vrijdag 25 september 2026

’Schrijven is een eenzame bezigheid.’ — Wat het is om schrijver te zijn (2)

De Laatste Vuurtorenwachter bevindt zich op zijn zolderkamer. Achter het dakvenster ziet hij Lange Nelle onder een nooit eerder geziene hoek. Is ’t daardoor dat Annie Dillard zo parmantig bij hem komt binnenwandelen?

'In zijn kamertje peinst de schrijver diep 
over zaken die tot dan toe bij niemand zijn opgekomen. 
Hij merkt dat hij geheel nieuwe technieken 
ten dienste van zijn ambacht uitvindt.’ 
(Annie Dillard)

IN EEN HUIS, waar niemand is, arriveert een telegram. Binnen verstijven de dingen in hun vlucht. Een valies beseft dat het ter bestemming aangekomen is. We bevinden ons in een gedicht van James Tate.
Volgen drie strofen die alle op stilstand, verstening en onbeweeglijkheid wijzen: reis wordt uitgesteld, voetbrug kleeft aan de voeten, een verlaten station. Woorden die vallen zijn '
verstijven', 'bevriezen', 'versmelten', 'haperen'… Wat niet belet dat er omwille van de huiselijkheid een kitten van doen is. En zo geschiedt: een katje dringt het huis binnen en verstilt op zijn beurt met het interieur… Waarna het slotvers volgt dat Google voor me vertaalt: 
Een kind met zijn verjaardagstelescoop
heeft dit alles waargenomen. Het vertelt het aan niemand,
het gaat niemand iets aan. Maar niets wordt vergeten.
Slechts gekleed in vloeiende tussenstukken is hij onaantastbaar,
met kleine pasjes lopend naar de inwijding van het huis
dat ongetwijfeld ’t zijne is.
Het gedicht, ‘Nobody’s Business’, van James Tate, kan je hier in zijn geheel lezen, zelfs beluisteren. (°) En dit is wat Tate er zelf over zegt: ’Schrijven is een eenzame bezigheid. De schrijver die een fictie creëert, vangt flitsen op van het zelf dat die fictie schept, hij komt tot zelfbewustzijn. Wat hij schrijft mag vol leven zijn, maar wat hij over zichzelf te zien krijgt is melancholisch. In “Nobody’s Business” is het ogenschijnlijk lege huis gevuld met objecten die door de tijd zweven. Je weet niet wie de waarnemer is, maar aan het einde zien we hem als een klein kind met een verjaardagstelescoop, dat zijn toekomstig lot erkent: alleen zijn. (…) Hij beseft dat hij niet binnen de gangbare maatschappelijke orde zal leven wanneer hij door het leven vaart. Wat hij ziet suggereert (…) de erkenning van een toekomst die van de kunstenaar een buitenstaander maakt.’ (°°)
Terwijl ik dit aan ’t schrijven ben, komt de op 15 september overleden Annie Dillard in mijn deurgat staan. In ‘Een schrijversleven’ zegt zij ’t zelfde, maar in proza: ‘Het hoeft niemand te verbazen dat het leven van de schrijver – voor zover je daarvan kunt spreken – zo kleurloos is dat het in de buurt komt van zintuigelijke deprivatie. Veel schrijvers doen weinig anders dan in kleine kamertjes de echte wereld oproepen. Dat verklaart waarom zoveel boeken de jeugd van de auteur beschrijven. De jeugdjaren van de auteur zouden wel eens zijn enige authentieke ervaringen kunnen zijn. Schrijvers lezen biografieën en omringen zich met andere schrijvers, om zichzelf willens en wetens het bespottelijke idee aan te praten dat men zijn tijd in het ondermaanse redelijk besteedt door zijn leven te slijten in een kamertje met vellen papier als enige gezelschap. In zijn kametje peinst de schrijver diep over zaken die tot dan toe bij niemand zijn opgekomen. Hij merkt dat hij geheel nieuwe technieken ten dienste van zijn ambacht uitvindt.’ (°°°)
Flor Vandekerckhove⇲

[Dit is het tweede deel van een serie over Wat het is om schrijver te zijn. Morgen volgt het derde deel.  Het eerste werd gisteren gepost. Klik het aan, lees over De leerjongen van Ernest Hemingway.]

(°) James Tates gedicht Nobody’s Business staat in de bundel Constant Defender (1983), maar moet al vroeger bekend zijn, gesteld dat de info betreffend het jaar van het interview waaruit ik citeer correct is. 
(°°) Interview (1982) met Richard Jackson in James Tate. The Route as Briefed. 167 p. In de reeks Poets on Poetry. Ann Arbour. The University of Michigan Press. 1999.
(°°°) Annie Dillard. Een schrijversleven: Essays. Vertaling Henny Corver. 2022. Atlas Contact. 120 p.

Geen opmerkingen: