zondag 12 maart 2017

Moet er nog zand zijn


Wat gebeurt er? Aan het Duingat van Bredene kun je vandaag het strand niet op. Dat is afgesloten wegens werkzaamheden. 
De storm Dieter heeft 1,5 miljoen ton zand van het strand weggespoeld. Zoveel zand kan een mens zich niet voorstellen. Maar de burgemeester van Bredene is in een vorig leven onderwijzer geweest en dat werpt nu zijn vruchten af. 1,5 miljoen ton zand, zegt hij aanschouwelijk, dat laad je op 150.000 vrachtwagens. Als je die achter elkaar zet dan krijg je een rij van 900 kilometer lang. Daar kan een mens zich wel iets bij voorstellen, dat is een file van Bredene tot Bordeaux. Daar wil je niet in terechtkomen.
Al dat weggespoelde zand moet nu naar ’t strand terugkeren om ons te beschermen tegen de duizendjarige storm. Ik probeer me die superstorm voor te stellen. Is dat een storm die elke duizend jaar over het strand woedt? En wanneer is die hier dan voor het laatst gesignaleerd?
De zwaarste storm die ikzelf meegemaakt heb is die van 1953. Is dat zo’n duizendjarige storm? Neen, dat is ‘maar’ een 250-jarige. En wanneer is de gevreesde duizendjarige hier wel gepasseerd? Daar bestaat een merkwaardig antwoord op dat als volgt luidt: ‘Zo’n storm heeft zich sinds de waarnemingen nog niet voorgedaan.’ De duizendjarige storm bestaat alleen in theorie. Maar, als zo’n storm hier nooit eerder gezien is, hoe kan men hem dan kennen? Die kennis haalt men uit ingewikkelde statistische analyses van waterstanden, golven en wind. Daar begrijp ik niet zoveel van. De Grote Rede probeert het me uit te leggen, maar slaagt daar niet zo goed in. Het enige wat ik enigszins begrijp is de zin die zegt: ‘Een inwoner van Oostende heeft met andere woorden 1 kans op 13 om tijdens zijn of haar leven een dergelijke storm mee te maken.’ Ja, dat is dan toch wel oppassen geblazen! Het Nieuwsblad vraagt het aan een kustmorfoloog. Ik heb geen idee wat een morfoloog is, maar ik ga ervan uit dat die mens de ingewikkelde statistische analyses van waterstanden, golven en wind begrijpt. Hij zegt: ‘Een superstorm kan zich morgen voordoen of binnen honderd jaar. Het waterpeil kan dan tot acht meter stijgen en golven van vijf meter tegen de dijken laten aanrollen.’ Golven van vijf meter, dat kunnen we ons voorstellen; die wil je niet in je straat zien passeren, zeker niet terwijl je daar in een file staat die van Bredene tot Bordeaux reikt.
Vandaar dat we graag gehoor geven aan de roep van de baggeraars: moet er nog zand zijn?! We kunnen alleen maar hopen dat daar vervolgens ook een beetje van blijft liggen als er weer eens een stormpje als Dieter passeert. Dat was notabene een tweejarige storm. Waaruit alvast dit te leren valt: baggeraar, een beroep met toekomst!

Flor Vandekerckhove

donderdag 9 maart 2017

Gestopt met roken


Zeggen dat ik haar gekend heb, zou een leugen zijn, maar ik heb haar wel veel gezien. Dat komt doordat ik mijn stukjes bij het raam schrijf. Terwijl ik daar naar het juiste woord zoek, dwaalt mijn blik over het straatleven, en daar heeft ze enkele jaren deel van uitgemaakt.
Ik heb haar hier zien aankomen en ik heb ook toegekeken toen ze voorgoed vertrokken is. Tussendoor heb ik haar zien — ik kijk even door het raam terwijl ik het juiste woord zoek — aftakelen, ja het juiste woord is aftakelen.
Wanneer ze hier voor het eerst uit de taxi stapte, liet ze me even aan die lustige Witwe denken, maar dan in een working poor versie, en ook toen was ze al erg getekend door het leven. Wat ze niet aan haar hart liet komen. Of juist wel.
Menig keer heb ik de taxi voor haar deur zien stoppen. Ze houdt er wel de zwier in, zei ik telkens tegen mezelf, waarna ik verder schreef. En wanneer de taxi enige tijd wegbleef, dacht ik: het geld is op. En ook wel: het lijf is op.
Ik keek toe hoe ze om boodschappen toog. Vijftig meter is het naar de straathoek. Halverwege moest ze stoppen om er een op te steken. En om het bloed in de benen weer op gang te krijgen. (Het werkwoord van etalagebenen is kettingroken.) Op de hoek, vlak voor mijn deur, pauzeerde ze nog eens. 
Op den duur wilden de benen helemaal niet meer. Voortaan duwde ze zichzelf, rokend en met slappe armbewegingen, in een rolstoel naar de winkel.
Die sigaretten worden nog eens haar dood, zei ik meermaals tegen mezelf. En wat ik ook vaak zei was dit: Flor, je lijkt wel een oud wijf dat van achter een spionnetje het reilen & zeilen van de buren gadeslaat. (Dat moet ik echt eens doen, zo’n spiegelspionnetje kopen.)
Zaterdag belde een van de kinderen haar op om te vragen hoe het ermee ging. Zij nam de telefoon niet op. De dochter kwam kijken en trof haar moeder dood aan in de zetel.
De flikken kwamen, de straat werd afgezet. Het overlijden werd van natuurlijke aard bevonden. Het lijk werd weggehaald. Het leven hernam zijn gewone zelf. Ik begon een in memoriam te schrijven voor iemand die ik niet gekend had.
De overlijdensberichten leerden me vervolgens dat ze als Martine aangesproken werd, in 1950 in Gent geboren was en op 4 maart alhier gestorven. Met al die rook had er niet meer leven ingezeten. Toch was ze er in geslaagd om het vier jaar langer te trekken dan Serge Gainsbourg. Die was pas 63 toen hij er al mee ophield, met leven, met roken.
Flor Vandekerckhove

dinsdag 7 maart 2017

Kind in oorlogstijd

— De jonge Robert Leon Pyck in Bredene naast
zijn bejaarde zelf in Frechen (Duitsland). —
DIT KOMT NIET uit mijn koker, het is wat een oud-Bredenaar me vertelt. Ik heb ik er evenmin om gevraagd, het is Robert Pyck die het initiatief neemt: ‘Flor, ik zou graag mijn bericht, door u bewerkt, kunnen lezen’, schrijft hij, ‘Uw jonge lezers, en het zijn er veel, zullen daardoor weten wat oorlog is. Zelf kan en zal ik het nooit vergeten.’ Pyck wil overduidelijk iets kwijt, maar waarom moet ik zijn tekst bewerken? ‘Hoewel mijn moedertaal Vlaams is en ik nog steeds Belg ben, is het na bijna 60 jaar een zeer groot probleem om Nederlands te schrijven.’
Robert Leon Pyck (°1939) is in deze blog eerder al aan bod gekomen. Hij leerde ons hier⇲ iets over de cinema’s van Bredene. Hij heeft nog meer te vertellen.
Pyck blijkt beklijvende herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog over te houden. Sommige ervan werden hem door familieleden verteld, andere herinnert hij zich persoonlijk. Dat laatste is merkwaardig, de kleine Robert is nog maar zes wanneer die oorlog stopt: ‘Ik ben nu 77 jaar’, schrijft hij, ‘en het wordt tijd om mijn herinneringen neer te schrijven. Ook deze waarover ik nog nooit gesproken heb, zelfs niet met mijn vrouw!’
Pyck is in Bredene geboren, meer bepaald in een huis op de hoek van Strand- en Zegelaan: ‘Mijn vader werkte in Sas-Slijkens, in de elektriciteitscentrale die toen nog Electricité du Littoral genoemd werd. Mijn ouders waren ook huismeesters van twee villa's, een grote en kleine op één stuk grond. De grote villa werd in de zomer bewoond door de eigenaars en dan woonden wij in het „Little Home“, waar ik op 19 mei 1939 ook geboren ben. In de wintermaanden trokken we dan weer naar de grote villa, waar centrale verwarming was.’
In de oorlog, die uiteraard ook Bredene trof, was niemand veilig: ‘Mijn vader luisterde, samen met zijn broer Leon, vaak naar de Nederlandstalige uitzendingen van de Britse radio. Hij werd ervoor opgepakt. Mijn moeder heeft me verteld dat ik haar wellicht van de dood gered heb. Ze was ’s nachts opgestaan om door het raam van de achterdeur naar “het vuurwerk” van de kanonnen te kijken. Ik kwam wakker, begon te wenen en terwijl ze me aan ’t troosten was, knalde een stuk schrapnel het raam van de achterdeur kapot.’ 
Stefan Vandycke, oom van Robert, was dan weer door de Duitsers opgeëist om in de duinen en op het strand te werken. Hij moest putten graven en er een paal in aanbrengen: ‘De job werd ‘pit en stake’ genoemd. Bij dat werk is er een mijn ontploft en nonkel Stefan is er een oog bij verloren.’
Hij heeft ook eigen herinneringen: ‘De laatste weken van de oorlog hoorde ik geweerschoten. Vader zei dat die van de Gestapo kwamen.’  En wat hij zich ook herinnert is dat het terugtrekkende Duitse leger veel schade aan de huizen in de villawijk aanbracht, doordat de soldaten hun schuilplaatsen en bunkers lieten ontploffen. ‘Samen met mijn ouders en mijn zuster Simonne, die tien jaar ouder was dan ik, zijn we toen in de Duinenstraat gaan kijken naar de Duitsers die Bredene verlieten. Ze maakten daarbij gebruik van alles wat wielen had.’ Kort daarna werden veel huizen met hakenkruisen besmeurd: ‘Daar woonden mensen die met de Duitsers gecollaboreerd hadden. Ze werden zwarthemden genoemd.’
— Op het kerkhof van Bredene Dorp, de rustplaats van
Rachel Vandycke en haar zoontje Fernand Bostyn. —
De oorlog was nu voorbij, maar het gevaar nog niet geweken: ‘Overal lag er munitie, en jongens die al wat ouder waren dan ik openden die obussen om aan de inhoud te geraken, waar ze vuurwerk mee maakten. Mijn neef Fernand Bostyn is daardoor op 2 oktober 1944, samen met een vriendje, in Bredene-dorp om het leven gekomen, terwijl ze een obus openden. Nonkel André Bostyn heeft de jongen in zijn armen naar huis gedragen, Fernand werd enkele dagen in de slaapkamer opgebaard.’ Met Rachel Vandycke, moeder van Fernand, is het daarna nooit meer goedgekomen: ‘Soms verdween ze midden in de nacht. Haar man moest haar dan niet ver zoeken, hij vond haar telkens bij het graf van haar overleden zoontje. Op 23 november 1957 heeft ze een einde aan haar leven gemaakt. In Oostende, in het dok, niet ver van de ligplaats van de Mercator, is ze in het water gesprongen.’
Ook Robert komt niet onbeschadigd uit de oorlog: ‘In de Zeelaan stonden, ter hoogte van de villa Clos Fleuri, legervoertuigen gestationeerd. Dat was vlak om de hoek van het huis waar wij woonden. Daar heeft een soldaat mij in de cabine getrokken en me seksueel misbruikt.’ Het is voor het eerst dat Robert die verschrikkelijke ervaring met iemand deelt. Lang heeft hij gedacht dat hij het in Bredene kon achterlaten, maar nu komt het toch weer naar boven. Heeft hij er een trauma aan overgehouden? ‘De laatste tijd slaap ik slecht en dan lig ik ’s nachts veel aan die dagen te denken. Ook heb ik lang geprobeerd om te weten wie me dat aangedaan heeft. Was het een soldaat van het Eerste Canadese Leger dat op 9 september 1944 Oostende bevrijd heeft? Was het een Engelse soldaat? Ik heb geprobeerd om me te herinneren of het stuur van dat legervoertuig links (Canadees) dan wel rechts (Engels) stond, maar ik kan het me niet herinneren.’
Tijdens zijn legerdienst heeft hij in Duitsland de liefde gevonden. Hij is er in 1959 blijven wonen. Inmiddels is hij vijfenvijftig jaar gelukkig getrouwd. Hij heeft een zoon en hij heeft er tot zijn pensioen als mecanicien in een fabriek gewerkt. Hij woont nog steeds in Frechen bij Keulen.
Nu, aan het einde van zijn leven, wil hij dat de jongeren beseffen hoe onmenselijk wreed de oorlog is, ook voor mensen die er niets mee te maken hebben, en in de eerste plaats voor kinderen die er zo mogelijks nog minder mee te maken hebben. Dit is Roberts ultieme vredesdaad.

—  1944-45. De Zeelaan in Bredene. Vooraan links is de oorlogsschade te zien aan het dak van de villa Beau Site. Rechts in de verte staat een legervoertuig dat Robert Pyck veel kopzorgen bezorgd heeft. —
— Het terugtrekkende Duitse leger liet in Bredene tal van schuilplaatsen en bunkers ontploffen. Daarvan getuigt nog altijd een steenbrok die in de tuin ligt van het huis op de hoek van de Kroon- en Bloemenlaan. — 

maandag 6 maart 2017

Aan het sterfbed van de literatuur

— Van links naar rechts: Yves Petry, Joël De Ceulaer, Edouard Louis. —

In De Morgen voeren schrijver Yves Petry en journalist Joël De Ceulaer een debat (°) waarop ik ja en neen wil antwoorden. De vraag die ze al twistend beslechten is deze: hebben schrijvers een belangrijke rol te spelen in het publieke debat. Petry, zelf schrijver, denkt van wel. De Ceulaer meent van niet: 
‘Het is een misverstand (…) dat schrijvers visionaire lieden zijn, die over een bevoorrechte kennis van de werkelijkheid beschikken. Dat zij hun volk kunnen gidsen en leiden en verheffen. Omdat ze ons kunnen waarschuwen voor de gebreken van onze tijd, voor de dreigingen van morgen. Omdat ze gevoeliger zijn, omdat ze dieper en verder zien dan wij, gewone stervelingen. Omdat ze een zesde zintuig hebben voor wat echt belangrijk is. Dat misverstand moet dringend de nek worden omgewrongen.’
Ik neem het debatstuk mee naar Frankrijk, waar ik enkele dagen op een berg ga zitten. Ik neem het mee omdat ik denk dat ik noch met Petry noch met De Ceulaer akkoord ga. Daarom heb ik ook nog eens twee boeken meegenomen die me inzicht kunnen geven in die pennentwist. Lang geleden heb ik ze in de Slegte gekocht en vervolgens heb ik ze ongelezen weggezet. Dit is het geschikte moment, dacht ik, om ze ter hand te nemen. Het eerste heet De verbeelding van de intellectuelen en het tweede Schrijven of schieten. Beide, samen goed voor 756 bladzijden, hebben het over schrijvers die zich uitspreken over de gebreken van hun tijd.
Daar, op die berg, zaag ik overdag hout, ’s avonds kijk ik toe hoe de zon achter de berg wegzakt en ’s nachts luister ik naar France Culture. En die boeken… die lees ik wéér niet. Gevolg is wel dat ik naar dit platte land terugkeer zonder dat ik mij in die prangende kwestie ingelezen heb. Maar kijk, ik blader door de post die tijdens mijn afwezigheid in de bus gevallen zijn en stoot op een essay van de Franse schrijver Edouard Louis (°). Die Louis schijnt De Ceulaer in het ongelijk te stellen. Schrijver Edouard Louis beschikt wel degelijk over een bevoorrechte kennis van de werkelijkheid, hij waarschuwt ons voor een gebrek van onze tijd: 
‘De kip-of-eivraag, wat er eerst is en wat daarna komt, is ongetwijfeld één van de belangrijkste instrumenten om de wereld te begrijpen. Zeg nooit: de volksklasse wil niets weten van de legitieme cultuur, maar zeg: de cultuur wil niets weten van de volksklasse die op haar beurt niets van de legitieme cultuur wil weten. Zeg nooit: de volksklasse is gewelddadig, maar de volksklasse lijdt onder het geweld dat haar dagelijks wordt aangedaan en neemt dat gewelddadige gedrag bijgevolg over, door bijvoorbeeld voor het Front National te stemmen. Eerst is er de overheersing, de verantwoordelijkheid ligt altijd bij de heersende klasse.’
Dat betekent dan weer niet dat Petry gelijk heeft, het besluit van Louis zal Petry niet graag lezen: 
‘[Z]olang een groot deel van de boeken alleen bestemd blijft voor de bevoorrechte klasse, zolang ze een kaakslag blijft voor mensen zoals mijn moeder en die taxichauffeur, mag de literatuur ten onder gaan. Ik zal onverschillig aan haar sterfbed staan.’
Flor Vandekerckhove

(°) De Morgen, woensdag 22 februari, in Uppercut #2, Yves Petry: ‘Mogelijk is wetenschap voor u alleen maar een alibi voor uw neerbuigendheid over literatuur’ / Joël De Ceulaer: ‘Om de werkelijkheid te begrijpen schieten wij niets op met intuïtie. Cijfers hebben we nodig.’
(°) Edouard Louis. Een boek, een kaakslag. In De Standaard der Letteren, 3 maart.

zondag 5 maart 2017

Mannen van de nacht

— Van links naar rechts: Jean-Pierre Boentges, Flor Vandekerckhove, Paul Couter. (Foto Jo Clauwaert, 2008) —

Op de foto word ik geflankeerd door twee oude rockers: rechts bluesgitarist Paul Couter, links mijn jeugdvriend JP Boentges. Ik doe die twee geen onrecht door te stellen dat ze de nacht beter kennen dan de dag. Zelf ben ik meer een mens die ’s nachts probeert te slapen en er valt misschien veel over mij te vertellen, maar niet dat ik een oude rocker ben. Wat staan wij daar dan eigenlijk samen te doen? Wel, ik sta daar beroepshalve. Van Paul Couter, die in die tijd een nieuwe CD uitbrengt, neem ik een interview af. Omdat de rock 'n roll me vreemd is, trommel ik mijn oude maat JP op om me te assisteren. Fotograaf Jo Clauwaert vereeuwigt het moment door ons voor zijn lens te parkeren. (Van dat parkeren getuigt het P-teken achter elk van ons.) Dat ik die foto vandaag weer uit de schuif haal komt door de biografie die EPO onlangs over Arno gepubliceerd heeft. (*) 
Paul Couter en JP Boentges zijn getuigen van de opgang van de bekendste Vlaamse rocker, zelfs deelgenoten; Paul Couter als muzikant (in Freckleface, Tjens Wouter, T.C.Matic), JP Boentges als… tourmanager van het eerste uur. Dat laatste weet u wellicht niet. Maar biograaf Gilles Deleux is duidelijk: 
‘Op het einde van de jaren '60 heeft Jean-Pierre Boentges, alias JP, postgevat achter de draaitafels van een van de vele dancings in de Langestraat, de Djinn. Hij werkt ook in een dancing met dezelfde naam en eigenaar in Blankenberge. JP is een zachtmoedige, rare snuiter. Heel Oostende kent hem vanwege zijn encyclopedische muziekkennis. Hij is maniakaal met muziek bezig en trekt ettelijke malen per maand naar Londen om er platen te kopen, die hij in de vroege uurtjes draait als de toeristen weg zijn en alleen de kenners nog blijven. Onder hen Paul Couter. Ze praten veel over muziek en raken bevriend. En van het een komt het ander. JP is eigenaar van een Simca 1000 en weldra wordt hij gebombardeerd tot tour manager van de groep. Hij krijgt ook de taak om voor optredens voor het duo te zorgen. “In het begin hadden Paul en Arno nog geen manager. Ik had toen niets te doen en ik heb een stencil gemaakt met foto's en die mailing heb ik naar alle jeugdclubs aan de kust gestuurd.”’
Ik contacteer JP die me over het boek nog zegt: 
‘De biografie werd geschreven door de toen nog jonge Franstalige auteur Gilles Deleux. Het boek verscheen in 2004 onder de titel ‘Arno, un rire et une larme’. In 2007, is er een Nederlandse vertaling gekomen, ‘Arno, een lach en een traan’. Tien jaar later is dit boek bijgewerkt en ligt het weer in de winkels.’
Hoe komen JP Boentges en Gilles Deleux bij elkaar terecht? 
‘Begin jaren 2000 nam Deleux contact op met mij en enkele andere Oostendenaars met een rockverleden. Hij kon toen op weinig medewerking rekenen van Arno en zijn entourage. Arno had hem gezegd dat die periode door drank en drugs een zwart gat in zijn geheugen achtergelaten had, maar hij had wel mijn naam doorgegeven. Vervolgens had ik een tiental afspraken met Gilles Deleux. Mijn medewerking draaide hoofdzakelijk rond de beginperiode die ik intens meegemaakt had. Die meetings met Gilles verliepen heel goed en hij kwam ook regelmatig naar me toe om zijn teksten te laten nalezen. Ik had hem ook nog wat originele beelden bezorgd van fotograaf Danny Willems, wiens archief uit die periode vernield geraakt was in een ondergelopen kelder. Enfin in 2004 was het boek klaar voor publicatie en Gilles is dan naar Oostende afgezakt met een exemplaar van het nieuwe boek waarin hij een dankwoord geschreven had.’

(*) Gilles Deleux, Arno. Een lach en een traan, uitg. EPO, 428 blz., 23 euro. 

donderdag 2 maart 2017

Herinneringen aan een garnaalvisser

— Links: Franky De Vriendt in 1998, rechts Bé Van de Zee in 2012. (Eigen foto's) —

Garnaalvisser Franky De Vriendt kent zijn moment of fame in de zomer van 1996. Dan loopt er in de Zeebrugse Seafront Gallery een tentoonstelling over flessenpost⇲. De Vriendt toont daar zijn collectie: postkaarten en andere correspondentie, verzameld tussen 1976 en 1996; antwoorden van mensen die op een of ander strand zijn message in a bottle vinden. In Het Visserijblad zegt De Vriendt daarover: 'Ik drink veel water terwijl ik op zee ben en de plastic fles gaat telkens overboord. Maar da's geen milieuvervuiling, want ik steek in elke fles een berichtje. Mijn adres staat daar op en de datum waarop het bericht over boord gaat, de windrichting ook. Ik krijg haast dagelijks reacties. Ik schat dat er zo'n vijf procent van mijn flessenpost beantwoord wordt. Soms al na enkele dagen, soms na tien jaar.’
Nederland heeft een specialist inzake flessenpost. Strandjutter Wim Kruiswijk loopt vanaf Zandvoort dagelijks acht kilometer ver over het strand en schopt tegen elke fles die hij ziet liggen. Jaarlijks vindt de man tientallen berichten. Veel flessenpost komt, zegt Kruiswijk, van kinderen; soms zijn het zeelui die eerst een fles rum kraken en het leeggoed, in de daaropvolgende romantische stemming, — met bericht — aan het water toevertrouwen. Of het zijn berichten van De Vriendt waarvan Kruiswijk er vijftig uit het water haalt. Kruiswijk beantwoordt elk bericht, via de gewone post, en houdt daar soms jarenlange correspondenties aan over, onder meer met Franky.
Franky heet niet langer zo. Op latere leeftijd komt De Vriendt tot de conclusie dat hij een zij is. Ze heet nu Bo-van-de-zee en ze heeft de visserij achter zich gelaten.

woensdag 1 maart 2017

Weg naar Croatan


‘Begeeft u zich naar de geplande route alstublieft.’ Ik drink koffie uit de thermos en luister naar de stem die me zegt waarheen ik moet rijden. Terwijl de avond valt begin ik uit te kijken naar een plek om er een wijle te verpozen, misschien enkele uren te slapen. De weg doorkruist een bos. Het terrein dat ik vaag naast me zie lijkt me geschikt en ik wijk van de baan af om het op te rijden.
Een klap! Eerst denk ik dat ik tegen een boomstronk rijd, maar dan zie ik de contouren van een beest dat de auto aanvalt. Het beukt voor de tweede keer in op de wagen. Ik geef een ruk aan het stuur en rijd plankgas terug naar de weg die ik juist verlaten heb. Het bloed klopt in mijn keel.
Welk beest heeft mij aangevallen? Is er schade aan de auto?
Dan realiseer ik me dat ik al uren geen mens meer gezien heb. Ik sta er alleen voor. ‘Begeeft u zich naar de geplande route alstublieft.’  Ik draai een weg op die er uitnodigend uitziet. Maar hoe ik de auto verder draai of keer, er komt alleen nog die ene instructie: ‘Begeeft u zich naar de geplande route alstublieft.’ Op het GPS-schermpje gaat de pijl als een dolgeworden kompas alle kanten uit.
Het is dan ook meer dan een aangename verrassing als ik uit het niets een gebouw zie opdoemen. Een flatgebouw. Nergens licht, veel ruiten zijn stuk. Een spookhuis.
‘Begeeft u zich naar de geplande route alstublieft.’ De autolampen zetten het gebouw in het licht. Graffiti: Gone to Croatan. De woorden op de gevel hebben de kracht van een boodschap. Ik begrijp dat ik op het punt gekomen ben waarop ik moet beslissen of ik dat wel wil doen, naar de geplande route terugkeren.
Flor Vandekerckhove


Sakolsky, R. & Koehnline, J. (1993). Gone to Croatan: Origins of North American Dropout Culture. Brooklyn, NY: Autonomedia.

donderdag 23 februari 2017

Schrijven in de politieke branding

— Philip Rahv (1908-1973) —
Bladeren in oude jaargangen van een tijdschrift, da’s iets wat ik graag doe. Toen ik hier de volledige collectie van het New Yorkse culturele tijdschrift Partisan Review aantrof, was het dan ook alsof ik op een goudmijn stootte. Nu en dan keer ik naar die site terug. Als iets mijn oog trekt, maak ik er een stukje van. Die stukjes vind je gemakkelijk weer als je in de labels ter rechterzijde van de blog op ‘Partisan Review’ klikt.
Inmiddels ben ik aan het PR-nummer van februari 1938 toegekomen. Hier valt mijn blik op een bijdrage (*) van Philip Rahv, een van de twee stichters van dat tijdschrift. Hij maakt de balans op van de eerste twee congressen van de League of American Writers, een mantelorganisatie van de communistische partij (CPUSA).
Het eerste greep plaats in 1935. De tekst was duidelijk genoeg, zegt Rahv: ‘Het kapitalistische systeem verkruimelt terwijl we ernaar kijken’ en de tekst vervolgt: ‘Tien jaar geleden was er slechts een handvol auteurs dat voldoende ver kon kijken en moedig genoeg was om een standpunt ten voordele van de proletarische revolutie in te nemen. Nu zijn er honderden die willen helpen om de vernietiging van het kapitalisme te bespoedigen.’
De Amerikaanse schrijvers die aan het stichtingscongres deelnemen focussen op de ‘various forms of revolutionary writing and the writer’s relation to communism.’ Welke 'various forms' dat zijn vertelt Rahv ons niet. Wel wijst hij op de hoogdravende boodschap van de Franse Louis Aragon, waarvan hij zegt: ‘These people have never learned to distinguish between the living world and the mechanized dreams of their party-apparatus.’ Ook haalt hij een discussie aan waarin een goedmenende Amerikaanse auteur het over ‘volk’ heeft en hoe de herauten van de partijlijn alles in stelling brengen om dat woord te vervangen door ‘arbeiders’.
Hoe anders is het in 1937. Het Tweede Schrijverscongres poneert niet langer dat het kapitalistische systeem verkruimelt en in de teksten is er nu wel volop sprake van ‘het volk’. Dat komt doordat de communistische partijen intussen een andere ‘lijn’ aangenomen hebben. Nu gaat het volop over het vormen van ‘volksfronten’. En als de partij zwenkt dan moeten de schrijvers mee zwenken. ‘Revolutionary writing’ is niet langer nodig, want in de nieuwe lijn steekt de partij de hand uit naar, wat Rahv neerbuigend omschrijft als: ‘well-paid scenario writers and ancient contributors of The Saturday Evening Post.’ Ze zijn het soort schrijvers waarmee de communisten dat volksfront in de literatuur weerspiegeld willen zien.
Het Eerste Schrijverscongres heeft auteur Waldo Frank tot voorzitter gekozen. Tijdens het Tweede Congres is die nergens meer te bespeuren. Donald Ogden Stewart wordt de nieuwe president. Rahv noemt hem ‘a dark horse from Hollywood’. Maar wat is er met de eerste voorzitter gebeurd?
De Wikipedia leert me dat Waldo Frank zich openlijk uitspreekt tegen de schijnprocessen in
— Waldo Frank (1889-1967) —
Moskou en dat hij in  januari 1937 in Mexico een bezoek brengt aan de uit de Sovjet-Unie gezette Leon Trotski. Frank is aan de kant gezet omdat hij de partijlijn niet volgt.
Waarom hecht Rahv zoveel belang aan die congressen? 'Veel Amerikaanse schrijvers zoeken een antwoord op de vragen die de sociale crisis van de jaren dertig oproept', zegt hij. ‘Daarin hebben de stalinisten, ondanks hun krankzinnige sectarisme, in de vroege jaren dertig een vooraanstaande rol gespeeld. (…) Hun literaire politiek was de weerspiegeling van een sectaire partijlijn, maar omdat de partij zich nog op revolutionaire principes baseerde, kon ze bepaalde revolutionaire krachten in de literaire wereld vrijmaken. “Proletarische literatuur” (…) was nooit een onvermengd product. Gedeeltelijk was het een resultaat van de sociale situatie van de hedendaagse cultuur en gedeeltelijk een administratief begrip van de communistische partij en van de belangengroepen van sovjetauteurs. Die hebben het programma van die literatuur zover doorgedreven dat het niet meer toegepast kan worden, ze hebben het teruggebracht tot onzin (…)’
Nu de communistische koerswijziging verduidelijkt dat literatuur alleen nog de bureaucratische gedachtenkronkels moet dienen, roept Rahv de schrijvers op om het woord van André Gide te volgen: ‘Kameraad,’ zei Gide, ‘geloof nergens in; aanvaard niets zonder bewijs. Het bloed van martelaren heeft nog nooit iets bewezen. (…) Stop met geloven: studeer. (…) Laat niet toe dat ze je dat geloof opleggen. Laat niet toe dat ze je inpakken.’
Flor Vandekerckhove


