maandag 14 augustus 2017

Bij de zijnen


Iemand zei me dat hij Georges gezien had. Ik riep: ‘Ha, die Georges! Ik wist niet eens dat hij nog leefde’. Dat was niet gelogen, ik wist het niet.
‘Hij leeft zeker nog’, zei die andere, ‘hij woont in het oudemannenhuis, en hij is nog goed bij de zijnen.’
‘Bij de zijnen?' vroeg ik, 'in het oudemannenhuis?’
‘Ja’, zei die andere, ‘je moet hem eens opzoeken.’
Ik deed het meteen. Bij de in- en uitgang bleef ik geduldig wachten. Pas nadat een bezoeker de code ingetikt had kon ik binnen. Ik liep de gang af en keek naar de naamkaartjes. Bij het tweede had ik prijs: Georges.
De kamerdeur stond open. Georges lag in bed en was zichtbaar verwonderd me daar te zien. Hij keek me met grote ogen aan en zei niets.
‘Jij bent toch Georges?’ vroeg ik onzeker.
De man ging rechtop zitten en vroeg me wie ik was. Ik zei dat we verre familie van elkaar waren.
‘Hoe ver?’ wilde hij weten. Ik maakte me ervan af: ‘Zeer ver.’
‘Wat kom je hier doen?’ vroeg hij. Ik besefte dat mijn bezoek te laat kwam.
‘Dan ga ik maar weer’, zei ik en ik keerde op mijn stappen terug. Toen ik de uitgang bereikte en naar buiten wilde gaan, riep iemand me onverwachts toe: ‘Waar gaat u naartoe?’
Ik keerde me om, zag dat het een verpleegkundige was. Ik antwoordde naar waarheid dat ik naar huis ging.
‘Kom maar met me mee’, zei de man. Hij nam me vriendelijk maar kordaat bij de arm en gidste me doorheen de gangen tot helemaal achteraan, tot achter de deur met het nummerslot, tot in het gedeelte waar degenen zoals ik verblijven, tot bij de mijnen als het ware.

Flor Vandekerckhove
Een reactie posten