vrijdag 16 september 2016

In het leger word je man

— Een foto van mezelf tijdens mijn legerdienst heb ik niet.
Maar ik heb er wel een van mijn vader. Hier staat hij wellicht
 op wacht voor zijn kazerne. Mijn vader, Marcel Vandekerckhove,
 is de mens in 't midden, met dat bord op zijn hoofd. De foto dateert van
kort na WO II. —
Tanden poetsen? Voor mij is dat geen automatisme, nog steeds niet. Dat komt doordat mijn vader zijn tanden nooit gepoetst heeft. Tegenover mijn moeder, die het haar kleuter wil aanleren, breng ik dat met succes in stelling: papa doet het evenmin. Mijn vader lacht mijn onwil weg en mijn moeder wordt radeloos. Daardoor heb ik het verinnerlijkt als iets wat mannen niet doen, hun tanden poetsen, dat het meer iets voor vrouwen is. Daardoor moet ik het mezelf nu nog altijd opleggen. Daardoor komt het dat ik mezelf dagelijks in de spiegel streng toespreek — Gij zult uw tanden kuisen! — waarna ik zuchtend de tandpasta ter hand neem. Het blijft een opgave en binnenkort word ik achtenzestig.
Zo heb ik er nog enkele. Een ervan herinnert me aan mijn legerdienst. Meer bepaald aan een feestdis in de kazerne. De reden is me ontgaan, maar op die dag tekent heel de kazerne present, van hoog tot laag. De kolonel is er. Hoge en lage officieren, onderofficieren, korporaals, en ook wij, dienstplichtige soldaten moeten mee aanschuiven. Dat aanschuiven geschiedt langsheen lange, wit gedekte tafels. Daarop staan egale, witte borden. We monsteren die borden als waren niet wij, maar zij de geüniformeerde soldaten. Ze staan in het gelid. Elk bord is gewapend met een glimmend wijnglas, waaruit het servet ons als het vrolijke vaandel van een totalitair georganiseerd feest toelacht.
Tot mijn ontzetting zie ik dat er op elk bord een tomaat staat, gevuld met garnalen; tomaat garnaal. Ik word overvallen door paniek. Ik eet geen tomaten, nooit. Ik wil al sinds kindsbeen door het leven gaan als de mens die nooit ofte nimmer tomaten eet. In die tijd besef ik geenszins welke belachelijke ambitie dat is.
Ik sta voor de stoel waarop ik straks moet zitten. Links en rechts van me staan medesoldaten. Ze glunderen en slaan geen acht op mijn radeloosheid. Nadat de kolonel gaan zitten is en de hoge officieren en de lage officieren en de onderofficieren en de korporaals, gaan ook wij zitten. Om me heen kijkt iedereen vol verwachting naar de tomaat op zijn bord. Zelf sta ik daar anders tegenover. Is dat het enige wat we hier te eten krijgen? Komen er nog frieten? Is er brood? Volgt er nog een schotel? Het enige wat ik weet is dat ik met walging naar de groente kijk die voor me staat.
Ook dat komt door mijn vader, die nooit tomaten gegeten heeft. Tegenover mijn moeder, die het haar kleuter wil aanleren, breng ik ook dat met succes in stelling: papa doet het evenmin. Mijn vader lacht mijn onwil weg en mijn moeder wordt er radeloos van. Daardoor heb ik het verinnerlijkt als iets wat de mannen in ons gezin niet doen, tomaten eten, dat tomaten meer iets zijn voor mensen die niet Vandekerckhove heten. Ik ben daar trots op, ik vertel het aan de tapkast. Het niet eten van tomaten maakt deel uit van mijn identiteit.
Dat is iets wat niet goed samengaat, legerdienst en identiteit.  Nooit heb ik dat zo scherp ervaren als op dat kazernefeest. Voor me staat een tomaat waaraan niet te ontsnappen valt. Het is niet dat de dood met de kogel me te wachten staat, maar ik kan het me als dienstplichtige soldaat niet permitteren om die tomaat onaangeraakt te laten staan. Ik moet het hoofd buigen, me van mijn identiteit ontdoen, ook omdat je in zo’n kazerne altijd wel een beetje honger lijdt en vooral omdat er op dat bord geen blaadje sla ligt, geen frietje, geen boterham, niets. Er is alleen maar die ene tomaat.
Daar, in het leger, op de dag van dat kazernefeest, gezeten aan de feestdis heb ik voor het eerst in mijn leven een tomaat genuttigd. Ik ga niet zeggen dat ik ervan heb moeten overgeven, maar een eetfestijn zal je het me evenmin horen noemen.

Flor Vandekerckhove
Een reactie posten