maandag 22 mei 2017

De kat van Aleksandra

Beneden in de studio verblijven Aleksandra en haar kinderen. Bart heeft gezegd dat het voorlopig is. Bart is haar werkgever, hij heeft haar hier ondergebracht, haar en haar twee kinderen. Er is ook een kat. Dat weet ik pas sinds we elkaar toevallig in de gang gekruist hebben, de kat en ik.
Aleksandra heeft het beest clandestien in huis gebracht, wellicht omdat ze denkt dat de kat er voor mij te veel aan is. Dat is niet het geval, want ik ben een kattenmens. Alleen vraag ik me af hoe ze dat in die studio georganiseerd krijgen, Aleksandra, de kinderen, de kat.
Het is een Litouwse kat. Hij is, net als Aleksandra en de kinderen, per bus naar hier gekomen. Die bus vertrekt in Litouwen en rijdt tot in Frankrijk. Hij stopt her en der om vrouwen uit te laten stappen die onderweg tewerkgesteld zijn. Hier heeft de chauffeur ook Aleksandra’s kat uit de bagageruimte gehaald.
Intussen is de kat ervandoor. Op ’t koertje is hij op de muur gesprongen en vervolgens op het afdak en daarna is hij over de daken de vrijheid tegemoet gesneld.
Aleksandra is het me komen zeggen: ‘Cat’, zegt ze en ‘cryed’. Ze zegt het met haar Litouwse tongval: ‘Crrrraaied’. Ze pulkt aan haar oogleden, waardoor ik weet dat ze geweend heeft en ze wijst naar het dak waarover de kat het hazenpad gekozen heeft.
Ik probeer haar gerust te stellen en zeg haar daarom niet dat de kat een vogel voor de kat is. Ik vertel haar het waargebeurde verhaal van mijn kat die zeven maanden van huis weggeweest is. Die heb ik op een dag, al joggend, in de duinen weergezien — ík was aan ’t joggen, niet de kat. Ik heb Frodo! Frodo! geroepen en hij is met mij naar huis teruggekeerd. Hier heeft hij zich drie dagen volgevreten, ferme tuk gedaan, en daarna is hij weer ervandoor gegaan, deze keer voorgoed. Dat laatste vertel ik evenmin aan Aleksandra, want ze blijft me maar onderbreken: crrrraaied, crrrraaied! Mijn Engels schiet te kort om haar te troosten.
’s Nachts moet ik aan de kat denken. Hij loopt langs bermen van autosnelwegen, ontwijkt bussen die van Litouwen naar Frankrijk rijden, haalt visresten uit vuilnisbakken, glipt onder prikkeldraadversperringen door. In kampen ontsnapt hij aan hongerige asielzoekers en schietgrage kampbewakers. Onderweg jaagt hij op muizen, her en der sticht hij een gezin dat hij vervolgens weer in de steek laat en uiteindelijk komt hij in Litouwen terecht, waar niemand hem opwacht.

Flor Vandekerckhove
Een reactie posten