IEMAND ZEI ME dat hij Georges gezien had. Ik zei: ‘Ik wist niet eens dat hij
nog leefde’. Dat was niet gelogen, ik wist het niet. ‘Hij leeft zeker nog’, zei die andere, ‘hij woont in het oudemannenhuis, en hij is nog goed bij de zijnen.’ Ik vroeg: ‘Bij de zijnen, in het
oudemannenhuis?’
Ik ging Georges meteen opzoeken. Ik liep de gang
af en keek naar de naamkaartjes. Bij het tweede had ik al prijs: Georges. De kamerdeur stond open. Georges lag in bed en
was zichtbaar verwonderd me daar te zien. ‘Jij bent toch Georges?’ vroeg ik onzeker. De man ging rechtop zitten. ‘Wat kom je hier doen?’ vroeg hij. Ik besefte dat mijn bezoek een vergissing was. ‘Dan ga ik maar weer’, zei ik en ik keerde op mijn stappen terug. In de gang riep iemand me onverwachts toe:
‘Waar gaat u heen?’ Ik antwoordde naar
waarheid dat ik naar huis ging. ‘Kom maar met me mee’, zei de man. Hij nam me vriendelijk maar kordaat bij de arm en gidste
me doorheen de gangen tot helemaal achteraan, tot achter de deur met het nummerslot, waar mensen zoals
ik verblijven.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten