donderdag 28 april 2016

Soms slaag ik er niet in om een passende titel te bedenken

— Van links naar rechts: Stef Dehullu, Flor Vandekerckhove, Henri Laplasse. —
De zestiende editie van de Erfgoeddag stond in het teken van de rituelen. Ook Oostende deed daar op 24 april duchtig aan mee. Een van de activiteiten had met de visserij te maken.
In het Oostendse stadsmuseum werden oud-IJslandvaarder Henri Laplasse, presentator Stefaan Dehullu en ik elk op een troon (foto) gehesen om vanuit die comfortabele positie het volk te onderhouden. Onderwerp: Geloof en Bijgeloof in de Visserij.
Dat was niet alleen een merkwaardig onderwerp, het was ook een curieus panel, waaruit vooral bleek hoe slecht het in vissersstad Oostende met de visserij gesteld is. In dat panel zat namelijk niemand uit Oostende, echt niemand. Henri Laplasse en ik hadden de inrichters uit Bredene weggeplukt. Stef Dehullu, die dat spel moest leiden, hadden ze te elfder ure in ‘t Brugse gevonden.
Te elfder ure mag je letterlijk nemen, want de nacht voor het evenement belde deze Stef me nog op om zijn visie op de dingen mee te delen. Ook moest ik nog rap een boek lezen.
Over de inhoud van dat panelgesprek wil ik het hier niet hebben. Wie geïnteresseerd is in de vreemdsoortige vermijdingsrituelen in de zeevisserij moet daar eens een blik werpen, hzij zal versteld staan. Wat ik wel wil zeggen is dit. In 't midden van mijn gloedvolle betoog gaat in de zaal opeens een telefoon over. 
Dat kan gebeuren, geen probleem. Ik onderbreek even mijn woordenstroom. Iedereen kijkt in de richting van de telefoonmens. Wat doet hij? Hij haalt die rinkelende telefoon uit zijn zak. So far so good. Hij haalt die telefoon echter niet uit om er zijn voet op te zetten. Neen, hij begint daar, te midden van mijn speech over vermijdingsrituelen, een uitgebreid gesprek te voeren. De zaal wordt muisstil. Waardoor het buitengewoon geïnteresseerde publiek te weten komt dat die mens daar niet naast zijn vrouw zit. Het is namelijk zijn vrouw die hem opbelt om te vragen waar hij zo lang blijft.
De dame die naast hem zit, en die Jeannine blijkt te heten, begint op haar stoel te frikkelen, zij is duidelijk niet op haar gemak. 'Ik sta in de winkel', zegt de man op leugenachtige wijze in de telefoon. Uit het publiek stijgen nu fezelende stemmen op. 'Neen', zegt de man daarna geërgerd, 'ik zit niet naast Jeannine, ik sta in de winkel.'
Meer moet ik hier niet aan toevoegen zeker? Of 't zou een titel moeten zijn.
Flor Vandekerckhove
Een reactie posten