dinsdag 23 juni 2026

In het huis der surrealisten

Basis van deze illustratie is Les Phases de la lune (II) van Paul Delvaux (1897 - 1994). In het deurgat staat De Laatste Vuurtorenwachter. Hij houdt de narrenstok ter hand, symbool van zijn schrijverschap. In deze imaginaire ontmoeting komt hij binnen in het huis der surrealisten. Daaruit neemt hij mee wat hem bruikbaar lijkt.

DAT SURREALISTEN EN magisch-realisten dicht bij elkaar wonen, zie ik op de cover van een essay waarin Hubert Lampo (1920 - 2006) zijn magisch-realisme duidt. Op die kaft staat een detail van Paul Delvaux' Les Phases de la lune (II). Het schilderij is een bad in het onderbewuste, uitgedrukt in een droomlandschap. Puur surrealisme als je ’t mij vraagt. Nochtans verwerpt magisch-realist Lampo dat surrealisme, net als Delvaux trouwens, die zijn werk liever poëtisch-realisme noemt. Zelf heb ik geen behoefte aan die theorieën, ik kom zomaar binnen in het huis van surrealisten, magisch-realisten en poëtisch-realisten en neem onbeschaamd mee wat mij bruikbaar lijkt.

Er zijn in Vlaanderen wel volbloed surrealisten geweest: Marcel Mariën, Gust Gils… Zichtbaarder aanwezig te onzent was evenwel het magisch-realisme, met Johan Daisne (1912-1978)
 en Hubert Lampo als vaandeldragers. Van die twee haal ik een essay in huis, me afvragend waarom ze zich niet gewoon als surrealist laten kennen. (°) Intussen weet ik het wel. Ze verwerpen een letterkundige praktijk van de pure droom. Er moet in het schrijven, vinden ze, een stevige realistische pool present tekenen. Waar het surrealisme de rede uitschakelt, zoekt het magisch-realisme naar syntheses van droom en werkelijkheid. De werkelijkheid heeft, zeggen magisch-realisten, een onwerkelijke dimensie als surplus.

Zelf volg ik daarin geen theorie. ’t Is dat ik er gewoon van hou een onrealistisch element in realistische verhalen binnen te smokkelen. Meer dan een toets hoeft niet, ’t is algauw té! Streef ik een milde vorm van surrealisme na, surrealisme-light? Realisme-plus? Mijn onwerkelijke toets bestaat bijvoorbeeld uit een imaginaire ontmoeting die het verhaal mee bepaalt, zoals dat gaat in Wandelen in een mild surrealisme. Of in dat verhaal van die schrijver die, uiteraard met zijn woorden, over de Oostendse Baelskaai schrijft. In Naar ’t ongewisse zie je hem met die woorden ook over die kaai schrijden. Schrijven, schrijden.

[Vormelijk is deze post een meervoudige drabble, ’t is een drieling, drie keer honderd woorden.]

° Johan Daisne. Wat is magisch-realisme. Een kort essay over letterkunde en magie. A’dam & Brssl. Vierde druk 1973 Paris - Manteau. 57 p. Gevolgd door talrijke bladzijden met foto’s. De eerste druk dateert van 1958.
° Hubert Lampo. De wortels der verbeelding. Over het magisch-realisme. 112 p. Uitg. Meulenhoff A’dam / Manteau A’pen. 1993.

Geen opmerkingen: