zaterdag 15 april 2017

Knellende muren


— Gustave Van de Woestyne, Zomer (1928) —

ER MAG EEN druiventros op tafel liggen, maar wat moet een hart met druiven doen? Zomer, het schilderij dat Van de Woestyne in 1928 maakt, toont dat de kunstenaar intens met die vraag worstelt. En in de jaren vijftig doe ik dat niet minder.
In die tijd — de zijne zowel als de mijne — gaat het er hard aan toe. Altijd is er plicht die roept en er is zwaarte & ernst, schuld & boete. Er is ook heel veel verveling. Mij kost het geen enkele moeite om de beknelling op te roepen die Van de Woestyne uitdrukt met dat veel te kleine kamertje.
Hoe gaat het er vandaag eigenlijk aan toe? In de boekenbijlage van De Morgen schrijft dichteres Ellen Deckwitz: ‘Ik groeide op in een nogal christelijke omgeving waar alles wat maar een beetje met liefde of seks te maken had je meteen een enkeltje vagevuur opleverde.’  
Ik zie dat deze Ellen in 1982 geboren is; ze is jong, jonger dan mijn kinderen. Ellen Deckwitz, lees ik in de Wikipedia, is in het Nederlandse Borne geboren. Elders lees ik: ‘Meer dan de helft van de inwoners van de gemeente Borne is godsdienstig. 55,4 procent voelt zich betrokken bij een geloof (…) Het populairste geloof? Katholieke kerk. 35,2 procent van alle inwoners voelt zich hiermee verbonden.’ Misschien behoort de jonge Ellen daar tot een minderheid, want er zijn ook 7,1% hervormde protestanten in Borne, 1,1% gereformeerden en 5,9% PKN. Dat laatste heb ik moeten opzoeken: Protestantse Kerk Nederland.
Protestanten hebben op katholieken voor dat ze hun Bijbel kennen. En Ellen Deckwitz citeert: Mijn handen zijn nat, mijn vingers die de grendel opzij schuiven druipen… ’t Is dan wel van mirre dat die vingers in het Hooglied druipen, maar de jonge Ellen doet er toch haar voordeel mee, zozeer zelfs ‘dat het me regelmatig verzwikte vingers opleverde.’

Geen opmerkingen: