vrijdag 19 mei 2017

Dat was even schrikken


’t IS WAAR, er valt van alles in je mailbox. Zoveel zelfs dat je nergens meer van opschrikt. Maar nu heb ik toch prijs, ik schrik me een hoedje. Ik zie bangelijk geüniformeerde jongeren die ik omzeggens allemaal ken. De meesten zijn schoolmakkers; met sommigen ben ik zelfs beste maatjes geweest. Maar het evenement zegt me niets, de uniformen zijn me vreemd, aan de betreffende jeugdbeweging — KSA — heb ik niet de minste persoonlijke herinnering. Hoe komt het dat ik niets van dat gebeuren weet? Waarom sta ik niet op die foto’s? En als ik daar niet was, waar was ik dan wel? Sta me toe dat ik me daar een stonde het hoofd over breek.
Die jongens zijn mijn leeftijdsgenoten. De foto dateert wellicht van 1962, de jongens zijn twaalf, dertien, veertien jaar. Ze worden gekneed in het katholieke gemeenschapsleven van Bredene Duinen. Hoor ik daar niet bij te zijn?
Tot aan m’n twaalfde ben ik een misdienaar, veel dichter bij het katholieke gemeenschapsleven kun je niet komen. Maar dat is ook het jaar waarin ik daarmee stop. Ik weet niet (meer) hoe dat komt, dat heb ik hier eerder al verteld. Met geloofsafval heeft het niets te maken, want mijn gelovigheid bereikt een absoluut hoogtepunt wanneer ik zeventien word, en dat heb ik daar al beschreven.
Ben ik met iemand in onmin gevallen? Ben ik altijd al minder sociaal geweest dan het me voorkomt? Oordeelt mijn vader dat je op je twaalfde rijp genoeg bent om de hand aan de ploeg te slaan; dat de speeltijd voorbij is? Heb ik het te druk met de ontdekking van vrouwelijk schoon? In de persoon van Gerdje bijvoorbeeld, het mooiste meisje ter wereld? Heb ik mijn vriendschappen buiten het katholieke verenigingsleven gezocht?
Eerder is me al opgevallen dat ik ook ontbreek op deze foto waarop de jongeren staan die de jeugdclub Patro animeren. Al die afwezigheid kan er op wijzen dat ik slechts marginaal bij zo’n dingen betrokken geweest ben. 
Omdat ik er zelf niet uit geraak, doe ik een rondvraag.
Ivan Schamp (2) zegt dat ik inderdaad niet bij die KSA betrokken was. Zelf houdt hij er wel herinneringen aan over, ook aan de teloorgang ervan, die hij als volgt beschrijft: Het einde was eigenlijk een opstand waar ik wel een beetje aan de basis van lag. Als jonge pubers lieten we ons niet zo makkelijk meer bevelen. Volgens mijn notities zie ik dat we een toneelspel (*) wilden opvoeren, wat de leiding niet toeliet. Voor ons was dat de druppel die de emmer liet overlopen. Finito KSA... Ik herinner me dat ik in het college op het matje geroepen werd voor het organiseren van een opstand.’
Ik vat samen: ik herinner me dat uniform niet, evenmin het tentenkamp. Ik herinner me dat toneelstuk (*) niet en evenmin de opstand. Maar ik ken wel de namen van die jongens: (1) Willy Versluys; (2) Ivan Schamp; (3) Gilbert Conneye; (4) Rob Tas; (5) Daniel Crabeels; (6) Freddy Versluys; (7) Marcel Derdeyn; (8) Hubert Derdeyn, a.k.a. Huub Onzia; (9) Marc Loy; (10) Ivan Steen; (11) Eric Pitteljon; (12) ? (13) Johan Brouwers (†); (14) Paul Bracke; (15) Hugo Pauwels.


(*) Waarom die jonge mensen dat toneelstuk niet mochten opvoeren blijft een raadsel. Met zekerheid valt wel te zeggen dat het niet is omdat het niet katholiek genoeg was. Bijna een jaar nadat ik dit stukje post komt het hier nog eens ter sprake. Wellicht heet het betreffende stuk Stadhuistribulaties, een eenakter van de Roeselaarse pastoor Albert Deman die onder het pseudoniem Lode van Mandel schrijft.

[Dit stukje dateert in oorsprong van 2017. Ik redigeer het in 2024 opnieuw ten behoeve van de FB-groep Bredene Retro.]

donderdag 18 mei 2017

Aleksandra

Bart komt haar brengen. Eerst komt hij in zijn SUV langs, met een vracht kleren en beddengoed. Ik stapel de stapel in de studio. Daarna besef ik dat daar geen mens meer bij kan. Ik haal een en ander weg. Nog altijd staat de studio vol zakken.
Dan komt Bart weer langs. Nog een lading. En een jongen. Dat is Aleksandra’s zoon, zegt Bart. Er komt ook een zoon in de studio. Hij spreekt Russisch, de zoon. Hij zegt me zijn naam. Ik weet niet waar ik al dat goed moet stapelen. Bart en de zoon zetten alles in de gang en vertrekken weer, want Bart dreigt ergens te laat te komen.
Dan komt hij nog eens langs. Een derde lading, deze keer inclusief Aleksandra’s dochter. Er is niet alleen een zoon, er is ook een dochter. Bart gooit alles in de gang en verdwijnt weer met de dochter, want hij is nu echt te laat. Hij zegt me nog dat het harde werkertjes zijn, dat het spijtig is dat ze altijd het verkeerde soort mannen aantrekken. Werkertjes. Hij heeft het over de Aleksandra’s die vanuit het oosten naar hier komen om te werken en over hun mannen die alleen maar drinken.
Zodra hij weg is haal ik al de bagage weer uit studio. Nu stapel ik alles in mijn atelier, ook de zakken die in de gang staan. Echt een hele grote stapel.
Dan komt Aleksandra zelf. Te voet, zonder Bart. Ze zegt: ‘Worrrrk to-morrrrow’, en ook ‘crrrryed’. Ze pulkt aan haar oogleden en toont me haar armen met blauwe plekken. Ik wijs haar de studio en de plek waar ik de bagage gestapeld heb. Ik geef een sleutel en zeg in mijn eigen Engels dat ze nu maar een beetje tot rust moet komen.
Aleksandra komt uit Litouwen om hier in de onderneming van Bart te werken. Ze is een goed werkertje, maar ze trekt verkeerde mannen aan, dronken Litouwse mannen. Die komen haar hier vervoegen, troeven haar af, waarna zij moet vluchten. De vlucht eindigt in mijn studio. Volgens Bart is alles tijdelijk.
’s Avonds, wanneer ik al in bed lig, komen de kinderen Aleksandra in de studio vervoegen. Ik vraag me af hoe ze dat daar organiseren met z’n drieën. Gelukkig is alles tijdelijk.
We zijn nu een maand later. Ik heb geen idee waar de kinderen van Alkesandra heen zijn, ik heb ze niet meer gezien. Aleksandra laat zich zelf trouwens ook hoe langer hoe minder zien. Volgens Bart slaapt ze weer regelmatig bij het verkeerde soort man. Ze trekt zo’n mannen aan, zegt hij nog eens. De bagage moet ik nog even laten staan.
Flor Vandekerckhove

dinsdag 16 mei 2017

Het Gat


Om te weten wat Het Gat is moet je vanuit België naar IJsland varen, zoals onze IJslandvaarders dat destijds gedaan hebben. Onderweg trotseer je dan Pentland Firth, een zeestraat tussen Schotland en de Orkaden, een tochtgat van nauwelijks 23 kilometer lang en 12 kilometer breed.
Als de wind meezit en je hebt het tij aan je kant dan vaart een vissersschip daar in een half uur wel door. Wanneer wind en tij tegenwerken dan doe je er vier bangelijke uren over. Dat komt doordat de Atlantische Oceaan er tegen de Noordzee opbotst.
Oud-IJslandvaarders houden er allemaal herinneringen aan over. Vooral over de keren dat ze erdoor moeten en het daar nochtans het weer niet voor is. Sommige schippers zoeken dan veiligheidshalve een schuilhaven op, maar er zijn er ook geweest die daar geen boodschap aan hadden. Zo’n schip baant zich dan een weg door huizenhoge golven. Soms gaat dat mis en krijgt het schip een dwarszee over zich, een golf die alles wegspoelt wat op dek staat en de navigatielichten in zee werpt. De ramen van de stuurhut aan diggelen! Door de kapotte ruiten lopen de navigatie-instrumenten op de brug vol water en worden ze onbruikbaar.
Zo’n schip kan op die manier Het Gat niet door en terugkeren is evenmin een optie. De roerganger moet zijn werk nu in ’t ongewisse doen, en dat terwijl hij bakken water over zich heen krijgt. Wat je wel kan doen is dit: je gooit letterlijk olie op de golven en laat het schip, kop in de wind, langzaam varen, wachtend op wat komen zal.
Soms loopt dat goed af, soms niet. Op ’t internet vind ik dit cijfer: in 185 jaar worden ongeveer honderd schepen op de rotsen van Pentland Firth verbrijzeld. Op dat internet vind ik overigens ook deze mooie foto’s van de Vlaamse Amandine die in volle storm doorheen Het Gat trekt.
Het is een prettig weerzien, want Daniël Pots, telg van een Oostends vissersgeslacht, krijgt die foto’s in 1995 vanuit Schotland toegestuurd. In dat jaar mogen we ze in Het Visserijblad plaatsen. Daarna gaan ze een eigen leven leiden.
We zien hoe de Oostendse IJslandtrawler O.129 Amandine, met schipper Marcel Pots aan het roer, eerst óver een golf gaat (foto bovenaan) en vervolgens dóór de daaropvolgende (foto onderaan). Zo doe je dat daar in hevig weer: óver, dóór, óver, dóór, óver, dóór…
Dat zal de Amandine nu niet meer doen. In 1995 wordt de relatief kleine IJslandtrawler aan de kant gelegd. Doordat het schip het laatste is van een eertijds indrukwekkende vloot, komt er tegelijk een einde aan de Belgische IJslandvisserij. 
Het vaartuig ligt inmiddels niet meer tégen, maar óp de kaai in Oostende, waar het als museumschip dienst doet.

Flor Vandekerckhove


zaterdag 13 mei 2017

Saluut aan Catalonië

— Vrijwilligers worden in Spanje overgebracht naar de kazerne van de POUM. De lange figuur helemaal achteraan is George Orwell. —


‘Een volkomen juiste, onbevooroordeelde verantwoording van de gevechten in Barcelona zal er nooit komen, want de bronnen bestaan niet die daarvoor nodig zouden zijn. Het enige materiaal van toekomstige geschiedschrijvers zal een berg beschuldigingen en partijpropaganda zijn.’
George Orwell in Saluut aan Catalonië.


OVER SOMMIGE gebeurtenissen geraken we niet uitgepraat, zelfs al zijn ze al in de geschiedenis opgenomen, zelfs al wordt er al lang niets meer toegevoegd. De Spaanse burgeroorlog is zo’n gebeurtenis. De herdenkingen — Guernica! — laten de debatten weer oplaaien: hoe komt het ook alweer dat de Spaanse fascisten die oorlog gewonnen hebben?
In de Britse krant The Guardian publiceert historicus Paul Preston nu een kritiek op George Orwells Saluut aan Catalonië. (°) Preston is een absolute kenner. In het krantenstuk staat dan ook veel wat juist en waar is. Maar staat er ook iets nieuws in? Boven het artikel staan twee titels. ‘George Orwell’s Spanish civil war memoir is a classic, but is it bad history?’ en de ondertitel: The author of “Hommage to Catalonië” did not grasp the wider context and provided a partial, partisan version.’ Hoezo bad history? Orwell is een geëngageerde deelnemer, een participerende schrijver. Wat hij schrijft is subjectief en partieel. Met bad history heeft dat niets te maken, met good history evenmin. Wat Orwell doet is iets anders. Hij leert ons hoe een concrete mens in die concrete situatie concreet handelt en hij betrekt ons in de gevoelens & gedachten die dat in hem opwekt. Orwells Saluut is een verhaal, zijn verhaal. En omdat hij zo’n goede schrijver is, is het beklijvend. Geen enkele historicus kan dat in zijn plaats doen.
Het is juist, zoals Preston zegt, dat Orwell totaal onkundig naar Spanje vertrekt. Maar een indrukwekkend voorbeeld van geschiedkundig onderzoek geeft de historicus ons daarmee niet, want in Saluut zegt Orwell zelf: ‘Toen ik naar Spanje toe ging en nog enige tijd daarna, was ik niet alleen niet geïnteresseerd in de politieke toestand, ik had er zelfs geen erg in. Ik wist dat het oorlog was, maar ik had geen idee wat voor oorlog.’ 
Ook is het juist dat Orwell het eerst bij de Internationale Brigades probeert en pas daarna voor de militie van de POUM kiest, maar ook dat staat al in Saluut: ‘Ik wist dat ik diende in iets dat de POUM heette (…), maar ik realiseerde me niet dat er ernstige geschilpunten tussen de politieke partijen waren.
Orwells verslag van de vergiftigde sfeer in Barcelona noemt Preston marred by its assumption that the Stalinist suffocation of the revolution would lead to Franco’s eventual victory.’ Hoezo marred, hoezo ontsierd? Orwells beschrijving van de meidagen is meesterlijk.
Het is uiteraard juist dat de verantwoordelijkheid voor de Spaanse tragedie in de eerste plaats op conto van de Spaanse, en bij uitbreiding Westerse burgerij geschreven moet worden. Maar beweert Orwell iets anders? In Saluut schrijft hij meermaals dat hij het met de POUM oneens is. Daarom ook wordt hij geen lid van die partij. Ook lees ik in Saluut dat hij de militie wil verlaten en in Madrid de Internationale Brigades vervoegen, want die hebben betere wapens. Maar in Barcelona ondervindt hij wel aan den lijve dat de Spaanse regering, daarin aangestuurd door de stalinisten, zich tegen de revolutionaire verwezenlijkingen keert. Hij beschrijft dat in bladzijden die alleen maar meesterlijk genoemd kunnen worden.
In een essay (°°) uit 1943 kijkt Orwell terug op de Spaanse burgeroorlog: ‘De grote waarheid over de oorlog is eenvoudig genoeg. De Spaanse burgerij zag haar kans schoon om de arbeidersbeweging te verpletteren en dat heeft ze gedaan met de hulp van de nazi’s en van reactionaire krachten uit heel de wereld.’ De partijtwisten tussen anarchisten, POUM en communisten hebben de zaak geen goed gedaan, zegt Orwell, maar dat zijn ‘secondary issues.’ 
In datzelfde essay zegt hij ook: ‘The Trotskyist thesis that the war could have been won if the revolution had not been sabotaged was probably false.’ Het sleutelwoord in die zin is uiteraard ‘probably’. De trotskisten krijgen in Spanje immers geen voet aan de grond. We weten dan ook niet wat er zou gebeurd zijn indien…
Orwell vervolgt: ‘The fascists won because they were the stronger; they had modern arms and the others hadn’t.’ Dat verklaart ook waarom de Spaanse regering buigt voor de eisen van de stalinisten, want de wapens komen vooral uit Rusland. 
In Barcelona is Orwell getuige van de kwalijke gevolgen van dat bondgenootschap: revolutionaire veroveringen worden ontmanteld, verzetstrijders aangehouden, linkse leiders vermoord, honderden anarchisten verlaten ontmoedigd de strijd… en dat alles mondt uit in Franco’s overwinning.
Het artikel van Paul Preston heeft me weer naar Saluut doen grijpen. Na herlezing begrijp ik de kritiek van de historicus niet goed. Het is niet dat Orwell op een voetstuk geplaatst moet worden, op wat de mens gedaan en geschreven heeft kan wel 1 en ander afgedongen worden — hier, daar en ginder.(°°°) Maar Saluut aan Catalonië is en blijft een meesterwerk. Lees dat boek!

(°) George Orwell. Saluut aan Catalonië. 1982. Amsterdam Van Gennep. 204 pp. Oorspronkelijke titel: Hommage to Catalonië. 1938. 
(°°) George Orwell. The Collected Essays, Journalism and Letters of George Orwell’. — 1968. — Volume II: My Country Right or Left kan hier van het net gehaald worden. 
(°°°) De kwestie van Orwells socialisme wordt uitvoerig behandeld in het interessante essay  George Ofwell en de IRD↗︎.

donderdag 11 mei 2017

Felix Nussbaum in Oostende


IN 2013 zag ik in Oostende een mooie tentoonstelling, kunstenaars die zich door die stad hadden laten inspireren. (°) Daar zag ik voor het eerst schilderijen van Felix Nussbaum (1904-1944), een Joods-Duitse schilder die, op de vlucht voor Hitler, in 1935 in Oostende terechtkwam.
‘Pas een decennium na zijn dood dook zijn naam weer een keer op in de pers, en dan nog op uiterst bescheiden wijze.’ De krant meldt: ‘Als niet-ariër verliet hij Duitsland en ging naar België. Daar pakte de Gestapo hem op tijdens de oorlog. Waar hij bleef en wanneer hij stierf is niet bekend.’
Dat is inmiddels wel rechtgezet. We weten nu dat hij in 1944, in Auschwitz-Birkelau, door de nazi’s vermoord werd. Zijn schilderijen worden gecollectioneerd en Nussbaum behoort nu tot de canon. In zijn geboortestad Osnabrück is er een Felix-Nussbaum-Haus dat 200 van zijn werken exposeert. En in Vlaanderen heeft Mark Schaevers ’s mans biografie geschreven. (°°) Dat een Belg dat doet is niet zo verwonderlijk, een kwart van zijn leven brengt Felix Nussbaum in Oostende en Brussel door. Hij schildert hier ruim de helft van zijn vandaag bekende werk.
In Oostende is Nussbaum al eerder geweest: 
‘Veel meer indruk dan Rome maakte Oostende op mij, waar ik jaren te voren reeds arbeidde (…) Daar ontstonden reeds in 1929 een groot aantal mijner beste tekeningen en toen ik er in 1935 als opgejaagd banneling terug aanlandde op een stormachtigen dag in Februari vond ik onmiddellijk het machtig kontakt terug met deze stad waar de zeewind de vrije wimpels van honderd scheepsmasten tegelijk doet klappen…’
Er komen in die tijd wel meer vluchtelingen aan de Vlaamse kust terecht. Ik heb het hier al over Albert Einstein gehad die in De Haan verblijft, en over de schrijverskolonie die zich in Bredene en Oostende ophoudt heb ik daar al een stuk gepost.
Een van die schrijvers is Irmgard Keun. Ze beschrijft de stad bij aankomst. Zo moet ook Felix Nussbaum Oostende ervaren hebben, meent Schaevers: 
‘Het was een glasheldere lente in Oostende. (…) Op de promenade geen mondaine badgasten, alleen een zoutige stormwind. Ik logeerde in een klein hotel tegenover het zeestation (…) Vanuit mijn raam zag ik ’s zondags zwarte rijen dagjesmensen uit het station stromen en verbluffend snel door de omliggende cafeetjes opgeslokt worden. (…) Ik zag ’s morgens vissers hun netten uithangen en op wankele tafeltjes roestrode garnalen stapelen en koraalkleurige langoustines (…)’
Volgens Schaevers ‘lijkt het er wel op dat een van Nussbaums schilderijen, gedateerd 1936 (in de harde lente dat Keun arriveert?), als een illustratie bij deze tekst is besteld. De langoustines zijn op het olieverfschilderij vervangen door schollen (voor de Vlamingen zijn het ‘pladijzen’), maar voorts ademt zijn havengezicht, met een centrale plek voor een visverkoopster, helemaal de sfeer van Keuns beschrijving van de Visserskaai.’ Ik plaats het schilderij bovenaan dit stuk.
In de volgende paragraaf schrijft Schaevers dat het wel vaker gebeurt: ‘dat boek en doek, Keun en Nussbaum symbiotisch samengaan. Keun schrijft liefdevol over een emigrantenstel dat ze in Bredene leren kennen heeft. De man is een arts uit Berlijn, nu werkt hij in een vishandel in Oostende. (…) Ze wonen in een kleine kamer in Bredene, en geregeld dossen ze zich ’s avonds feestelijk uit en zoeken Keun dan op om hoffelijk converserend bij een glas wijn de sfeer van een Berlijnse avond van weleer te herbeleven. Wanneer ik Keuns beschrijving van het paar lees doemt het musicerende stel van Nussbaums Komisch Concert meteen op, en vertelt Keun me wat dit doek uitdrukt: dat emigranten ervan houden het verleden te spelen.’ 
Ik zet het doek hiernaast.

° Xavier Tricot. Bonjour Ostende. Oostende in de internationale kunst. 2013. A’pen, Uitg. Pandora Publishers. 208 pp. ISBN 9789053253519. 
° Mark Schaevers. Orgelman. Felix Nussbaum. Een schildersleven. 2014. A’dam,
 Uitg. De Bezige Bij. 455 pp.
 ISBN 9789023488279.



dinsdag 9 mei 2017

Het merkwaardige actiemiddel van pater Tackmans

Pater Tackmans heeft er een lang leven op zitten, grotendeels gewijd aan een hardnekkig volgehouden verzet tegen abortus en euthanasie. Zijn boeken, lezingen, banbliksems, retraites, carmina burana’s, opiniestukken, homilieën, duiveluitdrijvingen, processies en vormingsdagen hebben van hem de extreme verdediger van de levensextremen gemaakt, het ongeboren extreme aan de ene kant en het uitzichtloze extreme aan de andere.
Nu zijn eigen einde nadert moet hij het nog meemaken dat zijn Broeders van Liefde overstag gaan. Hij zint op extreme manieren om daar iets tegen te ondernemen.
Eerst denkt hij aan een extreme hongerstaking, maar dat is toch meer iets voor de hindoes. Daarna denkt hij aan zelfverbranding, maar da’s iets van extremistische boeddhisten. Dat gaat zo door tot iemand op zijn kamerdeur klopt.
Hij roept: ‘Wie daar?’ en een stem antwoordt: ‘Ik ben de Heilige Rita, patrones van de extreem hopeloze gevallen.’
‘Godver’, zegt Tackmans, ‘dat pokkenwijf! Ik zou wel gek zijn om dat mens binnen te laten.’ Hij kijkt door het sleutelgat en ziet hoe Johannes de Doper, Nicolaas van Tolentino en Augustinus zich in de gang aan Rita openbaren. Omdat Tackmans zijn klassieken kent weet hij wat er vervolgens zal gebeuren: de deur gaat vanzelf open. 
Rita schrijdt zijn slaapkamer binnen. Aldaar ontvouwt zij niet zichzelf, zoals u misschien wel denkt, want ze heeft die drie pottenkijkers met zich mee; neen, ze ontvouwt een extreem actieplan waarmee Tackmans de euthanasiepraktijken te lijf kan gaan.
Pater Tackmans telefoneert meteen naar professor Netelmans, een specialist. Die laat er geen gras over groeien, want het lijden van pater Tackmans is, mede door diens gelofte van trouw, geestelijk ondraaglijk en fysisch onomkeerbaar. Getuigen Johannes, Augustinus en Nicolaas tekenen het formulier en hopla, klaar is Kees.
Alzo geschiedt het dat pater Tackmans de wens uitdrukt om zich te euthanaseren als extreem protest tegen de euthanasie. 
Dat u daar nog niets van gehoord hebt komt doordat de Romeinse Curie zich eerst nog over dit merkwaardige actiemiddel moet uitspreken. Naar verluidt zou Rome nog voor de eeuwwisseling tot een besluit komen.
[Op vraag van de betrokkenen werden enkele namen gewijzigd.]

Flor Vandekerckhove

zaterdag 6 mei 2017

Kamiel Stubbe: ‘Elk snijdt zijn eigen stuiten.’

— Kamiel Stubbe speecht. —
IN 1993 ontvangen ik op de redactie van Het Visserijblad↗︎ een brief van Mariette Saelens. In de omslag zit een krantenartikel uit ‘De Vervoerarbeider’. Auteur is Kamiel Stubbe uit Bredene, overleden echtgenoot van Mariette. Datum van publicatie: november 1939.
Wijlen Kamiel Stubbe brengt in dat stuk verslag uit van een reis die hij meemaakt; niet zomaar een reis, hij gaat vissen op de Witte Bank, met de Oostendse vissers van de O.215 Alex-Marie. 
DWitte Bank ligt niet naast de deur. De visgrond begint bij het noordelijk gedeelte van Nederland, passeert de Duitse kust en gaat tot aan het zuidelijke deel van Denemarken. Vandaag spreken de Vlaamse vissers niet meer van Witte Bank, ze noemen dat daar nu de Duitse bocht.
De Vervoerarbeider is een vakbondsblad en Kamiel is vóór de oorlog een syndicaal propagandist. Tijdens de oorlog is hij ‘OCMW-bediende in Bredene-Dorp’, zo schrijft Mariette, en daarna wordt hij ambtenaar bij de RVA.
Op de foto zien we Kamiel Stubbe een tafelrede houden. Het is een na-oorlogs beeld, aan de wand hangt koningin Fabiola, althans haar beeltenis. De foto heb ik eveneens van Mariette Saelens gekregen. Ik heb hem in Het Visserijblad van maart 1993 afgedrukt, naast het stuk dat ik uit die Vervoerarbeider overneem.
Wanneer Stubbe de bagage van de visser beschrijft, spat de poëzie van het blad: 
‘In den pluizak hebben de mannen hun verschooning. Den inventaris ervan: vier paar zeekousen, een onderbroek, een hemd, een onderhemd, een baai, vriezebroek, djomper, wanten, halsdoeken, zakdoeken en handdoeken, zeep en scheergerief. Voeg daarbij de zeekleederen die ze aanhebben; de schoenen en ’t kostuum dat ze aan hadden toen ze aan boord kwamen, en ge komt reeds tot een fraai pak kleergoed. Daarbij hebben wij nog hun zeegoed: oliebaai, kloefen, zeelaarzen, olieschort en zuidwester. In ’t logies hebben zij dan nog hun beddegoed: bed, hoofdkussen, en een paar dekens.’ 
Hij wikt de mondvoorraad van de vissers: 
‘De panger bevat eten voor 14 dagen: boter, eieren, vleesch, conserven, groenten, salade, kaas, hesp (begin der reis), spek, zalm, sardienen, zeekoekjes, melk in doozen, suiker, mosterd, olie en azijn. Verder nog hun tabak, bier, limonade of water, en soms ook wel een fleschje goeien.’ [Met dat fleschje goeien wordt Cognac bedoeld.] ‘Wanneer wij op ’t einde van de reis zijn, en de meegebrachte spijzen verminderen, eet men “van onder den kiel”. ’s Morgens droogvisch; ’s middags gekookte visch, en tusschenin gebakken visch of gekookte kreeftjes.’ ‘Elk snijdt zijn eigen stuiten, doet er boter of gelei op, als de boter tenminste niet sterk geworden is. Zoo ondereen gezeten in het logies (waar steeds de geur van de mazout in den neus knijpt) zonder tafel, met de tas of de potten nevens hen op de zitbank, verorberen zij hun maal.’

P.S.: Jacques Deroo, toen voorzitter van het OCMW Bredene en schepen, liet me destijds weten dat De Vervoerarbeider het vakblad was van de CCV, de Christelijke Centrale voor Vervoerarbeiders. Deroo heeft er ook eens de C.O.O.-notulen van 29 oktober 1940 op nageslagen. Op de vergadering waren aanwezig: burgemeester André Zwaenepoel, voorzitter Jozef Demeere, dd ontvanger Georges Zwaenepoel, secretaris Gaston Lams en verder ook nog de leden Valère Vermoortel, Pieter Benthein, Theophiel Cools, Charles Vandeile en Charles Melis. Op de vergadering werden Kamiel Stubbe (3 stemmen) en Isidoor Goethals (6 stemmen) benoemd tot tijdelijke bedienden van de C.O.O. 

[In DLVuurtorenwachter verscheen dit stukje in 2017. In 2024 redigeer ik het opnieuw ten behoeve van de FB-groep Bredene Retro.]


donderdag 4 mei 2017

Een schoolfoto uit 1948




ACHTERAAN op de foto is een groepje jongens te pekkelen (bikkelen in ’t Nederlands), maar 't is vooraan op de foto dat het gebeurt. We kennen inmiddels alle namen, alhoewel er bij het nummer 11 onduidelijkheid is.
Hoe dan ook, wat we momenteel over bovenstaande klasfoto weten is dit: we zien het zevende leerjaar van het schooltje in Bredene Duinen. 1947-48. (1) Albert Blomme (†); (2) Gilbert Janssens; (3) Robert Bertens; (4) Etienne Melis (†); (5) Remi Van Gheluwe; (6) Fernand Vansieleghem; (7) Roger Casier (woont in De Haan. Roger heeft gewerkt in Ebes, de electriciteitsfabriek en is zeer vroeg op pensioen mogen gaan, ook is hij een alhier bekende beenhouwer); (8) Louis Aspeslagh (†); (9) Roger Depoorter (†)zoon van Maurice van het Turkeyenhof; (10) André Lems; (11) Gilbert Rousseau of André Wachtelare of Marcel Devriendt; (12) Roland Versluys, Brugsesteenweg 53b Bredene; (13) Oscar Tas, (14) Charles Pyck (†); (15) Albert Loy (†), (Bertje) vroeg gestorven, begin 1950, door een gaslek in de woning.

[In DLVuurtorenwachter dateert deze post al van 2017. In 2024 redigeer ik hem opnieuw, ten behoeve van enkele FB-groep Bredene Retro.]

woensdag 3 mei 2017

Twee urnen

Twee urnen is een verhaal in exact 100 woorden, een drabble. Ik liet me inspireren door het bijbelse verhaal van Esau en Jacob. Dat deed ook Jan van den Hoecke in 1635-1640 met ‘Jacobs verzoening met Esau’, schilderij in het Groeningemuseum in Brugge. Wie meer over het schilderij wil vernemen. in klikt hier.



Een ruzie? Een erfeniskwestie? Ik kan het me niet herinneren, wie dood is herinnert zich niets. Wel weet ik dat beiden het ambt uitoefenen, Jacob bij de boeren, Esau tussen de vissers. Ze rijden naar huis met elk een urne, in elke urne de helft van mijn as. Van beiden krijg ik een zielenmis. En op beide plaatsen is er achteraf soep, linzensoep. Waarna mijn as op twee plekken verstrooid wordt, de helft te land en de andere helft ter zee, een unicum in het begrafeniswezen! Dat laat nogal wat stof opwaaien, maar intussen is ook dat alweer gaan liggen.

