo kort?
Daar heb ik wel
een antwoord op,
een kort antwoord,
uiteraard,
in 154 woorden.
Luister maar: klik hier !



vrijdag 26 juli 2019

Tom Liekens is de Duivel


Hittegolf. Onder de arm tors ik Lust for Life, een kunstboek (°). M’n buren — De Laatste Kraanman, De Laatste Hartpatiënt en De Laatste Weduwe — staan te keuvelen. Ik toon hen, vooraan in het boek, Liekens’ opdracht: Voor De Laatste Vuurtorenwachter. Hun aandacht gaat meteen naar de tekening. Volgens hen is dat de duivel! En wanneer ik ook nog zeg waar ik het boek vandaan haal — Geeraard Duivelsteen↗︎ — wordt elke discussie zinloos. Iemand voert Robert Johnson↗︎ aan, iemand anders haalt er Nick Cave↗︎ bij … Tom Liekens is de duivel.
Kunnen we God afbeelden, dan zijn we hem ook. Is dat niet waar kunstenaars naar streven? En is de duivel niet het personage dat erom gestraft wordt? In het boek citeert iemand Picasso: ‘Schilderen is geen esthetische handeling. Het is een vorm van magie (…)’ en verder ‘Het is een manier om de macht te grijpen (…)’ Magie. Macht.
Een van Liekens’ werken heet Delacroix’s Dream: ‘Werd de Franse schilder Eugène Delacroix in zijn negentiende-eeuwse visioenen achtervolgd door het beeld van één ultiem werk? (…) Het schilderij dat hij nooit kon of mocht maken (…)’  Geldt dat ook voor Tom Liekens? Wordt Liekens achtervolgd door het doek dat hij niet kan/mag maken?
Ik overloop wat ik tot hier geschreven heb. Pfff, bombastisch. Ik die zo naar lichtvoetigheid streef. Ik probeer het op de valreep goed te krijgen en doorblader m'n notities van die dag. Daarin lees ik wat ik op de terugweg op eigendommen van de Belgische spoorwegen heb zien staan: MEHOR ! RATSE ! MENS !

(°) Lust for life. Uitg. Stockmans, Duffel. N.a.v. de gelijknamige tentoonstelling van Tom Liekens in De Zwarte Panter in A’pen in 2016. 80 pp. © De Vrienden van de Zwarte Panter, Antwerpen, 2016. Tom Liekens exposeert nog tot 28 juli in het Duivelsteen in Gent.

donderdag 25 juli 2019

Podcast hier, podcast daar, ja er zijn er veel dit jaar





* ‘Toen de zee aan een wasdraad hing’ is een verhaal dat twee andere samenvat, een song en een gedicht. Het gedicht heet ‘As I Walked Out One Evening’, en is van Auden De song is van Dylan, ‘As I Went Out One Morning’. In het verhaal stel ik me voor dat ik met Dylan en Auden op wandel ben. het zit in een nieuw kleedje: Klik hier !⇲