Philip Rahv. Two Years of Progress — From Waldo Frank to Donald Ogden Stewart. In Partisan Review, volume IV – nr. 3 / feb 1938.

zondag 19 februari 2017

Herinneringen aan ’t Fonteintje

— Op de linkerfoto staat ‘de poere’ achter zijn indrukwekkende tapkast. Rechts zijn we in het café deelgenoot aan een eetfestijn. —



‘Als ik die muziek weer hoor, denk ik steeds aan die feesten. Stel je voor: een café vol jonge vissers en jonge meiden, opgezweept door drank en hormonen. Het speelse jagen van de singles en de meesterlijke levensopvattingen van de duurzame koppels.’ 
Dit lyrische citaat komt uit de pen van schipper op rust Eddy Serie. Het stond in Het Visserijblad van oktober 2011. Wat Eddy bedoelt met ‘meesterlijke levensopvattingen van de duurzame koppels’ weet ik niet, maar de muziek waarover hij het heeft is pop uit de sixties en het café is ’t Fonteintje in Oostende, op de hoek van de Kaaistraat en de Sint-Paulusstraat. Eddy Serie: 
‘Café ’t Fonteintje is vanaf de jaren dertig een rasecht visserscafé. Begin jaren zeventig kent het zijn hoogtepunt als mijn vriend Maurice (Pies) Zanders er, na een loopbaan in de kustvisserij en op IJsland, cafébaas wordt. Het is dan het best bekende en meest beklante visserscafé van de Belgische kust. Er komen vissers en beoefenaars van allerhande beroepen die rond de visserij draaien. Meisjes en jonge vrouwen die graag bij jonge vissers vertoeven vinden er hun gading.’ En ook dit: ‘De visserij viert er zijn hoogtepunten. Je kunt er de meest bekende kapiteins van de IJslandvisserij treffen, op stap met hun bemanningen, er zijn de kustvissers, de mannen van de grote bokkenvisserij, reders, peerders, vissers die aan lager wal geraakt zijn, jongens van de Vuurtorenwijk die qua mentaliteit sterk aanleunen bij de Engelse arbeidersjeugd. We treffen daar ook enkele jonge voetballers als Rudy Tempere en Henri D’hulster, die het mooie weer bij K.V.G.O maken.’
Ik zou daar niet op terugkomen, ware het niet dat ik een mail kreeg van een oud-schoolmakker: 
‘Mijn nonkel Gilbert Laforce was een visser en hij had een schip dat op het klein strand van Oostende vastgelopen is. Hij heeft daar toen een zware longontsteking opgelopen omdat hij zijn schip niet wilde verlaten. Daarna heeft hij het visserscafé ‘t Fonteintje opengehouden waar het kordeel uitbetaald werd.’ 
Het kordeel! Dat is zo’n ogenblik waarop ik het Oostends woordenboek van Roland Desnerck uit de kast haal: 
‘kordailgêld: drinkgeld van de visser dat voortkomt van de verkoop van kordailvis.’ En daaronder staat dit: ‘kordailvis: hoeveelheid platvisjes van achttien tot twintig centimeter lengte en kleine ronde vis zoals pieterman, knorhaan, wijting enz. waarvan de opbrengst ten goede van de bemanning van een vissersvaartuig kwam.’
Ik stuur het bericht door naar mijn informanten. En een uur later krijg ik al bericht van Daniël Eyland: 
‘Ik heb Gilbert Laforce gekend. Hij had een lapnaam: de poere.’ Weer grijp ik naar ‘de dikke Desnerck’: poere: 1. bult, bochel; 2. bultenaar.’ Hoezo? Was kroeguitbater-visser Gilbert Laforce een bultenaar? Eyland: ‘Een bultenaar was hij niet, maar hij moest wel dagelijks verzorgd worden aan zijn rug en longen.’ 
Misschien had dat wel te maken met de zware longontsteking die hij opgelopen had omdat hij zijn gestrand schip niet had willen verlaten. Eyland weet er dit nog aan toe te voegen: 
‘Als een visser het in zijn café al te bont maakte, dreigde de poere ermee zich te laten vallen. Daar zou hij de onruststoker de schuld van geven en die zou dan de rekening gepresenteerd krijgen. Gevolg: de woelmaker bond meteen in.’

Flor Vandekerckhove

— Op de linkerfoto staat ’t Fonteintje in 1935. Het café heet dan A la Fontaine en wordt uitgebaat door het echtpaar Senave-Conrieri. Rechts heet het niet alleen In ’t Fonteintje, maar ook Dancing bij Jacqueline. Voor de deur staan Albertine Eyland en haar man Roger Tourlemain. (Met dank aan D. Eyland voor de foto.) —   
— Gilbert Laforce staat op de linkerfoto aan boord van een vissersvaartuig. (Met dank aan Wilfried Laforce.) Op de rechterfoto is hij uitbater van ’t Fonteintje geworden. We zien hem daar in het gezelschap van Albertine Eyland, moeder van Freddy Tourlement, Georges Laforce, een onbekend meisje, een onbekende jonge vrouw en Marie-Louise Moyaert. (Foto archief Daniël Eyland.) —

[Deze post dateert van 2017 in De Laatste Vuurtorenwachter. In 2021 redigeer ik hem opnieuw, ten behoeve van de FB-groep Oostendse verhalen.]

vrijdag 17 februari 2017

Alles ligt in de kinderjaren en mijn blog ligt in de boekwinkel

— Cesare Pavese en Kitty Geerts. —

OP 13 FEBRUARI 1949, dag nadat ik geboren ben, maakt Cesare Pavese een dagboekaantekening. Hij legt daarin de bron bloot die ook mij al tot zoveel stukjes geïnspireerd heeft.
‘Vreemd ogenblik waarop je (op je dertiende of twaalfde) je losmaakte van het dorp, een glimp opving van de wereld, op fantasieën wegdwaalde (avonturen, steden, namen, nadrukkelijke ritmes, het onbekende) en niet wist dat er een lange reis aanving die je, door steden avonturen namen verrukkingen onbekende werelden, weer terug zou voeren naar de ontdekking hoe vol van al die toekomst juist dat ogenblik van afstand was — het ogenblik dat je meer dorp was dan wereld — als je nu terugkijkt. Dat komt doordat je nu de wereld  de toekomst in je hebt als verleden, als ervaring, als techniek; en het eeuwige, rijke mysterie blijkt weer te liggen in dat kinderlijke in je dat je niet op tijd in bezit hebt genomen.’
Daarna vat hij het nog eens samen: ‘Alles ligt in de kinderjaren, ook de bekoring die toekomst zal zijn, die men alleen dan voelt als een wonderbaarlijke impuls.’
Daar mag ik echt niets aan toevoegen, maar ik mag er wel iets op kleven dat er niets mee te maken heeft.
Gisteren kreeg ik bericht van een lezer uit Nederland, een lezeres nog wel. Kitty Geerts is ook schrijver en ze werkt in boekhandel De Kler in Leidsenhage. Nadat ze kennis gemaakt heeft met De Laatste Vuurtorenwachter schrijft ze: 
‘Geweldig. Na een eerste blik, mag ik de teksten gebruiken in onze boekwinkel? Er is bijvoorbeeld een boek uit over de existentialisten en jouw blog [Ze heeft het over ‘Camus versus Sartre’ dat je hier⇲ vindt.] sluit daar perfect op aan. Mag ik een stuk of vijf over Camus en Sartre uitprinten met jouw naam erbij en die naast het boek op de tafel leggen? Belangstellenden kunnen dan het A4tje meenemen en thuis jouw blog bezoeken. Ik zal die er netjes bijzetten en aanprijzen. Weer eens een ander verhaaltje aan de balie dan het weer :-)’ 

Cesare Pavese. Leven als ambacht. 1991. De Bezige Bij, A’dam. 419 blz. Oorspronkelijke titel: Il mestiere di vivere. 1953.