Twee urnen op YouTube?

Klik hier

maandag 1 mei 2017

Op zoek naar een passend stukje voor 1 mei

— Bernadette Devlin in 1969. —
1 mei, Dag van de Arbeid. Terwijl ik op zoek ga naar een passend onderwerp, passeert een merkwaardig beeld mijn geestesoog. Ik zie een jongeman, een twintiger. In Amsterdam fietst hij naar de gemeenteraad waarin hij als provo verkozen werd. Het beeld is zwart-wit, het komt uit een tijd zonder kleurentelevisie. De jongeman heet Roel van Duyn. Dat beeld maakt deel uit van mijn imaginair prentenkabinet 1969. Daarin bevindt zich nog zo’n jongeman, ook een twintiger. Alain Krivine zegt op de Franse televisie dat hij president wil worden, terwijl hij nog zijn legerdienst aan 't doen is. De veranderingen die hij nastreeft zijn ongehoord. Mijn gedachten reizen verder, ze trekken het Kanaal over, en opeens bevind ik me in het Britse parlement. Ik zie een meisje in minirok. Ze kan nauwelijks ouder zijn dan ik. Schuchter stapt ze de zaal binnen. Ik hoor een stem die zegt dat het Bernadette Devlin betreft, 21, jongste parlementslid ooit, een Ierse activiste. In mijn collectie van 1969 bevinden zich nog soortgelijke beelden. Samen hebben ze me in dat jaar naar dezelfde conclusie geleid. ‘Florent’, zei ik tegen mezelf — ik heette toen Florent — ‘het wordt hoog tijd dat je iets over de wereld leert, jij weet werkelijk van toeten noch blazen.’
Iets over de wereld leren heb ik dan ook eerst met die Devlin gedaan. In 1970 wordt haar autobiografische The Price of My Soul in ’t Nederlands vertaald. De prijs van mijn ziel wordt mijn eerste politieke boek. En je weet hoe ’t gaat: je eerste vergeet je nooit. Dit is wat ik me ervan herinner: Bernadette komt uit een katholiek nest, ze is tegelijk een linkse socialiste; ze leeft in een nationalistisch milieu en roept tegelijk de Engelse arbeiders op om zich samen met haar tegen het Britse imperialisme te keren. In Derry kijkt ze de dood in d’ ogen, ze plooit niet.
Enkele jaren later ben ik zelf politiek actief, maar ik blijf m'n eerste trouw. Telkens ik Bernadettes naam hoor vallen spits ik de oren. Groot is mijn vreugde wanneer ik verneem dat haar People’s Democracy in ’t midden van de jaren zeventig toetreedt tot de Vierde Internationale, waarvan ook mijn partijtje deel uitmaakt. Bernadette Devlin is nu mijn kameraad; wie had dat in 1969 kunnen denken?!
Die People’s Democracy bestaat al lang niet meer. En terwijl ik nog steeds op zoek ben naar een passend onderwerp voor 1 mei, vraag ik me af of Bernadette Devlin vandaag nog politiek actief is. Ik googel haar naam en zie dat de Ieren haar niet vergeten zijn. In een recent interview met de Irish Times wordt ze ‘an elder statesman of anti-establishment politics’ genoemd. Ik zie dat ook een regisseur zich afvraagt waar Devlin inmiddels uithangt. Hij maakt er een film van: Bernadette: Notes on a Political Journey (2011). Maar is ze vandáág nog actief? Ik googel verder. Youtube toont me hoe ze het woord neemt op een vergadering waar het bombardement op Guernica herdacht wordt. Het filmpje dateert van 23 april, recenter kan haast niet. Dit lijkt me wel iets om zo’n 1 mei stukje mee af te ronden: Bernadette Devlin plooit niet!
Flor Vandekerckhove




— ° Bernadette Devlin. The Price of my Soul (1969). Pan Books Ltd, London. ISBN 330 02453 1 Paperback 206 pp [Uitverkocht]. ° Bernadette Devlin. De prijs van mijn ziel (1970), Bruna A.W. 190 pp.  ISBN 9022971139 en ISBN13 9789022971130 [Uitverkocht] ° Paul Arthur. The People's Democracy 1968-’73. (1974) Uitg. Blackstaff Press Limited, Belfast. 159 pp. ISBN 85640 020 3. [Uitverkocht]. Al deze boeken zijn wel nog tweedehands te koop op het internet. —